handelen, zonder zich zelf helder bewust te zijn van hetgeen hij deed;
hij was geheel waanzinnig geworden.
[Illustratie: »We zeilen er op dit oogenblik om heen!" (Bladz. 102.)]
De ervaren zeelui van Van Halen, die voor geen gevaar terugdeinsden,
waren thans vol van een vrees en een afschuw, even groot als het
vertrouwen en het ontzag, dat zij vroeger voor hem gevoeld hadden.
Huiverend bespiedden zij elk van zijn schreden, iedere dwaze daad, want
zij konden het voor elkaar niet langer verbergen dat hen allen het
vreeselijkst gevaar bedreigde, als deze verschrikkelijke man eens,
misschien door een gering toeval, in woede geraakte. Geen van hen sprak
meer met hem zonder zich door angstige schuwheid beklemd te gevoelen en
ieder ontweek hem zorgvuldig, want zij wilden tot niets meer verplicht
zijn dan tot den scheepsdienst en wat daarbij behoorde. Alleen Thomas
had genoeg menschelijk gevoel om zijn meester met medelijden waar te
nemen en hoe meer de anderen tegen hem opkwamen, des te vaster sloot
_hij_ zich bij hem aan, des te liefderijker zorgde hij er voor, dat in
al zijn behoeften voorzien werd. Ja, hij gebruikte zelfs zijn invloed om
te beletten, dat men den ongelukkige aan handen en voeten gebonden in
het ruim wierp, zooals enkelen al gedreigd hadden te zullen doen.
Van Halen zelf scheen van de dreigende houding zijner manschappen even
weinig besef te hebben als van zijn onbeschrijfelijk ongelukkigen
zielstoestand. Evenals hij die menschen slechts als werktuigen scheen te
beschouwen, als levende en bezielde gedeelten van het wonderbare
vaartuig dat hij gebouwd had, evenzoo scheen hij zelf een werktuig te
worden en niet meer te gevoelen of te verrichten dan noodig was tot
besturing en instandhouding van het geheel. Maar dit deed hij met al de
omzichtigheid, kracht en moed waarover de bekwaamste zeeman slechts kan
beschikken en hoe minder hij mènsch scheen te blijven, des te meer moest
zijn scheepsvolk erkennen, dat zijn kunde en ervarenheid als zééman
toenam.
Hij werd echter zoo karig met woorden, dat zij geen wóórd van hem
hoorden of het moest een bevel zijn.
De ongelukkige man vergat ook geheel voor zijn lichaam te zorgen.
Kleeren, schoon linnen, eten en drinken, alles moest hem door Thomas
gebracht worden bij het roer, dat hij nu bijna niet meer verliet.
Slechts één ding scheen nog in staat te zijn, hem uit zijn wezenloosheid
op te wekken. Namelijk wanneer er iets dat hij voor den dienst op het
schip bevolen had, niet ten uitvoer gebracht werd, al was het ook nog
zoo'n kleinigheid. Zoo had hij op zekeren dag aan een matroos bij den
voormast iets onbeduidends bevolen en aan dat bevel was geen gevolg
gegeven. Zoodra Van Halen dat bemerkte werd hij woedend, zette het roer
vast, greep den matroos aan, die als een kind ineenkroop onder de
vreeselijke handen van zijn bevelhebber en droeg hem naar de plaats,
waar hij had moeten werken. Toen hij hem daar zijn werk had laten
verrichten sloeg hij hem zóó geweldig met een eind hout, dat de arme man
gedurende de verdere reis niet in staat was dienst te doen en eerst na
een langdurig verblijf aan land het gebruik van al zijn ledematen
terugkreeg.
Al de matrozen omringden Van Halen en keken hem dreigend aan, maar niet
één waagde het den woedenden man tegen te houden, ofschoon zij bij
iederen slag vreesden, dat het den ongelukkige het leven zou kosten.
