De beide zoons van zijn oom Casper bleken gestorven, en omtr

E-text prepared by Branko Collin, Harry Lamé, and the Online Distributed

Proofreading Team (http://www.pgdp.net)

Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this

file which includes the original illustrations.

See 34391-h.htm or 34391-h.zip:

(https://www.gutenberg.org/cache/epub/34391/pg34391-images.html)

or

(https://www.gutenberg.org/files/34391/34391-h.zip)

Transcriber's note:

Duidelijke interpunctiefouten gecorrigeerd.

Inconsequent gebruik van enkelvoudige/samengestelde/afgebroken

woorden in origineel: niet verbeterd, behalve daar waar fouten

en/of onduidelijkheden zouden ontstaan (om dat / omdat, onder

weg / onderweg, op nieuw / opnieuw, te recht / terecht, op

eens / opeens).

Inconsequent gebruik van accenten: niet veranderd.

Inconsistenties in Nederlandse namen: gestandaardiseerd naar

normaal Nederlands gebruik (Pieter van Halen / kapitein Van

Halen). Scheepsnamen: standaard schuin gezet, spelling en

hoofdlettergebruik gestandaardiseerd.

Decimaalpunten veranderd in decimaalkomma's (2e pagina

advertenties).

Inconsequent gebruik van ': niet verbeterd.

Inconsequent gebruik van komma's na voegwoorden en in

samengestelde zinnen: niet verbeterd.

[Illustratie]

»DE VLIEGENDE HOLLANDER"

[Illustratie: »Mannen! ik heb besloten, Europa voor goed te

verlaten..." (Bladz. 98.)]

»DE VLIEGENDE HOLLANDER"

DOOR P. VISSER

SCHRIJVER VAN: »HEEMSKERCK OP NOVA

ZEMBLA," »HET BELEG VAN ALKMAAR,"

»HEEMSKERCK VOOR GIBRALTAR," E. A.

GEÏLLUSTREERD.

DERDE DRUK.

ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN

1918.

BOEKDRUKKERIJ--GEBR. KLUITMAN--ALKMAAR

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

1. De uitvinding van Schipper Van Halen 7

2. De aanslag in 't bosch 26

3. Een nieuwe reisgenoot 50

4. In ongelegenheid 61

5. De eerste tocht 73

6. Van Halen neemt een noodlottig besluit 84

7. In de haven van Port-Royal 100

8. De Boekaniers 121

9. »De Vliegende Hollander" 145

10. De zeeslag tegen de Spanjaarden 164

[Illustratie]

EERSTE HOOFDSTUK.

De uitvinding van Schipper Van Halen.

In het begin van de 17de eeuw was de scheepsbouw, en bijgevolg de

zeevaart, nog niet zoo heel volmaakt.

Enkele knappe mannen onder de zeevarenden hielden zich echter ook toen

reeds met het verbeteren van den scheepsbouw bezig en trachtten dien zóó

te wijzigen, dat de vaartuigen meer weerstand kregen, zonder daarom nog

van hun gemakken iets te verliezen.

Op die wijze kwam een onzer landgenooten, met name Pieter van Halen er

toe, een vaartuig te bouwen, dat oneindig veel sneller voer dan ieder

ander schip uit dien tijd. Maar zooals het meer met nieuwe uitvindingen

gaat, geen mensch gaf hem zijn vertrouwen. Geen matroos, geen stuurman

wou met zijn nieuw gebouwd vaartuig in zee gaan, ofschoon hij eerst als

gewoon zeeman en later als een uitmuntend kapitein in de heele Republiek

een grooten naam had gemaakt.

Pieter van Halen was de zoon van een scheepstimmerman te Rotterdam.

In zijn jeugd had zijn vader hem zijn eigen handwerk geleerd. Hij maakte

zich de scheepsbouwkunst in alle onderdeelen eigen, voor zoo ver men het

toen in dat vak gebracht had.

Pieters scherpzinnigheid en nadenkende geest ontdekten al heel gauw, dat

de kunst van zijn vader, evenals die van andere meesters in het vak,

enkel rustte op de navolging van oude voorschriften en raadgevingen, die

men voor doelmatig en nuttig hield en waarvan men, door eigenzinnigheid

en gedeeltelijk uit traagheid, niet wou afwijken. Ieder schip werd

volgens dien ouden vorm en die ouderwetsche inrichting gebouwd en

niemand zou zijn leven en zijn vermogen aan een anders gebouwd vaartuig

toevertrouwd hebben.

Pieter merkte allerlei gebreken nog duidelijker op, toen hij, na

volbrachten leertijd, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat hij twist

met zijn vader over zijn nieuwe denkbeelden gehad had, op een

Rotterdamsch schip als matroos en scheepstimmerman een reis naar Guinea

meemaakte. Daar het hem evenwel aan de noodige kennis van wiskunde en

andere wetenschappen ontbrak, zon hij vergeefs op een middel om het

erkende kwaad te verhelpen.

Toch wanhoopte hij niet, éénmaal dat middel te vinden. Het stond bij hem

vast, dat door een anderen vorm aan den romp van het schip te geven en

door een verstandiger en doelmatiger inrichting van masten, zeil-en

touwwerk, een allerbelangrijkste verbetering zou te weeg gebracht

worden. Na zijn terugkomst verliet hij zijn vader en vertrok naar Leiden

om er in de natuur-en wiskunde te gaan studeeren. Maar hij bezat

daarvoor niet eens de noodige middelen, want het loon, bij het

afmonsteren ontvangen, was nauwelijks voldoende om de noodige boeken,

werktuigen, papier en kleeren te koopen.

De ijverige jonge man wist echter al spoedig iets te vinden, om in dezen

nood te voorzien. In zijn vrijen tijd maakte hij modellen van schepen in

't klein, zooals die toen vrij algemeen tot sieraad op groote

handelskantoren werden gezien en die er, tot in de minste onderdeelen,

volkomen als groote zeeschepen uitzagen.

Ze bleken bijzonder in trek zoodat hij herhaaldelijk er eenige in deze

of gene groote zeeplaats tegen een flinken prijs van de hand wist te

doen en dan weer een poosje onbekommerd kon leven.

Terwijl hij nu met ijzeren volharding zijn studiën voortzette, trachtte

hij met behulp van de verkregen kundigheden de gebreken nader te

onderzoeken van het handwerk, dat hem geleerd was. Eerst nù pas ging hem

een licht op voor zijn geest en volle zes jaren bracht hij onder

gestadige werkzaamheid, in nadenken en onderzoek door.

Langzamerhand stelde hij het model van een zeeschip samen, voor welks

vorm hij gebruik gemaakt had van alle hulpmiddelen, waarover hij, door

zijn vroeger beroep en zijn later verworvene kundigheden kon beschikken.

Hij bestudeerde zelfs den lichaamsbouw van verscheidene zeedieren, om

daaruit nuttige leering te trekken; ja, men wil, dat hij bepaaldelijk

het lichaam van den snoek tot voorbeeld zou genomen hebben bij het

bouwen van zijn schip. Hij zou namelijk zijn metingen, waarnemingen en

uitkomsten, betrekkelijk den bouw van dezen visch in dezelfde verhouding

op een grooteren vorm toegepast hebben. Hóe hij dit alles gedaan heeft,

heeft hij niemand gezegd, maar bij de uitvoering van het model in het

groot, had hij nauwkeurig iedere kleinigheid opgegeven en met

gestrengheid op een zorgvuldige uitvoering aangedrongen.

