Konstantinopel en omgeving.
Konstantinopel, door de Turken Stamboul en Istanboul of Islambol
genaamd, ligt op 41° N. B. en 28° 59' O. L. en werd door keizer
Constantinus gebouwd ter plaatse waar vroeger Byzantium lag. De
stad werd door hem verheven tot hoofdstad van het romeinsche rijk,
van welks oostelijke helft zij na de scheuring des rijks de hoofdstad
bleef tot in het jaar 1453, toen zij door Mohammed II werd ingenomen;
sedert dien tijd is zij de zetel der turksche regeering.
Dat Konstantinopel vele veranderingen heeft ondergaan en er menig
bloedig drama binnen en buiten hare muren werd opgevoerd, zal wel
zonder tegenspraak blijven, daar dit het lot van alle steden der
oudheid geweest is. Nogtans is zij, hoevele stormen ook over haar
gewoed mogen hebben, niet te gronde gegaan; en hoewel zij ook niet
in inwendige verbetering of verfraaiing veel moge toegenomen hebben,
toch heeft de geest van beschaving, die krachtiger werkt dan ooit de
profeet Mohammed verwachten kon, het maatschappelijke leven en de
zedelijkheid althans in die mate verbeterd, en de oorspronkelijke
ruwheid verzacht, zoodat men tegenwoordig deze stad veilig kan
doorwandelen, en niet behoeft te duchten door den een of anderen
moslem als een ongeloovige mishandeld of kwalijk bejegend te worden.
Vele huizen van Konstantinopel zijn omringd van hoven, beplant met
jujubeboomen, Judasstruiken en meer anderen, overeenkomstig het
klimaat en den grond van europeesch Turkije. Soms zijn die hoven zoo
vol van bloemen en vruchtboomen, dat de groote menigte van huizen,
die langs de helling der heuvelen staan en gewoonlijk rood van
kleur zijn, als achter een gordijn van bladeren, vruchten en bloemen
wegschuilen. Vooral in het voorjaar hebben de huizen van Konstantinopel
een vroolijk aanzien. Alsdan zijn de bloemen open en tooien met hare
duizendvoudige kleuren de stad, terwijl de donkere cypressen, welke
in breede groepen hier en daar op de kerkhoven bij elkander staan,
hun sombere tinten aan al die kleurenpracht huwen.
Wanneer men van uit de haven, den Gouden Hoorn, den blik wendt naar het
schiereiland Pera, dan rust de blik op de oude stad Galata, op welke
plaats tijdens de grieksche keizers de ondernemende Genueezen eene
handelskolonie vestigden, wier bewoners nog altijd kenbaar zijn aan
hunne oude taal. Hare oude muren, wallen en torens bestaan nog, en de
poorten worden elken nacht door de Turken met dezelfde zorgvuldigheid
gesloten als weleer door de oude Genueezen. Galata is eigenlijk een
handelsdepot, waar de kooplieden van alle natiën hunne magazijnen
en kantoren hebben, en waar nog de werkzame geest der ouden ieder
schijnt te bezielen. Op den rug van het hooge gebergte, tusschen
de haven en den Bosporus, ligt de stad Pera. Hier is de eigenlijke
woonplaats der Franken; de kooplieden, wier goederen in de gewelven
van het benedendeel der stad geborgen liggen, hebben op de zonnige
hoogten hunne woningen gebouwd, waar de lucht gezond en het uitzicht
vrij is, en werwaarts zij zich na afloop der beroepsbezigheden
begeven. De woningen der Franken vormen eene groote tegenstelling
met die der Turken. De huizen der laatsten zijn gewoonlijk laag
van verdieping, van hout opgetrokken en weinig van licht voorzien,
terwijl de frankische huizen hoog, helder en ruim zijn; het uitzicht
van daar over de zee met haar bochten en eilanden is inderdaad
betooverend. Hier bevinden zich de hotels en de paleizen van de
gezanten der verschillende mogendheden van Europa. Bijzonder prachtig
zijn de russische en engelsche gezantschapshotels. De beide voorsteden
der Franken zijn met Konstantinopel door een groote brug verbonden,
welke door de Turken Bujuk Tsjikmadsji genoemd wordt. Deze brug rust
op pontons en werd door Mohammed II over de haven gelegd. Geen uur
van den dag waarop deze brug niet met honderde menschen bedekt is,
en het is waarlijk wel de moeite waard, een poos het gedrang en het
gewoel gade te slaan van deze bonte menigte, onder welke zich bijna
alle nationaliteiten van Europa, Azië en Afrika bevinden. Men kan zich
een denkbeeld maken van de menschenmassa's, welke onophoudelijk langs
deze brug van de eene zijde naar de andere gaan, wanneer men weet,
dat de regeering de inning van het bruggeld voor 800,000 piasters
aan Armeniërs verpacht heeft, die er nog groote winst bij hebben,
in weerwil van het geringe tolgeld dat ieder voorbijganger betalen
moet, en dat slechts uit 5 paras, het achtste deel van een piaster,
ruim een cent, bestaat.
