afgestoken, die met groote snelheid het schip naderde. Aan een staak
fladderde een roode doek, zooals er ook een van den achtermast der
»_Christina_" afwoei. Zoodra de nieuw aangeworven matrozen dit zagen
werden ze uitgelaten van plezier. Zij hieven een luid »_hoera!_" aan,
zwaaiden met mutsen en roode doeken en maakten alles gereed, om de
manschappen die in de boot waren, aan boord te nemen.
Toen het vaartuig aan stuurboord lag sprong Lolonois aan dek en op hem
volgden dertig stoutmoedige en van top tot teen gewapende Boekaniers.
Zij namen onmiddellijk de kajuit in bezit, bezetten het geheele schip,
laadden de kanonnen en richtten alles in volgens de bevelen van hun
aanvoerder, alsof er geen Van Halen bestond.
Lolonois bekeek het door hem in bezit genomen vaartuig met de grootste
voldoening. Hij was veel te veel zeeman om niet dadelijk de voordeelen
van den bewonderenswaardigen bouw te ontdekken. Tevreden met den goeden
uitslag van zijn maatregelen om het schip in zijn bezit te krijgen, vond
hij het niet eens de moeite waard, om naar den vroegeren eigenaar te
vragen. Hij gaf alleen aan zijn onderhoorigen enkele korte bevelen
omtrent de manier, hoe hij met Van Halen en den matroos gehandeld wilde
hebben. Toen ging hij naar beneden om het inwendige van het schip te
bekijken en een onderzoek naar de lading en den voorraad in te stellen.
Tot nog toe had Van Halen stil aan bakboord gezeten en was weer in zijn
gewonen, wezenloozen toestand vervallen. Nu stond hij op, want hij
bemerkte, dat de wind zich verhief.
Hij trad te midden van de zeelui op het dek, die hem allen met
verwondering aangaapten. Hij zelf was bij het zien van de groote
verandering om hem heen en van al die gewapende vrijbuiters, die hem
brutaal en spottend aankeken, zóó verrast, dat hij bewegingloos stil
stond. Vóór hij echter nog tot zichzelf komen kon trad de vertrouwde van
Lolonois op hem toe en vroeg:
»Mijn beste vrind, waar kom _jij_ vandaan en wat zoek je?"
Van Halen keek den man langdurig en strak aan, maar gaf geen antwoord.
Toen nam hij den kerel bij den arm om hem heel kalmpjes op zij te
schuiven.
»Wel zoo, kameraad," riep de vrijbuiter lachend, terwijl hij zich met
moeite uit de krachtige handen van Van Halen losmaakte, je bent niet erg
beleefd tegen me, en dat nog wel iemand, die niet eens bij ons aan boord
behoort. Wat _wil_ je toch van ons?"
»Gek!" riep Van Halen, »ga heen waar je vandaan gekomen bent. Ik ben aan
boord van mijn eigen schip!"
»Hoe heb ik het nu met je?" zei de zeeroover, terwijl hij stoutmoedig
vlak voor Van Halen ging staan; »dit vaartuig is van Lolonois, als je
dien soms kent!"
»Wàt zeg je?" riep de ongelukkige kapitein.
»Dat Lolonois onze bevelhebber is. Hei, kameraden! Zeg jullie ook eens
wat. _Is_ het niet zoo?"
»Ja, ja!" riepen de Boekaniers lachend. »Lang leve Lolonois en zijn
nieuw schip!"
Nu werd Van Halen woedend. Zijn neusvleugels trilden; een donker rood
kleurde zijn gezicht. »Ha!" riep hij, »ik merk het al, jullie bent
zeeroovers. Hei daar, matrozen! Waar is mijn volk?"
»Je bent niet goed bij je hoofd, man," zei de Boekanier, »hier is enkel
volk van Lolonois. Wil je daar óók onder dienen, heel goed. Maar _hij_
alleen heeft hier te kommandeeren."
»Loop naar den duivel, gek!" schreeuwde Van Halen woedend, greep den man
in zijn borst, nam hem op als een bal en wilde hem over boord smijten.
