De godsdienst der huilende derwischen.
Niets verrast den reiziger in het Oosten meer dan de verschijning
der derwischen, die meestal in armoedige kleeding, met hooge vilten
mutsen op en met den staf in de hand, als teeken hunner afgelegde
pelgrimsreis naar Mekka, overal en in alle straten te vinden zijn,
waar zij het den vreemdeling door hunne onophoudelijke bedelarij
zeer lastig maken. Gelijk bekend is zijn de derwischen monniken van
eene zekere bedelorde, gewoonlijk lieden zonder beschaving, maar die
voorgeven visioenen te hebben, welke zij door het overmatig gebruik
van opium te voorschijn roepen, en waardoor zij bij het geringe
volk in groote achting staan. Dikwijls ziet men allerlei lieden,
ja zelfs soldaten, de vuile handen der derwischen kussen als bewijs
van godsdienstige vereering.
Men moet echter niet alle derwischen op ééne lijn plaatsen. Sommigen
van deze lieden zijn zeer gastvrij, anderen munten uit door bijzondere
godsdienstige verrichtingen. Onder deze laatsten zijn de dansende
derwischen het meest bekend. Zij hebben eene afzonderlijke moskee,
tot welke ieder vrijen toegang heeft, al ware hij ook een ongeloovige.
Minder bekend is de secte der huilende derwischen, en slechts door
den invloed van hooggeplaatste personen kan men toegang verkrijgen tot
hunne gebedsoefeningen. Deze secte is niet uitgebreid, omdat men hare
voorschriften en lichaamskastijdingen te streng vindt, doch het volk
acht hare belijders hoog om hunne vroomheid. De stichter der orde,
Chadri Hadzi Baba, ligt in een klooster bij Rustschuk begraven,
welk klooster voor zeer heilig gehouden wordt.
"Op zekeren Woensdag, den bepaalden dag hunner godsdienstoefeningen,"
verhaalt een reiziger, "begaven wij ons naar het klooster, en
toen wij de straten van Rustschuk achter ons hadden, bereikten wij
spoedig het gebouw, dat te midden van prachtige boomgaarden gelegen
is. Een eerwaardig grijsaard opende de groote poort, en noodigde
ons uit plaats te nemen onder een schaduwrijken noteboom, welks
voet hij belegd had met schapenvachten. Aanstonds bracht men ons
koffie en de noodige pijpen, waarna hij bij ons plaats nam en een
gesprek begon. Daarna maakten wij eene wandeling door de tuinen,
die inderdaad goed onderhouden waren en ons een denkbeeld konden
geven van den weelderigen plantengroei dezer streek. De monniken
bearbeiden in hunnen vrijen tijd zelf het land, en men moet hunne
vlijt bewonderen, daar zij slechts over weinige vrije uren beschikken
kunnen en het grootste gedeelte van den dag en den nacht in gebed en
boetedoeningen doorbrengen.
"Toen wij van onze wandeling terugkeerden, had zich in dien
tusschentijd, in de nabijheid eener fontein van het klooster, eene
menigte menschen verzameld, die tot de orde behooren. Onder dezen waren
eenige soldaten, kooplieden en partikulieren. Dit baart hier geene
verwondering, want ieder muzelman kan lid worden van deze orde en aan
de gebedsoefeningen deelnemen, zonder daarom derwisch te zijn of in het
klooster te wonen, in 't welk toen slechts drie derwischen huisvestten.
"Weldra zou de plechtigheid aanvangen; de monniken traden de moskee
binnen, terwijl wij ongeloovigen in eene kleine voorzaal werden
gebracht, van waar wij echter alles konden gadeslaan.