Wij willen Konstantinopel ook nog van een ander gedeelte der omgeving
uit bezichtigen, namelijk van de hoogte boven Eyub. Dit is eene
kleine plaats, of eigenlijk slechts eene straat, welke niet alleen
eene romantische omstreek heeft, maar ook wegens andere omstandigheden
merkwaardig is. Eyub of Job is de naam van een turkschen heilige, wiens
graf, over hetwelk eene moskee gebouwd is, zich hier bevindt. De Turken
kennen drie personen van denzelfden naam, die zij zeer dikwijls zonder
aanmerking van tijd of plaats met elkander verwarren. De eerste is de
ook bij ons door den Bijbel bekende patriarch Job, die in het land
Uz woonde. De Koran en zijne uitleggers weten van Job te vertellen,
dat zijne vrouw zijn geduld zoo uitputte, dat hij haar eindelijk,
in drift, met een palmtak sloeg. Toen God hem later zijne gezondheid
teruggaf, verkreeg ook de vrouw hare jeugd en schoonheid weder, terwijl
Allah de schuur van Job vulde met goud en zilver, dat uit eene wolk
afstroomde. De tweede Job was een der veldheeren en staatsdienaars
van Salomo. De derde, voor wien eigenlijk de moskee is gesticht, heet
Abu Eyub, die zich vooral bij de verovering van Konstantinopel in het
jaar 1453 zeer onderscheidde. Mohammed II bouwde de moskee over diens
graf, en in deze moskee moet zich iedere sultan, bij zijne komst tot
den troon, laten wijden. In Europa worden gewoonlijk de koningen bij
de aanvaarding van de regeering gekroond, doch in Turkije wordt den
sultan bij die gelegenheid een gordel met een zwaard om het midden
gebonden. Bij deze plechtigheid komen de Sheikh-ul-Islam, de vizier
en de overige hooge staatsdienaren te paard in het serail, vanwaar zij
den sultan naar de moskee van Eyub vergezellen. Bij de aankomst aldaar
houdt de opperste iman eene rede, in welke hij den sultan vermaant
alle krachten in te spannen tot handhaving en verbreiding van den
Islam, waarna dit door den sultan op den Koran bezworen wordt. Hierop
bestijgt de sultan eene marmeren tribune en wordt door den sheikh Ul
Islam met het zwaard omgord. De moskee is geheel van marmer en omgeven
van boomen. Men kan door de vergulde tralies den katafalk van den hier
begraven liggenden Eyub zien. De moskee zelve is vol reliquiën, onder
anderen een stuk marmer met den afdruk van een voet van den Profeet,
welken afdruk de steen opnam en bewaarde.
De voorstad Eyub is nog merkwaardig door eene groote fabriek. Hier
wordt het laken geweven voor de roode mutsen (fez), de nationale
hoofdbedekking van alle Turken. Vroeger maakte men deze mutsen in
Tunis, totdat een Armeniër het geheim ontdekte van die bijzondere
roode kleur. Dag en nacht zijn de machines in beweging, die het
laken bereiden en aan de mutsen haar fatsoen geven. Als de fez de
laatste machine verlaat, dan is zij zoo dicht geperst, dat men niets
van het breiwerk zien kan en zij op één stuk laken gelijkt. Daarna
verkrijgen alle mutsen eene schoone karmozijnkleur en worden naar
het depôt gebracht. Het geheele leger draagt zulke mutsen, die met
het naamcijfer van den Sultan gemerkt zijn. Schoon is het gezicht
dat men van hier uit over de omstreek heeft. Tegenover Eyub ligt het
Jillan-serail of slangenpaleis, dat zijnen naam verkregen heeft van
de menigte slangen, welke zich hier vroeger ophielden. Deze dieren
waren zoo menigvuldig, dat zij zelfs in de vertrekken op de divans
opgerold lagen, even alsof zij de eigenlijke bewoners waren. Die
streek is zeer ongezond en onder de bewoners woedt maar al te vaak
de moordende pestziekte. Niet ver van het slangenpaleis ligt de
kazerne der konstapels, en daar naast ziet men de zilvergieterij,
waar de platen gemaakt worden voor de munt, die men in het serail
aantreft. Het turksche geld is niet versierd met het borstbeeld van
den sultan, daar de koran de afbeelding van de menschelijke gedaante
verbiedt, maar draagt het naamcijfer en den titel van den Grooten Heer.
