vlak naast hem gelegen en zou nu wel op den bodem van de Eendracht
rusten, meende hij. Hij troostte zich echter, dat er niet zoo heel veel
bijzonders meer in zat.
»En je toovermiddel dan?" vroeg Andries lachend.
Van Halen werd nu opmerkzaam en vernam thans, wat de eerste aanleiding
tot hun avontuur was geweest.
Weldra kwamen zij in een klein dorp, en traden de herberg in met de
bedoeling zich bij den haard zoo goed mogelijk wat te drogen.
»Lieve menschen, kijk me nu toch eens aan! Jullie bent dóórnat!" riep de
waardin verbaasd. »En dat in November! 't Is om ziek te worden! Gauw die
spullen uit! 'k Zou het mijn leven lang niet kunnen verantwoorden als ik
jelui zóó daar zitten liet!" Meteen drong zij het drietal naar een
afzonderlijk vertrek, gaf Van Halen het Zondagsche pak van haar man,
benevens wat ondergoed, schommelde inderhaast ook voor Andries en Thomas
wat kleeren samen, waarop ze zei: »Ziezoo, gooi nu maar gauw die kille
plunje uit en als je verkleed bent, waarschuw je maar, dan zal ik die
natte rommel dadelijk te drogen hangen."
Het drietal zag er nu weldra allerpotsierlijkst uit, want Van Halen was
het pak veel te klein, zoodat hij zijn armen nauwelijks verroeren durfde
uit vrees, dat het buis in den rug mocht scheuren; en Andries en Thomas
zat alles zoo wijd, dat het hun bij iedere beweging om de leden
slobberde.
Zoo kwamen zij vroolijk de gelagkamer weer binnen en ook de waardin had
uitbundig veel pret in den vermakelijken optocht.
Daar zij 's morgens, wegens hun overhaast vertrek, hun ontbijt halfweg
in den steek gelaten hadden, gebruikten zij thans met groote graagte en
opgewektheid het door Van Halen bestelde, en toen hun kleeren eindelijk
weer droog waren gingen zij het dorp in, om te zien of zij een schuit
konden krijgen.
Het geluk was hun mee, want al spoedig vonden zij een schipper die
bereid was, hen op hun bestemming te brengen.
Voor dien dag echter was het daartoe reeds te laat. Maar den volgenden
morgen namen zij afscheid van de hartelijke waardin en reeds 's avonds
kwamen zij te Vlissingen aan.
Langzamerhand keerden ook de vier matrozen terug, elk van eenige
aangeworven zeelui vergezeld.
Toen ze allemaal gearriveerd waren, bleken er in het geheel
vier-en-twintig, waaronder een kok en een chirurgijn. Pieter had dus
volk genoeg, want twintig man was voor zijn schip reeds voldoende
geweest.
Zoodra alle matrozen aan boord waren, liet Van Halen het anker lichten,
hijzelf nam de post van stuurman waar, en de beruchte _Doodkist_ ging
tot een proeftocht onder zeil.
Licht en bevallig als een trotsche zwaan gleed het slanke vaartuig over
de wateren, terwijl het door honderden menschen aan de haven met
bezorgdheid werd nageoogd.
Het was op zee tamelijk stormachtig, maar »_De Vlugge Christina_"
doorkliefde de golven, den storm tegemoet, en verdween uit het oog der
toeschouwers, die eigenlijk niet wisten of zij waakten of droomden en
aan tooverij dachten.
Twee dagen later wierp het schip zijn anker weer uit en baarde algemeen
opzien.
Nu had Van Halen zijn mannen met zijn vaartuig vertrouwd gemaakt. Alle
vrees was voorbij; de matrozen erkenden nu, hoe véél het schip vóór had
boven andere vaartuigen en stelden thans ook een onbepaald vertrouwen in
hun genialen kapitein.
[Illustratie]
[Illustratie]
VIJFDE HOOFDSTUK.
De eerste tocht.
Het jaar 1624 was berucht door zijn stormen en de veelvuldige ongelukken
die daar, in verband ook met den bouw der toenmalige zeeschepen, het
gevolg van waren.
