Spoedig bleek hem echter, dat voor die vrees weinig grond bestond. Wel

ontving Van Halen van alle kanten uitnoodigingen en bezoeken, wel kreeg

hij van alle kanten aanzoeken om modellen te maken volgens _zijn_

stelsel; ja, poogden de Oost-Indische Compagnie en de Hooge regeering

zelfs hem over te halen tot mededeeling van zijn uitvinding, maar

schipper Van Halen bleek niet te vermurwen. Hij was nu met hart en ziel

koopman geworden en trachtte alleen in _die_ hoedanigheid van zijn

uitvinding zooveel mogelijk voordeel te trekken. Zijn eischen liepen dus

buitensporig hoog, zoodat de regeering van alle verdere onderhandeling

met hem afzag.

Particulieren die dit hoorden, waagden het nu heelemaal niet meer. Maar

van dat oogenblik af aan trachtten alle mogelijke scheepsbouwmeesters,

die tòch al het land aan Van Halen hadden, zijn uitvinding te

kleineeren. Volgens hun oordeel was »_De Vlugge Christina_" een schip,

dat slechts zoo kon worden gemaakt, omdat het zoo'n _klein_ vaartuig

was. Groote schepen zou men op die manier niet kunnen bouwen, ging men

zeggen. In het kort, wangunst en boosaardigheid deden wat zij konden, om

den roem, dien Van Halen als uitvinder reeds verworven had, zoo klein

mogelijk te maken, zoodat weldra de meeste menschen de overtuiging

hadden, dat Van Halen een heel gewoon schippertje, maar een geweldig

groote bluffer was.

Andries begreep echter, dat de mannen van het vak voor zich zelf wel

beter wisten en dat het bezit van neef Pieters teekeningen nog alle

waarde voor hen hebben zou.

Op den bepaalden tijd begaf hij zich naar de herberg, waar hij, volgens

afspraak, den scheepstimmerman zou ontmoeten. Nu de zaken zoo'n keer

hadden genomen, had hij echter weinig hoop, den vreemdeling daar aan te

treffen. Zooveel te grooter was dus zijn verrassing, toen hij er den man

toch zitten vond.

»Je bent er niet in geslaagd, je neef tot andere gedachten te brengen?"

vroeg de vreemdeling zacht, om niet door de aanwezigen gehoord te

worden.

»Neen," zei Andries, »maar wat zou het u waard zijn," fluisterde hij,

»als _ik_ u die ontwerpen verschafte?"

»De zaak loopt prachtiger van stapel, dan ik had durven hopen," dacht de

vreemdeling, die juist gekomen was om Andries, wiens geldzucht hem den

vorigen keer vrij duidelijk was gebleken, tot die slechte daad over te

halen.

»Wat mij dat waard zou zijn? Stellig wel een duizend gulden!"

»Neen, voor zoo'n bagatel wil ik het niet doen," was het antwoord.

Lang en druk werd er daarop gefluisterd en het gevolg was, dat Andries

op zich nam, den vreemdeling voor tienduizend gulden de papieren, die op

de uitvinding betrekking hadden, in handen te spelen.

Van dat oogenblik af bespiedde hij zorgvuldig de kast die neef Pieter

tot eigen gebruik diende. Maar op welk uur van den dag hij ook de kajuit

binnen sloop, steeds vond hij ze gesloten. Eens, toen Pieter zich aan

dek bevond, beproefde Andries den sleutel van zijn eigen kast op het

slot, maar tot zijn spijt bleek die niet te passen.

Wat nu gedaan! Wachten tot Pieter bij ongeluk de kast eens niet afsloot

kon hij niet lang meer, want de noodige herstellingen aan het schip

waren al gedaan, de lading was al zoo goed als binnen en over een paar

dagen zouden zij weer in zee steken. Neen, hij moest zijn slag slaan, nu

of morgen, anders was het te laat! Maar _nu_, dat ging niet, want alle

matrozen waren aan dek. De verdenking zou dus dadelijk op hém vallen ...

