't verkeer verwaarloozen, met op den rijweg wandelende voetgangers,
met links van den weg rijdende wagens of fietsers, of dergelijke.
Regelmatig[4] zich volgens de voorschriften van het verkeer zich
op rijwielpad, voetpad of rijweg zich voortbewegende voertuigen of
personen, ze mogen al deel uitmaken van de algemeene "wegvisie" van den
bestuurder, en als zoodanig onder z'n observatie staan, van hen behoeven
redelijkerwijze geen afwijkingen van dit normaal voortbewegen verwacht
te worden. Echter weest op uw hoede voor hen, die plotseling soms
schijnbaar zonder de geringst redelijke motieven, van de regels van den
weg, afwijken. Zij leveren 'n verkeersgevaar op, waartegen niet genoeg
kan worden gewaarschuwd. In zoo'n geval werke uw signaal krachtig en
worde voorzichtig gemanoeuvreerd. En al zoude ook bij 'n ongeval aan
hunne eigene onvoorzichtigheid te wijten, dus het ongelijk aan hunne
zijde zijn, toch geldt altijd, dat "voorkomen beter is dan verhelpen",
ook hier. Dat dus de ervarenheid in 't besturen, de voorzichtigheid bij
't rijden niet uitschakele!
[4] Zie: de "Regels van den Weg" (verspreid door de A. N. W. B.).
MANOEUVRES.
Uitwijken.
[Illustratie: Fig. 10.
Het uitwijken op kruispunten.]
In 't algemeen liet ik al blijken, dat het bij 't passeeren van
zijwegen gewenscht is, het midden van den hoofdweg te houden, om op
alle eventualiteiten beter verdacht te zijn. 'n Bocht uit 'n zijweg naar
links, neme men wijd, 'n bocht naar rechts kort. Er zijn voor den oorlog
o. a. ook alweer in Frankrijk pogingen gedaan om 'n voorschrift te
vervaardigen, waarbij iedere een kruising of zijwegen naderende auto
verplicht zou worden, alleen te letten op alles wat van de rechterzijde
komt. Zoodoende zal de van links naderende wagen, voor 'n van 'n zijweg
rechts komende moeten uitwijken of stoppen, evenals 'n van 'n zijweg
links naderende wagen zal moeten stoppen voor wat rechts van den
hoofdweg komt. Het voorschrift, zij 't 'n goed bedoelde poging, is
evenmin compleet, als eenig ander tot dusver, en de goede oplossing
moet nog gevonden worden. Tot zoolang diene, dat ieder goed uitkijkt
en men zich hoofdzakelijk aan de boven eerstgenoemde regels houdt,
waarbij wordt aangenomen, als reeds eerder gezegd, dat het verkeer op
den hoofdweg vóór gaat. Ook deze regels dienen bij 'n bestuurder vast in
't geheugen geprent te zijn. Hij geve zich dus in den aanvang daarvan
bij iederen zijweg of kruising rekenschap en bedenke 'n aantal gevallen
tot oefening om z'n geest ook in deze richting soepel en snel gereed tot
conclusies te maken. Ook bij kruisingen houde men wat naar 't midden van
't kruispunt, waardoor bij onvoorziene gebeurtenissen voor den wagen
de meeste ruimte rondom open blijft om te kunnen manoeuvreeren naar
den eisch van 't oogenblik. In geen geval passeere men 'n niet geheel
overzichtelijke kruising te snel, nòch sla men met te groote snelheid 'n
zijweg in. De kans, waarbij men in dergelijke gevallen zoo doende zich
aan gevaar blootstelt is van zelf sprekend dan groot.
