II.

Beschrijving van het serail.

Eenigszins westwaarts tegenover Scutari, strekt zich eene strook lands

in zee uit, welke onder den naam van Spits des serails (zie blz. 72)

bekend staat. Hier, te midden van al de vereenigde schoonheden der

natuur, bevindt zich het paleis van den Sultan, dat, wat zijne ligging

betreft, door geen andere Vorstenwoning wordt overtroffen. Gelijk

Konstantinopel geene eigenlijke stad, maar eene bijna eindelooze en

verwarde verzameling van burchten, dorpen en uitgestrekte gebouwen

is, zoo ook biedt de residentie des Sultans niets regelmatigs aan,

hoewel de eerste blik op het serail of het keizerlijk verblijf den

beschouwer verrast en verbaast. Het serail is het bekoorlijkste punt

van Konstantinopel; het is het Kapitool der voormalige Keizersstad,

het middelpunt van dit tweede Rome, dat voor een poos den glans van

het eerste scheen te zullen verduisteren. Inderdaad is het, vooral

van verre gezien, niet slechts een paleis of een uitgestrekt gebouw,

maar men kan het veeleer noemen eene met muren omringde vorstelijke

stad, te midden van eene verzameling van vlekken en steden.

Reeds in 1786 schreef eene aanzienlijke engelsche dame, die een

gedeelte van het fransche gezantschapspaleis te Pera bewoonde, het

volgende: "De namen, welke men aan sommige voorwerpen geeft, ondergaan

eene geheele verandering en verkrijgen eene gansch andere beteekenis,

als men die voorwerpen in de vreemde landen zelve gadeslaat. Gewoonlijk

toch verstaan wij door serail de woning of liever de bewaarplaats

der mohammedaansche vrouwen; doch hier is het serail de residentie

des beheerschers van het Oosten. Evenwel kan men het niet zijn paleis

noemen: want het bestaat uit zulk eene wanordelijke groep van kiosken,

tuinen, hoven en stallen, dat men even zoogoed zou kunnen zeggen dat

het eene verzameling van huizen is met hun toebehooren, die zonder

regelmaat of symmetrie gebouwd zijn binnen een park, omringd van

hooge muren."

Dit oordeel is volkomen waar, en nog heden ten dage ten volle

nauwkeurig. De muren van het serail vormen een ongelijkmatigen

driehoek, waarvan twee zijden door de zee bespoeld worden. Het

terrein, waarop het serail is gebouwd, daalt in eene zachte

glooiing strandwaarts, en wordt daar door een zwaren muur

begrensd. Waarschijnlijk is deze muur opgetrokken uit de oude

overblijfsels van Byzantium, zooals men meent te moeten opmaken uit

onderscheidene grieksche opschriften, kapiteelen en kroonlijsten,

in het metselwerk opgenomen. Deze muren hebben gewis belangrijke

geschiedenissen doorleefd. Hier bemerkt men onder een gordijn van

klimop, een gewelfden zuilenboog, die weleer toegang verleende

tot de uitgestrekte onderaardsche gewelven, welke, naar men zegt,

zich onder de geheele stad uitstrekken; ginds is eene geheime deur

verborgen tusschen vooruitspringende bolwerken; verder een soort van

zwevende brug, over de zee hangende, en van waar, naar men zegt, de

vrouwen werden afgeworpen, die verdacht waren van ontrouw. Van hoeveel

misdaden, intriges, geheimzinnigheden en bloedige tooneelen waren deze

sombere muren, in den loop der eeuwen, getuigen. Van buiten kan men

verscheidene gebouwen ontdekken, ordeloos tusschen het groen en het

dichte lommer verstrooid. De vooruitspringende daken der kiosken en

de vergulde of metalen koepels, welke de daken vervangen, geven aan

die gebouwen een eigenaardig voorkomen, te verrassender naarmate hunne

ligging tusschen het weelderig geboomte, hen half aan het oog onttrekt,

en aan het geheel een zeer eigenaardig rustiek karakter geeft.

Men treedt het serail binnen door eene groote poort, wier bouwstijl

volstrekt geen karakter draagt en tot geen bijzonder tijdperk

behoort. Dit is de keizerlijke poort, of, gelijk zij meer bepaald

genoemd wordt, de Verheven poort, die haar naam geschonken heeft aan

de regeering van Turkije zelve, in diplomatieken stijl de Verhevene

Porte of kortweg de Porte genoemd. Aan beide zijden van deze poort

ziet men twee groote nissen, in welke weleer de afgeslagen hoofden

der pasjas werden tentoongesteld, die op bevel van den sultan ter

dood gebracht waren. Wanneer het doodvonnis in eene der provinciën

voltrokken was, vulde de scherprechter het hoofd met hooi op, sloot dit

in een lederen zak, en bracht het aldus, hangende aan den zadelknop,

te paard herwaarts. Op deze wijze werd ook het hoofd van Ali, den

woesten pasja van Janina, naar Konstantinopel gevoerd, en daar op

een zilveren schotel gedurende negen dagen tentoongesteld.

