III.

Wat vroeger het serail was.

Van de vroegere heerlijkheid van het turksche hof, en de aziatische

weelde waarmede zich de sultans en hunne gunstelingen weleer omringden,

is, evenals van de macht van het rijk zelf, nog slechts een schaduw

over. De turksche geschiedschrijvers deelen ons weinig mede omtrent

het intieme leven van het serail; wat wij daarvan weten is ontleend

aan de berichten der oude reizigers en der diplomatieke agenten, die

de voornaamste europeesche mogendheden bij het hof van den Grooten

Heer vertegenwoordigden.

De reizigers, die Konstantinopel bezocht hebben tijdens de grootheid

der sultans, erkennen dat zij het serail niet van binnen hebben bezien;

geen hunner heeft den drempel van de derde binnenplaats overschreden,

noch een blik geworpen aan gene zijde van de troonzaal, in welke de

Groote Heer--of zoo als hij meer genoemd wordt de Padishah, de Verheven

Keizer, de Beheerscher der geloovigen, de Opvolger van den Profeet,

de Schaduw Gods,--audiëntie gaf aan de afgezanten der christelijke

mogendheden; maar allen hebben merkwaardige bijdragen geleverd, en

velen hunner hebben hunne geschriften opgesteld als onder het oog

van lieden, die in het serail geleefd hebben.

Tot omstreeks het midden der zestiende eeuw bewoonden de ottomanische

keizers het oude serail van Mohammed II: eene soort van vesting,

gelegen bijna in het middenpunt van Konstantinopel, en wel ter plaatse

waar het hedendaagsche gouvernement het ministerie van oorlog heeft

doen bouwen.

Soliman II, een achterkleinzoon van Mohammed II, verliet dit paleis,

wijl hij het niet naar zijn wensch kon verfraaien, en bracht zijne

vrouwen en zijne schatten over naar het andere einde der hoofdstad,

naar de bekoorlijke plekken, weleer bewoond door de grieksche monniken,

die vroeger den dienst waarnamen in de basiliek van Aya-Sophia. Dat

oord was toenmaals reeds beplant met schoon geboomte, en byzantijnsche

waterleidingen voerden er het water in overvloed heen. Soliman liet

op die hoogten zijne keizerlijke woning bouwen en die beroemde tuinen

aanleggen, waar duizend bastandsjis (hoveniers) de schoonste groenten

en de zeldzaamste bloemen aankweekten. De zee bespoelde den voet harer

muren, en eene kleine vloot, welke den sultan op zijne tochtjes diende,

lag geankerd bij die strook lands, welke men reeds toen de spits van

het serail noemde.

Soliman bracht in het nieuwe serail de weelde zijner voorgangers

over, alsmede eenige verfijningen van de beschaving der westersche

landen. De kamer, waarin hij sliep, was door het helderste licht

beschenen: er brandden lampen in van zuiver goud. Zijn bed echter was

niets dan eene plank, bedekt met geborduurd goudlaken. Ook bezat hij

chineesch porcelein, venetiaansche spiegels en bekers van boheemsch

glas. Even als Frans I, zijn tijdgenoot, hield hij veel van pracht en

van al wat schoon was; als er kunstenaars in zijn rijk geweest waren,

zou hij ze gewis beschermd hebben, maar hij regeerde over een volk,

dat allen zin voor kunst miste en dat hoogstens slechts een paar zeer

middelmatige dichters voortbracht.

De etiquette van het ottomanische hof dagteekent van zijne regeering;

hij regelde de bevoegdheden der hooge staatsambtenaren, dat wil

zeggen van de slaven, welke hij tot de hoogste posten verhief,

door hen aan zijn persoon te verbinden en allerlei diensten te doen

bewijzen. Hij vermeerderde aanmerkelijk het aantal vrouwen, die in den

harem opgesloten waren, en maakte haar verblijf aldaar verlokkelijk

en aangenaam; tevens verdubbelde hij de wacht der zwarte eunuchen,

die de sultanen bewaakten.