Het ontbrak onzen Van Halen echter nu nog aan het voornaamste, om

volgens zijn model een goed vaartuig te bouwen, namelijk aan geld.

Ook dit evenwel hoopte de ondernemende jonkman zich te verschaffen. Als

hij maar dezen of genen rijken koopman kon overtuigen van het nuttige en

doelmatige zijner uitvinding, zoo meende hij, dan zou er op eenige

duizenden niet gezien worden.

In het begin paste hij er zorgvuldig op, dat niemand iets van zijn model

met de plannen tot uitvoering, schetsen, teekeningen en alle mogelijke

becijferingen te zien kreeg. Alleen vertelde hij, dat hij een schip van

nieuw fatsoen wou bouwen, hetwelk in half den tijd en met een derde deel

van de gewone bemanning een reis kon afleggen en dat toch even veel, zoo

niet méér laden kon dan een gewone Oost-Indievaarder.

Maar overal waar hij dit vertelde, noemden zij hem een geestverdrijver,

een gek, en in plaats van naar hem te luisteren en de gewenschte

ondersteuning te geven, kreeg hij enkel spot en verachting.

Op dié manier kon het dus niet gaan, dat zag hij zelf wel.

Nu wou hij de menschen door zijn berekeningen overtuigen en bewijzen wat

hij zei, door zijn ontworpen plannen en schetsen te laten zien.

Dit was een gevaarlijk oogenblik in het leven van Pieter van Halen, want

als maar één vernuftig en ondernemend man van zijn argelooze

mededeelingen misbruik had willen maken, zou voor hem het resultaat van

zijn jarenlang werken en nadenken in eens verloren zijn geweest. Maar

geen enkel koopman deed zich op en de scheepsbouwmeesters, van wie men

het oordeel over zijn ontwerpen had ingewonnen, schimpten zelfs nog

erger op hem en zijn zaak dan de kooplui en--niet één wou er zich mee

inlaten.

Van Halen werd nu wel niet bepaald moedeloos, maar de lust verging hem

toch, om aan iemand verder zijn uitvinding mee te deelen.

Het liep hem echter niet heelemáál tegen in de wereld.

Een rijk Amsterdammer had hem leeren kennen en bood hem een plaats als

kapitein, of schipper, zooals men toen zei, op een van zijn

koopvaardijschepen aan. Hij maakte er evenwel de voorwaarde bij, dat Van

Halen zich op zee niet met zijn nieuwe denkbeelden zou inlaten, maar

zich met allen ijver van zijn taak als schipper zou kwijten. Deze

beloofde dat, maar 's nachts smokkelde hij zijn model en al zijn

gereedschap binnen boord en al heel spoedig daarop ging hij naar

Oost-Indië onder zeil.

Voor zoo'n bekwaam man hield het besturen van een schip niet veel

moeielijkheden in. Aan de kaap De Goede Hoop reeds schreef de »comys"[A]

den reeder een brief vol lof over den nieuwen schipper en verklaarde,

dat zijn patroon geen gelukkiger keus had kunnen doen.

[A] Cargadoor, koopman op een koopvaardijschip, die den verkoop der

goederen bezorgt.

Van Halen nam gedurende de reis niet alleen de proef op verscheidene van

zijn stellingen, maar hij deed ook ondervinding en nieuwe kundigheden

op.

Een man, zoo scherpzinnig als hij, ontdekte al heel gauw het nadeel, dat

de toenmalige wijze van handel drijven had en hij was op allerlei

middelen bedacht om ook hierin verbetering te brengen.

Pijnlijk ook deed het hem aan, gedurende de reis de ellende te zien van

zoo'n groot aantal manschappen, in de enge ruimte van een gebrekkig

ingericht vaartuig opgesloten.

O, _zijn_ schip, _zijn_ arbeid en denken, zou eenmaal in dat alles

verandering brengen! In de Godsdienstige stemming, waarin Pieter van

Halen toenmaals leefde begon hij zijn werk van lieverlede te beschouwen

als door God hem ingegeven, om er het leven van honderden, ja duizenden

door te redden, dat tot nog toe nutteloos verspild werd. Onwrikbaarder

dan ooit stond het nu bij hem vast, dat hij alles moest aanwenden, om

zijn plannen ten uitvoer te brengen.

Hij bespoedigde de vaart van zijn schip zooveel hij maar kon, het geluk

was hem mee, en zoo had hij de zeldzame voldoening, reeds na een tocht

van tien maanden, voor de reê van Jacatra, het latere Batavia, het anker

te kunnen werpen.

Door die buitengewoon voorspoedige reis was de cargadoor in staat

allervoordeeligste zaken te doen en na een verblijf van maar negen weken

in Oost-Indië konden zij de terugreis al weer beginnen. Ook deze ging

niet minder voorspoedig, tot dat ze in de nabijheid van de Hollandsche

kust kwamen. Het was in den herfst en dus in een tijd dat storm en

springvloeden samen werken, om het voor de scheepvaart dubbel gevaarlijk

te maken. Maar als zeeman scheen Van Halen gelukkiger dan als uitvinder

en ondanks storm en dwarrelwinden wierp hij, zonder averij gekregen te

hebben, het anker voor Tessel, na een reis van twintig maanden.

Deze tocht baarde groot opzien en bracht den reeder een viervoudige

winst aan. Bovendien was Van Halen in de gelegenheid geweest,

aanmerkelijke verbeteringen aan zijn uitvinding toe te voegen. Hij had

namelijk eenige Oost-Indische booten gezien die zoo snel zeilden, dat

zij in vlugheid de tegenwoordige stoombooten zelfs overtroffen. Bouw en

inrichting van die vaartuigen met al hun zeil- en touwwerk, waren door

hem bestudeerd en het resultaat van die studie was zeer aan zijn

uitvinding ten goede gekomen. Toen eindelijk het schip gelost was, werd

Van Halen verzocht op het kantoor te komen om er zijn loon in ontvangst

te nemen. Er lag vóór hem drie duizend gulden in blinkende, Hollandsche

dukaten. In gedachten bekeek hij het geld. Zou het voor de uitvoering

van zijn plannen wel voldoende zijn? Met weemoed moest hij erkennen, dat

de ijverige werkzaamheid van bijkans twee gevaarvolle jaren hem maar een

klein, klein beetje dichter tot zijn doel had gebracht.

De koopman zag Van Halen met bevreemding aan. Hij dacht, dat deze niet

tevreden was met de betaalde som.

»Ja, hoor eens schipper," zei hij daarom, »voor dezen keer blijft het

bij het bedongen loon; maar in het vervolg zal ik je bij elke reis wel

zóó veel geven, dat je tevreden wezen zult."

De schipper hoorde het niet.

»Het is nog niet half genoeg!" zei hij, als in een droom.

