f.... zijnde den 16en April binnen des Majestts. paleijs [te Jedo]
alvorens onse nedrige danckbaarht wegens de verlossingh der seven
Nederlanders uijt Correa bewesen hebbende ...
Omme van UEds missive van poinct tot poinct te beantwoorden soo
seggen aanvanckelick dat nademaal den Coopman Daniel Six in den
jare 1667 binnen Jedo zijnde (voor de Rijxraden) de verlossing
van de noch verblevene Nederlanders in Correa versocht hadde,
soo heeft het hem zijnen schuldigen plicht geacht te wesen desen
jare 1669 daar weder verschijnende, dierwegen bij de Commissarissen
als voor de Rijxraden danck te seggen: 't welk Hare Hoogheden uijt
den naam van de Keijserlicke Maijesteijt aangenomen en sooveel wij
bemercken conden, vergenoegingh gegeven heeft maar aangesien UEdle
van gevoelen zijn dat men dese saeck (alsoo van bijsondere voorval
is) bij een gemeene danckseggingh der Opperhoofden gedaan, niet en
behoorde te laten berusten, maar dat UEdle bijsonderlick uijt UEdle
naam daarvoor ordineert danckbaarlick gedaan te werden, soo hebben 't
bijsonder genoegen welke UEdle over die weldaat zijt scheppende den
Nangasackisen Gouverneur laten bekent maken, die zulx wel bevallen
en naar 't Jedose Hoff overgebrieft heeft. Den E. de Haas [364] sal
(met Godt de voorste in Jedo verschijnende) UEdle goede intentie
met de gerequireerde omstandigheden ('t zij voor den Keijser selven
off voor de Rijcxraden, naer dat de Commissarissen en Nangasackisen
Gouvernr zulx raatsaam achten zullen) verder trachten te effectueren.
Naar de constitutie en gelegentheijt van 't Eijlant Correa hebben
hier bedecktelick ten nauwsten doenlick vernomen, maar niet connen
ondervinden dat daar voor de Compe eenigen handel soude te drijven
wesen, eensdeels omdat het lant bewoont wort van arme luijden die haar
eenlijck met den lantbouw en visscherij generen, anderdeels datse daar
met geen vreemdelingen willen omgaan, oock souden volgens ons gevoelen
die twee magtige potentaten Tater en Keijser van Japan niet willen
gedogen (onder wiens contributie zij staan) dat de vreemdelingen daar
quamen negotieeren, voornamentlijck zoude den Japansen monarch sich
daartegen stellen en geen Christenen, die hem altijt suspect zijn, soo
nabij zijn lant mogen lijden, ten insichte altijt bevreest soude wesen
dat bij die occasie ons een voet wierde gegeven om 't Christendom daar
voort te planten en zijn Lant soo weder in verwarring te brengen. Van
desen cant is den toegangh tot dat Eijlandt ijdereen op dootstraffe
verboden, excepto den Heer van Sussima, die zulx als een beneficium
alleen vergunt is daer met de Tarterse Chinesen te mogen handelen,
die toevoer doen van sijde en do stuckgoederen, zijnde desen jare over
dien wegh bij de seshondert picol van dat gespin in Japan gebracht
ende trect weder zilver (als 't uijtgevoert magh werden) voorts gout,
peper, nagelen, noten, poetsioek, wieroock, sandel- en caliatourshout
als anders, 't welk alles door dat Lant naar China weder vervoert wert,
maar onder d'inhabitanten can men niet vernemen dat eenigen handel van
importantie daar gedreven wert; wijders stellen bovendien voor vast
soo langh de E. Compe den voordeligen handel in Japan genegen blijft
't achtervolgen datse daar (om den Japander geen misnoegen te geven)
geen handel dient te soeken, want dese agterdogtige natie soude altijt
sustineren dat wij daarmede ijets tot nadeel van Japan voor hadden,
waarmede niet alleen de wantrouw vergroten maar den ontsegh van
't rijck wellight op volgen mocht.