Andere harems.
Niet alle harems zijn echter zoo onverbiddelijk voor het oog
der vreemdelingen gesloten als die des sultans. Heden ten dage is
het niet ongewoon, dat eene westersche vrouw, mits zij van goede
introductie voorzien is, den harem van een rijken effendi of hoogen
staatsdienaar binnentreedt. De beroemde schrijfster Frederika Bremer
deelt, in hare reis naar het Heilige Land, daaromtrent de volgende
merkwaardige bijzonderheden mede uit haar verblijf te Jeruzalem. [3]
"Nadat wij met de medegenomen spijzen en vruchten ons middagmaal
hadden gedaan, maakte ik met de beide meisjes een bezoek in den
harem van den sheikh. Wij werden daar vriendelijk ontvangen door
een krachtige vrouw van omstreeks vijftig jaren, die met onze goede
burgervrouwen in Zweden zeer veel overeenkomst had, en aan ieder van
ons een versch geplukten ruiker van welriekende tazetten bood, waarbij
zij, als welkomstgeschenk voor mij, nog eene roos voegde. Vervolgens
bracht zij ons in hare kamer, waarin rondom langs de wanden divans
stonden; en daar begonnen wij, dat wil zeggen de beide dochters van
den bisschop, die het arabisch ten volle machtig zijn, een gesprek met
haar, waaraan ik alleen door middel van een tolk deel kon nemen. Toen
de goede vrouw hoorde, dat de dames nog ongehuwd waren, toonde zij
zich zeer verwonderd, en noemde het "groote schande, dat zulke groote
meisjes nog geen man hadden." En toen de meisjes daarop lachende op
mij wezen en zeiden dat ik ook nog altijd buiten den echt leefde,
sloeg zij de handen ineen, liep verschrikt naar de deur, als wilde
zij het vertrek verlaten, en zeide daar op hartstochtelijken toon,
dat zij zich, zonder man en kinderen, geen geluk denken kon. Voorts
verlangde zij van mij te weten, waarom ik niet was gehuwd, en toen
ik haar dat had uitgelegd, hernam zij wel, dat ik gelijk had, maar
verklaarde tevens, dat zij hiervan niets meer wilde hooren, en geleidde
ons op het dak der woning, om er het uitzicht te bewonderen. Er was
in het spreken en doen van die goede vrouw iets levendigs, geestigs
en degelijks. En daar zij van den dag van haar huwelijk af de éénige
vrouw van den sheikh gebleven is, zoo vermoed ik dat deze, die een
goed en vroom man schijnt te zijn, bij zijne wederhelft wel wat onder
den pantoffel staat, en dat die mohammedaansche pantoffel juist niet
altijd van fluweel zal wezen.
"De sheikh, zijn zoon, zijne dochter en de kinderen van deze
onderscheiden zich, even als hunne woning, door schoonheid en
welvaart zeer gunstig van de overige bewoners en huizen van het
dorp. De eerste heeft ook het opzicht over de moskee. En nadat wij
dat heiligdom bezocht, de koffie, welke de echtgenoote van den sheikh
ons aanbood, gedronken en haar voor de genoten gastvrijheid door een
klein geschenk in geld onze dankbaarheid betoond hadden, keerden wij
door de dalen Kedron en Hinnom, door de Sionspoort naar huis terug,
waar wij, na dien langen en vermoeienden, maar tevens interessanten
tocht, met een dankbaar gevoel aan de rust ons overgaven.
"Op de mededeeling van dat uitstapje, laat ik het verhaal volgen van
mijn bezoek in den harem van Effendi Musa, waar ik door de jeugdige en
beminnelijke echtgenoote van den consul Rosen, eene dochter van den
bekenden componist en pianist Moscheles, werd ingeleid. De Effendi
Musa, een vermogend man, was jaren lang, zonder kinderen te krijgen,
met zijne eerste vrouw gehuwd geweest. Hij nam daarop eene tweede
vrouw, die hem na verloop van een jaar door de geboorte van een zoon
verblijdde. Schier gelijktijdig beviel nu echter ook de eerste vrouw
van eenen zoon.
