»Ja neef! ik zie het wel dat je lacht om dit hoofddeksel, maar ik ben er

zeer aan gehecht. Je moet weten, dat het een erfstuk is, nog van mijn

grootvader afkomstig. Mijn grootvader, moet je weten, genoot in zijn

jeugd het voorrecht, Keizer Karel den Vijfde te dienen en uit een

bijzondere genade heeft zijn Keizerlijke Majesteit hem dit hoedje eens

vereerd. Ik zou dit merkwaardige voorwerp dus voor geen geld willen

missen."

De mantel moet dan zeker ook wel een dierbaar erfstuk zijn, dacht

Pieter, want met geen mogelijkheid zou iemand zijn oorspronkelijke kleur

geraden hebben, terwijl hij zoo kaal was als perkament en van een

fatsoen, zooals men er in dien tijd mogelijk geen tweede in de geheele

Republiek zou hebben gevonden.

Toen zij vertrekken zouden, zag Van Halen met nieuwe verbazing, dat de

oude man eenige vette hoenders meenam, want hij dacht onmiddellijk aan

het sober ontbijt.

Het bleek nu uit oom Boudewijn's toelichting, dat de boeren die hij

behandelde, hem uit dankbaarheid haast elke week, de een boter, appelen

of peren, een ander eieren, hoenders en duiven, ja sommige zelfs hazen

en patrijzen brachten, die hij dan geregeld in Oosterhout of Breda

verkocht, het zondige verkwisting vindend, die kostbare artikelen zelf

te nuttigen.

Brachten zij hem echter karnemelk of paardeboonen, dan hield hij die

voor zijn eigen huishouding.

Onderweg deelde Van Halen zijn plannen mee en met welk doel hij hem was

komen opzoeken.

De vrekkige grijsaard was er ten hoogste mee ingenomen, dat neef Pieter,

die hem nu een vermogend man bleek, zijn zoon Andries gratis in de

stuurmanskunst wilde onderwijzen niet alleen, maar ook geheel voor zijn

kleeding, onderhoud en uitrusting beloofde te zorgen.

Nog dienzelfden morgen verscheen de schout met eenige gerechtsdienaars

in het huis van den chirurgijn.

Het gerecht maakte van de verklaringen van oom Boudewijn en Pieter een

schriftelijk verslag op; de lijken werden geschouwd en als van beruchte

roovers herkend. Toen liet men de doode lichamen weghalen.

Inmiddels was het tijd geworden voor het middagmaal. Tot neef Pieters

ontsteltenis bestond dit uit slechts vier panharingen in de olie

gebakken, die door oom Boudewijn zóó heerlijk werden gevonden, dat hij

daarover haast niet uitgepraat raakte.

Het is te begrijpen, dat Van Halen tengevolge van een en ander maar hoe

eer hoe liever weer naar Vlissingen wilde vertrekken.

[Illustratie: »Dieven?" riep de grijsaard ontzet, en sloeg de magere

handen in elkaar. (Bladz. 37.)]

Na het eten vroeg hij dus Andries kort en bondig of die lust had

stuurman te worden en zoo ja, of hij zich dan maar dadelijk voor de

afreis gereed wilde maken.

Andries was in de wolken! Stuurman worden,--vreemde landen zien! vreemde

menschen ontmoeten;--dat leek hem toch iets anders, dan in een afgelegen

huis zijn jeugd te verslijten.

Het gevolg was, dat nog geen uur later Pieter en Andries reeds afscheid

namen en den weg naar Breda insloegen. In Breda aangekomen bestelde Van

Halen voor beiden onmiddellijk een stevig middagmaal. Daarna gingen zij

de stad in, om voor Andries een pak kleeren te koopen, want het was

treurig, zooals de jonge man gekleed ging.

Uit den winkel komend gaf Andries zijn oude plunje aan een bedelaar, die

er hem voor zegende met diep-ootmoedig gelaat, maar woedend het pak in

het water smeet, zoodra hij uit het gezicht was.