Toen Van Halen eindelijk zijn slachtoffer half dood als een worm aan
zijn voeten zag kruipen, beval hij, dat men zijn gekneusde ledematen met
brandewijn wasschen en hem naar zijn kooi brengen zou. Hij stelde daarna
een ander in zijn plaats, keek de verbleekende matrozen somber aan, hief
dreigend het eind hout in de hoogte en keerde, zonder zich verder om hen
te bekommeren, naar zijn post aan het roer terug om daar, evenals
vroeger, de dubbele betrekking van scheepskapitein en stuurman waar te
nemen.
Het was een huiveringwekkend gezicht, deze waanzinnige, zooals hij in
een stillen nacht in den maneschijn aan het roer stond en onbewegelijk
zijn oogen op de angstige manschappen gevestigd hield. Huiveringwekkend
ook was het te zien hoe hij, van vermoeienis haast bezwijkend, het roer
aan een ander overgaf en dan, als een machine, altijd in een rechte lijn
over het kleine dek heen en weer wandelde. Na op die manier een uur, of
soms verscheidene uren te hebben doorgebracht, zocht hij een plekje
naast de vlaggekast op, legde zich daar neer met het gezicht naar den
hemel gekeerd en sliep in. Maar de kleinste beweging, het minste
gedruisch maakte hem wakker en dan begaf hij zich met schijnbaar nooit
uitgeputte krachten weer op zijn post.
Zoo bereikte »_De Vlugge Christina_" eindelijk den West-Indischen
Archipel, altijd bestuurd door den loods. Die voerde het schip, nadat
het de onbewoonde eilanden zonder tegenspoed voorbij was, langs de
Noord-Oostelijke punt van Jamaïca en nu zeilde het verder langs de
heerlijke kusten van dit eiland, totdat het bij de hoofdstad Port-Royal
binnen liep. Onder een geweldigen toevloed van menschen, die bij het
ongewone schouwspel aan de haven bijeen stroomden, werd het schip tot
onder de kanonnen van het fort gevoerd.
Zoodra de loods het dek verliet traden al de matrozen met uitzondering
van den zieke en Thomas, gezamenlijk op hem toe, ofschoon hij nog met
enkele noodzakelijke verrichtingen voor de veiligheid van zijn schip
bezig was en vertelden hem, dat zij eenparig besloten hadden de
»_Christina_" voor altijd te verlaten.
Van Halen staarde ze vreemd aan, gaf geen antwoord en ging voort met
zijn bevelen te geven. Hij liet het vaartuig geheel aftakelen en alles
op zijn plaats brengen waar het behoorde. Toen hij op die manier voor
zijn schip gezorgd had, gaf hij aan zijn matrozen bevel om hun kisten te
pakken, een boot aan te roepen en zich aan dek voor het vertrek gereed
te houden. Daarop kwam hij bij hen. Hij betaalde aan elk het bedongen
loon, liet den zieke met al wat hij bezat in de boot brengen en gaf hem
een aanzienlijke som gelds. Toen sloot hij zich in de kajuit op en wilde
verder van niemand meer iets hooren.
Thomas, de eenige die Van Halen nog toegenegen was, klopte dan ook lang
te vergeefs aan de deur. Eindelijk echter deed Van Halen open. Met een
somberen blik zag hij den jonkman aan. »Wat wil je nog?" vroeg hij. »Ze
zijn weg; allemaal! Ik heb je niet meer noodig!"
»Kapitein, ik wil niet weggaan, ik blijf bij u; u kunt mij niet missen!"
»Ga heen!" was het koele antwoord.
»Neen, kapitein, ik kán en ik wil u niet verlaten. Wie zou u bedienen en
wie zou bij u zijn als ik u ook verliet? Neen, kapitein, ik zal u als
een hond volgen en al trapt u mij van u af, dan zal ik weer naar u
toekruipen," zei de jongeling ontroerd.
Van Halen staarde hem zwijgend en somber aan. Eindelijk scheen er toch
een flauwe herinnering in hem op te komen.
»O, jawel ... Je bent Thomas ... die me altijd eten brengt ... eten en
schoone kleeren. O--ja, ja wel ... Thomas ...!"