Tracht ook niet nog snel vóór 'n uit 'n zijweg komend voertuig of wat
't ook zij, heen te komen, als ge gelegenheid hebt om te stoppen. Laat
liever de andere weggebruiker dan kalm even voortgaan. Er is zelfs kans,
dat, waar bij zoo'n geval het uitzicht op den hoofdweg belemmerd wordt
gedurende 'n oogenblik, ge, door snel voor het andere voertuig heen te
willen schieten--en daardoor den verkeerden kant van den weg nemend--in
de baan van 'n uit de tegenovergestelde richting komende auto of wagen
zoudt komen, en dus deze verkeerde manoeuvre de aanleiding voor 'n
ernstig ongeval zou kunnen worden. _Doch niet dit alleen moet u er
van terug houden, maar uw gevoel voor verkeersorde!_ Dit principe
moet bij ieder rijder voorzitten, dat het zich houden aan 'n goede
verkeersregeling de verkeers-anarchie het beste keert. En daaraan heeft
dus ieder weggebruiker mede te werken[5].
[5] Zie ook in dit verband de "Regels van den Weg", door de A. N. W. B.
verspreid.
Neem in bochten nooit de buitenbocht, als de binnenbocht de aangewezen
plaats is, waarop ge u bevinden moet (rechts van den weg). Ook het
voordeel even naar links te buigen, teneinde sneller de bocht te kunnen
overzien, weegt eerstens niet op tegen 't gevaar, dat daardoor ontstaat
van door 'n van de andere zijde komenden wagen te worden aangereden,
en is tweedens van verkeersregel-standpunt beschouwd, absoluut niet
geoorloofd. "Snij" ook 'n bocht naar links, die ge _niet_ overzien kunt,
te scherp af, want daardoor stelt ge u aan dezelfde gevaren bloot.
Prent u goed in 't hoofd, dat ge u eigenlijk _nooit_, onder welke
omstandigheden ook, links van den weg moogt bevinden, behalve dan 't
kleine oogenblik waarop ge 'n anderen wagen inhaalt en voorbij rijdt.
Zorg in dat geval er zeker van te zijn, dat van de andere zijde geen
wagen nadert met dezelfde bedoeling uit tegenovergestelde richting.
In zoo'n geval is het gewenscht, de auto of ander voertuig, dat u
tegemoet komt, eerst te laten passeeren, en daarna pas de voor u in
dezelfde richting als de uwe zich voortbewegende wagen of auto voorbij
te rijden. In 'n dorp of bij woningen of op 'n smallen weg, zij men met
dat achterop rijden eveneens zeer voorzichtig. Beter is het even te
wachten tot 'n plaats waar de weg ruimer passeeren veroorlooft, dan dit
te forceeren. Door bruuske maatregelen verbetert men geen te wenschen
latende weggesteldheid, integendeel vergroot men uit veiligheidsoogpunt
de kans op ongevallen.
Men moet echter niet uit 't oog verliezen, dat in al deze gevallen
echter de ervaren rijder, dank zij z'n geoefend opmerkingsvermogen
en z'n rij-ervaring, allicht doortastender op zal treden, dan door
onervarenen mogelijk geloofd zal worden. Hier dan wederom onmiddellijk
van roekeloosheid te spreken, is overdreven. Waarmede ik maar zeggen
wil, dat ook in deze gevallen ieder voor zich duidelijk moet weten, wat
hij zich veroorloven kan en mag, en #hier de norm alleen te trekken is
door deskundigen#. _Want het mag als vanzelfsprekend worden beschouwd
dat de geoefendheid van oog en hand mogelijkheden schept, waarover geen
ongeoefende 'n oordeel uit kan spreken._
Nog 'n enkel woord over 't rijden in de stad, in verband met dit
onderwerp.
Rijdt dan nooit te hard; volg de verkeersregelen, en let op den
verkeersagent. Wilt ge passeeren, of afslaan, vraag dezen dan door 'n
enkel gebaar, waarmede ge de gewenschte richting tevens aangeeft, of
ge passeeren kunt. Verkeersagenten zijn zeer nuttig voor het verkeer en
het is voor ieder van belang hen in de hand te werken bij die regeling.