Maar toen dat kind binnen ettelijke maanden weder overleed, werd de
tweede vrouw zoo bevreesd dat de andere haren zoon vergiftigen zou, dat
zij 't in den harem niet langer kon uithouden en naar het ouderlijke
huis wederkeerde, waar zij sedert door haren echtgenoot wordt bezocht.
"Van dien tijd af kon de eerste dus weder ongestoord in den harem
heerschen; doch onze intrede in dezen beloofde niet veel goeds. De
gewelfde poort en de trap, die erheen voerden, waren vuil en vol met
allerlei dingen, die er niet behoorden; maar daarna werd het beter,
en de trap opgegaan zijnde, traden wij een ruime, zindelijke plaats
binnen, die met steenen platen was bevloerd. Hier kwamen twee jonge,
sierlijk getooide dames, in vuurroode jakjes en met bloemen in de
haren, ons te gemoet, en brachten ons, na ons vriendelijk welkom
geheeten te hebben, in hare gezelschapskamer. Het waren de eerste vrouw
van Effendi Musa en een ongehuwde bloedverwante van haar. De eerste,
Sitti Selma, gaf mij den indruk van een volwassen kind. Zij telde
vier-en-twintig jaren, had een teeder, rank figuur en een zeer lief
gelaat met fijne, mooi gevormde trekken en schoone donkere oogen. Een
halve krans van levende dubbele jonquilles, die door een agraffe van
amethyst boven het voorhoofd bevestigd was, omgaf een klein fluweelen
mutsje, waarvan twee kwasten van donkerblauwe zijde tot laag over
den nek naar beneden hingen. Het krippen kleed, dat met opgeplakte
geborduurde bloemen met gloeiende kleuren was bezaaid, werd beneden het
jakje samengehouden door eenen gordel, die een gouden horloge en andere
versierselen droeg. Hare nagels waren zwartblauw geverfd, en hare
handen overdekt met figuren van dezelfde kleur. Zij scheen kinderlijk
vroolijk en ongegeneerd te zijn, maar was ook zeer vrijpostig in het
opnemen van mijne kleeding en die van mevrouw Rosen. Ieder stuk er
van werd afzonderlijk bekeken en betast, ja zelfs onderzocht zij of
wij korsetten droegen, en gaf daarover hare verwondering te kennen.
"De ongehuwde dame, Sitti Nephisa, was een zeer mooie blondine van
zeven-en-twintig jaren met volle en ronde vormen, en veel minder
nieuwsgierig dan hare gehuwde nicht. Hare handen en nagels waren
niet beschilderd, maar veel mooier dan die der jonge vrouw, en op
haar hoofd droeg zij een krans van heel kleine bloempjes.
"Zwarte slaven en slavinnen gingen de openstaande deur, waarmede men
op de plaats kwam, uit en in, en zetten eenige ververschingen voor ons
klaar. Daarop werd een jeugdige slavin uit Abyssinië, die eerst voor
korten tijd gekocht was, voor ons gebracht en haar bevolen, den zoom
van onze kleederen te kussen en de linkerhand op de borst te leggen,
terwijl zij ons met de rechter in kleine echt porceleinen kopjes
thee presenteerde. Op dezelfde wijze werd ons vervolgens, mede in
zeer kleine kopjes, koffie aangeboden, die, even als de thee, sterk
gesuikerd was. En daarna werden twee kleine negerkinderen--slaven des
huizes--binnen geroepen, die weder onze kleederen moesten kussen,
en door de beide dames geliefkoosd en zeer vriendelijk behandeld
werden. Intusschen verlangde ik naar een meer degelijk onderhoud,
en greep daartoe de gelegenheid aan, toen zij ons de boeken van
Effendi Musa lieten zien, die zij echter zelf niet gelezen hadden,
omdat--geen van beiden lezen kon: want een mohammedaansche vrouw,
die lezen kan, is een groote zeldzaamheid. Door mevrouw Rosen, die het
arabisch volkomen goed verstaat en spreekt, en die de goedheid had mij
tot tolk te dienen, vroeg ik haar, of zij bidden konden en dagelijks
tot "Allah" baden, 't geen aanstonds door beiden met "Ja!" bevestigd
werd. Zij baden, zeiden zij, vijfmaal daags en telkens een ander
gebed, hoewel dagelijks dezelfde gebeden. Vervolgens vroeg ik, of zij
geloofden, dat zij, even goed als de mannen, in het paradijs zouden
komen? Waarop weder haar antwoord luidde:
"Ongetwijfeld. Alle Moslemim komen in het paradijs. Sommige
onmiddellijk na den dood, andere nadat zij eerst een straf- of
louteringstijd hebben doorgestaan, die korter of langer duurt, naar
gelang zij op aarde beter of slechter hebben geleefd."