Maar opeens werd hij door vier stevige Boekaniers aangepakt, die hem
achterover op den grond wierpen en hem de voeten bij elkaar bonden,
ofschoon hij zich in razernij verdedigde. In een oogenblik hadden zij
hem nu met een paar sterke touwen zoo stevig gebonden, dat hij bijna
geen lid meer verroeren kon.
Nu kwam Lolonois zelf aan dek; de Boekaniers traden eerbiedig terug en
hij ging naar den op den grond liggenden krankzinnige.
»Wat is hier te doen?" vroeg hij.
»Deze man kwam hier aan boord," zei de Boekanier, dien men uit de handen
van Van Halen had moeten bevrijden, »en wil hier bevelen geven. Hij
roept zijn matrozen en valt mij aan als een razende, omdat ik hem zei,
dat dit vaartuig van ù was en dat ù hier te bevelen had."
»Beste vriend!" zei Lolonois glimlachend tegen Van Halen, die hem
verwezen aanstaarde: »Ik heb dit schip genomen, het is mijn eigendom."
»Genomen?... Van wien? Van wien?" stamelde Van Halen, die niets van dit
alles begreep.
»Van een Hollander, een zekeren Van Halen, die het in de haven van
Port-Royal met al zijn matrozen verlaten heeft."
»Dat is een schandelijk bedrog," kermde de ongelukkige man, »ik ben Van
Halen zelf en heb daar al mijn matrozen op één na laten gaan. En toen
heb ik nieuwe manschappen aangenomen ..."
»Och kom, beste maat, zoek dat _mij_ toch niet wijs te maken," zei de
Boekanier, »ik heb veeleer lust, om jou voor een bedrieger te houden.
Maar wij zullen zien. Kun je bedaard wezen, zoodat ik je loslaten kan?"
Er volgde geen antwoord.
»Maak zijn touwen los en breng hem bij mij in de kajuit, dan kunnen we
daar verder met elkaar spreken. Licht intusschen de ankers en laat ons
in zee steken vóór de nacht valt."
Hij verdween en de Boekaniers sneden de touwen door waarmee Van Halen
zijn handen en voeten waren gebonden. De man sprong toen op als een
getergde stier en volgde Lolonois, maar onder geleide van vier
Boekaniers, die hem geen oogenblik uit het oog verloren.
De buitengewone omstandigheden waarin Van Halen zich bevond, hadden een
zonderlinge uitwerking op den ongelukkige. Hij kwam geheel tot zichzelf
en overzag opeens met een helderen blik zijn toestand. Vol van gedachten
aan de beste wijze, waarop hij zich uit zijn benarde omstandigheden zou
kunnen redden, trad hij de kajuit binnen. Hij vond er Lolonois bezig met
verscheidene brieven te lezen en den inhoud er van met een kaart te
vergelijken, die voor hem op tafel lag.
Met de houding van een volmaakt edelman wenkte de vrijbuiter Van Halen,
om tegenover hem plaats te nemen en zei:
»U bent mij welkom, mijnheer, maar wil mij nog een oogenblik tijd laten,
om mijn bezigheden af te doen, dan ben ik geheel tot uw dienst."
Van Halen ging zitten, ofschoon hij zich ergerde, dat een ander zich zoo
maar van zijn eigendom meester maakte. Hij had grooten lust om opnieuw
op te stuiven en den vermetelen vreemdeling de deur uit te smijten. Maar
het gevoel van overmacht, dat die vreemdeling al op hem had uitgeoefend
en zijn nieuwsgierigheid naar wat er komen zou, maakten dat hij het
raadzaam oordeelde, om bedaard en behoedzaam te werk te gaan.
Eindelijk legde Lolonois de papieren bij elkaar en zei:
»Zoo, vriend, is u daar nog? Welnu, ik ben klaar om naar u te
luisteren."
Hij gaf aan de vier mannen bij de deur een wenk om heen te gaan, ging
toen met de armen over elkaar tegenover Van Halen zitten en keek hem
ernstig aan.
»En zou ik nu eens mogen weten," begon Van Halen het gesprek, »wien ik
hier eigenlijk voor mij zie?"