Is er geen verkeersagent, rijdt dan bedachtzaam en houdt u aan de
regels van den weg. Indruk maken door buitengewone manoeuvres is ook
hier uit den booze. Het is veel mooier, juist met 'n grooten wagen,
die buiten makkelijk z'n 100 K.M. loopt en in de stad gewillig en
handelbaar is, gemakkelijk en rustig om te gaan, als met 'n kinderwagen,
dan deze voor te stellen als woeste kilometervreters. Integendeel zal
het uiterst handelbare van zoo'n weglokomotief sympathieker werken, dan
het schrik-aanjagende, verwekt door het donderen met vrijen uitlaat of
door groot misbaar van loeiende signalen. Cela ne se fait plus. Als 't
vroeger gebeurde, dan was 't vaak faute de mieux. Onze moderne machines
zijn daar werkelijk te volkomen voor geworden. En voor menschen, die,
van hun wagen of van het automobilisme houden, is de waardeering van dit
volkomene meer waard, dan de romantiek van den schijn, waarin sommigen
zich, door het laten knallen hunner motorrossen, aan draken temmende
helden gelijk, meenen te hullen!
Ook op dit gebied, geloof me, is de romantiek uit den tijd!
Overwegen, trams en rails.
Niet in alle steden zijn voor het verkeer ten opzichte van de trams
zoo duidelijke regels voorgeschreven als te Amsterdam. Deze zijn in 'n
keurig uitgevoerd boekje, dat we hier gaarne en passant vermelden, bij
de Verkeerspolitie te verkrijgen, en dus kunnen die locale verordeningen
hier worden voorbijgegaan.
[Illustratie: Fig. 11.
(_De Kampioen_).]
In het algemeen dient men bij het passeeren van trams, mede dank zij
de onvoorzichtigheid der trampassagiers, zoowel buiten als in de stad,
uiterst voorzichtig te zijn. Bovendien geven rails en de aan hun baan
gebonden tramwagens, vaak aanleiding tot gevaarlijke momenten.
In de eerste plaats in de bochten (fig. 11). Groote tramwagens,
vooral die op smal spoor, hebben daar de onhebbelijke gewoonte,
vrij ver buiten de baan der rails te zwaaien, o. a. de wagens van de
Amsterdam-Haarlem-Zandvoort-lijn, de E.S.M. Wacht men in zoo'n bocht op
'n naderende tram, of wil men die in de bocht passeeren, dan loopt een
auto kans tusschen de rails en den trottoirband, door het omzwaaiende
voor- of achter bovengedeelte van den wagen, geknakt of minstens
beschadigd te worden. Staat uw wagen of rijdt ge langs de rails (fig.
11_a_), reken dus dan niet met de sporen, maar doe er nog 'n goed stuk
bij voor den wagen met de treeplanken, en mijdt het in 'n bocht te
wachten als er 'n tram nadert.
Dan dienen wegvernauwingen uwe bijzondere oplettendheid te vragen,
indien zich tram- of locaalspoor daar ook bevindt. De loop der rails
is niet altijd goed waarneembaar van uit de verte; een in vaart zijnde
tram kan, dank zij de korte bochten in de lijn, heel plotseling en heel
onvoorbereid u den weg versperren.
[Illustratie: Fig. 11_a_.
(_Autoleven_).]
Wacht u er ook voor met de wielen in het spoor te geraken. Eerstens
is dit gevaarlijk bij de nadering van andere voertuigen, omdat ge
onmogelijk, eenmaal in 't spoor, op 'n door u zelf gekozen oogenblik er
uit kunt komen en dus kans hebt, dat dit op 't ongelegenste oogenblik
geschiedt. Zitten de wielen in de rails, dan moet ge voorzichtig
trachten door het heen en weer bewegen van 't stuurwiel ze er uit te
draaien. Dit gebeurt altijd bruusk en gaat meest met slipbewegingen
van den wagen gepaard. Redresseert dus onmiddellijk nadat de wielen
uit de rails springen, de fausse manoeuvre die de wagen maakt, met
'n contra-beweging van het stuurwiel. Lukt het u niet uit de rails
te komen met voorzichtig manoeuvreeren van het stuurwiel, dan dienen
de wielen met 'n stuk hout, 'n plank of iets dergelijks geholpen te
worden. Die plank wordt dan dwars over de rails gelegd en gestut, dat
wegglijden onmogelijk is. Manoeuvreer hierbij voorzichtig, en fausseer
de stuurinrichting hierbij niet. In de stad zal zoo iets niet voorkomen
maar wel op buitenwegen waar het railsprofiel niet met den weg gelijk
ligt.
