een geringe ruk aan het roer en Lolonois zag met voldoening, hoe de
»_Christina_" den vluchteling weer als een roofdier navloog. Wel had de
Spanjaard alle zeilen bijgezet, maar van oogenblik tot oogenblik kwam de
»_Christina_" toch dichter bij en met den middag kon Lolonois de
manschappen op het andere schip al tellen, die met angst en toch ook met
nieuwsgierigheid naar »_De Vlugge Christina_" uit zagen.
Nog wist men daar niet, waarvoor men het schip van Van Halen houden
moest, want het voerde toch de Spaansche vlag, maar de Boekaniers lagen
loerend achter hun verschansingen als panters achter de rotsen.
»Het oogenblik is nu gekomen, kapitein Van Halen!" zei Lolonois. »Sta nu
het opperbevel aan _mij_ af."
Van Halen wenkte een Boekanier, gaf hem het roer over en ging beneden in
de kajuit om daar rustig op den afloop te wachten.
Lolonois liet een kanonschot lossen. Het vreemde schip zeilde echter
door.
Een tweede schot dreunde en van den romp van het andere vaartuig vlogen
de splinters als vurige vonken door de lucht. Een luid geschreeuw en
gejammer volgde, de Spaansche vlag werd geheschen, maar men zeilde door.
»Laadt de stukken opnieuw! Enterhaken gereed! Niet opstaan, vóór ik het
beveel!" riep Lolonois en hield nu zelf het roer.
Plotseling draaide het vreemde schip bij, want het zag wel, dat aan
ontvluchten toch niet te denken viel.
Een minuut later schoot de »_Christina_" op het achterste gedeelte van
het vaartuig aan en Lolonois riep: »Werpt de enterhaken uit! Vuur!"
Het dek van de beide schepen werd plotseling in een dikken kruitdamp
gehuld. Op hetzelfde oogenblik sprongen alle Boekaniers overeind en
binnen een paar seconden zaten de schepen door enterhaken aan elkaar.
Onder aanvoering van Lolonois sprongen de Vrijbuiters als razenden aan
boord van den Spanjaard, waar zij met angstig geschreeuw en slecht
gerichte geweerschoten werden ontvangen.
De bemanning van het Spaansche schip was in het begin _te_ zeer verrast
om veel tegenstand te bieden.
Eerst toen zij de vijanden als booze geesten midden in den kruitdamp
naar alle kanten om zich heen zagen houwen en steken, vermanden zich de
nog ongedeerde Spanjaarden en begonnen een wanhopigen weerstand.
Er ontstond een hardnekkig gevecht van man tegen man. De Spanjaarden
zagen nu, wie zij voor hadden. Zij verdedigden zich woedend. Het gelukte
hun, zich te verzamelen en doordat zij, ondanks hun verlies, veel
sterker in aantal waren dan de Boekaniers, begonnen die wel wat in het
nauw te komen.
Lolonois was weldra met tien van zijn metgezellen door de voortdringende
drommen van Spanjaarden van de andere Boekaniers gescheiden en tot op
het middendek gedrongen. Ofschoon hij zich woedend verdedigde en met
bovenmenschelijke kracht de áándringende vijanden van zich afweerde,
scheen het toch, dat zijn goed geluk hem begeven zou. Verscheidene van
zijn dapperste mannen zonken doodelijk gewond naast hem neer. Het viel
hem dus hoe langer hoe moeilijker om de degenstooten van de vreeselijk
verbitterde Spanjaarden van zich af te weren. Het gevecht duurde lang en
de kans begon reeds twijfelachtig te worden. Te vergeefs poogden de
andere Boekaniers hun kapitein te helpen. De Spanjaarden, ziende dat zij
den aanvoerder omsingeld hadden, weerden de andere vrijbuiters uit alle
macht. Het begon er voor de Boekaniers hachelijk uit te zien. Reeds
hoorden zij roepen: »Victorie! Victorie!" Reeds werd Lolonois van alle
kanten met den dood bedreigd als hij zich niet wilde overgeven. Nog vier
van zijn makkers zonken doodelijk gewond aan zijn voeten ... Maar zie,
plotseling nam alles een onverwachten en beslissenden keer.