»Wat? Nog niet half genoeg!" riep de koopman verschrikt, want aan den

eenen kant zou hij den man niet graag uit zijn dienst zien gaan, maar

anderzijds had hij ook weinig lust, om het loon tot het dubbele te

verhoogen.

»Nee, ik moet nog veel meer verdienen," zei Van Halen nog altijd in

gedachten.

»Maar hoeveel wil je dan hebben?" vroeg de reeder. »Ik ben niet

ongenegen je meer te geven, omdat je een bruikbaar man bent."

Intusschen was Van Halen weer tot de werkelijkheid teruggekeerd. Hij kon

zich maar niet begrijpen, waarom hem uit eigen beweging verhooging van

loon werd aangeboden. Daarom vroeg hij, wat de reeder daarmee bedoelde.

»Wel," was het antwoord, »je zegt dat het niet genoeg is, wat ik je voor

de laatste reis heb uitbetaald. Maar ik zou je, als 't kan, toch wel in

mijn dienst willen houden. Zeg dus ronduit hoeveel loon je verlangt, dan

zullen we de zaak zien te schikken."

Op dit oogenblik kwam juist de cargadoor binnen, die heel veel met

schipper Van Halen op had. Hij had toevallig de laatste woorden van den

patroon gehoord en gaf den schipper een knipoogje om hem te beduiden,

dat hij maar stoutmoedig vragen moest. De man was echter veel te

bescheiden en ook te onpraktisch, om hiermee zijn voordeel te doen. Hij

zweeg dus en wist niet, wat hij antwoorden zou.

Maar juist door dat stilzwijgen werd de reeder nog meer in zijn

vermoeden versterkt, dat de schipper met alle geweld uit zijn dienst wou

gaan. Dit maakte hem evenwel hoe langer hoe onverzettelijker, in zijn

begeerte om hem bij zich te houden.

»Probeer jij toch eens, of jij dien stijfkop niet overreden kunt," zei

hij daarom tegen den cargadoor, »hij wil met alle geweld wegloopen. Een

ander heeft hem zeker meer geboden. Maar wat een ànder doen kan, dat kan

ik wel dubbel. Ik wil hem zes duizend gulden voor de reis geven, als hij

blijft en behalve dat nog het zesde gedeelte van de zuivere winst. Daar

kan hij, geloof ik, toch tevreden mee zijn, zelfs al diende hij bij den

duivel!"

»Ja, dat geloof ik óók!" zei de cargadoor, Van Halen's hand in die van

den reeder leggend. Toen maakte hij oogenblikkelijk een contract op, dat

door den reeder onderteekend werd. Ook Van Halen onderteekende, maar

heelemaal werktuigelijk; de cargadoor zette er, als getuige, toen óók

zijn naam nog onder en zóó kreeg onze schipper door een misverstand het

vooruitzicht, om binnen een jaar een welgesteld man te wezen. Maar eerst

toen hij met den cargadoor het kantoor verlaten had, werd de zaak hem

volkomen duidelijk en dankbaar schudde hij zijn vriend de hand die zoo

goed voor zijn belangen gezorgd had.

Van Halen had thans allerlei wenschen.

Nu het schip toch afgetakeld en hersteld moest worden, verzocht hij den

reeder, om enkele wezenlijk nuttige veranderingen in het geheel te

maken. Maar jawel, hier ondervond hij al dadelijk een hardnekkigen

tegenstand! Wél liet de patroon dadelijk een scheepstimmerman halen, om

met den schipper over de voorgestelde veranderingen te spreken, maar de

baas, die het al vroeger met Van Halen, naar aanleiding van diens

uitvindingsplannen, aan de stok had gehad, wilde ook nu van al die

nieuwigheden niemendal weten.

»Maar beste vriend, je begrijpt den schipper geloof ik niet," zei de

cargadoor. »_Zus_ wil hij het hebben en _zoo_ zou hij dát graag zien!"

en nu herhaalde hij precies hetzelfde, wat de kapitein al beweerd had,

maar liet den man ongemerkt een paar goudstukken in de hand

glijden.--Nu, dat hielp!

»Ah zóó, schipper, was dàt uw bedoeling? Zeker, zeker, dat kan bést,

héél bést, hoor! En dat andere zóó? Nee maar, dat lijkt me een prachtige

verbetering zelfs toe!" Kortom, het scheen, dat den scheepstimmerman

opeens een heel ander licht over de zaak was opgegaan en de schipper

behoefde zich verder »heusch niet ongerust te maken: alles zou precies

volgens _zijn_ opgaven veranderd en verbeterd worden. Dáár kon hij op

rekenen!"

»Maar schipper," vroeg de reeder toen de timmerman weg was, »heb je dan

je plannen voor een nieuwen scheepsbouw nòg al niet opgegeven?"

»Hoe zou ik het kunnen?" zei Van Halen langzaam en ernstig; »dan had ik

immers zélf getoond, dat ze niets waard waren?"

»Hoor eens, schipper," antwoordde de koopman, »je bent een knap

gezagvoerder, maar, neem me niet kwalijk, als scheepsbouwmeester deug je

niemendal! Neem dus een goeie raad van me aan...."

»En die is?"

»Zet al die geleerdheid uit je hoofd; leef alléén voor je beroep, en als

je nog een paar reizen gedaan hebt als de éérste, dan ben je een rijk

man."

»Ja, dat _is_ zoo en dan...."

»Welnu, en dan?..." vroeg de reeder verrast.

»Dan ga ik mijn denkbeelden verwezenlijken, bouw volgens mijn _eigen_

ontwerpen een schip en steek er mee in zee, zoo waar als ik Pieter van

Halen heet!"

»God zij je genadig en ieder, die met je mee mocht gaan. Ik gaf geen

gulden voor het leven van jullie allemaal!"

Van Halen glimlachte en ging heen, vast overtuigd, dat men later wel

eens anders over zijn uitvinding zou oordeelen.

Wat zijn tweede reis aanbelangt, die was nog voorspoediger dan de

eerste; hij werd beroemd door de geheele Republiek en zelfs de hooge

regeering deed hem de schitterendste aanbiedingen, wanneer hij maar in

's lands dienst wilde overgaan. Doch ja, dan had hij zijn plannen moeten

opgeven, en dát, neen, dàt nooit!

Als commandeur van twee schepen ondernam de kloeke zeeman weldra een

derden tocht naar Oost-Indië. Daar aangekomen kreeg hij vervolgens het

opperbevel bij een tocht naar China en Japan.

Na twee en een half jaar keerde hij weer naar Holland terug en, in

weerwil dat wij met Spanje in oorlog waren, kwam hij met rijk beladen

schepen behouden en wel in Amsterdam binnen.

Zijn naam als zeeman was door dezen tocht nog grooter geworden dan

vroeger, zoowel door de Oost-Indische Compagnie, als van regeeringswege

werden hem opnieuw de schitterendste aanbiedingen gedaan. Maar, niets

mocht baten. Hij verliet den dienst van zijn reeder, die door hem groote

sommen verdiend had, en ging van Amsterdam naar Vlissingen, om er zich

geheel aan zijn uitvinding te wijden.