Zou het moeilijk gaan, de kast open breken? Hij rukte even aan de

deur.--Er kwam beweging in ... Ze zou gemakkelijk los te breken zijn ...

Zonder veel geluid stellig ... En--Pieter sliep altijd vast ... O, van

nacht, van nacht ... Ja, dan moet het gebeuren ... Morgen--dan was het

misschien te laat.

Pieter was dien dag druk in de weer geweest, want hij wilde dat het

stouwen van de lading, evenals vroeger, geheel onder zijn toezicht zou

geschieden. Moe van alle beslommeringen begaf hij zich eindelijk naar

bed en sliep dadelijk in. Hij droomde van de nieuwe reis, die hij met

zijn geliefd schip weer ondernomen had. »_De Vlugge Christina_" vloog

weer, licht als een veertje, over de golven. Schepen van allerlei natiën

snelde hij voorbij, tot hij ze in een oogenblik ver achter zich gelaten

had. In weinige dagen was hij reeds de warme luchtstreek genaderd. Hij

had nog geen waarneming gedaan, maar hij voelde het duidelijk aan den

lauwen adem van den wind, die langs zijn wangen streek. Op eens, midden

in den nacht, zag hij dreigend een donkere klip uit den oceaan omhoog

steken. Hij wilde haastig het roer wenden, maar, door een onbekende

oorzaak was dit onbruikbaar. Hij poogde te schreeuwen, om den bijstand

der matrozen in te roepen, maar het scheen of zijn tong verlamd was. En

intusschen naderde het vaartuig al sneller en sneller de klip, waar het

regelrecht op afliep ... Reeds zag hij de klip vlak voor den boeg ...

reeds hoorde hij een onheilspellend gekraak ... Toen werd hij wakker.

Gelukkig, hij had slechts _gedroomd_.

Maar dat gekraak dan, dat was toch géén droom geweest. Dat had hij

duidelijk gehoord.

Hij richtte zich op en keek rond.

Plotseling ontwaarde hij in een hoek van de kajuit een donkere gestalte,

die zich over een menigte papieren heenboog, in de grootste wanorde over

den grond verspreid.

Bliksemsnel greep hij naar het pistool, dat altijd onder zijn bereik lag

en sprong het bed uit. Maar zijn hand zonk machteloos weer neer, want in

hetzelfde oogenblik had hij, bij het bleeke licht van de maan dat door

een der ruiten van de kajuit drong, in den dief zijn eigen neef herkend.

»Groote God!... Andries!! Jij?" riep hij vol ontzetting.

»Pieter ... ik ... ik ..."

»Weg!! Weg!!" schreeuwde Van Halen met heesche stem. Want die geopende

kast, die papieren, over den grond verspreid, deden hem met smartelijke

helderheid eensklaps alles begrijpen.

»Je bent--o, je bent een ellendeling!.. Weg! Weg!" kreet Pieter opnieuw.

Doodsbleek en sidderend van angst greep Andries de deur van de kajuit en

verdween als een schim in den nacht, om nooit weer aan boord te komen.

Van Halen verzamelde nu alles wat op den grond lag en sloot de kast,

waarna hij zich als wezenloos in een stoel liet neervallen.

De papieren, die op zijn uitvinding betrekking hadden, had Andries niet

kunnen vinden, omdat die op een geheime plaats achter het beschot

bewaard werden. Niettemin had dit voorval Van Halen geweldig geschokt.

Van alle kanten door vijanden omringd, zonder vrouw of kind om hem lief

te hebben, had hij al zijn genegenheid, al zijn hoop op dezen

schranderen jongeling gevestigd. En zijn plan stond reeds vast om zijn

geheele bezitting aan hem te vermaken en, door hém, zijn uitvinding, die

hem dierbaar was boven alles, eenmaal aan de wereld over te dragen.

Maar van nu af had hij niemand, niemand meer aan wien hij zich hechtte;

van nu af aan zou zijn hart voor ieder gesloten zijn. Wie ter wereld was

dan ook nog te vertrouwen, als zelfs hij, voor wien hij alles, alles had

willen zijn, ja, dien hij tweemaal zelfs het leven had gered, hem nog

ellendig bedroog? Neen, hij zou Europa verlaten en, (als een eeuwige

zwerver,) nooit weer terugkeeren naar het werelddeel, waar hij zulke

bittere ervaringen had opgedaan.