Terwijl namelijk de Boekaniers op het Spaansche schip aan het vechten
waren, was Van Halen in de kajuit en wapende zich. Een oogenblik later
klom hij aan dek en overzag toen het gevecht en Lolonois' wanhopigen
toestand. De merkwaardige en in weerwil van zijn vele misdaden toch zoo
grootmoedige man had op den armen Van Halen een grooten invloed
verkregen en zich binnen weinige dagen zijn geheele genegenheid
verworven. En zie, nu zag Van Halen dien man omsingeld, zag Lolonois en
zijn volk in gevaar en zijn geest was nog helder genoeg om te begrijpen,
dat de nederlaag der Boekaniers het verlies van zijn schip zou zijn.
Plotseling kwam nu al zijn koelbloedigheid en moed weer boven. Snel nam
hij zijn besluit, vloog naar de kruitkamer, droeg met bovenmenschelijke
kracht een vaatje van 150 pond kruit aan dek en ging daarmee, zonder
door de vechtenden opgemerkt te worden, aan boord van het vijandelijke
schip.
Toen wierp hij het in de dichte drommen der Spanjaarden en schoot het
met zijn geweer in brand.
De uitwerking van deze daad was verschrikkelijk.
Meer dan de helft der Spanjaarden werd op een vreeselijke wijze
verpletterd of verminkt. Ook Van Halen zelf werd zoo deerlijk gekwetst,
dat hij bijna onkenbaar was. Toch schoot hij onmiddellijk toe om
Lolonois te ontzetten. Hij versloeg de twee mannen, die hem hadden
aangepakt en voortsleepten, doorstak den derden en plaatste zich met
overal gebrande en door het kruit zwart geworden kleeren naast Lolonois,
die hem niet herkende en hem verbaasd aanzag.
Nu kregen de Boekaniers meer ruimte. Zij vereenigden zich en dreven de
Spanjaarden met de grootste woede het dek af en het ruim in. Binnen tien
minuten was toen de strijd geëindigd en de laatste Spanjaard in handen
van de Boekaniers gevallen.
Lolonois verzamelde nu al zijn overgebleven manschappen en vroeg: »Wie
was toch de man, die het vat kruit onder de Spanjaarden wierp en
aanstak?"
Niemand had het in de hitte van den strijd gezien.
Opeens viel Lolonois het verminkte lichaam van Van Halen in het oog, die
onder vreeselijke pijnen over den grond kroop en zich in zee trachtte te
storten, om zóó aan zijn verschrikkelijk lijden een einde te maken.
Aan enkele overblijfselen van zijn kleeren herkende Lolonois huiverend
den kapitein en snelde dadelijk toe, om hem te helpen. Men goot zeewater
over hem heen, om zijn nog altijd rookende kleeren te blusschen. Daarna
liet Lolonois hem met de grootste voorzichtigheid in de kajuit brengen
en op kussens neerleggen.
Onmiddellijk gaf hij vervolgens bevel om de schepen van elkaar los te
maken, het Spaansche schip op sleeptouw te nemen, de dooden in zee te
werpen en naar het Zuidoosten te zeilen.
Toen ging hij zelf in de kajuit waar hij Van Halen onder de handen van
een wondarts vond in een allerbeklagenswaardigsten toestand.
De arme kapitein van »_De Vlugge Christina_" lag op sterven. In zijn
laatste oogenblikken had hij zijn helderheid van geest teruggekregen en
hoe meer het leven voor hem ten einde liep, des te meer geraakte de
ongelukkige man weer in het volle gebruik van zijn geestvermogens.
Met een gevoel van diep medelijden knielde Lolonois aan Van Halen's
sterfbed neer. Hij greep zijn hand, die van zijn leger afhing en zei:
»Mijn beste kapitein, in wat treurigen toestand moet ik u vinden!"