In de nabijheid der kazerne bevindt zich het dorp Hazkol, dat bijna
alleen door Joden bewoond wordt. Hunne kerkhoven zijn frisscher dan
hunne huizen, welke in een jammerlijken toestand verkeeren. Even
voorbij dit dorp ziet men het paleis van den Tershane Emini of
opzichter van het arsenaal. Thans wordt het bewoond door den minister
van marine. Aan dit paleis is de geheele inrichting der marine
verbonden. De magazijnen, werven en andere gebouwen strekken zich
bijna een uur ver langs de haven uit. Bij dit paleis bevindt zich ook
de kazerne der mariniers, een zeer geoefend slag van volk. Gewoonlijk
zijn in deze kazerne 15,000 man ingekwartierd. Achter dit gebouw rijst
de toren van Galata omhoog; de schildwachten, die bij den omloop van
dezen toren geposteerd zijn, kunnen de stad en hare omgeving tot op
vijf uren afstands overzien. Deze schildwachten, alsmede die van den
Seraskiër-toren, zijn belast met het uitsteken van een brandsignaal,
waarbij zij tevens op groote trommen moeten slaan ten einde de
manschappen der verschillende kazernes bijeen te roepen. Zoodra
er ergens in de stad brand ontstaat en de schildwachten het teeken
geven, worden er in de stad zeven kanonschoten gelost: maatregelen
in Konstantinopel zeer noodzakelijk, omdat de brandbluschmiddelen
jammerlijk, de straten nauw en de huizen meest van hout zijn. De
brandspuiten kunnen nooit in de stegen komen, en gewoonlijk is er zulk
een gebrek aan water, dat men om de woede der vlammen te keer te gaan,
geheele straten moet platschieten. Het is geene zeldzaamheid dat er
in éénen nacht 200 huizen afbranden.
Konstantinopel bezit vele en zeer schoone moskeeën, onder anderen
de Aya Sophia, de Achmed-moskee met zes minarets, en verschillende
andere. Ter westzijde van het douanenkantoor, waar ook de Emirs wonen,
bevindt zich het grieksche kwartier. Hier is de woonplaats van den
griekschen patriarch, alsmede de hoofdkerk, welke door den veroveraar
van Konstantinopel, Mohammed II, aan de Christenen werd afgestaan,
toen de Turken de Aya Sophia in bezit namen. Ook wonen hier de zeven
zoogenoemde vorsten der grieksche natie, die vroeger het ambt der
Hospodaren in Moldavië en Wallachije vervulden.
De straten van dit district zijn vuil en zeer nauw, en de huizen
bijna het aanzien niet waard. Niets is er wat hier den vreemdeling
kan boeien dan alleen de vele schoone aangezichten der grieksche
vrouwen en meisjes, die nog geheel de type der oude klassieke
grieksche schoonheid dragen. Achter het grieksche kwartier komt
het district van Blacherne, waar de muur, welke de beide zeeën aan
elkander verbindt, aan de haven grenst, zijne hooge tinnen over
haar verheft en zich dan tot Eyub uitstrekt. Tegenover Blacherne is
de groote turksche begraafplaats, en niet ver vandaar bevindt zich
het meest bekoorlijk gedeelte van Konstantinopel, de zoogenaamde
paradeplaats. Hier wandelen des avonds de aanzienlijkste bewoners
der stad, de Franken en de rijke Turken. Gezanten, attachés, hekims
(geneesheeren) en kooplieden van allerlei natiën zijn hier te zamen
vereenigd, en vormen door hunne verschillende kleederdrachten een
merkwaardig tafereel, dat bijna iederen avond wordt afgewisseld. Wij
willen dit gedeelte van ons artikel besluiten met eene vluchtige
beschrijving van de Aya Sophia moskee.