Wanneer men den drempel van de hoofdpoort overschreden heeft,

bevindt men zich op eene groote, onregelmatige en zeer lommerrijke

binnenplaats, omringd van gebouwen, die zich echter door niets

bijzonders onderscheiden. Ter linkerhand is de bewaarplaats der

oude wapens, weleer eene kerk, gewijd aan de H. Irene; daarnevens

bevindt zich de munt, welke door Armeniërs bestuurd wordt; rechts

ziet men de bakkerij der keizerlijke residentie, in welke dagelijks

het brood gebakken wordt voor de bewoners van het serail, wier getal

op bijna tien duizend geschat wordt. Een weinig verder komt men

aan eene deur, die den toegang geeft tot eene tweede poort. Menig

vizier heeft gesidderd, als hij onder haar somber gewelf doorging,

want op die plaats stonden de djellad of scherprechters, en wachtten

op de staatsdienaars, die door den souverein ter dood veroordeeld

waren. Overigens levert deze hof of liever deze binnenplaats niets

merkwaardigs op. Het plaveisel laat veel te wenschen over, en zoo er

geen geboomte was, dat eenige frischheid of verkoeling gaf, zou niets

u aan deze plaats boeien, die niets anders aanbiedt dan herinneringen

aan een bloedig verleden.

Schuin tegenover de Verhevene poort bemerkt men eene tweede poort,

aan beide zijden voorzien van twee kleine torens, die aan een van

schietgaten voorzienen muur verbonden zijn. Dit is de Bab-us-Selam,

de Poort des heils (zie blz. 56). Niemand had voorheen het recht om

haren drempel te overschrijden, dan alleen de viziers, die zich naar

den divan begaven, [1] en de ambassadeurs der groote mogendheden,

indien hun door den sultan eene audiëntie wordt toegestaan. De

Bab-us-Selam wordt, even als de hoofdpoort, bewaakt door een dertigtal

turksche soldaten, die tamelijk slordig gekleed zijn, en belachelijke,

granaatkleurige mutsen dragen, welke in niets op den rijk versierden

fez der Janitsaren gelijken. Behalve eenige gebouwen van weinig

beteekenis, treft men op deze binnenplaats de deur aan, welke naar

de zaal van den divan geleidt.

Aan gene zijde van den Bab-us-Selam bevindt zich nog eene andere

binnenplaats, binnen welke eenige oude platanen een weinig schaduw

afwerpen. Het uitzicht is hier somber en treurig; zelfs hoort

men geen geluid. Als men nogtans een weinig verder gaat, bemerkt

men tusschen dicht geboomte van cypressen en indische vijgen, het

sierlijk dakwerk en de getraliede vensters van gebouwen, die bewoond

zijn. Hier is de eigenlijke woonplaats des sultans, of, gelijk hij

genoemd wordt, de Schaduw Gods. Het is geen vreemdeling veroorloofd

dit gedeelte van het serail te betreden, waar, behalve de vertrekken

van den souverein, ook die zijn, waar eenige oude favoriten van sultan

Mahmoed, en wellicht ook eenige jonge weduwen van sultan Abdul-Mejid

haar verblijf houden. Hier bevindt zich ook het zomer-salon, dat ons

op blz. 65 wordt voorgesteld.