Hij richtte een werf op en nam bekwame timmerlieden in zijn dienst, die

hij zelf onderrichtte, hoe hij het schip gebouwd wilde hebben. Ofschoon

verwonderd over den vreemden vorm van het nieuwe vaartuig, werkten die

mannen er toch met ijver en opgewektheid aan, omdat zij nog nooit zoo

goed betaald waren.

Van Halen was er zorgvuldig op bedacht, dat alles nauwkeurig en goed

werd bewerkt. Geen plank, geen stuk hout, ja zelfs geen spijker werd aan

het schip gebruikt, die niet van te voren door hem in orde was bevonden.

Zoo ontstond langzamerhand een vaartuig, waar geen enkel ander schip uit

die dagen in fraaiheid van vorm mee vergeleken kon worden. Maar ieder

bekeek het met wantrouwen en vooroordeel. Zoo'n lagen, spitsen romp en

vooral zoo'n vreemde kiel hadden ze nog nooit gezien! En dan zoo

heelemaal zwart met alleen maar zoo'n witte streep!--dat alles had zulk

een ernstig aanzien, dat de nieuwsgierige zeelui het vreemde vaartuig

»_De Doodkist_" noemden.

Eindelijk was alles gereed en zou het schip van stapel loopen.

Geen mensch echter durfde zich op het dek te wagen dan hij zelf en de

weinige matrozen die hij ten laatste voor een goede belooning had weten

te bewegen, hem behulpzaam te zijn.

Maar toen het fraaie vaartuig onder een vreeselijk schuimen en spatten

te water liep, behaalde hij al een halve overwinning. Want even diep als

de voorsteven in de golven dook, even krachtig verhief het schip zich

weer en gleed toen vogelsnel over het kalme water heen.

Van Halen's gezicht stráálde van geluk, want nu wist hij, dat zijn

berekeningen juist waren geweest.

Binnen veertien dagen lag het schip opgetakeld en van al het noodige

voorzien, ten anker. Nu nog matrozen aangemonsterd, en alles was in

orde. Maar ofschoon hij daartoe zelf de taveernes bezocht, waar hij wist

dat zeelui kwamen en een dubbele gage aanbood, geen enkel zeeman wou

zich op »_die Doodkist_" wagen. Nu had Van Halen het vaartuig zelf wel

een mooier naam gegeven en het »_De Vlugge Christina_" gedoopt, maar bij

al de kustbewoners was het niettemin onder den somberen naam van »_De

Doodkist_" bekend en berucht.

Op zekeren dag toen hij, na reeds in drie zeemansherbergen vruchtelooze

pogingen aangewend te hebben, de vierde taveerne binnentrad, hoorde hij

opeens uitroepen: »Wel heb ik van z'n leven! Kees! Klaas! Gerrit! Zeg,

is dat schipper Van Halen niet!"

Van Halen keek verrast op en zag nu aan een van de verste tafeltjes vier

van zijn vroegere matrozen zitten.

Dadelijk ging hij er naar toe met een vroolijk: »Zoo jongens, hoe maak

jullie het?" en schudde ze hartelijk de hand.

»Patent schipper!" nam Kees voor allen het woord.

»We hebben het nog zoo vaak over u gehad, niet waar maats?" zei Gerrit.

»Maar we dachten dat u al lang in een deftig huis op de Keizersgracht

woonde en van eenvoudige matrozen wel niet meer weten wou."

»Integendeel, de matrozen willen niets meer van _mij_ weten naar het

schijnt."

»Ei kom, schipper, nu spot u een beetje!"

»Nee, warempel niet! Het is de zuivere waarheid. Al een week lang loop

ik de eene taveerne in, de andere uit, om volk aan te monsteren voor het

nieuwe vaartuig, dat ik gebouwd heb. Maar geen mensch heeft lust om met

mij in zee te gaan, ofschoon ik tweemaal zooveel gage geven wil als een

ander."

»Hoe is het mogelijk! Dubbel loon! Een nieuw schip! En welk vaartuig

_is_ het? Misschien hebben wij het wel al gezien!"

»_De Vlugge Christina_!"

»_De Doodkist_!" riepen allen verbaasd.

»Ja, neem ons niet kwalijk schipper," nam Kees het woord, »maar zóó

noemen ze het ding hier allemaal."

»Jawel, ik weet het, jongens! Van kwalijk nemen is dus volstrekt geen

sprake. Maar _jullie_ kent me. _Jullie_ zult er dus toch zeker niet op

tegen hebben, om aanstonds het vaartuig eens met me te bekijken."

»Nou schipper, 't is wel omdat u het bent," zei Gerrit, »maar een ànder

kreeg mij er niet aan boord, zelfs voor geen twee realen van achten!"

Ook de overige drie verklaarden, dat ze, uit oude betrekking tot Van

Halen, wel eens mee wilden, maar dat een vréémde ze voor geen geld aan

dek gekregen had.

De vier matrozen verlieten nu met hun vroegeren schipper de herberg en

een kwartier later waren zij aan boord van »_De Vlugge Christina_."

Van Halen liet hun alles zien, legde het voordeel van den vreemden bouw

en van iedere nieuwigheid uit en eindelijk slaagde hij er in, het

viertal voor een zeereis aan te monsteren.

»Weet je wàt, jongens," zei hij nu, »ik heb al genoeg ondervonden, dat

geen enkel Hollandsch matroos, die mij niet kent, in mijn dienst wil

komen. Doe jullie dus nu eens je best, dat ieder van je vijf matrozen

aanwerft. Hier heb je geld, reis daarvoor naar Amsterdam en andere

zeeplaatsen, en kom binnen een paar weken den uitslag van je pogingen

meedeelen."

Zoo werd nu afgesproken. Een stuurman dacht Van Halen zelf wel te

vinden, maar toen ook voor _die_ betrekking na veel moeite zich niemand

ter beschikking wilde stellen, besloot hij, bij zijn bloedverwanten eens

rond te zien. Misschien zou er wel een zoon van een zijner beide ooms

lust hebben, dacht hij, om onder _zijn_ leiding de stuurmanskunst te

leeren.

Hij reisde dus naar Rotterdam.

Zeventien jaren was hij uit het ouderlijke huis vandaan geweest; nu kwam

hij er terug als een bezadigd, bijna onbekend, vermogend man.

Zijn vader was nog in leven, maar met de lichaamskrachten waren ook de

geestvermogens van den grijsaard afgenomen. Hij was blij over zijn

knappen zoon, maar lachte onverschillig over diens daden en voornemens.

Pieter vond hier alles in welstand, maar hij voelde zich thuis als een

vreemde.

De beide zoons van zijn oom Casper bleken gestorven, en omtrent zijn oom

Boudewijn vernam hij, dat die met zoon en dochter sinds jaren naar het

Noord-Brabantsche dorpje Oosterhout vertrokken was. Pieter besloot nu,

daar heen te gaan, om zijn oom op te zoeken. Hij kocht een paar

pistolen,--want de wegen, vooral in Noord-Brabant waren destijds heel

onveilig,--en ging reeds den anderen morgen op reis.

[Illustratie]

TWEEDE HOOFDSTUK.

De aanslag in 't bosch.