"Waarmede," ging ik voort, "zullen de gezaligden in het paradijs zich
bezig houden?"
"Met niets," hernamen zij, "dan met het afleggen van bezoeken bij
hunne vrienden."
"Zullen zij daar ook muziek maken?"
"Neen; want dat zou zondig zijn."
"Zullen zij er ook eten en drinken?"
"Neen; want in het paradijs hebben de zaligen geene tanden en nog
minder honger of dorst. Willen zij echter iets gebruiken, zoo behoeven
zij 't maar te wenschen, en dadelijk zien zij een gedekte tafel voor
zich staan, gelijk men over 't geheel in het paradijs maar een wensch
heeft uit te spreken, om dien aanstonds vervuld te zien."
"Zullen zij daar God zien?"
"Voorzeker neen! Daarvan kan nimmer sprake zijn. Niet eens kan zulk
een wensch in hen opkomen, daar de profeet Mohammed en zijn paradijs
voor allen genoeg zullen zijn."
"Waar komen zij, voor wie de toegang tot het paradijs gesloten is,
de zondaren en goddeloozen?"
"In het brandende vuur. Maar nadat zij in het vuur gelouterd zijn,
zullen ook zij in het paradijs opgenomen worden."
Deze en meer andere vragen van dien aard werden allen vlug en helder
beantwoord, met name door de ongehuwde dame, die blijkbaar in verstand
en nadenken de andere overtrof. Zij scheen ernstig belang te stellen
in godsdienstige zaken, waarin zij van hare tante mondeling onderwijs
ontvangen had. En op de vraag, welke ik ten slotte tot haar richtte,
of zij geen lust gevoelde om te reizen en andere landen te zien, zoo
als mijn vaderland, dat ik haar als zeer schoon beschreef, hernam
zij: "Neen. Als ik reizen kon, zou ik het liefst naar Stamboul
(Konstantinopel), waar mijn vader heeft geleefd, of naar Mekka
gaan. Maar daar dit niet mogelijk is, houd ik 't voor best, in de stad
te blijven, waarin Abraham, David en Christus hebben verkeerd. In
andere steden is misschien meer "fantasia"--vermaak--maar hier vind
ik meer, dat tot stichting dient." En daarop kon ik niets dan "Taib,
taib!"--"goed! goed!" laten volgen.
"Maar waarover het gesprek ook loopen mocht, over den hemel of de
hel, over Stamboul of Mekka, altijd kwam het weder op de kleeding en
het toilet terug, waarin de vrouw des huizes meer dan in iets anders
scheen belang te stellen.
