Wat vroeger het serail was.
Van de vroegere heerlijkheid van het turksche hof, en de aziatische
weelde waarmede zich de sultans en hunne gunstelingen weleer omringden,
is, evenals van de macht van het rijk zelf, nog slechts een schaduw
over. De turksche geschiedschrijvers deelen ons weinig mede omtrent
het intieme leven van het serail; wat wij daarvan weten is ontleend
aan de berichten der oude reizigers en der diplomatieke agenten, die
de voornaamste europeesche mogendheden bij het hof van den Grooten
Heer vertegenwoordigden.
De reizigers, die Konstantinopel bezocht hebben tijdens de grootheid
der sultans, erkennen dat zij het serail niet van binnen hebben bezien;
geen hunner heeft den drempel van de derde binnenplaats overschreden,
noch een blik geworpen aan gene zijde van de troonzaal, in welke de
Groote Heer--of zoo als hij meer genoemd wordt de Padishah, de Verheven
Keizer, de Beheerscher der geloovigen, de Opvolger van den Profeet,
de Schaduw Gods,--audiëntie gaf aan de afgezanten der christelijke
mogendheden; maar allen hebben merkwaardige bijdragen geleverd, en
velen hunner hebben hunne geschriften opgesteld als onder het oog
van lieden, die in het serail geleefd hebben.
Tot omstreeks het midden der zestiende eeuw bewoonden de ottomanische
keizers het oude serail van Mohammed II: eene soort van vesting,
gelegen bijna in het middenpunt van Konstantinopel, en wel ter plaatse
waar het hedendaagsche gouvernement het ministerie van oorlog heeft
doen bouwen.
Soliman II, een achterkleinzoon van Mohammed II, verliet dit paleis,
wijl hij het niet naar zijn wensch kon verfraaien, en bracht zijne
vrouwen en zijne schatten over naar het andere einde der hoofdstad,
naar de bekoorlijke plekken, weleer bewoond door de grieksche monniken,
die vroeger den dienst waarnamen in de basiliek van Aya-Sophia. Dat
oord was toenmaals reeds beplant met schoon geboomte, en byzantijnsche
waterleidingen voerden er het water in overvloed heen. Soliman liet
op die hoogten zijne keizerlijke woning bouwen en die beroemde tuinen
aanleggen, waar duizend bastandsjis (hoveniers) de schoonste groenten
en de zeldzaamste bloemen aankweekten. De zee bespoelde den voet harer
muren, en eene kleine vloot, welke den sultan op zijne tochtjes diende,
lag geankerd bij die strook lands, welke men reeds toen de spits van
het serail noemde.
Soliman bracht in het nieuwe serail de weelde zijner voorgangers
over, alsmede eenige verfijningen van de beschaving der westersche
landen. De kamer, waarin hij sliep, was door het helderste licht
beschenen: er brandden lampen in van zuiver goud. Zijn bed echter was
niets dan eene plank, bedekt met geborduurd goudlaken. Ook bezat hij
chineesch porcelein, venetiaansche spiegels en bekers van boheemsch
glas. Even als Frans I, zijn tijdgenoot, hield hij veel van pracht en
van al wat schoon was; als er kunstenaars in zijn rijk geweest waren,
zou hij ze gewis beschermd hebben, maar hij regeerde over een volk,
dat allen zin voor kunst miste en dat hoogstens slechts een paar zeer
middelmatige dichters voortbracht.
De etiquette van het ottomanische hof dagteekent van zijne regeering;
hij regelde de bevoegdheden der hooge staatsambtenaren, dat wil
zeggen van de slaven, welke hij tot de hoogste posten verhief,
door hen aan zijn persoon te verbinden en allerlei diensten te doen
bewijzen. Hij vermeerderde aanmerkelijk het aantal vrouwen, die in den
harem opgesloten waren, en maakte haar verblijf aldaar verlokkelijk
en aangenaam; tevens verdubbelde hij de wacht der zwarte eunuchen,
die de sultanen bewaakten.