Met die woorden liet hij hem in de kajuit en stond toe, dat hij hem
bediende, evenals vroeger. Thomas haalde nu wat voedsel, bracht wijn en
verzorgde zijn ongelukkigen meester weer even trouw als te voren. 's
Avonds, toen Van Halen sliep, ging hij aan dek en waakte hier den
geheelen nacht, totdat zijn meester den volgenden morgen weer boven
kwam. De krankzinnige staarde wezenloos naar de leegte op zijn schip.
Hij was alles wat den vorigen dag gebeurd was al weer vergeten en
wandelde volslagen onverschillig over het dek heen en weer, tot een
nieuwe indruk zijn opmerkzaamheid weer wakker maakte.
Hij zag van den wal een boot afsteken met verscheidene ambtenaren er in.
Het had namelijk de aandacht getrokken, dat een menigte matrozen het
schip hadden verlaten. Dat scheen verdacht. Men vermoedde een misdaad en
had enkelen van hen onmiddellijk in hechtenis genomen. Het getuigenis
van die lieden en de handelwijze van Van Halen zelf, die in gebreke
gebleven was de noodige aangiften bij het havenbestuur te doen, hadden
nu een bezoek van eenige beambten van het wachtschip ten gevolge.
Van Halen zag met een glimlach de officieren en ambtenaren aan boord
komen en begroette hen als iemand, wiens zaken volkomen in orde zijn.
De officier van het wachtschip sloeg een blik van bewondering op het
prachtige vaartuig en zijn fraaie inrichting. Toen zag hij Van Halen en
den eenigen matroos die bij hem stond getroffen aan en vroeg:
»Is u de bevelhebber van dit schip?"
»Jawel, mijnheer," antwoordde Van Halen heel gewoon, »waaraan heb ik de
eer van uw bezoek te danken?"
»Zou ik uw papieren eens mogen inzien?"
»Zeker, mijnheer, volg mij maar in de kajuit."
De officier bevond alles in orde. Alleen was hij verwonderd dat de
passen geen blijk droegen vóór de reis vertoond te zijn aan den
Hollandschen havenmeester te Amsterdam. Nu zag hij de kajuit rond en
vroeg:
»Heeft u er iets op tegen, dat de ambtenaren uw lading onderzoeken?"
»Volstrekt niet!" antwoordde Van Halen. Hij gaf Thomas de sleutels en
wenkte hem, dat hij met de ambtenaren zou meegaan.
Zoodra zij de kajuit verlaten hadden kreeg Van Halen een flesch wijn,
schonk den officier en zichzelf in en onthaalde hem met de houding van
iemand, die zijn wereld kent. Hij sprak echter geen woord meer, totdat
de ambtenaren terugkwamen. Toen die eindelijk weer de kajuit binnen
traden zag hij ze vragend aan.
»Alles in orde!" was het antwoord.
»Mijnheer," vroeg de officier verwonderd, »waar is uw volk toch?"
»Gisteren hebben mijn matrozen hun ontslag gevraagd en zoodra ik ze
uitbetaald had, hebben ze allemaal mijn schip verlaten," zei Van Halen
met de grootste kalmte.
»Maar heeft u nu nog manschappen genoeg over om den dienst te doen en de
reis voort te zetten?"
Van Halen keek treurig voor zich.
Eindelijk zei hij, alsof hij uit een droom ontwaakte: »Ik hoop hier
nieuwe matrozen aan te monsteren!"
De officier en de ambtenaren keken elkaar bedenkelijk aan.
»Ik zal u een wacht op uw schip geven, totdat het weer genoegzaam bemand
is," zei de officier. »U behoeft dan tenminste niet bezorgd voor uw
eigendom te wezen. Maar wees voorzichtig als u matrozen aanmonstert,
want er zwerft hier veel gespuis rond."
De vreemdelingen verlieten nu het schip weer en schudden bedenkelijk het
hoofd over den kapitein en den treurigen toestand, waarin de ongelukkige
verkeerde.