»Ach, het kruit ..." kermde Van Halen, »het kruit heeft mij zoo
vreeselijk ..."
»Dus _u_ bent het dan geweest, die het kruitvaatje midden onder de
Spanjaarden aanstak?"
»Had ik het niet gedaan, dan was het met u en uw volk gebeurd geweest,"
kreunde Van Halen.
»Hemel, hoe is het mogelijk!" riep Lolonois vol bewondering uit. »En ik
kon u miskennen, u voor een krankzinnige houden! Zoo iets kan alleen een
man van moed en van een buitengewonen geest bedenken! U weet niet, hoe
dankbaar ik u ben, dat u ons het leven gered hebt!"
Van Halen keerde zich onder ontzettende pijnen op zijn leger om en
Lolonois en de zijnen stonden om hem heen met het smartelijk gevoel,
niets te kunnen doen tot verzachting van zijn lijden.
Plotseling richtte Van Halen zich op en zei:
»Mijn leven loopt ten einde, Lolonois. Nu weet ik, dat ik gek was. Ja, u
hebt gelijk gehad, toen u mij voor een waanzinnige hield ... Maar de
valschheid en trouweloosheid van de menschen maakten, dat ik ze
verachtte en haatte ... Ja, ik haatte de menschen, omdat ze mij ...
terug gestooten hadden. U bent nu in het bezit van mijn schip ... ik
laat het u na ... Daar in die kast zult u papieren vinden, die u omtrent
alles zullen inlichten ... O God! wat een pijn!... Ik laat u mijn schip
na ... zweer mij, dat u het zult laten zinken, als u het niet meer
noodig hebt ... of het in de lucht laten springen, als u overwonnen
wordt ... Niemand moet een schip kunnen bouwen naar het model van het
mijne.... U moogt het ook niet doen.... zweer mij dat!"
Lolonois was verbaasd over het verlangen van den stervende. Toch legde
hij den eed af, dien Van Halen verlangde.
[Illustratie: De arme jonge man zonk in elkaar. (Bladz. 149.)]
»Dank, dank u ... U alleen bent waard om mijn schip te bezitten ... er
bestaat geen tweede zoo op de wereld ... U zult het vaartuig lief
krijgen ... het is zoo stevig, zoo vlug ... het was het dierbaarste wat
ik op de wereld bezat.
Plotseling scheen hem iets in de gedachten te komen: hij probeerde zich
op te richten en toen de Boekaniers hem ondersteunden zei hij:
»Het eene schip voor het andere ... laat mij aan boord van het Spaansche
schip vastbinden, als ik dood ben ... Maak dan het vaartuig leeg en laat
... mijn lijk in zee zinken ... beloof mij dat!"
Lolonois verklaarde met droefheid zich bereid, om dit verlangen na te
komen.
»Hebt u nog iets anders?" vroeg hij toen.
»Neen, mijn vriend!" zei Van Halen met moeite, »niets meer ... Vaarwel
...!"
De stervende lag stil, men hoorde het reutelen in zijn keel; een
siddering doorliep al zijn leden. Toen strekte zich zijn lichaam uit; op
zijn mannelijk gelaat was de laatste doodstrijd te lezen en--Van Halen
was niet meer.
Toen den volgenden dag alles wat maar eenige waarde had, uit het
Spaansche schip was gehaald, liet Lolonois het lijk van Van Halen, in
kostbare Indische stoffen gewikkeld, in de kajuit brengen en op een
rustbed vastbinden. Hij zelf las aandachtig eenige plaatsen uit een
gebedenboek en liet daarna alle zeilen van het schip bijzetten en al de
vlaggen hijschen waarover het beschikken kon. Maar aan den top van den
grooten mast wapperde de Hollandsche vlag.
Het roer werd vastgezet en naast het lijk vier brandende waskaarsen
geplaatst.
