Een blik in den harem.
Uit den aard der zaak is het licht begrijpelijk, dat men weinig van
het inwendige van den harem kan weten; nogtans is nu en dan iets
uitgelekt, waardoor men met eenige bijzonderheden is bekend geworden.
De vrouwen van den harem zijn, naar haren rang en hare bestemming,
in vijf klassen verdeeld.
De hoogstgeplaatsten heeten "Kadinen." Deze naam is afgeleid van
Khatun, zooals alle aanzienlijke turksche vrouwen genoemd worden. De
Kadinen dragen dien titel van "beminden" des sultans, en genieten
dezelfde voorrechten als weleer de sultanen of sultaninnen. Haar
aantal is door de wet bepaald op zeven.
Als zij zich eenmaal binnen den harem bevinden, verliezen deze vrouwen,
gelijk de andere vrouwen van den sultan, haren eigen naam, en worden
dan, even als in sommige gevangenissen, door een nummer aangeduid. Zij
heeten alsdan, volgens hare aankomst, Khatun birindski, Khatun
inkindski enz., of in het nederduitsch: Mevrouw Een, Mevrouw Twee
enz. Volgens gerucht en gedeeltelijk uit de mededeeling van ontvluchte
wachters, is de tegenwoordige Mevrouw Een achttien jaar oud, slank van
gestalte, maar heeft zij nietsbeteekenende gelaatstrekken. Mevrouw
Twee is blond, lieftallig, levendig, vroolijk en wel in staat om
te bekoren. Mevrouw Drie is eene schoone Tsjerkessische, die aan
eene prinses het leven schonk. Mevrouw Vier is eene onberispelijke
schoonheid, maar kinderloos. Mevrouw Vijf is donkerbruin met blauwe
oogen; Mevrouw Zes eene betooverende blonde van Salonika; Mevrouw
Zeven ziet er wel een weinig onnoozel uit, maar haar gelaat straalt
als de maan en hare oogen schitteren als die der houris.
Naast dezen kring van vrouwelijke gestarnten van de eerste grootte, de
zonnen van den harem, vertoont zich eene groep van vijftig tot zestig
planeten, aan welke men den naam geeft van Odalyq (odalisken). Zij
zijn in den bijzonderen dienst des sultans, en dragen verschillende
titels en namen, naar gelang van het ambt dat zij bekleeden. Daar
de sultan, in de bijzondere vertrekken van zijn paleis als ook in
den harem, alleen door vrouwen bediend wordt, zoo spreekt het van
zelf dat deze ook verschillende waardigheden en posten bekleeden. De
eene is intendant der tafel, eene andere intendant der garderobe,
enz. De overigen bedienen den monarch bij het middagmaal, baden hem,
kleeden hem, trekken hem de laarzen aan, verdrijven de muskieten
gedurende zijnen slaap, en ondersteunen zijn hoofdpeluw als hij zijn
siesta houdt.
Andere vrouwen hebben--in haar oog--meer benijdbare verrichtingen,
en deelen met de kadinen de betuigingen van gunst en liefde des
sultans. In weerwil hiervan, wordt zulk eene begunstigde slavin toch
niet van hare gezelinnen gescheiden. De eenige onderscheiding welke
zij heeft, bestaat uit haren titel Ikbal, gunstelinge, en eerst als
zij zwanger is stijgt zij tot den rang eener kadine.
De dochters of zusters van den Grooten Heer dragen alleen den titel van
sultane; zijne moeder voert den titel van valide-sultan, of sultan's
moeder, en bekleedt na hem den hoogsten rang in het rijk.
Het aantal odalisken wordt noch door de wet, noch door het gebruik
bepaald; hierin geldt alleen de smaak des sultans als regel. Sultan
Moerad IV onderhield onder anderen meer dan driehonderd odalisken,
bij welke hij honderd-en-dertig kinderen had. Sedert Mahmoed II zijn
echter de sultans in dit opzicht bedachtzamer geworden, niet alleen
uit spaarzaamheid, maar vooral uit achting voor de publieke opinie,
die in Turkije grooter en invloedrijker is dan men wel denkt.
Op de odalisken volgen de ustas, die aan de persoonlijken dienst
der valide-sultan, der kadinen en van hare kinderen zijn verbonden;
vervolgens komen de novicen (nieuwelingen), en daarna de gewone
slavinnen, die het dagelijksche huiswerk moeten verrichten.
Deze verschillende klassen vormen een personeel van drie- tot
vierhonderd vrouwen, [2] die meest allen uit Tsjerkessië of andere
deelen van Kaukasië afkomstig zijn. Vele van deze voor den harem
bestemde meisjes kennen noch hare familie, noch haar vaderland; zij
die geen titel dragen overeenkomstig hare diensten, verkrijgen een
naam naar gelang harer bekoorlijkheden of bijzondere eigenschappen,
bijvoorbeeld: Hayata (de levengevende), Safayi (de vreugdebereidster),
Dilbaste (de hartensnoerster), Nurisabah (het morgenrood), Gulbahar
(de lenteroos). Deze allen, met uitzondering van de kadinen, staan
onder het toezicht eener opperhofmeesteres, die door den sultan
gemeenlijk uit eene der oudste favoriten gekozen wordt, en als teeken
harer waardigheid een bevelhebbersstaf, met zilver ingelegd, voert.