Het reizen in de 17e eeuw was alles behalve gemakkelijk en Van Halen was

dus doodmoe, toen hij, pas tegen den avond van den tweeden dag, behouden

in Oosterhout aankwam. Hier informeerde hij dadelijk naar Boudewijn Van

Halen, zonder er bij te zeggen, dat dit een bloedverwant van hem was.

»O, die vrek?" zei er een, »die woont hier al lang niet meer."

»Vrek?" riep een ander, »de chirurgijn is zoo arm als Job!"

»'t Mocht wat!" liet weer een derde zich hooren. »De man is het dorp

uitgegaan juist omdat hij bang was, met al zijn geld onder de menschen

te wonen!"

»Maar waar woont hij dan _nu_?" vroeg Van Halen, die door al die

tegenstrijdige berichten niet veel verder kwam.

»O, als u dezen weg in slaat," zei een van de boeren, »dan bent u er in

een uur."

»Dank je!" en onze schipper liep al weer door, in de hoop het huis van

zijn oom nog vóór het heelemaal donker was te bereiken.

»Maar denk er om, sinjeur! het bosch is bij avond niet pluis!" riep de

boer hem nog achterna.

Doch Van Halen hoorde het al niet meer.

In weerwil van zijn vermoeidheid stapte hij stevig door, om toch maar

zoo gauw mogelijk aan het doel van zijn tocht te zijn. Vreemd kwam het

hem voor hoe zijn oom, die toch chirurgijn was, er toe komen kon, om zoo

eenzaam te wonen. Zouden die boeren toch waarheid gesproken hebben? Zou

de man werkelijk zoo'n gierigaard zijn? Maar ja, nu herinnerde hij zich

toch ook wel, van jaren geleden, dat oom Boudewijn onder de overige

bloedverwanten wel eens van schraapzucht beschuldigd werd. En dan, had

hij niet eergisteren nog gehoord, dat oom naar elders was gegaan omdat

hij te duur was, waardoor hij het in Rotterdam niet langer houden kon?

Gaandeweg werd hem nu alles duidelijk: Oom Boudewijn was alzoo een vrek!

Hoe zou de ontvangst dus wel zijn? Hij stelde er zich weinig goeds van

voor. En toch, hij had honger als een paard! Het begon hem al te

berouwen, dat hij maar niet tot den volgenden morgen in Oosterhout

gebleven was. Te meer, omdat hij bij iederen voetstap al sterker zijn

vermoeidheid voelde. Het liep dan ook verbazend zwaar in het mulle zand.

Zou er geen herberg aan den weg zijn? Dan moest hij daar maar

overnachten. Maar neen, niets dan bosch aan weerskanten, en nu had hij

toch mogelijk al een half uur geloopen.

Maar zie, toen hij zijn hoop reeds had opgegeven, zag hij opeens aan de

linkerzijde van den weg een huis tusschen de boomen. En waarlijk, een

houten voerbak er vóór! 't Was dus een herberg!

Van Halen stapte zonder eenig aarzelen naar binnen. De zon was inmiddels

sedert eenigen tijd ondergegaan, maar in de gelagkamer was toch nog geen

licht op. Er heerschte dus een zware schemering, maar de schipper kon

bij het raam niettemin den omtrek van een vrouwenfiguur onderscheiden.

»Goeden avond, moedertje! Kan ik hier ook logies bekomen voor den

nacht?"

»Zeker, zeker, sinjeur! Maar laat ik gauw even licht maken! Ik zat wat

te schemeren, weet u!" riep de vrouw met een schelle stem.--»Zie zoo,

dat is al weer afgeloopen!" en met die woorden nam ze haar plaats weer

in.

Van Halen had nu alle gelegenheid, haar eens goed op te nemen. 't Was

een lomp, grof vrouwmensch met kleine loerende oogjes en een brutalen

neus, die vinnig naar beneden boog. De haren hingen haar slordig in het

gezicht en ook haar kleeding was verre van zindelijk. In den breeden,

eenigszins scheeven mond hield zij een tabakspijp geklemd[B] en een kan

bier stond vóór haar, waarmee ze onder het praten voortdurend haar

dorstig keelgat besproeide.

[B] In de 17e eeuw was het tabaksrooken door boerinnen niet vreemd.

De kennismaking viel dus niet mee en Van Halen voorspelde zich, naar de

waardin te oordeelen, een alles behalve schitterend nachtverblijf. Het

vertrek zelf zag er tamelijk zindelijk uit en dat stelde hem wel weer

eenigszins gerust.

Intusschen had ook de waardin haar gast opgenomen en zich met een

oogopslag overtuigd, dat zij met een welgesteld, zoo niet een rijk man

te doen had. In plaats van »sinjeur" werd het nu »Edele Heer" vóór en

»Edele Heer" na. Een titel dien Van Halen begreep, dat hem op het

dubbele van de verteringskosten zou komen te staan.

»En nu verlangt de Edele Heer zeker een fijne kan wijn? Nu, die zou de

Edele Heer nergens in de buurt zoo goed als bij Griet Kals kunnen

drinken. Of lamscoteletten? Er zijn er niet beter! Of een eieromelet bij

geval?" snaterde het schel sprekend wijf in één adem door.

»Neen, bezorg me maar wat brood met koud vleesch en een kan bier."

»Nou, zooals de Edele Heer verkiest. Bij Griet Kals is voor geld en

goede woorden van alles te krijgen."

Juist had Van Halen een en ander besteld, toen er vier kerels van een

allerongunstigst uitzicht binnenkwamen, die op luidruchtige wijze een

kan _Haarlemsch_ bestelden.

»Ja, ja! heb maar geduld en houdt jullie je leelijke gezichten een

beetje! Eerst mot deze Edele Heer geholpen worden!"

Onze schipper had weinig lust, om met dit ruwe viertal in aanraking te

komen. Hij zei dus aan de waardin dat hij moe was en naar zijn kamer

wilde. Zij moest hem het bestelde dáár dus maar brengen.

De vier schelmen--want dat het weggejaagde soldaten waren stond bij hem

vast--keken Van Halen onder het heengaan na met blikken, waarin voor hem

weinig goeds te lezen stond. Onze vriend bekommerde zich daar echter

niet om. Hij was een moedig man en vertrouwde op de kracht van zijn

vuisten en op zijn pistolen, wanneer het er op aankwam.

Het vertrekje, dat hem tot logies was aangewezen, viel hem niet tegen,

maar doordat het vlak boven de gelagkamer was, had hij het lawaai en

gezwets daar beneden, uit de eerste hand.

Maar hij had honger en was zóó geheel met zijn gedachten bij zijn

avondmaal, dat hij op die herrie in 't begin al heel weinig acht sloeg.

Hij had echter zijn genoegen niet, of het begon hem geweldig te

hinderen. En, zooals het gewoonlijk gaat, hoe minder men iets wil

hooren, zooveel te méér hoort men het juist. Zoo ging het ook met hem.

»Griet, nòg een kan!"

»Wat duivel wijf, wat laat je ons een dorst lijden!"

»Griet, moet het nog gebrouwen worden?"

»Te deksel Griet, doe de kannen nog 'ereis vol!"