Toen Konstantijn zijne groote hoofdstad den Verlosser der wereld
toewijdde, achtte hij het zijn plicht een gebouw op te richten, bestemd
voor de uitoefening der christelijke godsdienst, en dat overeenkomstig
de grootheid der stad zou zijn. Dientengevolge bouwde hij den eersten
tempel der christelijke eeredienst, welke sedert de laatste vervolging
der Christenen onder Diocletianus, die alle kerken liet verwoesten, in
het romeinsche rijk werd geduld, en wijdde dien toe "aan de heilige
en eeuwige wijsheid Gods." Na den dood van Konstantijn, werd dit
prachtige gebouw vernietigd, maar door Justinianus herbouwd. Om het
noodige kapitaal tot dit belangrijke werk bijeen te krijgen, liet
hij onder anderen het zilveren standbeeld van Theodosius den Groote,
dat 7400 pond woog, versmelten. Meer dan tienduizend menschen waren
aan den bouw werkzaam, en toen na bijna zes jaar de kerk eindelijk
gereed was, riep de keizer in de vervoering zijner vreugde uit:
"O Salomo! ik heb u overtroffen!" Nauwelijks was echter het binnenste
gedeelte des tempels voltooid, of het gebouw werd door eene aardbeving
geheel in een puinhoop herschapen: doch de onvermoeide Keizer liet
alle gebroken stukken weder te zamen voegen, en op nieuw rees de
kerk even prachtig als voorheen omhoog. De kerk der Heilige Sophia
staat nog, zooals ze door Justinianus herbouwd is. Toen de Turken
Konstantinopel innamen, drongen hunne woeste benden in den tempel
door en wilden dien vernielen, maar gelukkig trad de Sultan tusschen
beiden en nam oogenblikkelijk het besluit deze christelijke kerk
in eene turksche moskee te herscheppen. Standbeelden, schilderijen,
altaren enz. werden weggenomen, en de versierde muren overkalkt. De
koran verving de plaats van den bijbel, en het voorhangsel dat,
gelijk men zegt, den toegang tot den tempel in Mekka verborg, werd
hier opgehangen. Overigens bleef het gebouw juist zooals het door
Justinianus werd opgericht. De platte grond bestaat in een vierhoek,
een grieksch kruis, welks zijden 243 voet lang zijn, terwijl de lengte
van het geheele gebouw, met inbegrip van den zuilengang, 269 voet
bedraagt. Boven het middenpunt van het kruis verheft zich de koepel,
welks hoogte slechts een zesde gedeelte van zijn diameter beslaat,
en welks gewelf zoo vlak is alsof de bouwmeester de gedaante des
uitspansels heeft willen nabootsen. Opdat deze koepel het gebouw
niet al te zeer drukken zou, is hij zamengesteld uit puimsteen, die
specifiek lichter is dan water, alsmede uit tichelsteenen van Rhodus,
die bekend zijn wegens hunne geringe zwaarte. De koepel wordt door
zuilen gedragen, welke op eene vernuftige wijze ingericht zijn om
aan niet al te sterke aardbevingen wederstand te kunnen bieden. Een
zuilengang van zes-en-dertig voet breed, die door negen poorten met
marmeren bogen en vleugeldeuren met andere zuilenrijen in verbinding
staat, geeft den toegang tot de moskee. Als men binnenkomt, wordt
het oog allereerst getroffen door den breeden koepel, welke eene
hoogte heeft van 180 voet en op vier groote marmeren bogen rust,
Zes en twintig groote en eenige kleinere vensters vermeerderen nog
den lichtstroom binnen het gebouw. In het geheel staan er binnen het
gebouw 104 zuilen, van welke er acht zijn van porfier, die Konstantijn
uit den zonnetempel van Rome derwaarts deed overbrengen, en zes van
groene jaspis, welke oorspronkelijk den tempel van Diana te Efeze
versierden. Aan de zuilen hangen groote schilden met gouden arabische
opschriften, die de verschillende attributen Gods (de Turken tellen er
104) opnoemen, welke door de geloovigen elken dag in het gebed moeten
vermeld worden. De grond is met matten belegd, Banken, altaren of
kansels zijn er niet. De tempelbezoekers knielen op den vloer neder,
en de Imans houden hunne prediking voor een kleinen lessenaar, die
met paarlemoer ingelegd is en iets of wat heeft van een schaakbord. De
priesters zitten op groote kussens van rooskleurige zijde. Geheel aan
het einde der moskee bevindt zich eene soort van verhevenheid, die
door den Iman beklommen wordt, als de Sultan den tempel bezoekt. In
weerwil van al de pracht der bouwkunst aan dezen tempel besteed, laat
deze moskee, ten minste wat haar voorkomen betreft, den bezoeker toch
onbevredigd. Er is te veel onregelmatigs in, of liever de koepels,
daken, torentjes en minarets, welke laatsten de Turken er zonder
den minsten kunstzin bijgevoegd hebben, zijn te veel verspreid en te
wanordelijk, dan dat het oog er met welbehagen op rusten kan. Hier en
daar ziet men groote scheuren, en aan de onvergeeflijke traagheid en
nalatigheid harer inwoners zal eenmaal Konstantinopel het te wijten
hebben, dat deze merkwaardige tempel plotseling in elkaar zinken,
en tegelijk de stad een der merkwaardigste gebouwen der oudheid
verliezen zal.