In treurige overpeinzingen en plannen voor de toekomst verdiept, zat hij

nog lang na middernacht in de kajuit. Tegen den morgen had hij zijn

besluit genomen. Hij stond op, legde een flink vuur aan en haalde toen

uit de geheime kast al de papieren, die op zijn uitvinding betrekking

hadden. Stuk voor stuk wierp hij ze in de vlammen en zag toe, hoe de

arbeid en inspanning van schier heel zijn leven snel door de gretige

vlamtongen omkronkeld en verteerd werden. Een traan rolde langs zijn

door de zon gebruind gezicht--het was de laatste warmte-uiting van een

gemoed, dat plotseling verkild was.

Toen stond Van Halen op. Hij was een geheel ander mensch geworden. Moe

van den hevigen schok en het droevige peinzen en denken, wierp hij zich

opnieuw op zijn leger neer, vol heftigen haat voor de menschen, van wie

hij zijn leven lang niets dan spot, miskenning en laagheid had

ondervonden.

In sombere stemming kwam hij dien morgen aan dek. »Mannen," sprak hij,

nadat hij al zijn matrozen om zich heen verzameld had: »ik heb besloten,

Europa voor goed te verlaten. Wat mij tot dit besluit bewogen heeft,

doet er weinig toe. Ik dwing niemand om met mij te varen, die er niet

vrijwillig toe overgaat. Wie echter lust heeft met mij te vertrekken

waarheen ik verkies, zal nooit mogen vragen waaróm ik _dit_ doe of

_dat_; wànneer wij zullen landen of wáar wij zullen aankomen, want van

nu af geef ik niemand rekenschap van mijn doen of laten meer. Ieder, die

deze voorwaarde aanneemt, beloof ik een dubbele gage en eenmaal, wanneer

hij voor den dienst ongeschikt wordt, een rijkelijk pensioen. Ieder, die

dat _niet_ wil, kan vandaag nog in mijn kajuit komen om zijn loon en

desnoods dadelijk vertrekken. Morgen echter gaan wij onder zeil."

Negentien van zijn manschappen, allen kloeke, onverschrokken kerels,

sloten nu een verdrag met hem, overeenkomstig de voorwaarden die hij had

gesteld. Ook Thomas, nu als matroos meevarend, sloot zich bij hen aan.

De vijf overigen waren getrouwde mannen en verlieten het vaartuig en

zijn kapitein, die zij beide lief hadden gekregen, met een gevoel van

weemoed, zooals ze nog bij geen enkele afmonstering gekend hadden.

Van Halen zag ze echter onverschillig vertrekken.

Den volgenden dag liet hij, tegen den avond, de ankers lichten zonder

zijn pas te vertoonen, waarop het wachtschip onmiddellijk van wal ging

om hem aan te houden.

Maar onder het gejuich der matrozen liet Van Halen de Hollandsche vlag

hijschen. Een zwarte wimpel waaide van den grooten mast als bewijs, dat

hij zoowel met zijn vaderland als met ieder ander wilde breken, en

spoedig was het vlugge vaartuig als een waterspook uit het gezicht

verdwenen, ofschoon het oorlogsschip alle zeilen bijzette en het kogel

op kogel nazond.

[Illustratie]

[Illustratie]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

In de haven van Port-Royal.

Zoodra Van Halen in volle zee was liet hij den steven naar het Zuiden

wenden, stuurde de volgende dagen bij een goeden wind langs de kusten

van Normandië en liep eindelijk de golf van Biscaye binnen. Hier, in het

meest stormachtige gedeelte van de zee die Europa bespoelt, had het

schip veel te lijden van vreeselijke windvlagen en hooggaande golven;

maar daar het zoo voortreffelijk ingericht was, waren Van Halen en zijn

klein getal manschappen toch volkomen in staat hun vaartuig te blijven

besturen. Den vijfden dag zeilde hij des nachts, terwijl de storm loeide

en de regen in stroomen neerviel, niet zonder gevaar, dicht langs de

kust, om de rotsachtige Kaap Finisterre heen.