"Mevrouw Rosen verzocht haar, ons haar mooie kleederen te laten
zien, en daartoe was zij aanstonds bereid; maar ongelukkig was de
sleutel tot de kamer, waarin deze schatten verborgen lagen, nergens te
vinden. Vergeefs werd hij onder de matrassen en kussens van de sofa's
gezocht, die, zooals ik bij deze gelegenheid zag, tot bewaarplaats van
allerlei voorwerpen moesten dienen. Wij moesten ons dus vergenoegen
met het bewonderen van een paar kussens en kleedingstukken, die even
smaakvol als kunstig met gouddraad geborduurd waren, maar ons door
de eigenares wat heel ongegeneerd werden toegeworpen. Wat zij ons
echter niet liet zien, niettegenstaande ik weet, dat het in dit,
zoowel als in elk mohammedaansch huis gevonden wordt, was de zweep,
waarmede onordelijke en ongehoorzame slaven worden gestraft; en
de heer des huizes ook zijne echtgenooten tuchtigt, als deze met
elkander oneenigheid hebben of zich tegen hem niet lief gedragen:
want met gestrengheid handhaaft de man in het Oosten steeds zijn
gezag in huis, en, zonder zijn verlof, mag zijne vrouw in zijne
tegenwoordigheid zelfs niet eens gaan zitten.
"Enkele gedeelten van de kleeding, welke zij aan had, liet zij ons
meer nauwkeurig zien, en van nabij beschouwd, bleken ook deze vrij
kostbaar te zijn, hoewel zij weinig smaak verrieden.
"De abyssinische slavin zette ons vervolgens twee met wasdoek overdekte
bankjes of kleine tafeltjes, het eene boven op het andere, voor,
en plaatste daarop een presenteerblaadje met een half dozijn kleine
schoteltjes, die oostersch manna, pistaches, suikerboonen, schijfjes
van sinaasappelen, alsmede een soort van amandelpers bevatten, dat
tot dunne, zachte stengels uitgerold was en sterk naar rozenwater
smaakte. Onze gastvrouwen noodigden ons op de meest vriendelijke, vaak
zelfs--daar zij ons verscheidene lekkernijen in den mond staken--meest
handtastelijke wijze uit, van de aangeboden versnaperingen gebruik te
maken, en de pogingen, welke wij deden om ons tegen die gewelddadige
gulheid te verweren, maakten van beide zijden den lachlust gaande. Over
't geheel gaven die kinderen der gevangenis mij recht aangename
indrukken, en schepte ik, in weerwil van het wel wat ruwe gedrag der
jeugdige vrouw, in haren omgang vrij wat meer behagen dan soms in
het onderhoud der dames in onze europeesche salons. Maar "één zwaluw
maakt nog geen zomer", zegt het spreekwoord, en ik moet erkennen,
dat een gesprek van een enkel uur nog niet bewijst, dat iemand op
den duur aangenaam in de conversatie is.
"Op mijne vraag aan Sitti Nephisa, of zij de gedachte aan het huwelijk
voor altijd had opgegeven, antwoordde zij lachende: "Zeer zeker!" want
zij was immers reeds oud--zeven-en-twintig jaren--en onder hare
maagschap werd er voor haar geen man meer gevonden, nadat de voor
haar bestemde echtgenoot reeds op jeugdigen leeftijd gestorven was.
"De Arabieren zijn gewoon, hunne kinderen zeer vroeg, dikwijls reeds
bij de geboorte, te verloven, en laten die verloofde paren, als ze
nog zeer jong--de meisjes vaak nog kinderen--zijn, met elkander
in het huwelijk treden. Meermalen geschiedt dat, zonder dat de
jongelieden elkander te voren hebben leeren kennen. En indien één
van de verloofden vóór het huwelijk sterft, zoo wordt er, maar altijd
binnen den kring der bloedverwanten, een andere wederhelft voor den
overblijvende gezocht.