Dat er nu en dan in den harem wel eens een klein oproer onder
de aanwezige dames losbreekt, zal gewis niemand verwonderen. Wij
willen slechts een enkel staaltje hiervan aanhalen, dat onder de
regeering van een der laatste sultans plaats greep. Die sultan
had in zijn harem eene jonge slavin, voor welke hij een vurigen
hartstocht had opgevat. Zij heette Zeïnib. Om harentwille bemoeide
hij zich weinig met de kadinen, hoewel hij er voor zorgde dat hij
haar slechts in het geheim zag, misschien ook uit vrees van haar
in gevaar te brengen, of wel om zich zelf onaangenaamheid en last
te besparen. Zeïnib zelve, die over dit voorrecht dat zij genoot,
ten toppunt van geluk was, deelde hiervan niemand iets mede. Ten
laatste kwam toch eene der kadinen, die zich langen tijd voor de
meest bijzondere gunstelinge des sultans gehouden had, achter het
geheim. Niet minder in hare trotschheid dan in hare liefde gekwetst,
overlaadde zij de arme slavin met allerlei beleedigingen en gaf,
in 't eind haar drift geen meester, aan de eunuchen bevel haar te
grijpen en te geeselen. Zeïnib echter week eene schrede achteruit,
verhief met fierheid haar hoofd en zeide tot hen: "raakt mij niet
aan, want ik draag een sultan in mijn schoot." Nauwelijks had zij
deze woorden gesproken, of alle aanwezigen wierpen zich voor haar ter
aarde en kusten den zoom haars kleeds. De kadine echter, wier woede
nu geene grenzen kende, greep eene kan met kokend water en goot die
over het hoofd der arme Zeïnib uit. In dit oogenblik trad de sultan,
die het oproer vernomen had, het vertrek binnen. Zeïnib, die aan al
hare leden sidderde en van pijn niet wist wat zij deed, wierp zich
aan zijne voeten. De sultan richtte haar op, maar de gevolgen van
dit voorval bleven niet achterwege. Eenige weken later stierf zij,
terwijl zij het leven schonk aan eene dochter, voor welke de vader
eene bijna afgodische liefde koesterde, doch ook dit kind verloor,
op haar elfde jaar, bij een brand ongelukkiglijk het leven.
Elke kadine heeft hare eigene kamer en haar eigen bed. De odalisken
bewonen kleinere, gelijkvormige cellen, welke allen uitkomen in een
groot rond salon, waarvan de wanden geheel met spiegels behangen
zijn. Deze rotonde is de plaats der vereeniging, het forum van dit
vrouwelijk personeel.
Waarmede houden zich al die jonge vrouwen den ganschen dag
bezig? Ziedaar eene vraag, die gewis reeds bij dezen en genen is
opgekomen. Zij hebben immers bijna niets te doen, verlaten het serail
nooit, en genieten ongeveer dezelfde mate van vrijheid als de dieren
van een zoölogischen tuin, met dit onderscheid nog, dat zij nimmer
bezoek ontvangen en nooit andere mannen zien dan de eunuken. Liggende
op hare divans, en behagelijk hare narghilés rookende, gebruiken
zij al de zoetigheden en lekkernijen, welke het Oosten haar kan
aanbieden en wijden voorts hare uren aan het gebed--en de zorg voor
het toilet. Zij wisselen verscheidene malen daags van kleeding, en de
eene is hierin nog ijdeler dan de andere. Reeds vroeg in den morgen
komen de eunuken en de slavinnen binnen en brengen met de pijpen
ook het onontbeerlijke blanketsel, waarmede zich kadinen, odalisken
en ustas de wangen beschilderen. Daarna neemt ieder een penseel,
verft hare wenkbrauwen, kleurt hare nagels, doet de overtollige
haartjes verdwijnen, en op deze wijze gaat de dag voorbij. Dit kleuren
geschiedt door middel van hennabladeren, welke plant in Egypte, Nubië
en in andere streken in menigte groeit. Het fijne groene poeder dezer
bladeren wordt met kokend water aangemengd, en dit des nachts op de
vingers gelegd; de kleur is zeer duurzaam en verdwijnt eerst als een
nieuwe nagel te voorschijn komt; gewoonlijk wordt ook de huid aan de
toppen der vingers hierdoor donkerzwart gekleurd, met oranjekleurige
randen. Wijl echter de opperhuid zich telkens hernieuwt, hebben
de jonge vrouwen den geheelen dag genoeg te doen om hare nagels en
wenkbrauwen in orde te brengen. Als het avond wordt en de sultan in
den harem wil overnachten, wijst hij de kadinen of gunstelingen aan,
die hom gezelschap moeten houden.