Een uur later verschenen in een boot een onderofficier en vijf soldaten
om het dek te bezetten. Thomas voorzag de soldaten van het noodige, om
daarna weer al zijn zorgen aan den armen krankzinnige te wijden.
Aan wal was men intusschen over het lot van Van Halen ernstig beducht.
[Illustratie]
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De Boekaniers.
Toen Thomas nu meende, dat zijn tegenwoordigheid aan boord wel een
oogenblik gemist kon worden, was hij met de eerste boot die bij het
schip aanlegde, aan wal gegaan. Hij wilde zijn vroegere kameraden
opzoeken en zien of zij niet te bewegen waren weer bij Van Halen dienst
te nemen. Wat toch zou er hier van zijn ongelukkigen meester zonder
vertrouwd zeevolk, terecht komen?
Het duurde vrij lang, eer hij ze gevonden had, maar eindelijk trof hij
ze, voor het grootste gedeelte althans, in een drukbezochte
zeemansherberg aan.
Thomas gebruikte nu al zijn overredingskracht om hen over te halen, weer
naar het schip terug te keeren. Hij herinnerde hen aan het aanzienlijke
loon, de goede verzorging, die zij op het schip van Van Halen genoten;
hij beriep zich op de zeldzame eigenschappen van het voortreffelijke
vaartuig; hij bracht hun de algemeen bekende goedhartigheid van den
kapitein in herinnering en vroeg hun ten slotte, hoe zij het van zich
konden verkrijgen om hun armen meester hier, in een vreemd oord, in
zoo'n hulpbehoevenden toestand achter te laten.
Niets mocht evenwel baten. De halfbeschonken matrozen hoorden hem wel
aan, enkelen kregen zelfs te dóen met den ongelukkigen gezagvoerder,
maar verscheidene hadden al op andere schepen dienst genomen en bij de
meesten was de herinnering aan den doorgestanen angst nog zóó levendig,
dat zij niets van Thomas' verdere redeneeringen meer wilden hooren en
hem met woest gezang en luidruchtige tegenspraak poogden te overstemmen.
»De kerel is gek en van den duivel bezeten!" riep er een.
»Men moest hem doodslaan als een dollen hond!" schreeuwde een ander.
»Je geeft je aan den Satan over, als je op zijn schip dienst neemt!"
liet een derde zich hooren.
»Met duivelskunsten en tooverspreuken is het vaartuig gebouwd," brulde
weer een ander.
»Weg met zijn duivelschip!" tierden verscheidenen, »ze moesten het
verbranden!"
Thomas zag nu duidelijk genoeg in, dat al zijn verdere moeite dwaasheid
wezen zou. Hij dronk dus stil zijn glas uit, wenschte hun een goede reis
en verliet de herberg onder het spottend gelach van zijn vroegere
kameraden.
Aan een andere tafel hadden echter vijf mannen van een forsch,
onverschrokken voorkomen het geheele gesprek zwijgend aangehoord. Wel is
waar verstond er maar één van hen de Hollandsche taal, maar toch hadden
ook de andere vier opmerkzaam toegeluisterd en door enkele mededeelingen
van hun makker en de levendige gebaren der Hollandsche matrozen den
inhoud van het gesprek geraden.
Zoodra Thomas vertrokken was vertelde de vreemdeling, die Hollandsch
verstond, de geheele toedracht der zaak aan zijn metgezellen en een
oogenblik later verlieten ze alle vijf, dicht in hun donkere mantels
gehuld, de herberg. Zij stapten stevig door langs de haven van
Port-Royal naar een boschje dat buiten de vestingwerken lag. Toen
hielden zij stil voor een landhoeve, die in een heel slechten reuk stond
en door ieder weldenkend mensch vermeden werd. Het was een vervallen
gebouw, deels door aardbevingen, deels ten gevolge van de nalatigheid
van den eigenaar.
Zoodra zij hadden aangeklopt en het wachtwoord gegeven, werd de poort
geopend. Een kerel met een fakkel in de hand trad naar buiten, bekeek
eerst man voor man nog eens afzonderlijk en pas tóen konden zij
binnenkomen.