"Uit dit huis begaven wij ons naar een ander. Daar vonden wij de
dames echter niet te huis. Zij maakten juist eene visite bij de
vrouw van den pasja; maar men verwachtte ze ieder oogenblik terug,
en de slavinnen verzochten ons daarom dringend, de voorkamer, een
groot, licht en zeer mooi vertrek met hooge ronde vensterbogen in
byzantijnschen stijl en scharlaken rooden gordijnen, binnen te gaan
en daar ons gemak te nemen. De heer des huizes was een rijke Effendi,
die drie vrouwen had en met zijnen zoon en diens jeugdige echtgenoote
dit huis bewoonde. Toen wij in de kamer waren, kwamen als gewoonlijk,
ook de slavinnen met hare kinderen daarbinnen en stonden ons aan te
gapen. Enkele van dezen waren geheel zwart, en hadden in de uitdrukking
van haar gelaat iets wilds. Andere daarentegen waren brons van kleur
en bezaten fijne trekken en het levendige gebarenspel, waardoor de
bevolking van Abyssinië zich onderscheidt. Één van de laatsten, die,
naar men ons zeide, eene vertrouwde slavin en zeer bemind hier in den
harem was, had een bijzonder goedhartig en schrander gezicht. Over
't geheel worden de abyssinische slaven en slavinnen voor de besten
gehouden, en roemt men hen als schrander, goedhartig en trouw. Maar des
te meer is het te bejammeren, dat zoovelen uit dit kleine afrikaansche
volk, 't welk te midden der Mohammedanen zijn christelijk geloof heeft
bewaard, door den nood gedwongen worden, om hun vaderland te verlaten
en zich als slaven te verkoopen. Men heeft hunne schoone gelaatstrekken
maar aan te zien, om te erkennen, dat zij van arabische afkomst zijn
en zelfs tot een edelen stam van dat volk behooren.
"Van de dames, die thuis gebleven waren, trad er ééne, die een vrouw
van den tweeden rang scheen te zijn, en profond négligé bij ons
binnen, en zette zich naast ons neder. Weldra was zij in gesprek met
Mrs. Johnson en bewonderde daarbij het bouquet, dat deze op haren hoed
had; maar toen Mrs. Johnson het wilde los maken en haar ten geschenke
geven, zwoer zij bij Allah, dat zij het nimmer zou aannemen. Een
oogenblik later scheen zij daarover echter berouw te hebben. Zij gaf
toen althans te kennen, dat zij de bloemen toch gaarne zou bezitten,
en nu verhuisde het bouquet van het schoone hoofd van Mrs. Johnson
naar het niet schoone hoofd van Sitti Ayesha, zonder dat de laatste
zich daarbij door den zooeven uitgesproken eed ook maar in het
minst bezwaard gevoelde. Zulke gedachtelooze eeden worden trouwens,
naar mij gezegd is, door de mohammedaansche dames ieder oogenblik
uitgesproken. Het uitzicht van deze jonge vrouw teekende ruwe en
hevige hartstochten.
"Alsnu ontstond er een levendige beweging onder de slavinnen in het
vertrek. Men zeide ons, dat de voornaamste dames des huizes waren
teruggekomen; en kort daarna traden twee vrij aanzienlijke gestalten
de kamer binnen. De ééne, een vrouw van ruim dertig jaren, droeg
een goudgeel gewaad met eenigszins groote bloemen; de andere, veel
jonger en zeer bekoorlijk, had een zwartzijden jakje en pantalons
met gouden franjes en rijke borduursels aan. De laatste, die vóór
weinig tijd met den zoon des huizes was gehuwd, betoonde zich in hare
uitdrukkingen en gedragingen uiterst bedeesd, en was als zoodanig het
tegenbeeld van de andere dame, die met hoogst ongegeneerde en weinig
aangename manieren, naar de wijze der ganzen op de sofa plaats nam
en nu het eene, dan het andere been in de hoogte hief. Haar kleed,
dat naar voren open was, liet een gouden keten zien om eenen hals,
blank als sneeuw; maar hare houding was achteloos en, naar onze
begrippen, niet eens welvoegelijk. Onder de drie vrouwen van haren
echtgenoot scheen zij de voornaamste te zijn, en zij verhaalde ons,
dat zij eene "Hadji" of bedevaartgangster stond te worden, en in het
aanstaande voorjaar met haren gemaal en één van zijne andere vrouwen