Nadat de Boekaniers gaten in den bodem van het schip geboord hadden,
verwijderden zij zich de een na den ander en gingen aan boord van de
»_Christina_" over. Deze zette nu zeil bij en volgde langzaam het
vooruitdrijvende Spaansche vaartuig, terwijl de kanonnen werden gelost,
om aan den verdienstelijken zeeman de laatste eer te bewijzen.
Het Spaansche schip zonk hoe langer hoe dieper. Men zag alleen nog maar
het dek bij den grooten mast en den boegspriet boven de golven
uitsteken. Plotseling zonk het voorste gedeelte in het water en dook zoo
langzaam dieper onder de golven. Maar het duurde nog geruimen tijd eer
de toppen der masten--en die van den middelmast met de wapperende
Hollandsche vlag, het laatst--geheel in zee waren gezonken.
Eenige kringen op de golven duidden het spoor aan, waar alles verdwenen
was en--»_De Vlugge Christina_" zweefde eenzaam over de blauwe wateren
van de Caraïbische zee.
De Boekaniers hadden het geheele tooneel aangezien met het gevoel van
den zeeman, die geen schip zonder weemoed te gronde ziet gaan. Op het
vaartuig van Van Halen heerschte een doodelijke stilte, als in een huis,
waarvan de meester gestorven is.
Nu riep Lolonois echter zijn volk bijeen en zei: »Mannen, dit fraaie
schip is thans ons rechtmatig eigendom. Wij hebben den doode de laatste
eer bewezen en eerlijk schip om schip gegeven, zooals hij het verlangde.
Welaan, laat ons dan trachten, met ons vaartuig nieuwe heldendaden te
verrichten, nieuwe rijkdommen te veroveren. En verder, laat ons tot
aandenken aan zijn uitvinder en vroegeren eigenaar den naam van het
schip veranderen. Van dit oogenblik af aan zal het heeten: »_De
Vliegende Hollander_!"
»Hoera!" klonk het toen uit de schorre kelen van de ruwe Boekaniers:
»Hoera voor den Vliegenden Hollander!"
[Illustratie]
TIENDE HOOFDSTUK.
De zeeslag tegen de Spanjaarden.
De Boekaniers keerden nu terug naar hun algemeene verzamelplaats, het
Schildpadden-eiland, tegenover St. Domingo.
Op den avond dat »_De Vliegende Hollander_" de baai van dit eiland
naderde, lagen er vijf schepen te gelijk voor anker. Uit al de herbergen
klonken vroolijke gezangen, overstemd door het gejuich van Boekaniers,
die, van hun lange strooptochten terug gekeerd, daar hun buit in
vroolijkheid weer verteerden.
Het was meer toeval dan voorzichtigheid, dat er een op wacht stond op
een rots aan den ingang van de baai, juist toen »_De Vliegende
Hollander_" de schuilplaats der Boekaniers naderde.
Lang ontdekte hij niets op de kalme oppervlakte van het water. De
zeevogels daalden neer op de golven, de visschen spartelden heen en weer
in onverstoorde dartelheid en de wolken gingen, als in vredige
bedevaart, door de blauwe lucht; de geheele natuur was in die liefelijke
rust verzonken die het menschenhart tot een weemoedige blijheid stemt.
Reeds wilde de man naar beneden gaan en zich bij zijn luidruchtige
makkers voegen, toen hij opeens in het Noordwesten een zeil ontdekte,
dat zijn opmerkzaamheid trok.
Het was »_De Vliegende Hollander_" die het voorgebergte om zeilde en nu
snel naderde.
Toen de Boekanier den vreemden vorm van het schip zag en door zijn
groote snelheid verrast werd, vermoedde hij eenig gevaar en schoot
onmiddellijk een kanon af, dat tot het geven van een alarmsein boven op
de rots geplaatst was.
De donder van het zware geschut klonk krachtig over de wateren en
weergalmde tot ver in het dal.