»Ik ben de bevelhebber van dit schip en heet Lolonois," zei de Boekanier
met een spottend lachje.
»Wat voor handwerk oefent u uit?"
»Dat is verschillend," ging Lolonois op spottenden toon voort. »Soms ben
ik koopman, dan weer soldaat, een ander maal weer eens reiziger;
dikwijls ook help ik de overheid, als zij zelf niet sterk genoeg blijkt
om de booswichten te straffen; in één woord, ik doe waar ik lust in
heb."
»U bent dus een vrijbuiter?" vroeg Van Halen met eenige huivering.
»Ja, zoo iets, als u wilt," antwoordde Lolonois bedaard.
»Maar hoe kwam u dan aan mijn schip?" vroeg Van Halen ernstig.
»Hoe wij aan een schip komen?" zei Lolonois, terwijl hij langzaam zijn
beenen uitstrekte, »mijn hemel! hoe komen wij aan alles? Wij némen het,
als wij het noodig hebben!"
»U hebt dus mijn schip genómen?"
»Ja, vriend! dat hebben we gedaan," zei de Boekanier lachend.
»En denkt u, dat ik mij dat maar zoo goedsmoeds zal laten welgevallen?"
vroeg Van Halen op ernstigen toon.
»Je zult dat wel moeten, of je wilt of niet," sprak Lolonois met
minachting. »Wat kan je er tegen doen?"
»Dat zullen we zien," zei Van Halen beslist. Hij sloot daarop de deur en
ging toen weer naar de tafel.
»Mijnheer, u bent mijn gevangene," zei hij nu, »en mochten soms uw
makkers lust hebben om de deur open te breken, dan laat ik mijn schip
met ons allemaal in de lucht vliegen!"
De Boekanier bleef volkomen bedaard. Hij zag Van Halen glimlachend aan,
maar overigens bewoog zich geen spier van zijn gelaat.
»Ja, Mijnheer," ging Van Halen voort, »ik zal allen in de lucht laten
springen. Want weet, dat u boven een vulkaan zit. Onder u is de
kruitkamer en ik heb daar meer dan tienduizend pond liggen."
»Dat is een mooie voorraad, mijnheer!" zei de Vrijbuiter lachend. »Het
zou jammer wezen om die in eens te verbruiken, jammer vooral van het
mooie schip. Ja, hoe bent u daar toch aan gekomen? Ik heb nog nooit
zoo'n snelzeilend vaartuig gezien."
»Dat heb ik zelf uitgevonden en zelf gebouwd," zei Van Halen met trots.
»Het is tot nog toe het eenige van die soort en--het moet het eenige
blijven. Maar, om tot de zaak terug te keeren, wilt u mijn schip naar de
haven terugvoeren, ja of neen?"
»Neen, mijnheer!" zeide de Boekanier, »dat kan ik niet doen."
»Wilt u me dan tot het uiterste drijven?" vroeg Van Halen heftig. Meteen
nam hij een pistool, haalde den haan over, drukte op een geheime plek in
den vloer, zoodat er een klein luik opensprong.. Hij hield den loop van
het pistool er in ... De reuk van het kruit verspreidde zich al door de
kajuit heen ...
Lolonois bleef niettemin bedaard.
»Ik zie, mijnheer," zeide hij, »dat u een voortreffelijk man bent. Maar
wacht nog een oogenblik met dat gevaarlijk spelletje ..."
Van Halen trok het pistool weer terug, sloot de opening en ging bedaard
zitten.
»Luister eerst eens naar mij, mijnheer, en doe dan, wat u van plan
waart," zei de Boekanier ernstig. »U ziet, dat het volstrekt mijn
voornemen niet is om u te beleedigen of u kwaad te doen.--Wees dus
onbezorgd en hoor mij bedaard aan," ging hij voort, toen Van Halen
teekenen van ongeduld begon te toonen:
»Ik ben Lolonois, zoo genoemd naar mijn geboorteplaats L'Olone in de
Vendée. In mijn jeugd leerde ik allerlei ridderlijke spelen en de lust
om groote daden te doen maakte, dat ik al vroeg de wijde wereld inging.