»Ja, ja!" riep het wijf met haar snijdende stem, »jullie hebt dorst

genoeg: dat weten we wel! Maar betaal me eerst 'ereis, voor jullie weer

zoo'n keel opzet!"

»Betalen, mensch! betalen? Ja, betaal maar, als er niemendal te

verdienen valt!"

»Ja, maar moet _ik_ dat lijden? In hoeveel tijd heb ik nu al geen duit

van jullie in mijn knuisten gehad?"

»Nu ja, dat _is_ zoo, maar vul jij gerust de kannen. Als het méé loopt

heb je van ávond je duiten nog, met een goeie fooi op den koop toe.

Luister maar...."

Hier sloeg het gesprek opeens in een gedempten toon over. Dat kwam Van

Halen verdacht voor. Hij legde dus het oor tegen een naad van den vloer,

waardoor hem, ook van hetgeen er volgde, geen woord ontsnapte.

»Zeg, Griet Kals, geloof jij ook niet, dat het een vette vogel is, dien

je daar boven in de kooi hebt zitten?"

Van Halen werd nu nog opmerkzamer, want dit sloeg blijkbaar op hem zelf.

»En wat zoú dat?" vroeg de waardin.

»Wat dat zoú? Eén klein stootje maar en--we betalen je dubbel en dwars

wat we je schuldig zijn."

»Nee, waarachtig niet! In het bosch doe jelui voor mijn part wat je

wilt. Maar in _mijn_ huis zal je het laten. Ik heb jullie dat al méér

gezeid. Aan de justitie heb ik nu eenmaal een broertje dood."

»Nou, zooals je wilt. Ik kan het niet helpen, dat je zoo heelemaal tegen

je eigen belangen bent. Maar we hadden eigenlijk ook al een ander plan

beraamd."

»En dat _is_?"

»We willen van avond een aanslag op het huis van den ouden chirurgijn

doen."

»Die kale rot? Nou, als het van _dien_ kant komen moet, dan zal ik óók

lang naar mijn geld kunnen fluiten! De muizen liggen er dood voor de

spinde, wil ik wedden. Nee, mannen, Griet Kals is wel erg dom, maar dáár

geeft ze geen crediet op, hoor!"

»Hoor'reis Griet," liet nu een van de anderen zich hooren, »je weet er

krek niemendal van. Ik weet zéker dat de ouwe schelm duiten heeft en

geen klein beetje ook."

»Och kom!" zei de waardin ongeloovig.

»Maar mijn lieve mensch, viel een derde in, dat kàn wel niet anders. Hij

is in zijn vak een verduiveld knappe vent. En nu mag hij in Oosterhout

niet veel te doen hebben, van Geertruidenberg en Breda en uren ver in

den omtrek wordt hij bij rijke zieken gehaald om zijn buitengewone

bekwaamheid. En je wéét, dat hij de menschen betalen laat. Welnu, waar

_blijft_ dan dat geld? Aan zijn kleeren besteedt hij het toch zeker

_niet_!"

»Nee, ik heb den gierigen schrok nog nooit anders gezien, dan in

denzelfden verschoten rok en broek van omgekeerd leer."

»Ja, en dat leer is in den loop van de jaren door den regen zóó hard

geworden," spotte de vierde, »dat je hem in de verte al herkennen kunt

aan het klapperen van zijn broek."

»Enfin, je weet nou Griet, dat we wat in 't zicht hebben," begon de

ander weer. »Vul dus maar gauw de kannen, wijf! Dan kunnen we op den

goeden uitslag drinken. Ik zal ondertusschen een nieuwen vuursteen op

mijn geweer schroeven, want de oude draak zal zijn schijven wel niet zoo

gemakkelijk uit zijn klauwen laten gaan."

»Hoe ver is het hier vandaan, Martensz?"

»Wel, een klein half uur geloof ik."

»Wat dunkt jullie ervan, mannen, als we dan over een uur maar op weg

gingen?"

Van Halen luisterde niet langer. Hij wist trouwens meer dan genoeg. Die

gewetenlooze schelmen hadden het dus op het geld van zijn oom, ja heel

waarschijnlijk op zijn léven gemunt. Hoe gelukkig toch, dat hij nog in

staat was, dat snoode plan te verijdelen.

»Maar," dacht hij, »kan ik hier wel vandaan komen zonder gezien te

worden en argwaan op te wekken? Ah, door het raam misschien!..."

Hij deed eerst de deur op het nachtslot, om niet overvallen te worden.

Voorzichtig sloop hij daarop naar het venster. Hij wist dat gelukkig

zonder eenig geraas te openen. Toen keek hij naar beneden. Maar, jammer

genoeg, voor een spròng was het veel te hoog. Wat nu gedaan?--Door de

gelagkamer? Dat ging niet....

Opeens kreeg Van Halen een inval, ging naar het bed, haalde de beide

lakens er uit en knoopte die stevig aan elkaar. Toen nam hij de ijzeren

roede van de bedgordijnen, legde die in de lengte op het raamkozijn,

dwars voor het geopende raam; bond er het ééne uiteinde van de

vereenigde en in elkaar gedraaide lakens aan vast en liet zich nu met de

grootste behoedzaamheid naar beneden glijden.

Op zijn teenen sloop Van Halen het huis langs, maar nauwelijks was hij

uit het licht van de herberg en op den zandweg, of hij begon te loopen

zoo hard hij maar kon.

Hij kon naar gis nog geen half uur in het rulle zand voortgehold hebben,

toen hij een huis ontdekte. Dat zou stellig wel de woning van oom

Boudewijn zijn. Hij klopte aan. Geen antwoord. Hij klopte luider;

maar--alles bleef stil. Nu begon Van Halen ongeduldig te worden! Voor de

derde maal klopte hij op de deur, maar nu buitengewoon heftig.--Dat

scheen te helpen. Hij hoorde tenminste iemand in de gang aankomen en een

oogenblik later vroeg een mannenstem:

»Wie is daar?"

»Ben ik hier terecht bij den chirurgijn Van Halen?" was de wedervraag.

»Jawel, maar mag ik ook weten, met wien ik te doen heb?"

»O zeker; ik ben een neef van de familie; Pieter van Halen, uit

Rotterdam!"

»Best mogelijk, waarde vriend, maar hoe weet ik dat? Wie zal mij zeggen,

dat het geen landlooper is, die buiten staat?"

»Hoor eens oom," want Van Halen twijfelde er niet aan of het was oom

Boudewijn zelf, die achter de deur stond, »u kunt mij open doen of niet,

dat moet _u_ weten; maar wees er zeker van, dat daar uw _geldelijk

voordeel_ of nadeel mee gemoeid is!"

»_Geldelijk voordeel_," die uitdrukking met _opzet_ gekozen, scheen te

helpen. Het slot van de deur ging knarsend over, twee ijzeren grendels

werden weggeschoven en Pieter stond tegenover zijn oom, die, met een

pistool in de hand, hem nog altijd wantrouwend aanzag. Toen de grijsaard

evenwel van den kant van zijn bezoeker niet de minste verdachte beweging

bespeurde sloot hij de deur weer zorgvuldig dicht, schoof opnieuw de

grendels er voor, draaide het slot om en noodigde toen zijn neef uit om

binnen te komen.