Daar zij niet vóór den volgenden dag verder zouden reizen, hadden zij

allen tijd, om eens naar de markt te wandelen en het turfschip te zien,

waarmee Prins Maurits de stad verrast had. Ook het kasteel bekeken zij

nog, bleven toen nog een poosje zitten babbelen en kropen al vroeg onder

de wol.

[Illustratie]

DERDE HOOFDSTUK.

Een nieuwe reisgenoot.

Den volgenden morgen werd de tocht voortgezet, ook nu weer te voet, want

het reizen met den postwagen was Van Halen, door de slechte wegen, zóó

onaangenaam geweest, dat hij liever nog loopen wilde.

Tegen het vallen van den avond bereikten de reizigers een dorp; het was

zeer gering, maar er was een pleisterplaats, hadden zij onderweg

vernomen. Zij zochten er naar en vonden een klein huis, met een schuur

en een stal.

In het eerste troffen zij een paar andere reizigers aan, die er slecht

geluimd uitzagen, een jonge marskramer alleen uitgezonderd, die

vruchteloos met zijn grappen de anderen aan het lachen zocht te maken.

Van Halen vroeg om avondeten.

»Avondeten?" zei de waardin. »We hebben geen tijd om voor de reizigers

te koken; wij voorzien alleen in logies, goed logies en uitspanning.

Maar u kunt bier krijgen."

»Dat ziet er slecht uit, jongen!" bromde Van Halen, bedenkelijk zijn

neef aanziend.

»Och wat," zei de vrouw, »je kunt in het dorp koopen wat je verkiest en

moogt het vrij in onzen oven koken. Da's toch mooi genoeg zou ik

meenen!"

Zij zwierven dan door het dorp om mondbehoeften op te doen en het eind

was, dat zij hun avondmaal deden met gebakken eieren en roggebrood.

Een bestevâar met roode konen, die een brandende lantaarn droeg, kwam de

reizigers al zeer vroeg halen om ze hun slaapplaatsen aan te wijzen.

Zij volgden hem, tegelijk met de overige gasten.

Over een slikkerig erf, waar zij veel te doen hadden met hun voeten

veilig neer te zetten, bracht het oudje hen in een koestal. Daar was aan

weerszijden van elke koe een hoopje schoon stroo neergelegd, benevens

een grooter stroobundel als peluw.

De oude man zag met vaderlijken trots op zijn werk neer. Van Halen was

er minder mee ingenomen:

»Laat je Christenmenschen zoo maar tusschen het vee liggen?" vroeg hij

ontstemd.

»Het is hard genoeg voor de arme beesten. Zij hebben nauwelijks plaats

om zich om te draaien."

»Wat zeg je daar? Is het dan niet hard voor òns?"

»Voor jullie?" vroeg de oude verbaasd. »Wat zou er hards in zijn? Ik heb

er mijn heele leven tusschen geslapen. En bekijk me vrij! Ik ben tachtig

en heb al mijn dagen geen minuut hoofdpijn gehad, alleen maar van

tusschen de koeien slapen. Je moogt dus liever van geluk spreken, zou ik

meenen; koeienasem is tienmaal zoo gezond als de asem van

Christenmenschen. Probeer het maar!" Meteen sloeg hij de staldeur dicht,

zoodat ze in 't donker bleven.

»Neef, waar ben je?" riep Andries benauwd.

»Hier!"

»Hoe heeft u het?"

»Ik weet het niet; maar zoover ik gissen kan heeft het er veel van of ik

al in den dut raak. En jij?"

»Ik zeg mijn avondgebed op."

»Dat is braaf van je."

»Neef, ik heb haast gedaan, och toe, ga nog niet slapen, 'k wou zoo

graag nog wat praten ..."

»Rep je dan wat, voor dezen keer! want ik heb een gevoel (een geeuw!) of

ik op een--warme--wolk in de lucht drijf."

»Neef?!"

(Een geeuw!) »Hola, hei! Is het tijd om op te staan?"

»Ongelukkig niet. Ik heb mij met bidden gehaast om nog wat te praten. We

zullen voor den morgen bevroren zijn, zoo zonder dek."

»Wel, weet je wat je doen moet?"

»Nu?"

»Kruip bij de koe!"

»Dank je!"