Zij traden nu door een met ijzer beslagen deur in een groote kamer, die
tamelijk goed verlicht werd door een hanglamp waarop vier kaarsen
brandden.
»Waar is Lolonois?" vroegen zij aan de mannen die zich in het vertrek
bevonden.
»Boven!" was het antwoord.
»Dan moet er iemand naar hem toe, om hem te roepen. We mogen geen
oogenblik verliezen. Er is kans om weer spoedig vlot te komen."
Op die woorden kwamen nog eenigen uit de andere kamers het vertrek in.
Enkelen daalden een trap in den achtergrond af, zoodat de kamer meer en
meer gevuld werd met forsche mannen van een ruw en verwilderd uiterlijk,
waarvan sommigen zacht met de aangekomenen spraken, terwijl anderen in
stilte aan de overigen hetgeen zij gehoord hadden vertelden.
Eindelijk kwam de persoon, naar wien men gevraagd had te voorschijn. Hij
was blijkbaar de hoofdman, want schuw traden de anderen terug, zoodra
zij hem gewaar werden.
Het was iemand van een gedrongen, krachtige gestalte, met zwart
krullende lokken en een zwaren baard die hem tot op de borst neerhing.
In zijn fraai gevormd, mannelijk gelaat schitterden een paar zwarte
oogen, waarvan de blik iemand tot in de ziel drong. Zijn kleeding was
geheel gelijk aan die van een aanzienlijk zeventiende-eeuwsch edelman;
uit den met goud belegden gordel staken de kolven van een paar prachtige
pistolen en een dolk hing er in, waarvan het gevest met paarlen en
edelgesteenten versierd was.
Bij zijn komst hield het rumoer in de kamer onmiddellijk op. De vijftig
mannen staarden hem eerbiedig aan en wachtten zwijgend op den uitslag
van het gesprek, waartoe men Lolonois geroepen had.
Eindelijk zweeg de verhaler, Lolonois stond een oogenblik in gedachten.
Toen vroeg hij halfluid, maar met een welluidende stem:
»Waar ligt het schip?"
»Onder de kanonnen van het fort, kapitein!"
»En het is op 't oogenblik niet bemand en door soldaten bezet, zeg je?"
»Ja, kapitein. Alleen de bevelhebber, een krankzinnige, met één matroos
zijn aan boord en dan nog vijf soldaten."
»Weet je ook, wat voor landslui de gezagvoerder en die matroos zijn?"
vroeg Lolonois verder.
»Hollanders!"
»Weet je dat zeker?"
»Jawel, kapitein, dat weet ik zeker!"
»Dan mogen we geen geweld gebruiken en het leven van beiden moet
gespaard blijven," zei Lolonois. »Als het Spanjaarden waren, dan ..."
Hier hield hij even op. Er heerschte nu weer een diepe stilte. Eindelijk
vervolgde Lolonois:
»Dat schip moeten we hebben, het mag kosten wat het wil. Maar--geen
geweld. Wie wil als matroos aan boord van dat schip gaan en zich laten
aanmonsteren?"
Meer dan dertig van de jongste mannen traden onmiddellijk naar voren.
Lolonois zocht er nu vijf en twintig uit en gaf hun uit de beurs die aan
zijn gordel hing al het geld dat hij bezat. Toen beval hij hun, dadelijk
in de stad de noodige kleeren te koopen om zich als matrozen te
verkleeden en dan den volgenden morgen een voor een naar het Hollandsche
schip te gaan en zich te laten aanmonsteren. Bovendien moesten zij hem
terstond bericht zenden, als de kapitein in zee zou steken. Hij zelf zou
met de overigen buiten de haven in de boot op hen wachten en met hun
hulp aan boord komen. Met de rest zou het dan verder wel rondloopen,
voegde hij er bij.
Toen gaf hij een wenk en de vijfentwintig mannen verlieten onmiddellijk
het gebouw.