In dit jaar deed »_De Vlugge Christina_" haar eerste reis naar
Oost-Indië.
Van Halen had een groot deel van zijn vermogen te Hamburg besteed aan
manufacturen, waarmee hij zijn schip bevracht had. Het stouwen was onder
zijn opzicht gebeurd en zoo voortreffelijk uitgevoerd, dat het vaartuig,
hoewel zwaar geladen, toch niets van zijn vlugheid verloor. Het was ook
met tien lange, metalen stukken gewapend, maar kon toch het meest nog
vertrouwen op zijn onbegrijpelijke vlugheid, gevolg van de heel
bijzondere tuigage en den zoo eigenaardigen bouw van den romp.
Den vijfden December ging Van Halen in zee en den tienden had hij het
midden van den grooten Atlantischen Oceaan al bereikt. Maar hier
wachtten hem ál de ongemakken, die gedurende dien noodlottigen winter
zoo menig zeeman in gevaar brachten. Zoodra hij in volle zee was, brak
er een storm uit het Noordwesten los, vergezeld van hagel en sneeuw, die
negen volle dagen aanhield. Gelukkig, dat het schip geheel nieuw en zoo
bijzonder sterk was, want het werd ver weg geslingerd naar onbekende
gedeelten van den Oceaan.
»De lucht is bepaald warm," zei Andries op zekeren dag, »en dat nog wel
in het hartje van Wintermaand!"
»Ja," zei Van Halen, »ik geloof dat we snel de Zuidelijke luchtstreek
naderen, want ook het water is veel warmer. Jammer, dat de storm ons
verhindert, eenige waarnemingen te doen."
De sneeuw was overgegaan in een dichten, aanhoudenden regen en zoo werd
»_De Vlugge Christina_" eindelijk in een gedeelte van de zee gedreven,
waar de Oost-Indievaarders nooit kwamen.
Eenzaam kliefde het schip de golven.
Op den negenden dag des avonds, toen de storm zich juist met vernieuwde
kracht verhief, riep Andries eensklaps:
»Kijk neef, een schip!"
Allen zagen nu een vaartuig, dat hevig met de golven kampte. Het had
niets behouden dan den mast, terwijl op »_De Vlugge Christina_" aan den
boegspriet, den voorsten en den grooten mast de zeilen nog in goeden
staat waren en Van Halen met behulp daarvan zooveel mogelijk Westwaarts
trachtte te sturen.
»Nu kun je toch eens zien," zei Thomas, »met wat een verwonderlijke
snelheid ons schip voortgaat," want het vreemde vaartuig was nauwelijks
in het gezicht, of de »_Christina_" vloog het als de wind weer voorbij.
Het was, hadden zij opgemerkt, een slavenschip dat zich stellig in nood
bevond, want er werden kanonschoten gelost, waarvan het geluid nog flauw
tot hen overwoei.
Aan hulp verleenen viel echter niet te denken en binnen vijf minuten was
de »_Christina_" al een halve mijl Zuidwestwaarts gedreven.
Het vreemde schip kwam uit Portugal en was naar Guinea bestemd; toen het
weer bedaarde herstelde het zijn averij en de bijgeloovige manschappen
vertelden naderhand dat hun, juist toen zij in den hoogsten nood
verkeerden, een vreemd gebouwd vaartuig zonder bemanning, dat de
Hollandsche vlag voerde, als een spookachtige verschijning met volle
zeilen was voorbij geijld. De matrozen sierden dit sprookje
onwillekeurig nog wat op, en in West-Indië was spoedig het verhaal van
een Hollandsch spookschip het onderwerp der gesprekken van alle rustende
zeelui.
's Nachts werd plotseling de lucht helder, tot groote vreugde van
schipper Van Halen. »Andries? haal me den Jacobstaf[C] eens!" riep
hij.»Ik wil dadelijk eenige waarnemingen doen!"
[C] Van sextanten wist men toen nog niet af.