»Begraaf je dan in het stroo," klonk nu de stem van den jongen

marskramer, dien ze Thomas hadden hooren noemen. »Je moet wel pas in de

wereld komen kijken om over zóó iets te brommen. Hoe zou het je

bevallen, om in den nachtvorst op een slagveld te liggen, zoo als ik

eens, spiernaakt, met niets om mij warm te houden dan het lijk van een

kerel, dien ik den hoek had omgeholpen."

»Afschuwelijk! Vertel er mij alles van."

»Wel, wij hadden een kleine schermutseling aan de grenzen gehad en een

overwinninkje behaald. (Want ik ben een poosje in den oorlog geweest.)

Maar het kwam ons duur te staan; verscheidene voetknechten staken de

beenen in de lucht, onder andere mijn persoon."

»Dood? Och kom!" zei Andries, die begreep dat het heele verhaal slechts

op een onderhoudend verzinsel of belachelijke snoeverij zou uitloopen.

»Zoo dood als een pier! Stikvol lanssteken, tot het bloed uit me wegliep

als de wijn uit een vat waarvan de duigen loslaten. Ik ben wel goed, dat

ik mijn verhaal zoo uitvoerig doe, want--(een geeuw!)--ik ben slaperig

(een geeuw!)--nu, waar was ik ook?"

»Je laagt voor dood op het slagveld te bloeden als een speenvarken, ik

wil zeggen als een wijnvat of zoo iets. Verder, bid ik je, verder; het

is zonde, midden in zoo'n mooie vertelling te gaan slapen."

»Dat is het ook," ging Thomas voort. »Nu, er kwamen eenige van die

vagebonden, die gesneuvelde soldaten uitplunderen en dat gespuis haalde

mij het laatste vod van het lijf; verder deden ze mij geen kwaad, omdat

zij er niets aan hadden."

»Neen, je was dood."

»Goed onthouden! Dit moet tegen zonsondergang geweest zijn. 's Nachts

kwam een vinnige vorst, die het bloed op mijn wonden deed stollen en al

de stroompjes die mijn hart uitliepen stopte; en omstreeks middernacht

werd ik als uit een schijndood wakker."

»En dacht je toen niet dat je in een heerlijk bed lag?" vroeg Andries,

die hoe langer hoe meer schik in het verhaal kreeg, waarvan hij

natuurlijk geen enkel woord geloofde.

»Daarvoor neep mij de kou te hard, jongenlief; buitendien hoorde ik aan

alle kanten de gekwetsten kermen, dus wist ik, dat ik nog op mijn oude

plaats was. Ik begreep dat ik den dag niet halen zou zonder deksel. Ik

tastte in het rond, rillend en bibberend van de kou. Eindelijk, daar

hield er ineens een op met kermen. Jij bent er geweest, zei ik, kroop

naar hem toe en jawel, hij was dood hoor; maar warm, begrijp je!

»Ik nam het heer in mijn armen, maar was te zwak om hem te dragen en zoo

rolde ik met hem in een droge sloot. En daar vonden mijn kameraden mij

's morgens, aardig wat door brandnetels gestoken en een dooden Spanjaard

omhelzend, om het er levend af te brengen."

»Ach ja," zei Andries, »de oorlog is alleen vriendelijk voor wie er niet

in geweest zijn."

»Watblief?"

»Ik zeg--wat zijn sommige menschen toch koelbloedig en onversaagd!"

»Nietwaar? Dus bij zulk soort van dingen--vergeleken--zijn _dit_ soort

van dingen de hemel. Zacht,--warm--goed gezelschap, met een koe er bij

als kameraad--wat--wou je--dan nog kla ...?"

De tong van den vroolijke verhaler kwam voor eenige uren tot rust.

's Morgens werd Andries wakker door een straal vocht die zijn oog trof

en daar zag hij den snaakschen Thomas die de uier der koe als een spuit

gebruikte.

»O, foei!" riep Andries, »is dat de kostelijke melk vermorsen!"

»Wel, laten we _die_ er dan mee vullen!" zei de kwant, een hoornen beker

te voorschijn halend.

»Geef maar hier," zei Andries, »ik heb dat méér bij de hand gehad. Maar

waarachtig, ik zie niet in, met welk recht we iets van haar melk ..."

