I.

Blik op Konstantinopel.

Wanneer men van de zee van Marmara komende den Bosporus nadert,

wordt het oog getroffen door een schouwspel, zooals er waarschijnlijk

geen tweede op de aarde gevonden wordt. Konstantinopel, met recht de

koningin der steden en de parel van het Oosten genoemd, vertoont zich

dan voor onzen blik. De natuur en de kunst hebben hier elkander de

hand geboden om een geheel te scheppen, zoo tooverachtig schoon, dat

geen woorden den indruk kunnen weergeven, dien de aanschouwing op den

vreemdeling maakt. Allen, die immer dit wondervolle panorama, in zijn

rijkdom en pracht, in zijne eindelooze afwisseling en verscheidenheid,

in zijne heerlijke harmonie aanschouwden, brengen om strijd hulde

aan deze bijna volmaakte schoonheid. Sommigen hebben Rio-Janeiro,

Lissabon en Napels in de rij der mededingsters van Konstantinopel

geplaatst, maar toch moeten zij het allen toestemmen, dat, hoe heerlijk

en treffend het eerste gezicht op de genoemde steden ook zijn moge,

de aanblik van de hoofdstad des turkschen rijks alles overtreft wat

den roem van deze mededingsters uitmaakt.

Terwijl het schip langzaam voortzeilt, vertoont zich allereerst voor

het oog des reizigers eene bekoorlijke groep van eilanden, bedekt met

boschjes van cypressen, arbukas en altijd groene eiken, in wier schaduw

men hier en daar de muren van een grieksch klooster ontwaart. Deze

eilanden, de Prinseneilanden genoemd, prijken met de buitenverblijven

en lusthuizen der aanzienlijke Grieken, die des zomers de hoofdstad

verlaten om hier rust en aangename koelte te genieten. Rechts van

deze eilanden rijst de kust van Klein-Azië statig omhoog, overwelfd

door den donkerblauwen hemel van het Oosten, en op den achtergrond de

bithynische Olympus, welks hellingen met dichte bosschen beplant zijn,

terwijl zijn spits met bijna altijddurende sneeuw is gekroond. Na een

half uur voortgezeild te hebben, tusschen eene menigte schepen die

voor anker liggen, nadert men het keizerlijke paleis, het uitgestrekte

serail, met zijn steenen muurgordel, de uiterste punt innemende van den

driehoek, door de zee van Marmara, den Bosporus en den Gouden Hoorn,

Konstantinopels prachtige haven, gevormd.

Zoodra de reiziger in de haven aangeland is, behoeft hij niet te

vragen hoe hij stadwaarts zal komen. Honderde bootjes liggen tot zijne

beschikking gereed. Deze bootjes worden kaiks genaamd en zijn zeer

sierlijk van vorm, bijna als een in de lengte doorgesneden ei. Zij

zijn uit noteboomhout vervaardigd en zoo dun als de berkenschors

van een indiaanschen kano, doch veel fijner bewerkt en met allerlei

beeldhouwwerk versiert. De roeiriemen zijn van wit beukenhout, en

de roeier of kaiktsji behoeft voor geen engelschen of hollandschen

roeier onder te doen. Ieder kaiktsji hanteert zijn kleinen kaik met

twee roeiriemen, en zoo glijdt het lichte vaartuig snel en behendig

over de wateren heen, even als eene zwaluw door de lucht. In de

grootere en breedere kaiks zitten ook wel eens twee roeiers naast

elkander op ééne bank; zelfs zijn de grootste booten bemand met acht,

ja somwijlen wel met twintig kaiktsjis. Dit is onder anderen het

geval met den staatskaik des sultans, die allerprachtigst gedecoreerd

is. De beheerscher van het turksche rijk zit in zijn boot onder een

rooden en met goud omzoomden troonhemel, wanneer zijne roeiers hem

iederen vrijdag uit zijn paleis aan den Bosporus naar een der moskeeën

van Konstantinopel voeren, waar hij zijn gebed moet doen. Bij deze

gelegenheid verschijnt de beheerscher der geloovigen, anders meest

in zijn serail opgesloten, in het openbaar om zich aan het volk

te vertoonen. Men kan zich niets prachtigers voorstellen dan deze

keizerlijke kaik, welke tachtig voet lang is, en op wier voorste

spits eene vergulde meeuw hare vleugelen uitbreidt. De keur van

Konstantinopels kaiktsjis, uit de krachtigste en schoonste mannen

uitgelezen, heeft de eer de boot des sultans voort te stuwen. Deze

roeiers zijn zeer sierlijk gekleed: zij dragen een korten sneeuwwitten

broek, die aan de heupen door een gordel van roode zijde bevestigd

is. Op het hoofd rust de roode fez met een langen kwast van

donkerblauwe zijde; de hals en de borst zijn bloot, terwijl slechts

hunne schouders en armen door een soort van kamizool van ruwe witte

zijde bedekt zijn. Bij iederen riemslag verheffen zij zich, om aan den

roeiriem de volle kracht te kunnen bijzetten, en hunne gelijkmatige

bewegingen, welke als door eene machine bestuurd schijnen, drijven het

schoone vaartuig met de snelheid eener stoomboot door de golven. De

boot des sultans wordt gevolgd door eene menigte van kaiks, in welke

de hooge staatsdienaars hebben plaats genomen, en die naar gelang

van den rang dier heeren, door tien of twintig roeiers voortgedreven

worden. Achter dit gevolg komt de bijzondere kaik van den sultan,

waarin hij plaats neemt als hij naar zijn paleis teruggekeert, wijl

de wet voorschrijft dat hij zijn terugtocht niet in dezelfde boot

mag houden. Bij die gelegenheid is de Groote Heer zeer gemakkelijk

van alle andere personen te onderscheiden, en wel aan eenen soort

van rooden parasol, welk teeken van waardigheid hij alleen mag dragen.