Met verbazing bevond hij, dat hij de linie al gepasseerd was en den
vijfden graad Zuiderbreedte had bereikt. Hij kòn het haast niet
gelooven. Maar toen den volgenden middag de wind naar het Oosten liep en
de gloeiende zonnestralen het teer op het schip vloeibaar maakten, toen
de waarnemingen van zijn matrozen allemaal precies zoo uitkwamen als die
van hem, zie, toen ging er een luid gejuich op, want nu bleek, dat het
schip, in weerwil van den storm, binnen den korten tijd van _zestien_
dagen 1150 zeemijlen had afgelegd.
Met een haast bijgeloovigen eerbied beschouwden nu de zeelui den man,
die zóó iets wonderbaarlijks had uitgevonden. Thomas hechtte zich van nu
af aan zijn meester met de trouw van een hond.
En Van Halen zelf? O, hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig, nu al
zijn arbeid en denken ten slotte zoo schitterend werden beloond, nu
ervaren zeelui als de zijne telkens en telkens weer een uitroep van
bewondering slaakten, zoo vaak zij een nieuwe voortreffelijkheid, een
nieuwe verbetering aan tuig of romp ontdekten.
Er was dan ook doorloopend een aangename stemming aan boord en dat die
er _in_ bleef bij de bemanning, daar zorgde Thomas genoegzaam voor.
Thomas zat geregeld vol gekheid en guitenstreken; van een zak en een oud
buis bijvoorbeeld wist hij een beer in elkaar te zetten zoodat hij den
scheepsheelmeester er eens den grootsten schrik mee op het lijf joeg,
toen hij het nagebootste dier in de schemering om een hoekje van de
kajuit plaatste; met een stukje touw of eenige andere kleinigheid wist
hij de aardigste kunstjes; hij zong liedjes die geen der matrozen kende
om de eenvoudige reden dat hij ze zelf berijmde op bekende wijzen; hij
kon griezelige geschiedenissen vertellen, dat zelfs de ruwste matrozen
er bij huiverden en dan weer verhaalde hij een zoo kluchtig avontuur,
tijdens zijn rondzwerven als marskramer beleefd, dat de bemanning
schaterde van pret.
Soms echter waren zijn streken wel eens onaangenaam voor den persoon,
die er bij betrokken was, maar ook dan nog bleven zij toch meestal
onschuldig.
Zoo had de kok een vriend aan boord, dien hij de grootste genegenheid
toedroeg en dikwijls met welbehagen op den rug kon kloppen, hem prijzend
om zijn voortreffelijkheid.
En toch--zoo wreed is het noodlot soms--hij moest hem dooden met eigen
hand.
De vriend was namelijk een vet varken.
Om af en toe eens versch vleesch te hebben had Van Halen er een vijftal
meegenomen, waarvan dit het zwaarste was; de vier andere zouden tijdens
de reis vetgemest moeten worden.
De kok kon soms, tijden aanéén, met zijn pijpje in den mond, genoeglijk
naar het logge dier zitten kijken; of hij trakteerde het op de lekkerste
hapjes van hetgeen er van het middagmaal was overgebleven. En terwijl
het varken at, krauwde de kok het liefkozend tusschen de ooren.
Maar eindelijk moest zijn dierbare vriend er toch aan gelooven; en het
werd hoog tijd inderdaad, want hij was zóó vet, dat hij niet eens meer
loopen kon.
Zuchtend sleep de kok in de kombuis zijn mes, zuchtend onderzocht hij,
op den nagel van zijn duim de scherpte der snede en met nog veel dieper
gezucht trad hij eindelijk op zijn lieveling toe.
Deze zat hem echter reeds in alle voornaamheid af te wachten: Een ronde
hoed met slappen rand, dien de kok enkel bij feestelijke gelegenheden
droeg, dekte zijn kop! Een mantel omhulde zijn plomp lichaam, terwijl
een breede, witte halskraag aan het domme varkensgezicht een vreemde
waardigheid verleende. Daarbij stond, op een omgekeerd vaatje als
lessenaar, een opengeslagen boek schuin omhoog voor den vetten sinjeur
opgericht, waarin het scheen dat hij met groote deftigheid zat te lezen.
