IX.

De godsdienst der huilende derwischen.

Niets verrast den reiziger in het Oosten meer dan de verschijning

der derwischen, die meestal in armoedige kleeding, met hooge vilten

mutsen op en met den staf in de hand, als teeken hunner afgelegde

pelgrimsreis naar Mekka, overal en in alle straten te vinden zijn,

waar zij het den vreemdeling door hunne onophoudelijke bedelarij

zeer lastig maken. Gelijk bekend is zijn de derwischen monniken van

eene zekere bedelorde, gewoonlijk lieden zonder beschaving, maar die

voorgeven visioenen te hebben, welke zij door het overmatig gebruik

van opium te voorschijn roepen, en waardoor zij bij het geringe

volk in groote achting staan. Dikwijls ziet men allerlei lieden,

ja zelfs soldaten, de vuile handen der derwischen kussen als bewijs

van godsdienstige vereering.

Men moet echter niet alle derwischen op ééne lijn plaatsen. Sommigen

van deze lieden zijn zeer gastvrij, anderen munten uit door bijzondere

godsdienstige verrichtingen. Onder deze laatsten zijn de dansende

derwischen het meest bekend. Zij hebben eene afzonderlijke moskee,

tot welke ieder vrijen toegang heeft, al ware hij ook een ongeloovige.

Minder bekend is de secte der huilende derwischen, en slechts door

den invloed van hooggeplaatste personen kan men toegang verkrijgen tot

hunne gebedsoefeningen. Deze secte is niet uitgebreid, omdat men hare

voorschriften en lichaamskastijdingen te streng vindt, doch het volk

acht hare belijders hoog om hunne vroomheid. De stichter der orde,

Chadri Hadzi Baba, ligt in een klooster bij Rustschuk begraven,

welk klooster voor zeer heilig gehouden wordt.

"Op zekeren Woensdag, den bepaalden dag hunner godsdienstoefeningen,"

verhaalt een reiziger, "begaven wij ons naar het klooster, en

toen wij de straten van Rustschuk achter ons hadden, bereikten wij

spoedig het gebouw, dat te midden van prachtige boomgaarden gelegen

is. Een eerwaardig grijsaard opende de groote poort, en noodigde

ons uit plaats te nemen onder een schaduwrijken noteboom, welks

voet hij belegd had met schapenvachten. Aanstonds bracht men ons

koffie en de noodige pijpen, waarna hij bij ons plaats nam en een

gesprek begon. Daarna maakten wij eene wandeling door de tuinen,

die inderdaad goed onderhouden waren en ons een denkbeeld konden

geven van den weelderigen plantengroei dezer streek. De monniken

bearbeiden in hunnen vrijen tijd zelf het land, en men moet hunne

vlijt bewonderen, daar zij slechts over weinige vrije uren beschikken

kunnen en het grootste gedeelte van den dag en den nacht in gebed en

boetedoeningen doorbrengen.

"Toen wij van onze wandeling terugkeerden, had zich in dien

tusschentijd, in de nabijheid eener fontein van het klooster, eene

menigte menschen verzameld, die tot de orde behooren. Onder dezen waren

eenige soldaten, kooplieden en partikulieren. Dit baart hier geene

verwondering, want ieder muzelman kan lid worden van deze orde en aan

de gebedsoefeningen deelnemen, zonder daarom derwisch te zijn of in het

klooster te wonen, in 't welk toen slechts drie derwischen huisvestten.

"Weldra zou de plechtigheid aanvangen; de monniken traden de moskee

binnen, terwijl wij ongeloovigen in eene kleine voorzaal werden

gebracht, van waar wij echter alles konden gadeslaan.