Ik werd een avonturier. Toen ik hier bij mijn grooten landgenoot Le
Basque kwam, hoorde ik van de schandelijke daden, door de Spanjaarden
aan de arme West-Indiërs gepleegd, van de ongekende wreedheid, waarmee
zij de inboorlingen uitgeroeid hadden.
Nu had ik een doel gevonden, waarop ik al mijn krachten wilde richten.
Dat was de wraak! Ja, mijnheer, ik voel mij geroepen om de schimmen van
de vermoorde Amerikanen te wreken en jarenlang heb ik zonder ophouden en
zonder mededoogen dit bedrijf al uitgeoefend!"
De Boekanier hield een oogenblik op. Toen vervolgde hij:
"Geen macht is in staat mij van de vervolging der Spanjaarden af te
houden. Voor den dood ben ik niet bevreesd en mijn metgezellen evenmin.
We werden evenwel een poos verhinderd om onze tochten voort te zetten.
Want ja, ik bezat een fraai en groot schip, maar het strandde en
nauwelijks wist ik mij het leven te redden met de helft van mijn dappere
manschappen. Eenige kostbaarheden die ik bij mij droeg hebben tot
gisteren gediend, om in onze behoeften te voorzien. Toen hoorden een
paar van mijn mannen toevallig een gesprek dat uw matrozen met elkaar
hadden. We vernamen, dat u volk noodig had om uw schip weer te bemannen.
Omdat u hier moeilijk beter matrozen zoudt kunnen vinden heb ik u toen
mijn eigen zeelui gestuurd en ben nu zelf hier gekomen.
En nu kunt u mij een roover noemen, maar ik beroof niemand, behalve de
Spanjaarden. Welnu, het eerste Spaansche schip dat wij ontmoeten is
_mijn_! Dan zal ik u dit vaartuig weer teruggeven en u aan flinke,
vertrouwde manschappen helpen, zooals u gehad heeft. U kunt dan, wat mij
betreft, vrij varen waarheen u maar wil. Ook ben ik bereid u uit den
buit alle schade te vergoeden. U weet nu wie ik ben en hoe ik het met u
meen. Neem dan nu uw besluit!"
De toespraak van dezen zonderlingen man had indruk op Van Halen gemaakt.
Hij hing het pistool weer aan den wand, nam een flesch kostelijken
Maderawijn uit een kast en schonk twee glazen vol. Toen ging hij
tegenover den Boekanier zitten en zei:
"'t Is goed, ik zal u mijn schip leenen, zoolang u het noodig heeft. Dat
u een vrijbuiter bent, doet er voor mij heel weinig toe, want de
menschen haat ik, omdat ze mij mijn heele leven lang hebben
teruggestooten. Er mag dus gebeuren wat wil, ik zal u tot niets
aansporen en ook van niets terughouden. Maar--één man kan hier maar
bevelen; _een_ van ons beiden is hier te _veel_!"
"Wel neen, vriend, _u_ is hier bevelhebber gedurende de vaart en heer en
meester over alles. Mijn mannen moeten u gehoorzamen als trouwe
matrozen. Maar tijdens het gevecht zal _ik_ bevelen en _ik_ zal u
zeggen, waarheen wij varen. Wilt u het op die voorwaarden met mij
wagen?"
"Aangenomen!" zei Van Halen en drukte de hem toegestoken hand.
Lolonois nam zijn glas op, klonk met Van Halen en zei: »Welnu, mijnheer,
laat ons dan, in nood en dood, goede scheepsmakkers wezen. Maar zeg mij
nu eens, wie u bent. U moet wel heel veel verdriet ondervonden hebben,
dat u zoo neerslachtig bent geworden."
Van Halen vertelde nu in weinig woorden zijn lotgevallen en de Boekanier
zag hem deelnemend aan. Toen verzonk hij langzamerhand weer in zijn
gewone zwaarmoedigheid, keek stil voor zich uit en nam eindelijk zijn
gewone plaats aan het roer weer in.