»Breek je daar het hoofd niet over!" viel Thomas in. »De kameraad is

vannacht niet zoet geweest, moet je weten; maar wat zou dat? Ware

vriendschap ontslaat van plichtplegingen. Vanochtend nemen wij gelijke

vrijheid met haar."

»Wel, wat heeft ze dan gedaan, het arme beest?"

»Mijn peluw opgegeten."

»Ha! ha!"

»Toen ik wakker werd, wist ik niet waar mijn hoofd gebleven was, tot ik

het eindelijk vond, veel lager dan waar ik het gisteravond had

neergelegd. Zij heeft ons kussen opgegeten, wij drinken ons kussen

terug." Toen, zich tot de koe richtend: »Op uw gezondheid, mejuffer,

en--zonder wrok."

»De oude paai had toch gelijk," zei Andries tegen Van Halen, die ook al

wakker was. Ik ben nog zoo frisch niet opgestaan, in heel mijn leven,

geloof ik. Laat ons voortaan altijd in een koestal overnachten, neef."

»Je vergeet, dat je zeeman wordt, beste jongen."

»Zeeman? wat 'n gelukskind!" riep Thomas.

»Zou je dat dan liever zijn dan marskramer?" vroeg Van Halen met

belangstelling.

»Nu, dat geloof ik! 'k Heb me dan ook al een keer of vijf aangemeld,

toen ik laatst een poosje in Rotterdam was, maar geen mensch wou me

hebben. Ze denken stellig dat ik te veel eet!" liet hij er lachend op

volgen.

»Als het je ernst is," zei Van Halen, »kun je wel een plaats op _mijn_

schip krijgen. Maar je zult, tijdens de eerste reis, met het baantje van

scheepsjongen tevreden moeten zijn."

»U bent dus kapitein?" vroeg de jongen verrast. »Nu, wàt graag!" liet

hij er verheugd op volgen.

»Zorg dan, binnen veertien dagen in Vlissingen te wezen. Je kunt in dien

tijd meteen van je koopwaar af zijn."

»O, ik was juist zoo goed als uitverkocht. Dus wat dàt betreft zou ik

dadelijk wel met u mee kunnen."

»Welnu, je kunt dan voorloopig mijn bediende wezen en zoo dadelijk met

ons afreizen als je wilt."

Thomas was daar zóó verheugd over, dat hij oogenblikkelijk eenige van

zijn laatste artikelen tegen verminderden prijs aan de waardin verkocht,

het weinigje dat restte stopte hij in zijn knapzak en de leege mand gaf

hij aan den ouden paai present, uit dankbaarheid voor het gezond logies,

zooals hij lachend beweerde.

Weldra ging het drietal op stap en Thomas wist zóóveel grappen onderweg,

dat de tijd als omvloog.

's Avonds kwamen zij aan een dorp nabij de Eendracht en Van Halen meende

vandaar met de veerschuit naar Vlissingen te vertrekken.

Zij vonden vrij spoedig een herberg van een goed uitzicht, waar zij een

behoorlijk avondmaal benevens logies konden krijgen.

»Tusschen de koeien?" vroeg Andries terstond.

»Neen, neen! we hebben twee ruime logeerkamers, tezamen met drie

bedsteden!" zei de waardin.

Van Halen was echter zeer ontstemd, toen de waard hem vooraf om betaling

vroeg. Niettemin voldeed hij aan het verzoek, maar alle drie waren zij

verontwaardigd over de schandelijk hooge rekening, die de vent hem liet

betalen.

Toen ze reeds op hun kamer waren (de beide jongelui hadden het vertrek

met de twee bedden gekregen) pruttelde Thomas nog na: »Wat een

afzetterij toch! Maar--misschien kan ik dat heer nog wel een poets

spelen tot zijn straf, waarvan we schik zullen hebben!"

Hij rommelde wat in zijn knapzak en dolf er een fleschje phosphor uit

op, waarna hij precies deed alsof hij iets op den wand ging schilderen.

Andries keek en keek, maar er kwam niets te voorschijn.

»Wat haal je toch uit?" vroeg hij daarom verbaasd.