Eenige minuten lang heerschte er een diepe stilte. Toen klonk een
verward geschreeuw en gejoel. De Boekaniers grepen allen naar de
wapenen, vlogen de booten in en roeiden naar boord van hun schepen, die
binnen weinige oogenblikken strijdvaardig waren. Een groot aantal
bejaarde mannen stroomden intusschen haastig naar den smallen ingang van
de baai, om met een ijzeren boom den doortocht te versperren. De overige
bewoners vluchtten met hun kostbaarheden naar een versterkt gebouw aan
den oever, waar zij de kanonnen laadden, vast besloten zich tot het
uiterste te verdedigen.
Inmiddels werden de schepen naar de linkerzij van den ingang der baai
gevoerd om daar voor anker te liggen. Terwijl den verwachten vijand dus
aan den éénen oever het vuur van zes kanonnen uit het fort zou treffen,
konden zij hem van terzijde met het geschut van hun vaartuigen
beschieten.
Boven op de rotsen stonden een paar aanvoerders om den gewaanden, snel
naderenden vijand vandaar in oogenschouw te nemen en door teekens aan de
Boekaniers in de sterkte en op de schepen bevelen te geven. Met
verwondering ontdekten zij alleen een enkel klein vaartuig, maar de
vlugge bewegingen, het sombere, krijgshaftige voorkomen van het schip en
zijn vreemdsoortige bouw brachten hen in de hoogste verbazing.
»_De Vliegende Hollander_" naderde nu den smallen ingang van de baai.
Hier lagen een paar zandbanken, die voor een vreemden schipper
allergevaarlijkst konden worden, doordat men ze zelfs bij eb en stil
weer niet zien kon. Een ervaren zeeman die met de plaatselijke
gesteldheid door en door bekend was, kon ze alleen vermijden. Maar »_De
Vliegende Hollander_" gleed als een zwaan over de gevaarlijke plaats
heen en liep rustig tot voor den ingang van de baai.
Tot op dit oogenblik hadden de Boekaniers bedaard den loop der zaken
afgewacht, maar zoodra het vreemde schip aan den ingang der baai gekomen
was, richtten zij een geladen kanon naar een plaats in zee, een
kabellengte van het vreemde schip verwijderd, en schoten het af. Een
kogel plofte in zee en de golven sisten en spatten hoog op, vlak voor
den boeg van »_De Vliegende Hollander_".
Dat was een dreigende en duidelijke waarschuwing om stil te houden.
Onmiddellijk kwam er nu beweging in de masten en raas van het vaartuig,
het roer werd gewend en al die manoeuvres gemaakt, waardoor het binnen
een minuut stil lag. Toen zag men een vlag in den wind fladderen en
spoedig werd het vuurroode doek met den witten dolk als de vlag der
Boekaniers herkend. Nu vreesden zij voor verraad en beraadslaagden over
de maatregelen die genomen moesten worden.
Intusschen kwam van achter het vreemde vaartuig een kleine, nette boot
te voorschijn, die als een notedop op de golven danste, naar den ingang
van de baai roeide en daar verdween. De mannen die boven stonden konden
haar nu niet meer zien, maar wachtten geduldig af, wat er beneden zou
voorvallen.
Opeens drong er een luide en algemeene kreet tot hen door. Was het een
oorlogskreet? Maar neen, er viel geen enkel schot. Het was dus een kreet
van blijdschap, die zoo lang aanhield.
Zij verlieten nu hun hooge standplaats en ijlden in de grootste spanning
naar het strand, om in de algemeene vreugde te deelen. Maar pas halfweg
vlogen hun al boden te gemoet, die van blijdschap haast niets konden
stamelen dan den beroemden en geliefden naam van Lolonois.
Zoodra de Boekaniers op het strand aankwamen, zagen zij, dat vlaggen
wapperden van al de schepen. De boom die den doorgang versperde was
weggenomen en honderden Boekaniers sprongen en dansten als razenden op
het smalle rotspad langs den oever heen en weer.