De sombere stemming van Van Halen bracht hem in een toestand, waarin hij

voor geen enkele onderneming meer terug beefde. Het leven had voor hem

alle bekoorlijkheid, alle waarde verloren en dat van zijn medemenschen

telde hij daarom even weinig als het zijne. Alleen het op de proef

stellen van zijn geliefd schip achtte hij nog de moeite waard; alleen

dàt denkbeeld kon hem nog bekoren. Daarom onderwierp hij het dolzinnig

aan de vreeselijkste proeven en hoe onverschrokkener en vermeteler hij

alles op het spel zette, des te schooner uitkomsten leverde zijn

bouwkunst op.

Opdat echter niemand zou raden, wat hij wilde beproeven, stond hij in de

gevaarlijkste oogenblikken zelf aan het roer en riep zijn manschappen de

noodige bevelen toe door den scheepsroeper. Met de kracht van een reus

verrichtte hij alleen het werk, waartoe men op andere schepen

onderscheidene manschappen noodig heeft.

Toen hij, in weerwil van den storm, dicht bij de Spaansche kust kaap

Finisterre omzeilde, was het wéér zoo'n gevaarvol oogenblik. Het was

omstreeks negen uur 's avonds, toen de matrozen van de wacht hem den

glinsterenden lichttoren van Villano aanwezen, die als een flauw

schijnende ster op de golven scheen te dansen.

Van Halen antwoordde niets, maar hield zijn schip, dat ondanks den storm

vele zeilen bijhad, een weinig meer van de kust af, terwijl hij

intusschen van tijd tot tijd een snellen blik op het nabij zijnde land

wierp.

Spoedig verscheen er ten Zuidoosten een tweede lichtpunt. Het was de

vuurtoren van Torrinana.

Toen Van Halen dit tweede, hem welbekende licht zag, bleek hem daaruit,

dat hij thans aan bakboord de beruchte klippen van Torrinana en

Corrubion kreeg en nu gaf de roekelooze aan zijn ontstelde manschappen

bevel om, behalve de zeilen die al stonden, het fokkezeil op te halen,

waardoor het schip een ontzettende vaart moest krijgen, of te midden van

de branding zijn wissen ondergang tegemoet gaan.

Zoodra het fokkezeil bijgezet was schoot het schip met zóó'n kracht

vooruit, dat Van Halen niet meer bij machte was om alléén het roer te

regeeren en daarom een van zijn sterkste matrozen te hulp riep.

't Was een moedig en ervaren zeeman, die niet kon nalaten hem opmerkzaam

te maken op den gevaarlijken toestand waarin het vaartuig verkeerde.

»Schipper," riep hij, »wij drijven naar de klippen af!"

»Waarachtig niet," schreeuwde Van Halen, »we zeilen er op dit oogenblik

om heen!"

Plotseling schitterde er iets als de bliksem, waarop de knal volgde van

een zwaar stuk geschut.

In het volgende oogenblik zag men den omtrek van een groot schip zonder

masten, dat door wind en golven landwaarts gedreven werd.

»Groote God! Wat is dat?" riep de man die naast Van Halen stond.

»Stuurboord!" klonk het bevel. »Het is een schip; over een minuut moet

het vergaan!"

Men hoorde eenige flauwe kreten, daar »_De Vlugge Christina_" in dat

oogenblik op geen pistoolschot afstands achter den spiegel van het

vreemde vaartuig voorbij gleed.

Er werd nog een schot gelost en bij het flikkeren herkende men de vlag

en zag men langs de zij van het schip talrijke monden van zware stukken

geschut, en dat zich een groote menigte menschen aan boord bevonden, die

in wanhoop rondliepen.

Nu hoorde men een verschrikkelijk gekraak, dat zelfs boven het bruisen

van de golven en het gehuil van den wind uitklonk.