»Even geduld, maat!" was het antwoord.

Opeens blies Thomas de kaars uit. Ze waren in het donker; en nu las

Andries op den wand in geheimzinnig glorend vlammenschrift:

»Wee den afzetter!"

»Wat zeg je er van?" vroeg Thomas met zelfvoldoening.

»Alleraardigst!"

»Nietwaar? Maar nu is _mijn_ werk volbracht en wordt het jouw beurt."

»Dat is te zeggen....?"

»Wel, om de grap volkomen te maken moet jij nu den waard onder het een

of ander voorwendsel op onze kamer zien te lokken."

»Dank je hartelijk!"

»Dan zal _ik_ gaan!" zei Thomas beslist. »De kerel heeft het dubbel en

dwars verdiend, dat we hem een kleinen schrik bezorgen...."

»Dat ben ik met je eens! Maar toch--neen, laten we het liever niet

doen!" gaf Andries in bedenking. »Mijn neef mocht het ons eens kwalijk

nemen, en dat zou jij toch zeker óók minder aangenaam vinden, is 't

wel?"

Thomas stond even in beraad.

»Je hebt gelijk!" zei hij toen. »Ik ben nog nauwelijks een dag in zijn

dienst en mag het er dus niet op wagen, het nu al bij mijn meester te

verkerven.--Allo, dan de kaars maar weer aan!"

Met behulp van Thomas' vuurslag en tonteldoos, benevens een eindje

zwavelstok, gelukte dat, waarop beiden nog wat babbelden, tot de kaars

schier geheel was opgebrand.

Zij hadden nog juist den tijd om er zich bij uit te kleeden, toen gaf

zij den geest.

»Toch jammer dat de grap niet doorging!" mompelde Thomas, uit zijn

bedstede nog even, met droomerige oogen, op de geheimzinnig glorende

bedreiging starend, die nu weer zichtbaar was.

Meteen sliep hij in.

[Illustratie]

VIERDE HOOFDSTUK.

In ongelegenheid.

Daar men reeds November had was het nog donker, toen de waard 's morgens

op de deur van Pieter van Halen's kamer klopte.

De kapitein was dadelijk wakker.

Daarop ging de man naar het andere logeervertrek, om ook de jongelui te

wekken.

Thomas en Andries, wijl ze zoo laat naar bed gegaan waren, sliepen

evenwel als egels in den winter.

Toen de waard dus op zijn herhaaldelijk geklop slechts een kreunend

antwoord kreeg, deed hij eindelijk de deur open..... Maar hij gaf een

schreeuw van ontzetting, toen hij daar plotseling het nog altoos glorend

vlammenschrift in het oog kreeg.

»Tooverij!" riep de man ontsteld en holde als dol naar de gelagkamer.

»O, die schelmen! Ze hebben ons huis betooverd!" riep hij zijn vrouw

toe.

De waardin, die juist het ontbijt voor het drietal klaar zette, stiet

van schrik haast de olielamp om.

»Loop dadelijk naar den schout!" riep ze bevend. »Loop! en laat de

deugnieten gevangen nemen!"

De waard snelde de deur uit.

»Weg schelmen, weg schavuiten!" gilde het vrouwmensch, toen de drie

logeergasten zich een oogenblik later aan het ontbijt kwamen zetten. En

overhaast nam zij de vlucht.

»Lieve hemel, wat scheelt je meesteres toch?" vroeg Van Halen aan den

knecht die juist binnenkwam.

»Ik zou je raden, dat jullie je maar zoo gauw mogelijk uit de voeten

maakt," zei deze gemoedelijk: »De baas is naar den schout; hij raasde en

tierde, dat jullie zijn heele huis hadt betooverd."

De kapitein haalde de schouders op. Toch zette hij de jongelui tot spoed

aan; hij wenschte liever niet in moeite te komen, wijl dit maar

oponthoud geven kon.

Toen de waard met den schout en twee dienders in de herberg terugkwam,

waren de logeergasten dan ook reeds verdwenen.

In allerijl repten de drie reizigers zich naar de rivier.