Het serail bevatte toen ongeveer vijfduizend zielen, als men er

de soldaten bij rekent, die in den eersten hof gelegerd waren. De

zwarte en blanke eunuchen, de dwergen, de stommen, de vrouwen en

de jonge dienaars van den sultan woonden in de binnenvertrekken;

hun aantal bedroeg ongeveer drieduizend. Zij behoorden niet tot het

turksche ras. De meesten, als christenen geboren en onderdanen van

den Grooten Heer, waren kinderen der schatting.

Met dien naam noemde men de jongelingen en jonge dochters, die door

de pasjas ieder jaar van de overwonnen volken als tienden opgeëischt

werden. Griekenland en de aziatische kusten leverden den ruimsten

voorraad. Deze kinderen hadden nog nauwelijks den jongelingstijd

bereikt, of zij werden reeds aan hunne ouders ontrukt en naar

Konstantinopel vervoerd. De kapou-agasi (opperhoofd der blanke

eunuchen) koos de schoonsten, de verstandigsten en de sterksten onder

hen uit, en bracht hen in het serail, waar zij weldra hunne godsdienst,

hun land, en zelfs hunne familie vergaten. De knapen, opgevoed onder

de ruwe behandeling der eunuchen, leerden al de verrichtingen der

dienstbaarheid. De vlugsten werden onderwezen in het arabisch, het

perzisch en in de fraaie letteren. Uit hunne rijen werden de zestig

pages van den sultan gekozen, alsmede zijne muzikanten, zijne barbiers,

zijne schrijvers, zijne badmeesters, zijn wapendrager en zelfs zijne

ministers: de keur van deze jongelingschap was eene kweekschool van

ambtenaren; de minst begunstigden werden met geringere bedieningen

en posten belast, als kapyis (portiers), bastandsjis (tuiniers) enz.

De meisjes, uit deze kinderen der schatting gekozen, werden in den

harem (verblijf der vrouwen) overgebracht. Zij waren onderworpen aan

eene strenge tucht en werden bewaakt door de kadines. De kadines,

over welke hierna zal gesproken worden, waren weleer ook slavinnen,

die in den bloei haars levens in het serail gekomen waren, er oud

werden en stierven. Zij maakten het gevolg uit van de favoriten en

van de prinsessen van het keizerlijk gezin. De jonge meisjes, in het

serail opgenomen, waren uit bijna al de streken der wereld afkomstig:

de Tartaren brachten er hunne gevangenen, de Cirkassiërs verkochten

hunne schoonste meisjes aan het serail, en de barbarijsche zeeroovers

leverden een aanmerkelijk contingent van spaansche, italiaansche en

zelfs fransche slavinnen. De zwarte eunuchen waren bepaald belast

met het opzicht en de bediening van al die vrouwen. Hun chef,

de kislar-agasi, was de belangrijkste persoon van het hof, met

uitzondering van den kapou-agasi (chef der blanke eunuchen). Deze

verliet nooit den sultan, bij wien hij de diensten van groot kamerheer,

opper-intendant en opper-ceremoniemeester vervulde.

De stommen, die eene geheel ondergeschikte betrekking vervulden, werden

gebruikt om de noodlottige zijden koord toe te halen. Als de Sultan

een doodvonnis had uitgesproken, voerden zij het zonder toestel en

het minste gerucht terstond uit. Deze ongelukkigen hadden eene taal,

welke zij slechts door teekens konden overbrengen, en die iedereen

in het serail verstond, waar het overigens gebruik was om zooveel

mogelijk in teekens te spreken, uit achting voor de tegenwoordigheid

van den Grooten Heer. De stommen waren, even als de pages, ten getalle

van zestig.

De dwergen hadden ook het voorrecht de binnenvertrekken te bewonen;

gewoonlijk vervulden zij de rol van narren; de mismaaktsten en de

afzichtelijksten waren het meest gezocht.

Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 4 / 12 题