»Ja, nu zie ik toch wel familietrekken," begon de oude, toen ze in de

woonkamer gekomen waren. »Maar anders, heusch neef, ik zou je niet

herkend hebben! We hebben elkaar dan ook al in geen twintig jaar gezien

nietwaar? Dat is mijn zoon Andries en dit mijn dochter Lotje. Mekâar

nooit gezien, hè? Zeg, neem me niet kwalijk, neef, dat ik je wat lang

buiten heb laten staan, maar je moet zóó voorzichtig wezen tegenwoordig!

Er zwerft hier in den laatsten tijd nog al vreemd volk rond en diefstal

en inbraak zijn aan de orde van den dag. Niet dat ik geld heb ..."

»Daar schijnen sommige menschen toch anders over te denken."

»Wel, hoe is het mogelijk, hoe is het mógelijk! Ik ..."

»Ja, hoor eens oom, daar wil ik niet over twisten; maar zóóveel is

zeker, dat er een bende dieven van avond hier wil inbreken."

»Dieven?!" riep de grijsaard ontzet; en sidderend sloeg hij de magere

handen in elkaar.

»Ja, stellig oom! En misschien zijn ze al op weg."

»Ik begrijp het niet! ik begrijp het niet!" klaagde de oude in den

grootsten angst. »Hoe konden de schelmen weten dat ik geld ... Ik wil

zeggen: hoe konden de schelmen er toch toe kómen? Ik ben immers geen

penning rijk!"

»Komaan, oom! Klagen helpt niet veel! De schavuiten kunnen ieder

oogenblik hier zijn. Er moet dus gehàndeld worden! Zijn er wapens in

huis? De mijne heb ik in de herberg van Griet Kals laten liggen." Dat

had Pieter gedaan uit vrees, dat ze onder het neerglijden langs den muur

àf mochten gaan.

»Wapens, jawel, hier is alvast een pistool!" en de oude nam het

vuurwapen weer op, dat hij bij het binnenkomen van Pieter in de hand

hield en later op de tafel gelegd had.

»En daar achter u, tegen den schoorsteen, hangen nog twee geweren en

drie pistolen," zei Andries; »ze zijn allemaal geladen."

»Mooi zoo! Welnu, oom blijft hier om nichtje gerust te stellen! Andries

laadt de afgeschoten geweren en pistolen! Ik zelf zal me aan het

dakvenster plaatsen. Andries, breng me er heen; maar zonder licht hoor!"

De toon waarop dit alles gezegd werd verried, dat de man gewoon was

bevel te voeren en liet geen tegenstand toe.

Terwijl Andries en Van Halen naar boven gingen, klemde Lotje zich

doodsbleek aan haar vader vast. Maar de grijsaard beefde haast nog erger

dan het meisje en kreunde: »O, die schavuiten! O, mijn geld, mijn arme

geldje!"

»Och vader," zei het meisje, »laat ons liever van geluk spreken, dat we

zoo'n kloeken verdediger hebben gekregen! Maar u moet niet zoo jammeren,

vader. Het is beter, dat de dieven u niet hooren."

Zoodra Van Halen boven was, opende hij het venster en zag naar

buiten--er was niemand te zien; hij luisterde--alles was stil. Boven de

bosschen kwam de maan op, maar het licht werd door voorbijtrekkende

wolken verduisterd.

Nadat Van Halen een poosje op den loer gestaan had, hoorde hij onder het

raam eenig gefluister; hij kon duidelijk de vier roovers onderscheiden,

die vlak voor de deur stonden.

»Ze zijn er, Andries," fluisterde Pieter zacht; »ze beraadslagen voor de

deur. Ga even je vader en zuster waarschuwen; dan zijn ze tenminste op

alle gebeurlijkheden voorbereid."

Van Halen keerde nu weer op zijn post aan het venster terug, om zijn

waarnemingen voort te zetten.

De roovers schenen het nog niet eens te wezen, hoe zij het zouden

aanleggen; tegen de gewone inbraakmiddelen toch bleek de stevige deur

veel te goed bestand.

Ze namen hun toevlucht tot list; ze klopten en, toen zij geen antwoord

kregen, voortdurend harder. Toen ook dit niet hielp, beraadslaagden zij

opnieuw, plaatsten vervolgens de tromp van een karabijn tegen het

sleutelgat van de huisdeur en schoten er doorheen. Door het schot spròng

het slot nu wel, maar de ijzeren grendels hielden de deur nog altijd

gesloten.

Van Halen, ofschoon hij er bij het zien van al die voorbereidselen

volkomen toe gerechtigd was geweest, had niet willen schieten vóór de

vijandelijkheden van den kant der aanvallers werkelijk begonnen waren.

Nu evenwel mikte hij nauwkeurig op den roover, die het dichtst bij de

huisdeur stond om de werking van het schot na te gaan en te onderzoeken,

wat de deur nog tegenhield.

Pieter had goed gemikt--de bandiet viel neer en de anderen stonden door

dien onverwachten tegenstand een oogenblik besluiteloos. Het duurde

echter niet langer dan een paar minuten.

Toen werd op Van Halen, die nog altijd aan het venster lag, een pistool

afgeschoten. Gelukkig miste de kogel, doordat Pieter zich juist naar

zijn neef Andries keerde, om hem het afgeschoten vuurwapen weer te doen

laden.

»Ze zullen er zeker op loeren," fluisterde hij, »wanneer ik me weer aan

het venster vertoon. Geef me daarom die geladen karabijn, dan ga ik naar

beneden. Want nu zij het slot van de deur hebben laten springen, zullen

zij misschien de hand door de opening steken, om de grendels weg te

schuiven. Ik denk wel niet dat het gelukken zal, maar in elk geval

zullen ze me dáár niet verwachten, terwijl zij ons hier natuurlijk al in

de gaten hebben. Ik raad je dan ook aan, om niet meer bij het venster te

komen."

Van Halen sloop zoo stil mogelijk de trap af en naar de huisdeur toe.

Hij ontdekte nu, dat een van de roovers zijn arm door de opening

gestoken had om de grendels weg te schuiven.

Juist legde hij aan om den dief onder zijn uitgestrekten arm te treffen,

toen hij buiten een schot hoorde vallen.

Had Andries dan zich tóch bloot gegeven en was hij mogelijk nu gewond,

ja, dood misschien?

Evenwel, nog vóór de schelm die aan de deur stond, zijn arm terug kon

trekken, joeg Van Halen er een schot in. Toen vloog hij de trap op, om

naar Andries te zien.

Tot zijn verrassing stond die doodbedaard een karabijn te laden.

»Hé! Gelukkig, jongen! Ik was al bang, toen ik buiten een schot hoorde,

dat je aan het venster geweest was en ze je getroffen hadden."

»Toch niet! Maar ik dacht zoo, als neef door de deur schiet zullen ze

zijn schot beantwoorden en hem misschien treffen. Dat wou ik voorkomen.

Ik trok nu mijn buis uit en hield het, aan een stok opgehangen, naar

buiten, terwijl ik zelf veilig achter den muur bleef staan. De roovers,

die enkel op het venster loerden, dachten natuurlijk dat het de persoon

was die straks op hen geschoten had en gaven onmiddellijk vuur!"