Op hun navraag kregen zij daar tot hun groote teleurstelling ten

antwoord, dat de veerschuit al voor een half uur vertrokken was en zij,

voor de eerst volgende, tot den namiddag dienden te wachten.

Dat zag er dus gek voor hen uit, te meer wijl inmiddels de dag reeds was

aangebroken.

Langzamerhand verzamelde zich een hoop volk rondom het drietal en na

heel veel vragen bood eindelijk een oud man met zijn twee zoons hun zijn

schuit aan.

Een der omstanders vond het bespottelijk.

»De stroom is te sterk voor drie man op de riemen," meende hij.

»Dan zal ik helpen roeien!" verklaarde Van Halen.

»Dat behoeft niet," zei de oude man. »De vent spreekt alleen uit

afgunst; hij is de eigenaar van de andere schuit."

Er was een stijve koelte en zij hadden vlak voor den wind; de schipper

zette een breed zeil uit en, tegelijk roeiend, staken zij met een goeden

gang van wal.

De stroom maakte veel bochten en daardoor kregen zij af en toe den wind

op zij. Dan gingen allen aan loef, om te beletten dat de schuit te sterk

overhelde, behalve een kind van omstreeks een jaar of vijf, de kleinzoon

en lieveling van den schuitenvoerder. De guit was, een oogenblik voor

zij aan wal staken, aan boord geslopen en daar hij te licht was om

verandering in de vracht te brengen, beschouwden zij hem als boven, of

liever als onder het reglement.

Zij zeilden lustig voort, onbewust dat zij vervolgd werden door den

schout, den waard uit de herberg en twee dienders, schoon hun vervolgers

hen begonnen in te halen; want was de wind sterk, de stroom was het niet

minder.

Opeens vroeg een der jonge schippers aan het kleine appelgezicht, wat

hem toch scheelde.--Zijn neefje was namelijk met een hangend lipje bij

het roer gekomen en toen in tranen uitgebarsten.--Hij deed hem allerlei

vragen, eerst op vleienden toon, daarna kortaf: Of hij zich gestooten

had? Of hij geschrikt was? Of hij het koud had? Of hij misselijk was? Of

hij mal was?

Op alles gaf het kind een onveranderlijk »hu! hu! hu!" tot antwoord.

»Weet ook een van jullie, wat den kleinen schreeuwleelijk scheelt?"

bromde de schipper ongeduldig.

»Kijk liever dezen kant eens uit," zei zijn broer. »Begrijp jij soms wat

ze daar nazitten?"

De oude man en zijn andere zoon keken en zagen toen vier mannen, die op

den Oostelijken oever voortgingen.

Zij hielden even op met roeien en staken aan het stuur de hoofden

geheimzinnig bij elkaar, beurtelings blikken op hun passagiers en op de

voetgangers werpend, die ze reeds herkend hadden.

Beter dan zich in bespiegelingen te verdiepen was het hun echter

geweest, wanneer ze getracht hadden het geheim van het appelgezicht te

doorgronden.

»Als het is zooals ik vrees," fluisterde een der jonge schippers, waarom

hun dan geen kans gegeven om te ontsnappen? Laat ons op den rechterwal

aanhouden."

De oude man weigerde beslist.

»Ben je gek, moeten wij ons last op den hals halen voor vreemden? Neen,

laat ons liever naar bakboordzij sturen: houd het altijd met den sterken

arm! dat is mijn leus. Wat zeg jij, Willem?"

»Ik zeg, vader, dat je voor mijn part kunt doen wat je wilt!"

Een windvlaag maakte op de onpartijdigste wijs een eind aan de

oneenigheid van den ouden en den jongen schipper. Het kleine vaartuig

ging overzij, de mannen sprongen aan loefzij om het in evenwicht te

houden, doch zagen op hetzelfde oogenblik tot hun schrik, dat aan lij

een plas water de schuit van het eene eind tot het andere vulde. En in

't volgend oogenblik zagen zij niets meer, maar zij voelden den stroom,

den kouden snellen stroom.--Het appelgezicht had de prop uit het hoosgat

getrokken.

De dienders wonden de touwen van hun middel.