De kaiks zijn bijna de eenige bootjes, die men op den Bosporus

aantreft, en overal ziet men langs het strand kleine steigers,

iskellis genaamd, waar zij aanleggen. Bij iedere aanlegplaats staat

een oude Turk, met een langen baard en dikwijls ook met een amulet

om zijn hals, waardoor hij zich aankondigt als een pelgrim, die de

lange en gevaarlijke reis naar het graf van den profeet gemaakt en

ter belooning hiervan dit station als post ontvangen heeft. Hij

draagt een staf in zijne hand, als bewijs zijner aanstelling, en

zorgt voor de handhaving der orde. Zoodra eenige menschen in het

bootje plaats genomen hebben en op het punt zijn van weg te roeien,

spreekt hij zijne pelgrimsgroete uit: "Allah slamadak!" God behoede u,

waarbij hij tevens zijne hand uitstrekt om een aalmoes te ontvangen;

die men hem gewoonlijk geeft, en die uit een tien parastuk (drie cents)

bestaat. Men kan zich een denkbeeld maken van de groote menigte kaiks,

die onophoudelijk over de wateren glijden, als men nagaat dat er meer

dan een millioen menschen aan beide zijden van de zeeëngte wonen. Nog

onlangs werd het aantal dier kaiks op meer dan tien duizend geschat.

Behalve deze sierlijke vaartuigjes treft men hier ook verscheidene

breede en lomp gebouwde barken aan, die door lange en zware roeiriemen

voortgestuwd worden. Deze barken zijn gemeenlijk bezet met menschen

van verschillende kleur, natie en taal, die naar de voorsteden, of

wel naar de aziatische kust moeten overgebracht wordt. In een land

waar de wegen, ook in de onmiddelijke nabijheid der hoofdstad, in

zulk een slechten toestand zijn als in Turkije, zijn deze barken het

geliefkoosde vervoermiddel voor de lieden uit het volk, die er dan

ook ijverig gebruik van maken, daar zij voor weinige penningen uren

ver worden getransporteerd. Men ziet deze barken den ganschen dag

door de haven in- en uitroeien, bezet met Turken, Joden, Armeniërs,

Grieken en Franken, allen in hun eigenaardig kostuum, en omgeven

door een wolk van tabaksrook, die zij aan hunne tsjiboeks of hunne

papiersigaren ontlokken.

Wanneer men van dit punt der haven (Gouden-Hoorn) een blik werpt over

de stad, dan vertoont zich Konstantinopel in onbeschrijfelijke pracht

en schoonheid; eene bonte menigte van huizen ligt voor ons, zoover

het oog slechts kan reiken. De zeven heuvels, op welke de stad, als

Rome, gebouwd is, vormen eene golvende lijn aan den horizon, gekroond

met de keizerlijke moskeeën, die door hare buitengewone grootte

en gedaante aan de stad een merkwaardig karakter verleenen. Deze

gebouwen zijn over het algemeen vierkant, met een of meer koepels

gedekt, en aan de vier hoeken mot hooge en slanke torens of minarets

versierd. De koepels zijn met metaal belegd, de spitsen der minarets

verguld en uitloopend in een halve maan: deze metalen daken, verlicht

door de stralen der zon, verspreiden een tooverachtigen glans. De

moskeeën nemen zulk eene groote plaatsruimte in, dat zij niet het

minst in verhouding staan tot de andere gebouwen in hare nabijheid,

en vergeleken met de gewone huizen op donkere heuvels gelijken. Er is

slechts één voorwerp, dat boven al die moskeeën en huizen uitsteekt:

de Seraskiër-toren, die zich, als een reusachtige kolom, hoog boven

alles verheft. Deze toren behoort tot het seraskeriaat (ministerie

van oorlog), welk gebouw tevens ingericht is als kazerne, waarin

tien duizend soldaten hun verblijf houden. Een evengroot gebouw is

het ministerie van buitenlandsche zaken, dat geheel in westerschen

stijl opgetrokken en het eenige gebouw van dien bouwtrant is, dat

zich in het eigenlijke Konstantinopel bevindt.

De dalen rondom de stad worden door eene waterleiding doorsneden,

welke het water, dat van de bergen langs de Zwarte-zee afstroomt,

naar de verschillende pompen en fonteinen der stad leidt. De muren,

welke zoowel geheel Konstantinopel als ook sommige wijken en zelfs vele

afzonderlijke gebouwen omringen, zijn meestentijds als in een groen

feestgewaad gehuld, dank zij de bestendige vochtigheid dier muren,

waardoor de wortelen van verschillende planten voedsel krijgen en

op deze wijze onafgebrokene priëelen, slingers en festoenen vormen,

die aan de door den tijd verbrokkelde muren een bekoorlijk en frisch

aanzien geven.

Voordat wij nu het oog vestigen op het inwendige gedeelte der stad

zelve, willen wij eerst een bezoek brengen aan het serail.

Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 2 / 12 题