eene bedevaart naar Mekka zou ondernemen. Zij kon een weinig lezen,
maar geen letter schrijven; en toen Mrs. Johnson haar zei, dat ik eene
dame was, die boeken schreef, scheen dat haar begrip ten eenenmale
te boven te gaan. Een knaapje, dat er ziekelijk uitzag, werd onder
dat gesprek van de borst eener jeugdige slavin genomen en haar op den
schoot gelegd, maar daar begon het zoo onrustig te worden en zoo te
schreeuwen, dat het hoe eer hoe beter aan het zwarte meisje, bij wie
het blijkbaar veel liever dan bij zijne moeder was, moest teruggegeven
worden. De jeugdige dame, even aangenaam als de oudere het niet was,
bood ons op een presenteerblad uitstekenden sorbet van essence de rose
en daarna een fijn geborduurden zakdoek aan, om er den mond mede af
te vegen. Hebe of Ganymedes hadden niet met meer zedigheid en edele
bevalligheid voor de goden den nektar kunnen inschenken, dan zij hier
te werk ging. In haar voorkomen en hare kleeding was iets antiek edels,
en haar fijn besneden gelaat bezat een kinderlijke, waarlijk roerende
schoonheid. Hoe bedroevend, dat ook deze in het riool van een harem
verlaagd zal worden! Ik kan er geen zachter woord voor vinden, als ik
aan den aard en den gewonen toestand van die vrouwenverblijven en de
aangeboren schoonheid van dit jeugdige schepsel denk. Maar misschien
valt haar 't geluk ten deel, hier eene uitzondering te maken, en tot
die weinige bevoorrechte vrouwen te behooren, die uitsluitend en voor
altijd de liefde van haren echtgenoot boeien. Voor het minst scheen
zij dat te verdienen. Doch wat de toekomst haar ook eens zal brengen,
thans was zij blijkbaar gelukkig, als een jeugdige liefhebbende en
beminde bruid, die, in het volle genot van het tegenwoordige, aan
den dag van morgen niet denken kan.
"Met de meeste vriendelijkheid werden wij hier ontvangen en met
de onbekrompenste gulheid onthaald; want gastvrijheid behoort tot
de plichten en de deugden der Mohammedanen. Miss Moon rookte een
"narghilé" of een soort van turksche pijp, die ik later wel eens
beschrijven zal. Bij ons vertrek zagen wij in een kleine kamer,
nabij den divan, in een met zilver gemonteerde wieg, een kleinen
dikken jongen, nog in luiers gewikkeld, liggen slapen. Toen had hij
reeds een tulband op 't hoofd--een pasja in miniatuur!
"In het derde huis, dat wij dezen dag bezochten, werd Mrs. Johnson met
een uitroep van vreugde ontvangen door een jeugdige, prachtig gekleede
dame en een even jongen heer met een tulband op 't hoofd. Beiden, met
wie zij van hare kindsheid af bekend was, schenen zeer veel van haar te
houden, en hadden zich heden reeds op haar bezoek verheugd. Tot mijne
verwondering trad de jonge heer met ons de ontvangkamer binnen, en
zette zich daar sans gêne op een divan neder, om aan ons gesprek deel
te nemen. Hij was de zwager van de jonge vrouw, en herstellende van
een langdurige ziekte. Even als zijne schoonzuster, zag hij er lief,
goedhartig en schrander uit. Op zijn veertiende jaar gehuwd, was hij
thans zelf reeds huisvader, hoewel hij nog niet meer dan achttien jaren
telde. De jonge vrouw bezat in uitdrukking en voorkomen een waarlijk
europeesche bevalligheid, ofschoon hare kleeding niet vrij was van
dezelfde smakeloosheid, waardoor hier in 't algemeen het toilet der
dames gekenmerkt wordt. In plaats van een jakje, droeg zij een blouse
van blauwe zijde, en om haar middel en over haar éénen schouder had
zij een band van gouden munten, enkele en dubbele gouden "mejids"
en oostenrijksche dukaten, terwijl aan dien kostbaren gordel nog
bovendien een groot gouden horloge en andere prachtige versierselen
hingen. De wimpers van hare oogen en hare wenkbrauwen waren zwart
gekleurd, waardoor evenwel aan de goedhartige uitdrukking van haar
gelaat in geenen deele afbreuk werd gedaan.