Een oogenblik later kwam ook Lolonois aan dek. Hij verzamelde zijn
manschappen en deelde de noodige bevelen uit. Meteen gaf hij eenige
wenken, om den kapitein goed in het oog te houden. Toen ging hij naar
Van Halen en vroeg: »Het blijft immers bij ons verdrag?"
»U hebt mijn woord!" was alles wat de ongelukkige antwoordde, maar
verder sprak hij in het geheel niet meer.
Al heel gauw echter waren de Boekaniers er van overtuigd, dat het schip
bestuurd werd door een zeeman zonder weêrga en ondanks het vreemde van
het geval, verdween bij die roekelooze mannen binnen één enkelen nacht
alle vrees voor het gevaar, waarin Van Halen hen zou kunnen brengen.
[Illustratie]
NEGENDE HOOFDSTUK.
»De Vliegende Hollander."
Den volgenden morgen kwam Lolonois bij Van Halen en zei: »We hebben
gebrek aan water en zijn dicht bij de groote bron. Als u dus het anker
wilt uitwerpen, dan kunnen onze mannen de tonnen vullen."
»Water, zoet water in zee?" vroeg de kapitein verwonderd.
»Ja, niet ver hier vandaan borrelt uit den bodem van de zee bronwater
op. Doordat dit, zooals u weet, lichter dan zeewater is, blijft het aan
de oppervlakte. U zult u zelf kunnen overtuigen, als wij de plaats
bereikt hebben. Stuur maar wat meer landwaarts tot bij die groote rots,
dáár!"
Van Halen deed het en spoedig waren zij met het schip op de aangeduide
plek. Het anker werd uitgeworpen en de boot neergelaten en bemand. Op
dit oogenblik kwam een van de Boekaniers bij Lolonois en vroeg:
»Kapitein, wat moet er met den matroos gebeuren, dien wij beneden nog
altijd bewaken?"
»Het is een van uw vroegere manschappen," zei Lolonois tegen Van Halen.
»Het beste was, om hem, zoowel in _uw_ als in _ons_ belang, hier achter
te laten. Geen half uur van de plaats waar wij landden, ligt een dorp,
dat hij gemakkelijk bereiken kan. Maar--handel met hem zooals het u het
beste voorkomt."
Van Halen had een vreeselijken haat opgevat tegen allen, die vroeger tot
de bemanning van zijn schip behoord hadden. Ook Thomas, ofschoon hij
wist hoe trouw die hem was, begon hij meer en meer te haten, omdat die
alleen hem voortdurend aan de trouweloosheid van de anderen herinnerde.
Hij besloot dus, hem aan land te zetten. Daarom liet hij hem in de
kajuit komen, betaalde zijn loon en zei hem aan, dat hij oogenblikkelijk
zijn schip moest verlaten.
Thomas zag zijn meester weemoedig aan, maar waagde het niet, hem tegen
te spreken. Hij verliet de kajuit en ging aan het werk alsof er niets
gebeurd was. De Boekaniers keken hem verwonderd aan maar Lolonois, die
meende dat Van Halen Thomas liever niet wilde ontslaan, gaf zijn mannen
een wenk, dat zij den matroos stil aan zijn werk zouden laten.
Zoo kwam het, dat Thomas met de anderen in de boot ging en in
tegenwoordigheid van Van Halen mee aan land stapte.
De Boekaniers, die niet met het vullen van de tonnen bezig waren gingen
hier jagen en menig fraaie stier werd geveld en de beste stukken er van
aan boord gebracht. Van Halen was op deze tochten een zwijgend
toeschouwer die, ofschoon hij ook een geladen geweer bij zich had, toch
aan de jacht geen deel nam.
Intusschen waren de anderen in de groote boot bezig, om de tonnen aan de
bron te vullen, waar de heele dag mee gemoeid was. Lolonois bleef aan
boord om te zorgen, dat alles naar behooren en op geschikte plaatsen
geborgen werd. Van tijd tot tijd legden de booten aan en werden dan
telkens door hem weer met leege vaten afgezonden, want hij wilde zooveel
drinkwater opdoen als mogelijk was.
Doordat zij de groote boot nog hadden, waarmee Lolonois op het schip
gekomen was, kon een groot deel van de manschap ongestoord met Van Halen
aan wal blijven.