"De geloovigen plaatsten zich in eenen halven kring en vouwden

de beenen onder hun lichaam. In het midden zat hun chef, en

deze begon langzaam en welluidend de woorden te zingen: "le

Allah il Allah", die het begin uitmaken van de mohammedaansche

geloofsbelijdenis. Deze woorden werden gedurig herhaald, maar telkens

sneller, terwijl de personen eene beweging maakten met het hoofd voor-

en achterwaarts. Toen de snelheid van het zingen haar toppunt bereikt

had, hielden allen plotseling stil als om adem te halen, 't geen ook

wel noodig was. Maar terstond daarop begon de voorganger met een ander

vers. Dit bestond slechts uit het woord Allah, dat evenzoo eerst zeer

zacht werd aangeheven, doch vervolgens steeds luider en sneller ging,

totdat men eindelijk niets anders vernam dan een huilenden toon. De

bidders schenen zeer vermoeid, en werden afgelost door het gezang

van eenige Imans, die de plechtigheid bijwoonden. Daarna verhieven

zij zich allen, en nu begon het gezang rachmani rachin. Zij plaatsten

zich hierbij zóó, dat zij met schouder en knie elkander aanraakten,

en brachten daarbij hun lichaam links en rechts in beweging, eerst

langzaam en dan met de uiterste snelheid. Dit gedeelte hunner

godsdienstoefening kostte hun ongetwijfeld de meeste inspanning,

want allen brak het zweet uit; sommigen werden bleek, terwijl zelfs

een paar van de vroomsten stuiptrekkend op den grond vielen. Dit

hinderde echter de anderen niet het minst om voort te gaan, wijl men

deze stuiptrekkingen als uitwerking hunner bijzondere geloofskracht

aanzag. De uitspraken van de zoodanigen worden dan ook als ingevingen

des Heiligen Geestes beschouwd. Het gezang ging nu over in een gebrul

en had zijn toppunt bereikt, waarna de chef een teeken gaf, allen

zich ophieven en naar een tafeltje snelden waar koffie en pijpen

gereed lagen, ten einde zich hieraan te laven en op deze wijze de

verloren krachten te herwinnen.

"De plechtigheid was echter nog geenszins afgeloopen, daar de

werkelijke derwischen stil op hunne plaats bleven. Hun voorganger

sprak nu de turksche formule uit: "le Allah il Allah, Mohammed resul

Allah"! waarbij de monniken, die zich met het voorhoofd ter aarde

gebogen hadden, roerloos bleven liggen. Vervolgens sprak hij een gebed

uit, dat in den vorm veel overeenkomst had met dat der westersche

kerken. Hij bad voor den Sultan en zijn gezin, voor alle hooge

staatsdienaren en voor alle moslems, ja zelfs voor de christelijke

bewoners van Turkije. Ook werd de Keizer van Oostenrijk in de genade

van Allah aanbevolen, en werden wij aldus overtuigd dat men verkeerd

doet indien men alle Turken op dezelfde lijn van dweepzucht plaatst.

"Toen het gebed en hiermede de godsdienstoefening geëindigd

was, verlieten wij allen de moskee, en onderhielden ons met den

vriendelijken grijsaard, die verscheidene talen sprak. Hij bracht

ons naar het graf van den stichter des kloosters, en liet ons de

kist zien waarin het lijk lag. Zij was met een zwart laken bedekt,

en van talrijke spreuken uit den koran voorzien. Aan het boveneinde

van de kist waren twee oude verbleekte vaandels geplant, welke in den

heiligen oorlog gediend hadden. Aan de muren der grafkamer hingen

glazen kogels, struiseieren en andere voorwerpen, door de vrome

pelgrims uit Mekka medegebracht. Onder aan den voet van de kist stond

een klein kastje, welks inhoud wij echter niet mochten zien, wijl het

eenige haren van den baard des Profeets bevatte:--eene reliek, welke

zij kostbaarder hielden dan goud. Nog hingen langs de wanden eenige

zeer lange rozenkransen, uit groote paarlen bestaande. Men zeide ons

dat dit bijzondere werktuigen der kastijding waren, wijl de derwischen

van tijd tot tijd knielende op deze paarlen voortloopen, en zoo hun

gebed verrichten: eene operatie die waarlijk niet te benijden is.

"Het moet verwondering baren dat deze menschen hunne godsdienstoefening

met zooveel zelfverloochening en geduld uitoefenen, daar toch de

onophoudelijke sterke beweging en vooral het aanhoudend huilend en

brullend zingen niet dan nadeelig voor hunne gezondheid zijn kan,

zoodat het ook dikwerf gebeurt dat de jongere leden der orde de tering

krijgen en de meesten hunner er kwijnend uitzien."

Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 10 / 12 题