De matroos sidderde en bad overluid: »Barmhartige God, sta ze bij!"

»Het is gebeurd!" sprak Van Halen ijzingwekkend koud.

»_Al_ die menschen?" riep de matroos ontzet.

»Ja!" was het antwoord, koud en gevoelloos uitgesproken, alsof het de

onbeduidendste zaak ter wereld gold.

Men zag weldra niets meer van het vreemde schip.

Toch kwamen nog enkele schipbreukelingen op de wrakken van hun vaartuig

aan de kust, waar zij gered werden.

Het is licht te begrijpen dat het reeds bestaande geloof aan een

spookschip onder Hollandsche vlag, door de verhalen van deze

schipbreukelingen nieuw voedsel ontving.

De buitengewone beweeglijkheid en de goede bouw redden Van Halen's

vaartuig van het wisse verderf, waaraan hij het bijna moedwillig had

prijs gegeven. Reeds na vijf dagen zeilde het ten Westen van Cadix, liep

onder Engelsche vlag, deze haven binnen, nam eenige ververschingen in,

benevens een grooten voorraad kostbaren Spaanschen wijn en stak toen

weer in zee om naar de Canarische eilanden te zeilen. In volle zee

heesch Van Halen de Hollandsche vlag weer en voer rustig daarheen,

onbekommerd over hetgeen hem zou kunnen bejegenen.

Spoedig kwam in de verte een groot schip te zien dat zijn geheelen

achtermast en al de raas, stengen en rondhouten van de andere masten

verloren had.

Men gaf noodseinen, maar Van Halen zond zijn volk tusschendeks en

bekreunde zich er niet om.

De zonderlinge handelwijze van den anders zoo menschenlievenden man

wekte onder het scheepsvolk niet weinig verwondering en ontevredenheid

op. Niemand durfde echter zijn gevoelen uiten.--Het vreemde vaartuig

bleef spoedig achter en verdween in de verte.

Maar nu meldden de matrozen, dat op een zeemijl afstand een boot vol

volk te zien was, dat zeker schipbreukelingen moesten zijn. Van Halen,

wiens stemming hoe langer hoe somberder werd, hoe meer hij zich aan den

omgang met zijn tochtgenooten onttrok, antwoordde niets, maar beval aan

zijn manschappen, om zich op het dek neer te leggen en niet eerder op te

staan, vóór hij het hun gebood.

De vreemde boot roeide uit alle macht, om zooveel mogelijk het

snelzeilende schip te achterhalen. Maar tevergeefs riepen de

ongelukkigen om hulp en medelijden, tevergeefs spanden zij hun laatste

krachten in om het schip te naderen en desnoods met geweld aan boord te

komen. »_De Vlugge Christina_" vloog hen voorbij en liet de boot niets

na dan eenige kringen in het water.

Vijf minuten later was het schip van Van Halen al zoo ver, dat men den

zwakken klank van hun stemmen niet meer hooren kon.

De matrozen waren buiten zichzelf van verbazing over deze onmenschelijke

onverschilligheid van Van Halen. Zij vreesden voor zijn verstand en

maakten fluisterend opmerkingen die meestal hierop neerkwamen, dat men

schip en leven niet langer kon toevertrouwen aan het opzicht van een

krankzinnige. Van Halen hóórde dat nu wel niet, maar de duistere blikken

van zijn manschappen voorspelden hem niet veel goeds, waarom hij besloot

zich de eerste de beste gelegenheid van hen allen te ontdoen. Voorloopig

echter had hij nog werk genoeg voor hen; alles wat door den storm

beschadigd was deed hij herstellen en het schip van buiten opnieuw

verven. Hij liet er nu ook de witte streep af, die langs de

geschutpoorten liep en toen stak de lange, zwart geteerde romp dreigend

af bij de groene oppervlakte van den oceaan.

Nauwelijks waren deze werkzaamheden verricht, of aan den Zuidelijken

gezichteinder verschenen als donkere wolken de rotstoppen van de

Canarische eilanden. Den volgenden dag wierp kapitein Van Halen het

anker op de reede van Teneriffe en vertoonde zijn schip de Spaansche

vlag.