Nauwelijks kreeg de kok deze dwaze vertooning te zien, of hij werd rood
van kwaadheid, terwijl hij riep: »Dat heeft me natuurlijk die weergasche
Thomas geleverd!"
Met dreigende houding en blik keek hij rond, opgewonden tierend: »Waar
zit hij, die galgestrop, die caronje, die ... die ..."
Hij was buiten zichzelf, hij kón niet meer.
De geheele bemanning vloog naar het varkenshok, om te zien wat er gaande
was.
Toen dreunde opeens een bulderend gelach, want de matrozen vonden de
grap allerkostelijkst.
»Ik wist niet, dat meneer Knor familie van je was!" grinnikte er een.
»Ei kom, dat kan je toch wel zien," plaagde een ander; »ze hebben zelfs
samen één kleerenkast!"
»Nu ik zou wát trotsch zijn op zoo'n bloedverwant," zei weer een derde,
»'t lijkt wel een rechtsgeleerde!"
Daar kwam de kapitein op het leven af.
De kok schoot onmiddellijk op hem toe, zoodra hij den gezagvoerder in 't
oog kreeg en riep: »Kapitein, u moogt dien Thomas, dien schelm, wel eens
duchtig onder handen nemen, want hij heeft ..."
Ongelukkig voor den armen kok kon echter ook Van Halen zijn lachlust
niet bedwingen en keerde zich dadelijk om, terwijl hij proestend weer in
de kajuit verdween.
Daar ontbood hij echter Thomas bij zich en gaf hem er het een en ander
te doen, om den jongen voor dien dag onder het oog van den kok vandaan
te houden.
Met deze en dergelijke grappen en dwaasheden, maar vooral ook door zijn
hulpvaardigheid, won Thomas zich steeds meer en meer de gunst der
matrozen. Zoo'n scheepsjongen was wat wáárd, meenden zij, die bracht nog
eens wat afleiding in het dagelijksch leven aan boord!
En intusschen spoedde het schip zich maar immer over de golven en had
reeds den negentienden dag, dus na een reis van vijf-en-dertig dagen, de
kust van Brazilië in het gezicht.
Hier ontmoetten zij een menigte schepen, maar »_De Vlugge Christina_"
vloog die alle als een vogel voorbij. Oorlogsschepen praaiden het
ongewone vaartuig, maar Van Halen lette er weinig op; woedende kapiteins
zonden het kogel op kogel na, maar niet één, die het bereikte. Als een
spooksel verdween het vlugzeilende vaartuig uit de drukbezochte
Amerikaansche wateren en snelde ver naar het Zuiden heen.
Daarna wendde Van Halen den steven naar het Oosten en ging op zoo'n
grooten afstand om de Kaap, dat hij geen land zag en ook geen enkel
schip ontmoette.
Eindelijk bereikte hij de Indische zee, maar hier, in die wateren vol
klippen en eilanden, werd zijn geduld op allerlei wijzen op de proef
gesteld. Toen hij op de hoogte van den keerkring gekomen was, werd het
volkomen windstil, zoodat hij in vijf dagen niets vorderde. Maar op den
zesden dag verhief zich een haast onmerkbaar koeltje, tegen den avond
nam dit nog wat toe, en het vlugge schip, dat bij den minsten wind al in
beweging kwam, vloog weer als een zeemeeuw over de golven.
Tegen middernacht waarschuwde een van de wachthebbende matrozen
plotseling: »Schip in zicht!"
Van Halen en Andries, die zich ter kooi begeven hadden, waren nu in een
oogenblik aan dek. De heldere maan bescheen weldra de volle zeilen van
het vaartuig en toen de »_Christina_" het nog meer naderde, bleek het
een groote, Hollandsche Oost-Indievaarder te zijn. Maar het lompe, logge
gevaarte lag doodstil, terwijl de »_Christina_" vlug en bevallig over
het effen zeevlak gleed.--Door de bemanning van het andere vaartuig werd
dit met bijgeloovige verbazing aangezien.