[Illustratie: Fig. 12.]
Let bij het inhalen van 'n tram ook op de mogelijkheid, dat er iemand
voor of van de tram weg zal springen (fig. 12). Goed signaal geven
en zooveel mogelijk wegbreedte latend tusschen de tram en uw wagen is
hierbij 'n vereischte. Om 'n stoomtram in te halen, die z'n stoompluim
over den weg slingert, en u het uitzicht belemmert is het geraden te
wachten, tot even de wind den stoom verjaagt. Want de afstand noodig,
om 'n snel rijdend voertuig als 'n tram in te halen, is te lang, dat
de kans niet te groot zou worden, dat er, in den tijd noodig om den
stoompluim in te halen en er doorheen te rijden, zich van de andere
zijde ondertusschen 'n wegbelemmering zou voordoen, die ge niet zoudt
hebben kunnen zien naderen. Komt ge 'n dergelijk vehikel tegen, matig
dan uw vaart zoodanig, dat ge voor plotseling uit dien stoompluim
opdoemende voertuigen stoppen kunt. _Geef flink signaal_ en zet
desnoods den wagen stop aan den rechterkant van den weg, tot de tram
voorbij is. Want dan hebt ge de meeste zekerheid, omdat dan alléén 'n
voertuig sneller of even snel als de tram zich voortbewegend, gevaar
kan opleveren. En dit gevaar kan worden afgewend door 't geven van 'n
signaal en door goed den rechterkant van den weg te houden.
[Illustratie: Fig. 13.
(_Autoleven_).]
Wil ook niet te dicht voor 'n tram heen oversteken. 'n Tram glijdt bij
bruusk stoppen nog vaak ver langs de rails door. En wordt ge door 'n
zich achter de tram bevindend vehikel genoodzaakt plotseling te stoppen
(fig. 13), dan kan den wagen-bestuurder z'n tram op de gladde rails
moeilijk houden. Niet alleen uit eigenbehoud is dus deze manoeuvre
verkeerd, maar zeer zeker ook uit 'n oogpunt van verkeersorde, en voor
het behoud van derden. Kijk ook bij het oversteken van rails goed uit en
praat niet met uwe passagiers (fig. 14), 't hoofd naar hen toegewend,
en daardoor onoplettend voor wat u omringt of op de lijn nadert. _Het
is veel moeilijker ongelukken te voorkomen, dan ze te veroorzaken._ En
matig de vaart van uw auto bij stopplaatsen waar passagiers wachten,
of uit 'n wachtlokaal te voorschijn treden. Want meestal schijnt de
nadering van de tram de passagiers zoo te biologeeren, dat ze vergeten,
dat ze zich op den verkeersweg bevinden of deze moeten oversteken om
in te stappen en dus van dien verkeersweg tijdelijk 'n bagagedepôt
maken of 'n wachtlokaal. Het vluchtheuvel-systeem der Amsterdamsche
verkeerspolitie is dan ook wat dit punt betreft 'n zeer toe te juichen
verkeersbeveiliging.
[Illustratie: Fig. 14.
(_Autoleven_).]
Achteruitrijden en manoeuvreeren.
Een moeilijk punt voor den beginner, die nog niet zeker is van z'n
bewegingen. In de eerste plaats worden de voeten op het rempedaal en
het koppelingspedaal geplaatst en wordt als gas gegeven moet worden, dit
met den voet gedaan, die het rempedaal bedient, of zoo mogelijk, met de
hand, door middel van 't gashandle op 't stuurwiel. Dan wordt bij 'n
open wagen het lichaam gedraaid naar de binnenzijde van den wagen, de
rechterhand aan 't stuurwiel, de linker op den rug van de zitting (fig.