Van Halen gaf nu zijn matrozen bevel, dat zij zich eenige dagen op dit

eiland moesten vermaken, daar hij ongestoord alleen wilde zijn.

Zijn sombere stemming aan boord was al bevreemdend genoeg, des te meer

verraste hen nu dit verlangen om alleen te zijn. Zij hadden Van Halen

lief, want, hoewel zij zich in stilte over hem uitlieten alsof hij niet

wel bij het hoofd zou zijn, deed hij hen toch geen van allen ooit kwaad

en zijn vreemdheid en onverschilligheid wekten bij hen wel huivering en

medelijden, maar toch had hij hun achting nog niet verloren. In hun

oogen was hij nog een onvergelijkelijk zeeman, een stuurman wiens kunst

algemeene bewondering tot zich trok en een bevelhebber dien men zonder

tegenspraak gehoorzaamde. Maar hij was hun in den laatsten tijd zoo

vreemd voorgekomen, hij scheen dezelfde niet meer van vroeger. Angstig

trachtten zij elkaar de bezorgdheid uit het hoofd te praten, die zijn

vreemde handelwijze bij hen opwekte en waartoe hij met iederen dag

opnieuw aanleiding gaf. In zijn besluit om eenige dagen alleen aan boord

te blijven meenden zij dan ook niet anders te moeten zien dan een nieuwe

dwaasheid van een waanzinnige. Toch was het hun niet onwelkom, zij

zouden nu tenminste eens eenigen tijd van zijn drukkende somberheid

ontslagen zijn. Want Van Halen's toestand werd hun een voortdurende

benauwing; zelfs Thomas had sinds lang geen grappen meer.

Van Halen vermoedde niets van dit alles; hij was voortdurend in

zichzelven gekeerd en zijn manschappen waren in zijn oog niets dan

werktuigen die hij niet missen kon. Hij wilde hen nog zoo lang bij zich

houden, totdat hij een oord zou gevonden hebben, waar hij alléén,

afgezonderd van de menschen, die hij haatte, leven kon.

Vijf dagen lang hadden de matrozen in alle richtingen het eiland

doorkruist; den zesden dag daalden zij weer boven Orotava van de bergen

naar de kusten af. De ruwe zeelui, anders geen vrienden van groote

tochten in het binnenland, verlieten het bekoorlijke eiland Teneriffe

met een weemoedig gevoel en met huivering dachten zij aan de ontmoeting

met hun kapitein. Hoe zouden zij hem aantreffen? Zou hij, na die

dagenlange afzondering, niet nòg vreemder, nòg somberder geworden zijn?

Met onverschilligen blik zag Van Halen zijn manschappen weer aan boord

komen. Onmiddellijk gaf hij bevel de ankers te lichten, waarop het

schip, door den wind in volle zee gedreven, vlug als een vogel uit de

oogen der eilandbewoners achter het voorgebergte verdween.

Van Halen bereikte spoedig het gedeelte van den oceaan, dat de

Spanjaarden _Mare de Sargasso_ noemen. Hier schijnt de zeeman, te midden

van de woelende golven, eensklaps een vreedzaam groen weiland te zien.

Een groot gedeelte van het water is hier namelijk met zulk een dicht en

weelderig groeiend zeegras bedekt, dat men het niet alleen niet _zien_

kan, maar dat zelfs de golfslag er door gebroken wordt, zoodat de

schepen daardoor, zoo niet geheel, dan toch in groote mate op hun tocht

vertraagd worden.

Van Halen zag dit vreemde verschijnsel, dat toch ook voor hém nieuw was,

met dezelfde onverschilligheid en ijzingwekkende koelheid, die zich

onder alle indrukken bij hem vertoonden. Zijn manschappen vervreemdden

zich iederen dag meer en meer van hem, zij schuwden en ontweken hem

zooveel ze maar konden, maar toch luisterden zij met angstige

bezorgdheid naar ieder bevel, daar zij voelden, dat zij zonder hem niets

zouden zijn en dat anders bij het eerste gevaar allen verloren zouden

gaan.