Nu verscheen er een boot, waarin twaalf roeiers uit alle macht werkten
om het nieuwe schip naar binnen te slepen. En zie, daar vertoonde zich
de boegspriet en toen de geheele, zwarte romp van het fraaie schip met
al zijn kanonnen. Alles begon te juichen en te jubelen zonder einde,
toen Lolonois, de dappere, aangebeden Lolonois plotseling op het dek
kwam en vroolijk den hoed zwaaide om de opgewonden Boekaniers te
begroeten.
Zoodra het schip binnen de baai was, donderden al zijn kanonnen een
welkomstgroet en nadat de kogels er uitgenomen waren beantwoordden de
stukken van het fort en van de vijf andere schepen deze saluutschoten.
Het vreugdegeschreeuw uit honderden kelen klonk schaterend door de lucht
en onder zóó'n geestdriftige ontvangst wierp »_De Vliegende Hollander_"
het anker uit.
Ja, onbeschrijfelijk was de geestdrift, waarmee Lolonois, de vorst der
Boekaniers, die men dood waande, door zijn onderhoorigen werd ontvangen.
Dit ruw en onverschrokken volk was van blijdschap buiten zich zelf; de
genegenheid voor den buitengewonen man maakte die dapperen aan kinderen
gelijk. Zij drukten zijn handen en kusten zijn kleeren, zij omvatten
zijn knieën en vielen hem te voet. Wie ver af stonden moesten zich
vergenoegen met door teekens hun vreugde te uiten. Vaders hielden hun
knapen in de hoogte, om hem te zien, moeders brachten hun kleinen mee,
om den grooten man aan te wijzen. Door uitgelaten blijdschap waren al
die menschen, in weerwil van hun vele misslagen, in beminnelijke wezens
veranderd.
Lolonois stond midden in den kring van zijn vrienden. Hij kon met zijn
schepelingen het strand niet verlaten, want ook zij werden met gejuich
begroet. Eindelijk wenkte hij tot stilte. Het gedruisch ging eensklaps
in een diep stilzwijgen over. Hij sprak toen allen aan:
»Vrienden en wapenbroeders! Ik ben ontroerd, ik voel mij zoo gelukkig,
dat ik weer bij u ben. Weest allen hartelijk gegroet! Ik vergeet gevaren
en rampen, omdat ik zoo vriendelijk door u ontvangen word. Ik dank u. De
Hemel sta mij toe, nog lang bij u te mogen zijn, om als uw trouwe
broeder lief en leed broederlijk met u te deelen. Zijt mij nogmaals van
harte welkom, en weest allen, van den grijsaard tot den jongste onder u,
van avond mijn gasten. Gij zult allen de mijnen en ik zal de uwe zijn.
Lang leven de Boekaniers! Dood en verderf over de hoofden van hun
vijanden!"
Een storm van vreugdegedruisch verhief zich nu weer en hield niet eerder
op, vóór dat Lolonois in een van de grootste huizen der volksplanting,
waar men hem heen geleidde, verdwenen was.
Op de »_De Vliegende Hollander_" begon nu een groote bedrijvigheid. Al
de manschappen waren bezig, de kostbare wijnen van Van Halen te lossen,
nu Lolonois het voornemen had, om alle bewoners van de volksplanting 's
avonds te onthalen. In de huizen waren al de vrouwen in de weer, op
kosten van Lolonois een maaltijd toe te bereiden. Verscheidene booten
voeren af en aan, om de kostbaarheden uit het schip aan wal te brengen,
want nadat zijn tochtgenooten hun aandeel ontvangen zouden hebben, wilde
Lolonois alles onder de gezamenlijke Boekaniers verdeelen.
Verscheidene mannen namen in het versterkte huis de kisten in ontvangst
en begrootten den rijken inhoud er van, waarna zij de waarde zorgvuldig
noteerden. Het veroverde Spaansche schip had aan de regeering behoord en
een lading in gehad van een half millioen aan goud en zilver.