15), zoodat de bestuurder stevig zit, de pedalen bedienen kan, en de
geheele achterzijde van den wagen over de geheele breedte overzien,
terwijl het effect van de minste beweging kan worden geobserveerd. Dit
geldt natuurlijk alleen bij open wagen, bij gesloten wagens moet met
de linkerhand gestuurd worden, en rechts langs den wagen naar buiten
en naar de punt van het achterspatbord worden gezien. Met een langzaam
manoeuvreeren leert men ook dit het best. Zorg dat ge zoo zit, dat geen
kans bestaat dat uw voeten van de pedalen afglijden. Dit kan, door half
te gaan staan op de pedalen en uzelve schoor te zetten tusschen den rug
van de zitting en het voorschutbord. Bij wagens met het stuurwiel links,
geldt wat manoeuvres betreft natuurlijk het tegenovergestelde.
[Illustratie: Fig. 15.
(_De Kampioen_).]
Houdt de _uit_stekende deelen van den wagen goed in het oog en houdt
rekening met 't feit, dat ge achterop 'n kap hebt, die 'n eind
uitsteekt, of dat ge reservebanden en in ieder geval 'n benzine-tank
achter uw wagen hebt. Rijdt dus ook niet te dicht op 'n achter u
staanden wagen.
Bij het inrijden van garages moet op den rand van het rechter achter-
en voorspatbord worden gelet. De breedte van den inrij garandeert dan
vanzelf dat de andere zijde safe is. Zie echter toe, dat er zich geen
voorwerpen, 'n fiets, 'n benzineblik of zoo iets dergelijks op uw weg
bevinden, zooals te vaak voorkomt. En uitwijken laat zoo'n ingang veelal
niet toe.
[Illustratie: Fig. 16.
Methoden om in 'n garage op de juiste plaats te geraken.
(_De Kampioen_).]
Bij het op z'n plaats zetten van den wagen in de garage moet ge ook
voorzichtig manoeuvreeren. De hoofdzaak is dat ge op uw plaats komt te
staan en zoo goed mogelijk. Van te veel brio komen kapotte muren en
verbogen spatschermen. Maakt het u nerveus, dit heen en weer gedraai,
laat het dan gerust 'n ander over. Het is niet ieders werk en juist bij
dit rangeeren kunnen kleine oorzaken groote gevolgen hebben.
Stopt ge in 'n straat, verzuim dan niet eerst de hand uit te steken, als
teeken voor het achter u volgend voertuig. Zet uw wagen netjes langs het
trottoir, niet scheef, of zoo, dat 't verkeer er door belemmerd wordt.
Moet ge tusschen twee voertuigen of auto's in komen te staan, rijdt dan
iets verder, en dan achteruit tusschen de wagens in (fig. 16_a_). Rijdt
niet dwars over naar de linksche zijde van de straat, tegen het verkeer
in, maar rijdt rechts en draai dan om mèt de richting van het verkeer
méé, tot vóór het huis, waar ge wezen wilt. Dit is in nauwe straten
natuurlijk niet mogelijk, maar daar bestaan òf voorschriften dat ze
slechts in ééne richting bereden mogen worden òf 't zijn stille straten,
waar ge niemand in den weg staat. Is geen van deze manoeuvres mogelijk,
blijf dan, al moet ge ook links zijn, rechts langs de trottoir staan.
[Illustratie: Fig. 16_a_.
(_De Kampioen_).]
Ook buiten de stad dient ge daarop te letten. Moet ge plotseling
stoppen, 'tzij door 'n motorpanne of door 'n lekken band, gebruik dan de
laatste vaart van den wagen om 'm langs de rechterzijde van den weg "uit
de baan" te zetten. Gebeurt dit op 'n helling en geven de remmen wat
mee, zet dan dalend 't rechtervoorwiel, stijgend het rechterachterwiel
schuin tegen den berm aan.