Van Halen en Thomas konden zwemmen als een eend, doch zelfs de beste

zwemmer moet, wanneer hij met een schuit omslaat, vóór hij zwemmen kan,

eerst zinken.

Het donkere water borrelde boven hun hoofd, toen kwamen zij boven, voor

een oogenblik bijna doof en blind. Terstond daarop zagen zij echter alle

twee de schuit het onderst boven en menschen die er zich aan

vasthielden. Zij schudden hun hoofden als poedelhonden en zwommen er

naar toe, uit een zekere onberedeneerde navolgingsdrift, maar eer zij

het vaartuig bereikten, hoorden zij achter zich een stem die niet luid

maar met diepe droefheid riep: »Vaarwel, het is gebeurd met me!"

Zij keken om en daar was de arme Andries bezig met te zinken, wijl hij

in 't geheel niet zwemmen kon. Zijn gezicht was bleek en zijn wijd open

oogen stonden met een wanhoops-uitdrukking naar zijn vrienden gewend.

Thomas en Van Halen zwommen naar hem toe, als dollen het water

doorklievend, doch eer zij hem bereikt hadden, zonk de arme jongen.

Van Halen dook naar hem. De gerechtsdienaars knoopten eenige touwen aan

elkander en wierpen het eind van de lijn in het water.

De kapitein deed een greep en Andries voelde zich met zulk een

krachtigen ruk opgetild, dat hij met het halve lijf boven water kwam.

»Grijp mij nu niet beet! Grijp me niet beet!" riep Van Halen, in grooten

angst dat Andries dien noodlottigen misgreep zou doen.

»Wees niet bang!" gorgelde Andries.

Toen Van Halen zag dat zijn neef begrip van den toestand had, herkreeg

hij onmiddellijk zijn moed en bedaardheid weer.

»Op je rug!" zei hij bits, en een slag vooruit doende, hielp hij tot de

vereischte beweging.

»Je hand op mijn schouder!... Mooi zoo!"

»En op _mijn_ schouder je andere hand," zei Thomas nu.

Het gelukte en moeizaam worstelden de beide zwemmers toen dwars door den

stroom. Slechts een oogenblik hadden zij geweifeld welken kant uit te

zwemmen, zonder het noodlottig belang van een zoo eenvoudige keuze te

weten: toen, ziende dat de westelijke oever een weinig nader was,

zwommen zij daarheen, in plaats van als zoete jongens naar de

gerechtsdienaars te zwemmen en zoo een nieuw avontuur tegemoet te gaan.

Door den sterken stroom dreven zij geweldig af en nadat zij ongeveer een

honderd slagen gedaan hadden, vroeg Andries ongerust: »Hoeveel nu nog?"

»Wees niet bang," hijgde Thomas, »je bent zoo veilig als in bed."

Een oogenblik later voelden zij tot hun verbazing, grond, en zij waadden

naar den kant.

Zoodra zij op den vasten wal stonden zagen zij elkaar van het hoofd tot

de voeten aan, reikten elkaar gelukwenschend de hand en keken daarop hoe

de anderen het er afgebracht hadden.

De gansche bemanning zat veilig en wel op de omgeslagen schuit, met

jongeheer appelgezicht, den omkeerder der dingen, in het midden. Al dit

rumoer scheen geen bijzondere stoornis in zijn gewoonten gebracht te

hebben, althans hij huilde, toen hij het gezelschap in het water liet

duikelen, en hij huilde toen het er weer uit was.

»Zullen we wachten neef, tot zij de schuit weer in orde hebben?"

»Neen, Andries, de vracht is betaald. Laat ons dadelijk voortmaken!"

Zoodra hun besluit duidelijk werd, ontstond er aan den overkant beweging

in den troep die op hun beraadslaging gelet had, en zij hadden slechts

weinige stappen gedaan, toen er een stem over het water tot hen kwam,

die »halt!" riep.

Ze keken om, zonder hun tred te vertragen en zagen toen, dat de schuit

nog altijd midden op den stroom dreef.

»Halt! in naam van den schout!" klonk het van den overkant.

Het drietal stapte echter des te haastiger door, tot er van hun

vervolgers niets meer te zien was.

De vliegende Hollander · 第 2 / 8 段