Tegen den avond evenwel gingen de meeste Boekaniers naar boord terug.
Alleen zij, die blijven moesten om te roeien, waren nog in de boot en
wachtten op den kapitein, dien zij niet ver van het strand in diepe
gedachten verzonken op en neer zagen wandelen.
Een oogenblik later zagen de Boekaniers, dat Thomas naar hem toe kwam om
een gesprek met hem te beginnen. Uit de driftige bewegingen van Van
Halen maakten zij op, dat zij oneenigheid kregen.
Op dit oogenblik werd er van boord, als sein om de boot terug te roepen,
een schot gelost. De Boekaniers brachten het vaartuig tot op een paar
meter afstand bij het land. Toen hielden zij op met roeien en legden een
plank tot op den oever, zoodat Van Halen droogvoets in de boot zou
kunnen komen. Terwijl hij dichter bij kwam zagen de Boekaniers, dat hij
rood was van woede en dat zijn oogen onheilspellend fonkelden.
Thomas volgde hem langzaam en van verre, maar toen Van Halen dicht bij
de boot gekomen was begon hij opeens vlugger te loopen en trachtte, te
gelijk met zijn meester, in het vaartuig te komen.
Van Halen stond zelf al op de plank.
Nu riep Thomas, dat men hem ook aan boord zou nemen, want dat de
kapitein hem wilde achterlaten, maar de Boekaniers verstonden hem niet.
Thomas riep nog harder.
Midden op de plank keerde nu Van Halen zich om, spande den haan van zijn
geweer en schoot op den ongelukkige, eer iemand het kon verhinderen.
De arme jonge man zonk in elkaar, hief zich weer op en wankelde nog
eenige stappen naar de boot, terwijl een donkere bloedstroom uit zijn
wonde vloeide.
Toen zonk hij opnieuw neer en bleef stervend liggen.
De Boekaniers zaten ontzet op hun roeibanken. Niet één kon de oorzaak
van deze verschrikkelijke daad gissen en zij zagen Van Halen, die zich
zwijgend aan het roer plaatste, met dreigende blikken aan.
Daar viel een tweede schot van boord, de zeilen werden al bijgezet, de
tijd drong en barsch gaf Van Halen bevel om weg te roeien.
Zóó eindigde de laatste en de eenige trouwe matroos van Van Halen zijn
leven.
Aan boord was Van Halen's daad natuurlijk onmiddellijk bekend. Ieder,
zelfs de meest verharde Boekanier, vermeed hem nu, niet één die het
waagde, over het voorgevallene een woord met hem te spreken.
Het schip ging onmiddellijk onder zeil en was den volgenden dag in de
Caraïbische zee, om daar jacht op Spaansche schepen te maken.
Thans, in volle zee, merkte Lolonois pas goed, hoe verwonderlijk vlug
Van Halen's vaartuig was. Maar het viel niet te ontkennen, dat de goede
leiding ervan geheel afhing van de goedwilligheid van den zonderlingen
kapitein en het was nog altijd de vraag, of die zich in beslissende
oogenblikken naar zijn wil zou schikken, Van zijn wraak was alles te
vreezen, van zijn welwillendheid daarentegen alles goeds te hopen.
Maar ofschoon de zielstoestand van Van Halen en vooral diens laatste
handelwijze zijn tegenzin en bezorgdheid opwekten, toch dacht Lolonois
te ridderlijk en te edelmoedig, om den krankzinnige zoo maar op zij te
zetten en zich op die manier in het volledig bezit van het vaartuig te
stellen. Niettemin zou hij er graag heer en meester van worden en hij
hoopte nog altijd, dat een of ander gunstig toeval hem van Van Halen zou
bevrijden, zonder dat hij daar zelf toe mee moest werken.
Zijn mannen evenwel dachten er heel anders over. Zij voelden voor Van
Halen niets dan afschuw en vrees en alleen de gezindheid van Lolonois
jegens hem, weerhield die onversaagde menschen, om den dollen stuurman,
zooals zij hem noemden, uit den weg te ruimen. Van Halen bevond zich dus
in een heel gevaarvollen toestand, maar hij zelf had daar volstrekt geen
besef van. Hij deed zijn werk met een nauwgezetheid en bekwaamheid, die
ieder, zelfs de meest vooringenomene, moest bewonderen.