Keeren op 'n smalle weg of in 'n nauwe straat, wordt, zoo nergens 'n
oprit of 'n zijweg aanwezig is, het beste volbracht door bij de eerste
manoeuvre den wagen zoover mogelijk dwars over den weg te zetten met
de voorzijde zoo dicht mogelijk bij den berm (of tegen 't trottoir),
met het stuur zoo ver mogelijk om. Dan wordt het stuur zoover mogelijk
in de andere richting gedraaid en achteruit gereden. Slaagt men er niet
in de auto bij de eerste manoeuvre zoo ver rond te krijgen, dat 'n
voorwaartsche beweging in tegenovergestelde richting al kan worden
bewerkstelligd, dan herhale men geleidelijk aan de beweging tot den
stand van den wagen achterwaarts 'n kwart slag op de wegbreedte mogelijk
maakt, waardoor vanzelf de wagen in de goede richting zal staan.
Het spreekt vanzelf, dat ge in uwe automobilistische loopbaan vaak voor
gevallen zult komen te staan, die moeilijk allen van te voren omschreven
kunnen worden. Dit is ook niet de bedoeling. De hoofdzaak is, dat ge
volkomen meester wordt, door 'n koel en kundig leeren bezien, van elke
situatie, 'tzij dat deze snel beleid of kalm overleg vraagt. In vele
gevallen zal 'n begrip van wat verkeer beduidt, geholpen door locale
voorschriften, u sneller voorschrijven wat ge te doen hebt dan honderd
geschreven regels. Maar de principes ervan, dient ge allicht vooruit te
kennen.
NACHTRITTEN EN MIST.
Het onderscheiden van de voorwerpen en de weggesteldheid met deszelfs
verschijnselen bij nacht, is voor 'n bestuurder, die over dag goed vér
kan zien, heel wat gemakkelijker dan voor een, bij wien dit minder het
geval is. Natuurlijk is goed observeeren hier nog nuttiger dan bij 't
rijden bij dag, omdat het voorwerp of voertuig in het licht van de
lampen zich minder snel definieeren laat. Bij kruisingen verraden
vaak witte lichtglansen op de boomen, op 'n hek, op struikgewas, op 'n
telegraafpaal, die zich op het kruispunt bevinden, reeds het naderen
van 'n auto uit de andere richting. Hetzelfde valt bij 'n bocht te
constateeren. Het achteroprijden van onverlichte wagens kan soms worden
waargenomen doordat zich tusschen 'n eerst waargenomen lichtend punt in
de verte en uwe lantaarns zich iets donkers geschoven heeft. De lantaarn
of 't licht dat ge eerst zaagt is verdwenen. Reeds elders beschreef ik
("De Kampioen", 23 Maart 1917) het effect, dat 'n rijtuig, 'n tentwagen,
of ander van achter met zeil afgesloten of gelakt voertuig maakt. Uit
het eerst volslagen duister begint vaag, als 'n zeer ver verwijderd
schijnsel iets te glimmen, flauwe bewegelijke glansen, die saamvloeien
tot 'n vlak, als van 'n zwart geverniste blikken plaat. De beweging
ontstaat door het ongelijkmatig terugglanzen van uw lantaarnlicht
op de achterzijde van het steeds op en neer of heen en weer veerende
voertuig. Pas vlak bij snijdt het donkere silhouet van het voertuig
zich duidelijker in de donkerte uit, doch pas op 't oogenblik, dat de
lantaarnlichten van de auto het inhalen. Pas op voor onverlichte karren,
vooral op 's nachts naar de markt rijdende bodewagens of groentekarren.
De laatste vloeien door hunne last, vooral 's zomers, zóó met het
boomenloof ineen, dat ze niet dan van zeer nabij daaruit te herkennen
zijn, om zich als gevaarlijke verkeersstoornissen te openbaren. De
plaats voor de lampen om het beste licht te leveren, is ze laag te
plaatsen en zoo ver mogelijk naar voren. Verkieslijk is de voorruit
schuin te plaatsen opdat de weerglans van het licht den bestuurder
niet hindere. Dat heeft ook z'n voordeel indien ge door 'n andere auto
achterop wordt gereden. Staat de voorruit recht, dan wordt ge door de
spiegeling van de lantaarnlichten van de auto achter u, vaak volkomen
verblind, of dansen de lichtschijnsels daarin zóó onaangenaam heen en
weer, dat deze u het uitzien zeer moeilijk maken.