"De geloovigen plaatsten zich in eenen halven kring en vouwden
de beenen onder hun lichaam. In het midden zat hun chef, en
deze begon langzaam en welluidend de woorden te zingen: "le
Allah il Allah", die het begin uitmaken van de mohammedaansche
geloofsbelijdenis. Deze woorden werden gedurig herhaald, maar telkens
sneller, terwijl de personen eene beweging maakten met het hoofd voor-
en achterwaarts. Toen de snelheid van het zingen haar toppunt bereikt
had, hielden allen plotseling stil als om adem te halen, 't geen ook
wel noodig was. Maar terstond daarop begon de voorganger met een ander
vers. Dit bestond slechts uit het woord Allah, dat evenzoo eerst zeer
zacht werd aangeheven, doch vervolgens steeds luider en sneller ging,
totdat men eindelijk niets anders vernam dan een huilenden toon. De
bidders schenen zeer vermoeid, en werden afgelost door het gezang
van eenige Imans, die de plechtigheid bijwoonden. Daarna verhieven
zij zich allen, en nu begon het gezang rachmani rachin. Zij plaatsten
zich hierbij zóó, dat zij met schouder en knie elkander aanraakten,
en brachten daarbij hun lichaam links en rechts in beweging, eerst
langzaam en dan met de uiterste snelheid. Dit gedeelte hunner
godsdienstoefening kostte hun ongetwijfeld de meeste inspanning,
want allen brak het zweet uit; sommigen werden bleek, terwijl zelfs
een paar van de vroomsten stuiptrekkend op den grond vielen. Dit
hinderde echter de anderen niet het minst om voort te gaan, wijl men
deze stuiptrekkingen als uitwerking hunner bijzondere geloofskracht
aanzag. De uitspraken van de zoodanigen worden dan ook als ingevingen
des Heiligen Geestes beschouwd. Het gezang ging nu over in een gebrul
en had zijn toppunt bereikt, waarna de chef een teeken gaf, allen
zich ophieven en naar een tafeltje snelden waar koffie en pijpen
gereed lagen, ten einde zich hieraan te laven en op deze wijze de
verloren krachten te herwinnen.
"De plechtigheid was echter nog geenszins afgeloopen, daar de
werkelijke derwischen stil op hunne plaats bleven. Hun voorganger
sprak nu de turksche formule uit: "le Allah il Allah, Mohammed resul
Allah"! waarbij de monniken, die zich met het voorhoofd ter aarde
gebogen hadden, roerloos bleven liggen. Vervolgens sprak hij een gebed
uit, dat in den vorm veel overeenkomst had met dat der westersche
kerken. Hij bad voor den Sultan en zijn gezin, voor alle hooge
staatsdienaren en voor alle moslems, ja zelfs voor de christelijke
bewoners van Turkije. Ook werd de Keizer van Oostenrijk in de genade
van Allah aanbevolen, en werden wij aldus overtuigd dat men verkeerd
doet indien men alle Turken op dezelfde lijn van dweepzucht plaatst.
"Toen het gebed en hiermede de godsdienstoefening geëindigd
was, verlieten wij allen de moskee, en onderhielden ons met den
vriendelijken grijsaard, die verscheidene talen sprak. Hij bracht
ons naar het graf van den stichter des kloosters, en liet ons de
kist zien waarin het lijk lag. Zij was met een zwart laken bedekt,
en van talrijke spreuken uit den koran voorzien. Aan het boveneinde
van de kist waren twee oude verbleekte vaandels geplant, welke in den
heiligen oorlog gediend hadden. Aan de muren der grafkamer hingen
glazen kogels, struiseieren en andere voorwerpen, door de vrome
pelgrims uit Mekka medegebracht. Onder aan den voet van de kist stond
een klein kastje, welks inhoud wij echter niet mochten zien, wijl het
eenige haren van den baard des Profeets bevatte:--eene reliek, welke
zij kostbaarder hielden dan goud. Nog hingen langs de wanden eenige
zeer lange rozenkransen, uit groote paarlen bestaande. Men zeide ons
dat dit bijzondere werktuigen der kastijding waren, wijl de derwischen
van tijd tot tijd knielende op deze paarlen voortloopen, en zoo hun
gebed verrichten: eene operatie die waarlijk niet te benijden is.
"Het moet verwondering baren dat deze menschen hunne godsdienstoefening
met zooveel zelfverloochening en geduld uitoefenen, daar toch de
onophoudelijke sterke beweging en vooral het aanhoudend huilend en
brullend zingen niet dan nadeelig voor hunne gezondheid zijn kan,
zoodat het ook dikwerf gebeurt dat de jongere leden der orde de tering
krijgen en de meesten hunner er kwijnend uitzien."