»Je bent een bijdehande vent, Andries. Zoo iemand heb ik juist noodig.

Maar--daarover morgen. Ik moet nu weer naar de huisdeur; geef mij dat

geweer en laadt _dit_ weer."

Nauwelijks waren deze woorden geuit, of ze hoorden beneden een

ontzettend gerammel en gekraak, onmiddellijk gevolgd door drie

pistoolschoten en het wanhopig gegil van Lotje, die om hulp riep.

De twee overgebleven roovers hadden namelijk met een zwaren boomtak raam

en vensterluiken van de woonkamer weten open te loopen en waren naar

binnen gesprongen. Door den schrik schoot de oude chirurgijn mis, maar

ook de roovers waren niet gelukkiger.

Pieter was met een gespannen haan onmiddellijk de trap afgehold, gevolgd

door Andries, die een reeds geladen pistool ter hand genomen had.

Toen Van Halen het vertrek binnenstoof, vond hij zijn oom onder de twee

bandieten op den grond liggen en één van hen had het touw al gereed,

waarmee zij den grijsaard dachten te knevelen. Maar vóór zij dit

volvoeren konden, had een kogel uit Pieter's geweer één hunner het leven

benomen.

De vierde roover trachtte nu te vluchten, maar hij had nog het raam niet

bereikt, of Andries trof hem in het achterhoofd, waarop hij doodelijk

gewond in elkaar zakte. Het eerste werk van Van Halen en Andries was nu,

den ouden chirurgijn te helpen. Hij bleek gelukkig ongedeerd, maar door

angst en schrik volkomen bewusteloos.

Pieter droeg hem als een kind in het aangrenzende vertrek, waar Lotje

hem zóólang neus en lippen met bier-azijn bestreek, tot hij weer

bijkwam.

»Mijn kinderen? mijn geld?" was het eerste wat hij stamelde.

»Stel u gerust oom: Andries en Lotje zijn ongedeerd en uw geld ook."

»O, gelukkig! Gelukkig! Zie neef, wat ik bezit is och zoo weinig. Maar

als een arm man, bijna zonder praktijk, ook nog die enkele

spaarpenningen had moeten missen, dan zou het er toch ook wel treurig

uitgezien hebben, nietwaar?"

Pieter liet de zorg voor den grijsaard aan Lotje en Andries over,

wapende zich met een paar pistolen en ging naar buiten om te zien, wat

er van de roovers geworden was.

Inmiddels kreeg de oude man het fleschje met bier-azijn in 't oog en

opeens begon hij opnieuw te jammeren, de arme Lotje van verkwisting

beschuldigend, wijl zij hem evengoed met water, dan met zulke kostbare

middelen had kunnen bijbrengen, naar hij beweerde.

Toen Pieter buiten kwam, stond de maan hoog aan den hemel en straalde

een helder licht uit, want de wolken waren weggetrokken.

De twee roovers, die hij het eerst getroffen had, bleken niet doodelijk

gewond te zijn geweest, en waren gevlucht. Van Halen keerde nu in de

woonkamer terug en toen hij bevond, dat de beide andere schelmen het

leven hadden gelaten, ging hij zich weer bij zijn familie in de

achterkamer voegen.

»Oom Boudewijn," zei hij, »u zult me zeker wel niet kwalijk nemen, dat

ik naar bed verlang; ik ben doodmoe!"

»Neen, warempel niet neef, ik kan me dat best begrijpen. En in de

herberg heb je zeker al wat gebruikt? Nu, dan wensch ik je wel te

rusten. Andries! wijs jij neef Pieter de logeerkamer eens aan! Maar

vooral het licht weer meenemen hoor, ik ben doodsbang voor brand!"

Het vertrek, dat Van Halen tot logies werd aangewezen, bleek hetzelfde

te zijn, waar hij in het donker had staan schieten. Ofschoon oom

Boudewijn het met den weidschen naam van »_de logeerkamer_" betiteld

had, zag Pieter bij het licht van de kaars, die Andries in de hand

hield, dat het slechts vier kale muren had. Er was stoel noch tafel. Het

bevatte niets anders dan een klein hokje, dat vroeger een duivenhok

moest geweest zijn, maar nu op vernuftige wijze tot een bedsteê was

ingericht.

Na den kapitein goeden nacht gewenscht te hebben vertrok Andries met het

licht en liet neef Pieter in het donker achter. Zoo goed en zoo kwaad

als dit ging begon Van Halen zich te ontkleeden; maar nauwelijks was hij

in zijn bed gekomen, of hij bevond, dat hij op een ouden stroozak lag en

de deken zoo vol gaten was dat men ze wel voor vischnet zou kunnen

gebruiken! Daar kwam nog bij, dat de planken van de bedsteê zoo kort

bleken, dat zijn beenen er wel een halven meter buiten staken. Toch zou

hij, slaperig en afgemat als hij was, zich over alles nog heengezet

kunnen hebben, als het daar nu maar bij gebleven was. Maar neen, het

ergste zou nog komen!

Nog geen kwartier toch had hij op die heerlijke rustplaats gelegen, of

daar voelde hij zich aangevallen door een heirleger van zekere dartele

diertjes, die de duiven hadden achtergelaten. De aanval was zóó hevig,

dat Van Halen, om de vervolging te ontgaan, het bed uitsprong en midden

op den vloer ging zitten. Maar al heel gauw bemerkte hij, dat het lastig

gedierte hem daar evengoed als in zijn bed kon vinden. Bovendien begon

hij dáár spoedig last van de kou te krijgen, terwijl zijn armzalig bed

hem ten minste toch nog eenige warmte aanbracht. Hij koos nu van twee

kwaden het beste en kroop zijn leger maar weer in.

Nauwelijks echter drong het licht van den morgen in het duivenslag door,

of hij sprong het bed uit en haastte zich naar beneden, waar allen zich

spoedig tot het ontbijt vereenigden. Tot Pieters groote verbazing

bestond dit uit een bordje koude paardeboonen met een beetje karnemelk

en als morgendrank kreeg hij een kleine kroes van het allerdunste

scharrebier, die bovendien nog haast niet half vol was.

Pieter gebruikte heel weinig, wat onmiddellijk ten gevolge had, dat oom

Boudewijn hem prees om zijn matigheid. Daarop begon de man tot in het

oneindige te praten over de deugd der soberheid en welk een groote

ondeugd de gulzigheid was, waarbij hij een menigte voorbeelden van

overdaad wist aan te halen, die allemaal heel treurig eindigden.

Zoodra het ontbijt afgeloopen was maakten oom Boudewijn en Pieter zich

klaar, om naar Oosterhout te gaan en den schout in kennis te stellen van

hetgeen er gebeurd was. Pieter kon daarbij een glimlach niet

onderdrukken, toen hij zijn oom een klein, oud hoedje zag opzetten,

waarvan de rand nauwelijks twee vingers breed was en zóó door de muizen

beknaagd, dat het ding bijna evenveel tanden als een zaag had.

De vliegende Hollander · 第 1 / 8 段