Het serail bevatte toen ongeveer vijfduizend zielen, als men er
de soldaten bij rekent, die in den eersten hof gelegerd waren. De
zwarte en blanke eunuchen, de dwergen, de stommen, de vrouwen en
de jonge dienaars van den sultan woonden in de binnenvertrekken;
hun aantal bedroeg ongeveer drieduizend. Zij behoorden niet tot het
turksche ras. De meesten, als christenen geboren en onderdanen van
den Grooten Heer, waren kinderen der schatting.
Met dien naam noemde men de jongelingen en jonge dochters, die door
de pasjas ieder jaar van de overwonnen volken als tienden opgeëischt
werden. Griekenland en de aziatische kusten leverden den ruimsten
voorraad. Deze kinderen hadden nog nauwelijks den jongelingstijd
bereikt, of zij werden reeds aan hunne ouders ontrukt en naar
Konstantinopel vervoerd. De kapou-agasi (opperhoofd der blanke
eunuchen) koos de schoonsten, de verstandigsten en de sterksten onder
hen uit, en bracht hen in het serail, waar zij weldra hunne godsdienst,
hun land, en zelfs hunne familie vergaten. De knapen, opgevoed onder
de ruwe behandeling der eunuchen, leerden al de verrichtingen der
dienstbaarheid. De vlugsten werden onderwezen in het arabisch, het
perzisch en in de fraaie letteren. Uit hunne rijen werden de zestig
pages van den sultan gekozen, alsmede zijne muzikanten, zijne barbiers,
zijne schrijvers, zijne badmeesters, zijn wapendrager en zelfs zijne
ministers: de keur van deze jongelingschap was eene kweekschool van
ambtenaren; de minst begunstigden werden met geringere bedieningen
en posten belast, als kapyis (portiers), bastandsjis (tuiniers) enz.
De meisjes, uit deze kinderen der schatting gekozen, werden in den
harem (verblijf der vrouwen) overgebracht. Zij waren onderworpen aan
eene strenge tucht en werden bewaakt door de kadines. De kadines,
over welke hierna zal gesproken worden, waren weleer ook slavinnen,
die in den bloei haars levens in het serail gekomen waren, er oud
werden en stierven. Zij maakten het gevolg uit van de favoriten en
van de prinsessen van het keizerlijk gezin. De jonge meisjes, in het
serail opgenomen, waren uit bijna al de streken der wereld afkomstig:
de Tartaren brachten er hunne gevangenen, de Cirkassiërs verkochten
hunne schoonste meisjes aan het serail, en de barbarijsche zeeroovers
leverden een aanmerkelijk contingent van spaansche, italiaansche en
zelfs fransche slavinnen. De zwarte eunuchen waren bepaald belast
met het opzicht en de bediening van al die vrouwen. Hun chef,
de kislar-agasi, was de belangrijkste persoon van het hof, met
uitzondering van den kapou-agasi (chef der blanke eunuchen). Deze
verliet nooit den sultan, bij wien hij de diensten van groot kamerheer,
opper-intendant en opper-ceremoniemeester vervulde.
De stommen, die eene geheel ondergeschikte betrekking vervulden, werden
gebruikt om de noodlottige zijden koord toe te halen. Als de Sultan
een doodvonnis had uitgesproken, voerden zij het zonder toestel en
het minste gerucht terstond uit. Deze ongelukkigen hadden eene taal,
welke zij slechts door teekens konden overbrengen, en die iedereen
in het serail verstond, waar het overigens gebruik was om zooveel
mogelijk in teekens te spreken, uit achting voor de tegenwoordigheid
van den Grooten Heer. De stommen waren, even als de pages, ten getalle
van zestig.
De dwergen hadden ook het voorrecht de binnenvertrekken te bewonen;
gewoonlijk vervulden zij de rol van narren; de mismaaktsten en de
afzichtelijksten waren het meest gezocht.