De vaart door de Caraïbische zee ging, door het gunstige weer zoo snel,
dat ze reeds op den vijfden dag voorbij kaap Honduras zeilden. Nu
richtten zij hun koers meer Noordwaarts, naar de Amerikaansche kust,
waar Lolonois wist, dat zich Spaansche schepen met kostbare ladingen
bevonden.
Maar, dichter bij de kust gekomen, sloeg het weer om en nu had men
iederen dag met hevige windvlagen te kampen, die voor elk ander schip
noodlottig zouden geweest zijn.
In die gevaarvolle oogenblikken echter legde Van Halen zulke
buitengewone bekwaamheden aan den dag dat de Boekaniers opnieuw het
volste vertrouwen in hem stelden en hem, tot in zijn geringste bevelen,
onvoorwaardelijk gehoorzaamden.
Zij hadden een stormachtigen nacht doorgebracht en de meeste Boekaniers
lagen beneden, nog vermoeid van de inspanning, toen plotseling de wacht
uitriep: »Schip in zicht!"
Lolonois bracht nu al zijn manschappen op het dek. Hij zelf vloog het
want in, om aandachtig het vreemde vaartuig op te nemen. Het lag
Noordwaarts en zeilde naar de kust, blijkbaar met de bedoeling om te
ontvluchten. Bijna vijf mijlen was de »_Christina_" er van verwijderd,
zoodat het nog onmogelijk goed kon waargenomen worden, maar toch hoopte
Lolonois, dat het een van de Spaansche schepen zou zijn, waar omtrent
hij berichten in gewonnen had. Het kwam er nu maar op aan het in te
halen, voor het de haven en de kust bereikt had.
Lolonois ging nu naar Van Halen toe en zei:
»Kapitein, het oogenblik is gekomen, dat ik uw hulp noodig heb. Zou u
willen probeeren, om dat vaartuig in te halen en het opperbevel aan mij
overlaten, zoodra het tot een vechten komt?"
Van Halen glimlachte en gaf dadelijk de noodige bevelen. De masten
droegen in een oogenblik zooveel zeilen, als men in dien tijd nog nooit
gezien had. Door een gunstig toeval ging de wind uit het Zuid-westen
waaien, zoodat het vaartuig trots en bevallig, als met de vlucht van een
vogel vooruit snelde. Alle Boekaniers waren in stomme bewondering bij
dit nooit geziene schouwspel en Lolonois had moeite, om zijn volk bij
hun werk te houden.
De kanonnen werden geladen, kisten vol kogels, vaten met kruit, geweren,
sabels en enterhaken werden aan dek gebracht. De Boekaniers trokken hun
overkleeren uit, bonden zich roode sjerpen om het lijf en staken dolken,
degens en pistolen in hun gordels. Al die toebereidselen namen ongeveer
een uur in beslag. Toen gaf Lolonois aan zijn manschappen bevel, om zich
langs de borstweringen op den grond neer te leggen en liet de Spaansche
vlag hijschen.
De »_Christina_" was het vreemde vaartuig nu al tot op twee mijlen
genaderd. Uit het voorkomen van het schip kon men met vrij groote
zekerheid opmaken, dat het een Spanjaard was, en uit den spoed, waarmee
het zocht te ontvluchten, dat het rijkbeladen moest wezen. De oogen van
Lolonois fonkelden. Hij wikkelde zich dichter in zijn mantel en knikte
Van Halen, die elke beweging van den vreemdeling nauwkeurig waarnam,
dankbaar toe.
Plotseling stuurde men op het vreemde schip Oostwaarts, om naar de
Antillen te stevenen.
»Ze zijn van koers veranderd!" riep Lolonois Van Halen toe.
»Jawel, ze willen mij ontwijken. Maar het helpt hun niemendal. Ik zal ze
overzeilen!" antwoordde Van Halen, die blijkbaar het grootste genoegen
in deze jacht had.