Toen zij van hun eerste verrassing wat bekomen waren, verzochten en
kregen zij verlof, om met een sloep aan boord te komen.
Daar de zes roeiers uit angst voor het vreemde vaartuig verzocht hadden,
in de boot achter te mogen blijven, betrad alleen de stuurman het dek.
Met de grootste verwondering bekeek de man het vaartuig van Van Halen en
toen die hem vertelde, en in zijn scheepsjournaal aantoonde, dat hij van
Hamburg tot hier geen volle drie maanden onderweg was, toen steeg zijn
verbazing op het hoogst. »Hoe is het mogelijk! hoe is het mogelijk!"
riep hij uit. »En _wij_ zwalken al 278 dagen op zee en de Hemel weet, of
het nog geen 10 weken zal duren, éér we Java bereikt zullen hebben!" En
opnieuw bekeek de vreemdeling het schip en zijn tuig, waarvan hem alles
even raadselachtig voorkwam.
Aan boord van zijn eigen vaartuig teruggekeerd, raakte hij niet
uitgepraat over wat hij gehoord en gezien had en met ontzetting zag zijn
volk, terwijl zij zelf nog altijd onbewegelijk lagen, het wonderschip nu
verder en verder zweven, totdat het aan den gezichteinder verdween.
»_De Vlugge Christina_" kreeg meer en meer wind en bereikte eindelijk
zonder verdere ongemakken Java, waar men het anker wierp voor de reede
van Bantam. De geheele reis, van Hamburg tot hier, met een vrij grooten
omweg nog wel, bleek afgelegd te zijn in nog geen 170 dagen.
Van Halen ging aan wal, waar hij zijn papieren moest toonen, en zich van
het bestuur der Oost-Indische Compagnie voor een vrij groote som het
recht koopen, om handel in de kolonie te drijven.
Het werd hem toegestaan.
Al wat hij had meegebracht wist hij nu spoedig en heel voordeelig te
verkoopen, waarna hij ballast innam, om vervolgens naar de Molukken te
stevenen. Hier laadde hij de kostbaarste specerijen, voer, al
handeldrijvend, van de eene eilandengroep naar de andere en nam, na zijn
schip rijkelijk beladen te hebben, de terugreis naar Europa weer aan,
waar hij, na een afwezigheid van 503 dagen, het anker wierp voor
Amsterdam.
[Illustratie]
ZESDE HOOFDSTUK.
Van Halen neemt een noodlottig besluit.
De tocht van schipper Van Halen met het door hem zelf uitgevonden
vaartuig werd druk besproken.
Toen Andries tegen den avond een van de herbergen aan het IJ
binnenstapte om er een kan _Haarlemsch_ te drinken, zaten ook dáár de
aanwezigen er druk over te redeneeren.
»Ik zeg maar," schreeuwde een scheepsbarbier, een klein, zwetserig
kereltje, met hooge, gillende stem: »Ik zeg maar, dat het nu feitelijk
bewezen is, dat de berekeningen van schipper Van Halen juist waren. En
dat heb ik _altijd_ gezegd, ofschoon ieder indertijd volhield, dat de
uitvinding van den knappen schipper geen halve duit waard was!"
»Och wat!" gromde een scheepstimmerman, »heb je er zelf indertijd niet
het hardst van allen den draak mee gestoken?"
»_Ik!_" gilde het mannetje, rood van inspanning en verontwaardiging,
»_ik?_ Een man van ontwikkeling?! Dat is immers te dwaas om los te
loopen!"
»En _ik_ zeg je, dat je 't wèl gezeid hebt!" bulderde de
scheepstimmerman.
»Bedaar, bedaar! vriend Jaspersz!" piepte het kereltje, terwijl hij
angstig achteruit schoof; »ik heb dat wel eens _gezègd_, zeker, zeker!
Maar uit gekheid, weet je?"
»Jawel," gromde de scheepstimmerman, »zoo kan je natuurlijk je d'r
altijd uit redden."