Nauwelijks waren zij heen of de eigenaar van de hoeve trad ontsteld
binnen en stamelde: »Edele Heer!... Houd het mij ten goede ... maar ...
al die mannen ..."
»Gaan heen!" was het besliste antwoord. »En spoedig," vervolgde
Lolonois, »gaan wij allemáál u verlaten."
»Maar Edele Heer," vroeg de man deemoedig, »vergeef het een armen
drommel, maar--wie zal mij dan.. betalen?"
Lolonois nam den gouden keten, die om zijn hals hing en zei: »Dáár,
achterdochtig creatuur, neem deze ketting dan, ze is wel vijftien
honderd kronen waard. Maar zorg dan ook nog zóó lang voor ons, tot wij
je huis geheel verlaten kunnen."
De eigenaar van het gebouw, een vent met een echt schurkachtig gezicht,
nam gretig het kostbare voorwerp aan, kuste deemoedig de kleeren van
Lolonois en verdween toen, om wijn en spijzen te brengen en zoodoende
zijn gevaarlijke gasten in een goeden luim te houden.
De mannen plaatsten zich daarop aan tafel met Lolonois aan het boveneind
en deden zich aan den kostbaren maaltijd te goed.
Weldra vulde Lolonois zijn beker, hief dien omhoog en sprak tot zijn
dischgenooten:
»Makkers! Het ongeluk heeft ons tot schipbreukelingen gemaakt, juist
toen wij het heerlijkste en voordeeligste waagstuk wilden volbrengen.
Lang hebben wij hier gewacht op een gelukkiger tijd en zie, nu is die
tijd gekomen. Wij zullen weer uitvaren om de Spanjaarden te bevechten,
wij zullen weer rijken buit behalen en nieuwen roem verwerven als wij de
moordenaars vervolgen, die tegen de arme Amerikanen, de bewoners van
deze heerlijke eilanden, zoo onbarmhartig gewoed hebben. Komaan dan,
mannen, ik zal opnieuw uw aanvoerder zijn! Ik drink op uw welzijn en op
ons krijgsgeluk! Lang leven de Boekaniers!"
»Lang leve Lolonois, onze dappere kapitein!" riepen de stoute gezellen,
terwijl ze juichend opsprongen, hun glazen tegen elkander hieven en
leegdronken.
Te midden van dit rumoer was Lolonois opgestaan en langs de trap naar de
bovenverdieping van het huis verdwenen.
Den volgenden dag sloop Thomas angstig en verlegen over het dek naar de
kajuit, want een troep van meer dan twintig mannen dwaalden lui en traag
nabij het schip rond, die er heel verdacht uitzagen. Toen hij in de
kajuit kwam vond hij daar een paar van die vreemde snaken, die juist hun
handgeld van Van Halen kregen. Van Halen stoorde zich niet aan zijn
raadgevingen en wierf net zooveel matrozen aan als er komen wilden,
zoodat zijn schip tegen den avond al met vijfentwintig zeelui bemand
was. De wachthebbende soldaten achtten zich nu overbodig en gingen heen.
Ondanks hun zeemansuiterlijk schenen de nieuwelingen toch alles behalve
vertrouwbare matrozen te zijn en toen Thomas hun brutale manier van doen
zag, begon het hem hoe langer hoe angstiger te worden.
Tegen zonsondergang riep een van de brutaalste knapen een voorbijvarende
boot aan om een loods. Een kerel met een gemeen en liederlijk voorkomen
klauterde toen aan boord, werd op een flesch Malagawijn onthaald en was
weldra met een paar van de nieuwe manschappen in een fluisterend
gesprek.
Nu ontstond bij Thomas een vreeselijk vermoeden. Hij ging naar de kajuit
en zei tegen Van Halen: »Kapitein, kent u de mannen, die u in dienst
genomen hebt?"
Van Halen zag hem lang en strak aan en zei toen: »Wat gaat het je aan?"
»Ze hebben een loods op het dek gehaald en trakteeren hem op uw eigen
wijn. Heeft u ze daar bevel toe gegeven?"
Van Halen was weer in zijn gewone wezenloosheid terug gezonken en gaf
geen antwoord.