[Illustratie: Fig. 17.
De vormen der dingen bij het licht van schijnwerpers.
(_Autoleven_).]
[Illustratie: Fig. 18.
(_De Kampioen_).]
Reeds maakte ik melding van de wenschelijkheid, om zware zoeklichten uit
te schakelen en de stadslampen in te schakelen bij het passeeren van 'n
anderen wagen[6]. Daarmede kan veel gevaar voorkomen worden. 'n Middel
om het gevaar van verblind te worden, te ontloopen, indien de ander
z'n licht niet dooft, is een van de oogen dicht te doen, het linksche,
en dit direct na het passeeren weer te openen, waardoor men tenminste
met een der oogen zien kan. De ruimte tusschen den naderenden wagen en
de uwe, wordt door het licht fel beschenen en kan er dus nauwkeurig
geconstateerd worden of de weg zóóver veilig is. Het niet verblinde oog
wordt dan onmiddellijk bij het passeeren geopend en kan dan normaal
dienst doen.
[6] Pag. 33/4.
[Illustratie: Fig. 18_a_.
(_Autoleven_).]
Even wil ik hier in 't voorbijgaan op wijzen op 'n uit Amerika sinds
eenigen tijd gebruikt genre schijnwerpers-lenzen, die niet hooger
belichten dan ongeveer 1.30 M. van den grond (fig. 18 en 18_a_).
Daardoor wordt het gevaar van verblinding op niet geringe wijze
verkleind. Verder zijn er ook lenzen die het licht van de schijnwerpers
breken op zoodanige wijze, dat hierdoor geen overlast wordt aangedaan
aan eenig ander weggebruiker, maar toch op de voor den bestuurder
noodige plaats en afstand de volle lichtkracht plaatselijk tot haar
recht komt (fig. 18_b_). Het nut van dergelijke lenzen en schijnwerpers
is na het bovenstaande duidelijk en lijken deze mij op den duur
onontbeerlijk.
[Illustratie: Fig. 18_b_.
(_Autoleven_).]
Pas ook op voor _ieder_ rood licht, dat ge ziet, zelfs al is de
beteekenis bij het passeeren er u niet duidelijk van. Gewoonlijk bevindt
zich vlak daarna 'n tramovergang of om 'n bocht, 'n spoorwegovergang.
Bij mist zijn gele vloeipapieren schijven voor de schijnwerpers het
doelmatigst. Ook kunnen de lantaarns zoo laag mogelijk naar den grond
vóór den wagen gedraaid worden, opdat geen stralenbundels de hoogte in
gaan, om voor uw wagen groote witte misttrechters te zetten, die alle
uitzicht belemmeren. Ook kunt ge 'n simpele fiets-carbid-lantaarn heel
laag vooraan het chassis of onder den koeler opgehangen, die onder den
mist door lichtend, uw pad verlicht. Indien het overdag mist, is het
echter juist geraden de groote lampen aan te steken, teneinde andere
weggebruikers sneller uwe nadering aan te kondigen. Zelf hebt ge er dan
geen last van.
Zoowel 's nachts als bij mist, dient men vooral de geluiden die men
waarneemt, te controleeren. Bij twijfel houde men den wagen in en kan
altijd tevens 'n signaal gegeven worden.
SLIPPEN.
Ik zie u al rillen. Slippen! Angstaanjagende cauchemars met gedeukte
en verbrijzelde koelers, verbogen spatborden, ontzette voor- of
achter-assen en versplinterde wielen rijzen bij dit woord voor uw geest
op. Doch het is niet zoo erg als ge u voorstelt. 'n Goed bestuurder
kan aan 'n slippende beweging zelf veel redresseeren, en veelal zijn
ernstige ongelukken aan onervarenheid of onvoorzichtigheid te wijten.
Eigenlijk zijn er twee wijzen van slippen. Eene wijze, waarop de geheele
wagen, n'en déplaise elke stuurbeweging wordt voortgeschoven langs de
eenmaal genomen baan, de andere waarop alleen de achterwielen
wegschuiven en 'n zijdelingsche slipbeweging ontstaat.