De verdeeling was binnen weinige uren afgeloopen. In dien tusschentijd
had men op een fraai grasperk onder reusachtige katoen- en palmboomen
lange tafels aangericht en groote vuren ontstoken. Allerlei huisraad had
men er bijeen gehaald: banken, stoelen, zelfs die van de schepen, zoodat
allen ruimschoots konden zitten. Op den achtergrond schaarden zich de
negers, die er door nieuwsgierigheid heen gelokt waren en nu ving de
maaltijd aan. Lolonois liet wijn uitdeelen, zooveel als ieder maar
verkoos; niet één gevoelde zich ontevreden; ieder deelde in de algemeene
vreugd.
Later op den avond vormden zich overal schilderachtige groepen. Hier
zaten ruwe Boekaniers broederlijk bij elkaar, terwijl lustig de beker
rondging; daar weer belichtte het vuur de bruine aangezichten van eenige
vrouwen, die luisterden naar wat een oud man haar vertelde van de
moedige daden van haar echtgenooten. Onder de hooge takken van een
katoenboom, waaruit de in hun rust gestoorde apen en papegaaien
schreeuwend wegvluchtten, lagen ginds eenige zeelui bij elkaar en
luisterden naar de verhalen van een grijzen makker, die geestdriftig van
de vreeselijke gevechten vertelde, die hij had meegemaakt. Op plaatsen
waar de maan het helderst scheen vermaakten zich eenige dansers en
danseressen bij de zwaarmoedige tonen van een fluit en guitaar en op den
achtergrond zag men de donkere gestalten van enkele negers die, door den
wijn en de vreugde bijna dolzinnig, op de wilde tonen van een
muziekinstrument uit hun eigen land en van een daarbij onontbeerlijke
trom, hun vlugge dansen uitvoerden.
In de baai lagen als zwarte monsters de lompe schepen en dit alles
bescheen de maan met haar zachten, liefelijken glans. De nacht was kalm,
de lucht zoel en vol aangename geuren, maar telkens werd de nachtelijke
vrede onderbroken door de luide kreten: »Leve Lolonois! Leven de
Boekaniers, dood aan hun vijanden," kreten die ver over de velden en
diep in de bosschen weergalmden.
Lolonois zelf nam echter aan deze feestelijkheden geen deel. Hij had
zich na den algemeenen maaltijd in zijn bijzondere vertrekken
teruggetrokken, waar hij, gelukkig met het bezit van zijn heerlijk
vaartuig, droomde van nieuwe krijgsbedrijven, die hij met »_De Vliegende
Hollander_" zou verrichten.
En--zooals hij het zich droomde, gebeurde het ook.
Door de steeds stouter strooptochten echter van de Boekaniers nam de
onveiligheid in de West-Indische wateren zoodanig toe, dat het de
opmerkzaamheid der Europeesche regeeringen tot zich trok en de handel op
dat gedeelte van Amerika geheel te niet ging. Want de Boekaniers waren
niet meer tevreden met het vermeesteren van enkele schepen der
Spanjaarden, maar zij vielen ook geheele vloten aan, ja, veroverden en
plunderden zelfs verscheidene steden aan de Amerikaansche kust.
Langzamerhand strekten zij hun rooverijen ook tot Portugeesche, Fransche
en Engelsche schepen uit. Lolonois zelf bleef wel is waar aan zijn
beginsel getrouw om met de heele wereld in vrede, maar met de
Spanjaarden in eeuwigdurenden oorlog te leven,--doch zijn invloed ging
niet zóó ver, dat hij al zijn bondgenooten die op andere schepen waren,
kon bewegen om naar hetzelfde beginsel te handelen.
De regeeringen van Frankrijk en Engeland eischten eindelijk van Spanje,
dat het de strooptochten der Boekaniers zou te keer gaan. Werden de
West-Indische wateren niet binnen een jaar door de Spaansche regeering
geheel van zeeroovers gezuiverd, dan zouden zij gedwongen worden niet
alleen om de aangerichte schade te vergoeden, maar Frankrijk en Engeland
zouden bovendien nog op de Spaansche Antillen verscheidene belangrijke
punten in bezit nemen, om aldaar tijdelijke verblijfplaatsen op te
richten voor de eskaders van hun vloten.