»Kapitein, ze willen in zee steken en wij hebben versch water en nog
anderen voorraad noodig. Wilt u dan niets innemen, om in die behoeften
te voorzien?" vroeg Thomas bijna smeekend.
Niets mocht baten. Van Halen sprak geen woord en antwoordde alleen met
sombere, dreigende blikken.
Thomas klom weemoedig weer naar dek, om hier door zijn tegenwoordigheid
de vreemdelingen ten minste een beetje in bedwang te houden. Maar
nauwelijks was hij boven of verscheidene matrozen kwamen op hem toe en
een er van zei in zuiver Hollandsch:
»Hoor 'reis vrindje, we hebben daar zoo even juist gehoord, dat je dien
gek daar in de kajuit tegen ons wilt ophitsen. Doe dat niet weer, versta
je! Want één woordje nog en je ligt in zee met een twaalfponder om je
nek!"
Thomas verbleekte en durfde geen woord meer zeggen, toen hij den kring
om hem heen in het rond zag. Maar toen hij naar boven wilde gaan kwam
hem een van de woeste vreemdelingen die er het vermetelst uitzag, op
zij, trok een dolk en fluisterde:
»Zal je, zoolang wij in de haven zijn dat wandelen op het dek wel eens
nalaten en beneden in het ruim blijven, of wil je soms eens zien, hoe ik
je met dit dingetje naar de andere wereld helpen kan?"
Thomas verschrok nu nog meer, keerde terug en daalde onder het spottend
gelach van de Boekaniers, zoo gauw mogelijk door het groote luik in het
ruim af. Spoedig daarna werd er in zijn nabijheid een matroos met
ontbloote sabel op wacht geplaatst, die hem geen oogenblik uit het oog
verloor en om het uur werd afgelost.
Er gebeurde nu niets bijzonders meer, zoolang het schip in de haven lag.
Eindelijk kwam Van Halen aan dek en gaf bevel om terstond de ankers te
lichten. Hij bemerkte niet dat een van de matrozen in de mars van den
achtermast klom en van een der touwen een rooden doek liet fladderen. De
loods klauterde boven in den boegspriet om zooveel te beter de klippen
aan den ingang van de haven te kunnen vermijden en riep Van Halen, die
aan het roer stond, luid zijn opmerkingen toe.
De nieuwe matrozen stonden als echte zeelui op hun post en deden hun
werk zoo goed als hun dit bij de nieuwe en eigenaardige inrichting van
het vaartuig maar mogelijk was.
Op die manier raakte het schip eindelijk in volle zee, waar het langzaam
langs de boschrijke kusten over de golven zweefde.
Nauwelijks evenwel waren zij een mijl buiten de haven geraakt of de wind
begon te verzwakken en het werd weldra volkomen stil. Van Halen zette nu
het roer vast en liet peilen. Men vond op zeventien vademen diepte een
voortreffelijken ankergrond van zuiver schelpzand, zoodat het schip nu
weldra geheel stil lag.
Rechts strekte zich de prachtige kust van Jamaïca uit, in dien tijd nog
een wildernis met zware bosschen, waarboven nog weer de toppen van de
hooge palmboomen uitstaken. Door de vele rotsachtige groene eilanden kon
men de zee niet geheel overzien, maar het water was wonder helder en
zuiver, en in de diepte kon men het zeegras en andere zeeplanten, die
onder water groeiden, duidelijk onderscheiden. Ook zag men een menigte
schelpdieren en vreemdsoortige, fraai gekleurde visschen, die zich in
vredige kalmte door dezen onderaardschen tuin bewogen.
Dit alles boeide Van Halen in de hoogste mate en terwijl anderen bij het
lang naar beneden kijken in het kristalheldere water, waardoor men als
in de lucht scheen te zweven, duizelig werden, schenen deze ontsloten
geheimen uit de waterwereld den ongelukkige zoo'n eindeloos genot te
verschaffen, dat hij alles, wat om hem heen op het dek voorviel, geheel
vergat.