»Hoor eens!" piepte de barbier, die, nu hij zag dat Jaspersz bedaarder
was geworden, weer wat moed begon te krijgen, »ons vroeger oordeel doet
er eigenlijk ook weinig aan toe; _dit_ is zeker: Door Pieter Van Halen
is de scheepsbouwkunst een heele stap vooruit gebracht. Heb _jullie_
ooit een schip gemaakt, dat in den ongelooflijk korten tijd van een jaar
de reis naar de vèrste deelen van Indië kon doen?"
»En dat zoo weinig vòlk noodig heeft?" voegde een ander zeeman er bij.
Ofschoon ik dáár nu juist niet zoo mee ingenomen ben."
»En dat waaròm niet?" gilde het scheepsbarbiertje weer.
»Waaròm niet? Wel, dat is dunkt me zoo klaar als een klontje: Het
vaartuig van schipper Van Halen heeft maar een derde van de manschap
noodig, die een ander schip van dezelfde grootte vereischt. Een
heeleboel zeevolk zal daardoor moeten leegloopen, als het gauw allemáál
van die nieuwerwetsche schepen worden!"
»Och wat!" gilde het stemmetje van den barbier nu weer. »Hoe korter reis
en hoe minder manschap hoe voordeeliger voor de reeders. Die zullen dus
meer schepen gaan bouwen, er zullen meer reizen worden gemaakt en ten
slotte worden de zeelui er nog beter in plaats van slechter van."
»Ja, als het de reeders goed gaat," zei weer een ander, »dan varen ook
de zeelui daar wel bij."
»En wat een verbetering met betrekking tot de gezondheid!" krijschte de
barbier weer; »want bij schipper Van Halen behoeven niet zooveel
menschen in een beperkte ruimte opgehoopt te worden als op andere
schepen. En doordat de reis met dat schip maar zoo kort duurt, is er
lang zooveel gevaar niet, dat het volk gebrek aan mondbehoeften en goed
drinkwater zal krijgen, waardoor scheurbuik schier onmogelijk wordt!"
»Bovendien," zoo mengde zich Andries nu in het gesprek, »hebben we nù
den tocht gedaan bij het ongunstigste weer. We mogen dus hopen, dat er
onder meer gunstige omstandigheden nog voordeeliger uitkomsten te
wachten zijn."
»_We?_ heb je dan de reis meegemaakt?" riepen verscheidene stemmen.
»Ja, dat heb ik. Schipper Van Halen is mijn neef," zei Andries met
zekeren trots.
Van alle kanten werd hij nu met vragen bestormd, waar maar geen eind aan
scheen te komen.
»Nu, vriendschap!" zei ten slotte een van de aanwezigen, »na zoo'n
gelukkigen uitslag is voor je neef zijn fortuin zoo goed als gemaakt. Je
zult zien, het régent straks aanbiedingen, de een al mooier dan de
ander, van rijke reeders die ook zulke schepen willen hebben."
»Ik vrees, dat het hun weinig zal baten," gaf Andries ten antwoord.
»En dat waarom?" riepen verscheidene gasten verwonderd.
»Wel, toen mijn neef, jaren geleden, met zijn uitvinding voor den dag
kwam, heeft niemand hem willen helpen. Integendeel, overal waar hij zich
aanmeldde, werd hij bespot en uitgelachen...."
»Ah, jawel," viel een matroos hem in de rede: »Vroeger, toen ik jullie
noodig had, zal hij denken, wou jelui niemendal van me weten; wel nou,
loop jullie dan nou óók maar naar de maan!"
»Ja, zoo denkt hij er precies over," bevestigde Andries, betaalde zijn
bier en stapte de herberg uit.
Nauwelijks had hij die verlaten, of hij werd door een der aanwezigen,
die slechts zwijgend geluisterd had, gevolgd en staande gehouden:
»Zeg vriendschap!" zei de vreemdeling, »zou je neef heusch geen plan
hebben om, zelfs voor veel geld, zijn uitvinding bekend te maken?"