Thans echter stond het onwrikbaar bij hen vast, om bij het landen in de

eerstvolgende haven Van Halen en zijn schip te verlaten. Geen

vijandschap of haat was hiervan oorzaak, want evenmin als hun

ongelukkige aanvoerder iemands liefde trachtte te verwerven, evenmin gaf

hij zijn schepelingen aanleiding, zich gekrenkt te gevoelen. Maar alleen

het drukkende gevoel van een treurige verlatenheid en van een

onverklaarbare vrees, die zijn sombere en zwijgende persoonlijkheid bij

hen opwekte, bracht hen tot dit besluit. Hun ruime gage, hun uitstekend

voedsel, hun onvergelijkelijk vaartuig, niets was in staat hen te

weerhouden.

Na een tocht van negentien dagen sedert hun aankomst in de zee van

_Sargasso_, vertoonden zich als lichte wolkjes aan de Westerkim de

kusten van de eerste West-Indische eilanden.

Van Halen was in deze streken nog onbekend. Hij zeilde daarom op het

eerste vaartuig los, dat hij ontdekte en haalde daarvan een loods over,

om hem den weg te wijzen tusschen de tallooze eilanden van den

Amerikaanschen Archipel.

In dien tijd was West-Indië even gevreesd om zijn gevaren als gezocht om

zijn voortbrengselen. Door de gruwelijke wreedheid van de Spanjaarden

werden deze bekoorlijke en rijke eilanden ontvolkt en verwoest. In het

begin van de zeventiende eeuw bezetten de Engelschen en Franschen enkele

dezer eilanden en legden er koloniën aan. Die eerste volksplanters

werden echter door de Spanjaarden verdreven, vooral uit St. Domingo,

maar de schoone streek was hun reeds te lief geworden, dan dat zij er

zich geheel uit wilden laten verjagen. Zij vestigden zich dus op de

nabijgelegen Schildpad-eilanden waar zij weldra, omdat zij van alle

kanten toevloed kregen, tot zoo'n groot getal aangroeiden, dat zij de

Spanjaarden met gelijke munt konden betalen. Zij verdreven ze eerst van

St. Domingo en gingen toen, tot vergelding voor het hun aangedane kwaad,

langs de kusten op roof uit. In tijden van grooten nood vielen zij alle

volken aan, maar de Spanjaarden _altijd_, waar zij die maar vonden.

Hun onverzoenlijke haat jegens dit volk was het gevolg van de ongehoorde

wreedheid, waarmee de Amerikanen door de Spanjaarden behandeld werden.

Vroeger hadden zij nooit aan zeerooverij gedacht. Zij waren enkel

Boekaniers, d. i. stierenjagers geweest, maar de Spanjaarden hadden, om

hen te benadeelen, alle stieren op St. Domingo uitgeroeid en hen dus tot

het uiterste gebracht.

Daar zij zich overtuigd hielden dat hun handelwijze wettig was, bezielde

hen een moed, die alle gevaren en zelfs den dood verachtte. Ja, zij

geloofden zóó weinig, onrecht te plegen, dat zij steeds God om bijstand

bij hun onderneming aanriepen en Hem eveneens openlijk dankten, nadat

alles afgeloopen was.

Deze dappere, roekelooze mannen doorkruisten toen de zeeën van

West-Indië en brachten door hun schrikkelijke daden vrees en ontzetting

te weeg bij alle zeevarenden. _Boekaniers_, _Flibustiers_,

_Marrons_--hoe zij ook genoemd werden, altijd werd er een somber gevoel

van afgrijzen door opgewekt.

Onder zulke gevaarlijke omstandigheden nu naderde de ongelukkige Van

Halen met zijn fraai vaartuig het bekoorlijke eiland. Zijn somberheid

nam nog toe met den dag en was voor zijn manschappen onbegrijpelijk; aan

den eenen kant gevoelden zij ten opzichte van hun kapitein afschuw en

ontzetting, aan den anderen kant diep medelijden.

De vliegende Hollander · 第 4 / 8 段