Na een vluchtig bezoek gebracht te hebben aan eene verzameling van oude

wapenrustingen en de bibliotheek, die tevens eenige weinig beduidende

portretten der vroegere sultans bevat, nadert men de tuinen van het

serail. Begeerig wendt men overal den blik heen, in de verwachting

iets te zien van al die wonderen waarvan de oude reizigers ons zooveel

merkwaardigs verhaalden, en die, naar deze verhalen te oordeelen,

inderdaad aan het fabelachtige grensden. Maar helaas, men wordt zeer

teleurgesteld. Men verwacht de wonderen der Duizend en een nacht,--en

men vindt niets dan eenige onregelmatige en het schoonheidsgevoel

kwetsende bloemperken; een paar oranjerieën en eenige planten in

half verrotte houten bakken of gebroken potten. Maar waar zijn dan

de fonteinen, van welke Sheherezade ons zooveel schoons verhaalde, en

die hare waterstralen, nu eens rood gekleurd als parelenden wijn, of

met schuim vermengd als zilveren regenbogen, hoog opwierpen? Waar zijn

zij? Men wijst u eenige springbronnen, wier buizen half verteerd zijn,

en die slechts hier en daar een straal opwerpen van nauwelijks zes voet

hoogte; voorts verscheidene waterbekkens vol troebel water, omgeven van

eenige vruchtboomen, en in de verte een haag van geschoren palmboomen,

die eenigszins de gedaante en de bladeren van den cypres hebben,

maar aan het geheel eene nog grootere treurigheid bijzetten. Alle

poëzie is van hier verdwenen, sedert de toegang tot deze plaats

ontsloten, en daarmede de weldadige sluier van het geheimzinnige

opgeheven is. Men wandelt langs eenige perken vol van--althans voor

ons westerlingen--zeldzame bloemen, en verwijlt eenige oogenblikken

bij de kafés, welke als in een doolhof van sombere boschjes verborgen

liggen. Deze kafés, letterlijk kooien, zijn kleine steenen gebouwen,

zeer stevig gemetseld, welke weleer den prinsen der keizerlijke familie

tot verblijf waren aangewezen: namelijk hun, aan wie de regeerende

sultan bij zijne komst tot den troon genadiglijk het leven liet.

Eene uitzondering, wat ten minste fraaiheid betreft, maakt hierop

de fontein van het serail, welke op blz. 53 is afgebeeld. Zij is

nog tamelijk goed onderhouden, en hoofdzakelijk samengesteld uit

perzisch porcelein en marmer van verschillende soorten. Zij dagteekent

van de regeering van Achmed III. Op een van hare fronten staat het

navolgende in schitterende letters geschreven: "Drinkt met eerbiedige

aandacht het water van Khan Ahmedie en bidt voor hem." Deze fontein,

van vierhoekigen vorm en gekroond met sierlijke koepels, is overal

bedekt met arabesken en schitterend glazuursel, terwijl vergulde

tralievensters van bevallige teekening en met geschulpte bogen den

blik bekoren. Aan de vier hoeken van het gebouw bevinden zich, in

getraliede vensters of liever nissen, de springbronnen, welke evenwel

van binnen bedekt zijn, om de frischheid van het water te bewaren.

De fonteinwachters hebben den last ontvangen om aan ieder die het

verlangt een tinnen kroes, gevuld met dit ijskoude water, toe te

reiken, dat vooral bij de hitte des daags eene aangename verfrissching

aanbiedt. In het Oosten toch is koud water een genot, veel grooter

dan onze heerlijkste wijnen ons immer geven kunnen. Gewoonlijk danken

deze fonteinen hare stichting aan eene of andere vrome gelofte,

en zijn zij tot publieken dienst bestemd.

Nogtans bevatten de tuinen, hoezeer zij ook de hoog gespannen

verwachting mogen teleurstellen, een en ander dat der bezichtiging

wel waard is; zooals in het huis der rozen (Ghulané), dat vroeger

inderdaad dien liefelijken naam moet verdiend hebben, doch thans

omringd is van perken, waarin groenten geteeld worden, hier en daar

afgewisseld door reusachtige zonnebloemen, en verdeeld in heggen,

doorweven met kleine witte leliën.

Eéne poort echter blijft ook nu voor den vreemdeling gesloten

en wordt alleen voor den sultan en zijn gevolg geopend. Dit is

de poort welke naar den (ouden) Harem geleidt. De nieuwe harem

of het serail Beshiktash, is door den laatsten sultan naar eene

andere plaats verlegd, en onderscheidt zich door eene bevallige

groepeering van gebouwen, koepeldaken en minarets. Het woord "harem"

beteekent eigenlijk een verboden en geheiligd oord: harémi nebevi,

d. i. heiligdom des profeten, welken naam ook de heilige stad Medina

draagt. In het gewone taalgebruik geeft men dien naam niet alleen

aan de afgezonderde woning der vrouwen, maar ook aan hare bewoonsters

zelven. Het is het gynaeceum der oudheid, gewijzigd in verband met de

denkbeelden en zeden van het tegenwoordige mohammedaansche Oosten. De

sultan is de eenige man in Turkije, die het recht niet bezit om

een wettig huwelijk aan te gaan. De turksche godsdienst, die vier

wettige vrouwen vergunt aan eenen man, wiens vermogen toelaat haar

te onderhouden, verloorlooft den Grooten Heer geene echte vrouwen,

maar slechts gunstelingen, en wanneer het volk van zijnen heerscher

spreekt, noemt het hem "den zoon der slavin."

Hoe schilderachtig de ligging van het serail Beshiktash moge zijn,

toch heeft het, van meer nabij gezien, niets van die deftige en

grootsche gebouwen, waaraan wij in onze steden gewoon zijn. De meeste

gebouwen bestaan uit hout, hoewel zij van binnen zeer prachtig moeten

zijn ingericht, en genietingen aanbieden die de gewone westersche

verbeelding te boven gaan.

Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 3 / 12 题