»Ik zou het niet denken, vriend!" gaf Andries ten antwoord.
»Jullie moet dan wel heel rijk zijn," ging de man voort, »om ter wille
van een misplaatst eergevoel zelfs een schitterende aanbieding van de
hand te wijzen!"
»Jullie? Mijn neef wil u zeggen. Want ik voor mij bezit geen duit!"
Dat was het juist, wat de vreemdeling wilde weten. Vandaar dat hij met
opzet het meervoud had gebruikt. »Welnu, als dat wààr is, dan zul je er
toch ook niet op tegen hebben, om op een gemakkelijke manier een honderd
gulden te verdienen."
Honderd gulden verdienen op een gemakkelijke wijze! Andries' oogen
schitterden! Want hij had, helaas, voor een groot deel de geldzucht van
zijn vader geërfd!
»En wat zou ik daarvoor dan moeten doen?" vroeg hij gretig.
»Al heel weinig. Luister maar: Ik ben scheepsbouwmeester en het zou mij
veel waard zijn, als ik óók zulke schepen als »_De Vlugge Christina_"
kon maken. Daarom wil ik aan je neef het voorstel doen om hem, voor een
groote som desnoods, zijn uitvinding af te koopen. Ik begrijp echter
heel goed, dat dit niet dadelijk zal gelukken. Maar je hebt misschien
invloed op hem. Welnu, tracht dan, zoodra ik weer vertrokken ben, uw
neef te bewegen mijn voorstel aan te nemen. Gelukt je dit, dan betaal ik
je onmiddellijk honderd gulden uit!"
»Aangenomen!" zei de jonkman.
»Laten we dan afspreken, dat we elkaar precies over veertien dagen weer
in dezelfde taveerne van hedenavond zullen ontmoeten."
»Top!" riep Andries, waarna hij den vreemdeling verliet om weer naar
boord te gaan.
Reeds den volgenden morgen werd den kapitein door den scheepstimmerman
een inderdaad schitterend aanbod gedaan. Maar Van Halen, die in den man
een van zijn vroegere tegenwerkers herkende, weigerde beslist. Andries
deed wat hij kon om neef Pieter tot andere gedachten te brengen,
maar--niets mocht baten. Dit maakte hem verdrietig en daar van het
onderwijs in den eersten tijd tòch niets komen zou, vroeg en kreeg hij
verlof om eens voor een week naar zijn familie in Rotterdam te gaan.
Want men moet weten, dat na den aanval zijn vader het toch maar veiliger
geacht had, om weer dáár te gaan wonen.
Aanhoudend dacht Andries aan de halsstarrigheid van zijn neef, die hem
verhinderde in één oogenblik honderd gulden te verdienen. O, als _hij_
die uitvinding eens gedaan had, als _hij_ die plannen en teekeningen
eens bezat! Wat zou hij er zaken mee doen! Voor duizenden guldens zou
hij ze verkoopen....
Maar--hij hàd ze nu eenmaal niet. En Pieter, die ze wèl bezat, liet ze
nu verder ongebruikt vergelen. Wáár zouden ze liggen? In de kast
natuurlijk, die neef altijd zoo zorgvuldig gesloten hield.... Maar als
die kast nu te eeniger tijd toevallig eens los was, zou het dan zoo erg
wezen als hij, Andries, die papieren er uit nam en ze voor veel, veel
geld verkocht? Ze lagen daar immers toch maar renteloos! Pieter zou er
dus heelemaal geen schade bij hebben....
Zóó mijmerde Andries voort en hoe méér hij er over dacht, hoe méér zijn
geldzucht hem aandreef, zich van die plans en teekeningen meester te
maken.
Na een week reeds keerde hij naar Amsterdam terug, vást besloten, om
zijn voornemen ten uitvoer te brengen, zoodra de gelegenheid maar
gunstig was.
Onder die omstandigheden vond hij het nu zelfs gelukkig, dat zijn neef
zoo halsstarrig geweigerd had. »Maar," zoo vroeg hij zich af, »zal
Pieter bij zijn weigering _blijven_?"