"Volgens gewoonte, werden ons koffie en zoetigheden aangeboden,
terwijl miss Moon weder een sigaartje rookte. De jonge vrouw wilde
niets gebruiken, omdat zij, ter betooning van dankbaarheid voor
hare voorspoedige herstelling uit haar derde kraambed, de gelofte
had gedaan, dezen dag te zullen vasten. Zij verliet ons voor eenige
oogenblikken, om haar jongste kind de borst te geven. Blijkbaar was
zij een gelukkige echtgenoote en moeder, en levenslust straalde uit
hare oogen. Ook haar zwager scheen tevreden en gelukkig, hoewel hij
te kennen gaf, dat hij gaarne zou gaan reizen, ten einde wat meer
van de wereld te zien. Daarmede--voegde hij er lachend bij--wilde
hij echter wachten, totdat hij om zijn kin wat ruwer zou geworden
zijn. En inderdaad, was daaraan van een baard nog niets te zien. Maar
toch was hij al vast begonnen met engelsch te leeren.
"Ik voor mij kan niet anders dan de welwillendheid en hartelijkheid
roemen, welke ik bij mijne bezoeken van deze vrouwen ondervonden heb,
en hetzelfde geldt van het verstand, dat zij voor het grootste gedeelte
in hare vragen en antwoorden lieten blijken. Ik houd mij overtuigd,
dat zij, tot vrijheid en christendom opgevoed, weldra onze meest
beschaafde europeesche vrouwen zouden op zijde streven. Maar des te
grooter is ook de zonde, waaraan men zich jegens haar schuldig maakt,
door ze in die geblankette vernedering, die geestelijke gevangenschap
te houden, en des te rechtvaardiger de straf, die een volk treft,
dat in de vrouw niet de moeder des menschelijken geslachts weet te
achten. Zulk een volk moet zelf--'t is zijne natuurlijke straf--der
vernedering en ontbinding onderworpen worden; want hoe kunnen deze
vrouwen, die niet minder dan de mannen menschen zijn, de opvoedsters
worden van een vrij, zelfstandig volk, dat zijne verhevene bestemming
kent en op de baan der ontwikkeling voorwaarts gaat? Waar het gezin
het eigendom is van een huiselijken despoot; waar de huisvader voor
onbeperkten gebieder, de vrouw daarentegen voor niet meer dan een
stuk huisraad of eene slavin geldt, alleen voor de dienst of het
vermaak van haren heer bestemd,--daar wordt ook het volk onderworpen
aan een onbeperkten heerscher en daarmede aan slavernij en dood,
tenzij het nog kracht genoeg bezit, om zijne boeien te verbreken. De
eerste stap tot dit laatste zou de bevrijding van de vrouw en de
verheffing van het huiselijke leven zijn, en dat is daarom eene
levensvraag voor alle volken van het Oosten. Een tijd lang hebben
de Moslemim--geloovigen--aan 't hoofd van die volken gestaan. Maar,
sterk als veroveraars, bezaten zij niet de kracht, maatschappelijke
orde en vrijheid te stichten; niet de kracht, de zegeningen der
beschaving en des hoogeren vredes aan de volken te schenken. En waar
is nu hunne grootheid en staatkundige zelfstandigheid? De Hooge Porte
heeft voor de rossen en wagens van vreemde natiën hare deuren moeten
ontsluiten. Haar halve maan daalt ter kim, haar ster gaat onder. En
zoo moet het elk volk gaan, dat de woorden der scheppingsgeschiedenis
niet ter harte neemt: "God schiep den mensch naar zijn beeld, man
en vrouw schiep Hij ze, en God zegende hen en zeide tot hen: Weest
vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt u
haar!" Alleen daar, waar deze wederkeerigheid en gelijkheid zuiver
en ongestoord bestaan, kan een volk dien goddelijken zegen deelachtig
worden en de aarde in een paradijs herscheppen."