R. X. Speijert."

Men zou wanen, dat het vermaken van het kasteel tot poort, ingevolge

deze verbindtenis, spoedig zal hebben plaats gehad, wij kunnen

dit echter met zekerheid tegen schrijven. Immers ziet men dit ten

duidelijkste, in de resolutien van den magistraat en »uit zekere

oude lijst van gedane bekendmakingen, ter secretare van Oudewater

berustende," [270] waaruit blijkt, dat de Baljuw den 14 April des jaars

1585, eerst heeft doen bekend maken, dat hij des anderen daegs ten

thien uuren voor de middag wilde besteden het afbreken van 't kasteel

bij de Linschoter poort bij perseelen, baecken om de derden steen

ofte andersints, alles achtervolgende de Conditien en Voorwaerden,

die men alsdan opleesen soude, met bijvoeging, dat dengenen, die in

eenig werk gading had, ten voorsz. tijde koomen soude bij de Linschoter

poort ende bedingen goed loon.

Alzoo eerst 52 jaren na de meergemelde verbindtenis werd dit kasteel

geamoveerd [271].

Zooals reeds werd beschreven, ontbreken zoowel de naam van den

stichter als de tijdsaanduiding van de stichting van dit kasteel;

een geloofwaardig persoon verzekerde ons echter, dat hij ergens had

aangetroffen, dat er in zeer oude tijden alhier woonachtig geweest

waren de vrijheeren van Oudewater dat nu zoo zijnde, zou er ten

minste over den naam des stichters eenig meerder licht verspreid

worden. Hoe het echter zij, ten jare 1527 vinden wij vermeld [272] dat

kastelein van Oudewater was Jonkheer Jan van Vliet, schildknape die als

»Castelein van het sloth van Oudewater aangesteld werd den 3 November

1519 by Kaerle, by der Gratiën Godts koninck van Castilien van Leons

etc. volgens Commissie geregistreerd, en te vinden, in 't blaauwe ruige

register [273] fol. 34 en in 1555 wordt als zoodanig gewag gemaakt,

van Jonkheer Pieter van Cats, maarschalk van Montfoort. Aangezien

nu beiden tevens bailluwen etc. van Oudewater waren, en beiden in

hetzelve zijn woonachtig geweest [274] zoo komt het ons voor, dat het

geslacht der vrijheeren van Oudewater uitgestorven zijnde, later het

slot van Oudewater tot woning zal aangewezen zijn, voor de Baljuwen

van Oudewater die toen tevens aangesteld werden als Castelein. [275]

Later toen ook de Linschoter poort in 1857 werd verbroken, die zooals

wij weten van slot tot poort werd gemaakt, ja toen viel het ook aan

de zigtbaar geworden zware muren en de groote roode steenen, waarvan

die waren opgetrokken, gemakkelijk te bepalen, dat de sloopers daar

te doen hadden, met muren van het oude slot of kasteel!

Het voormalig Arsenaal te Oudewater.

Het gast- en proveniershuis beschrijvende, zagen wij dat dit gebouw

door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht

zijnde, omstreeks 1780 verbroken en in 1786 aangelegd werd, tot een

Artillerie plein waarop een zeer schoon Arsenaal of bergplaats voor

ammunitie in hetzelfde jaar 1786 getimmerd is. Niet langer dan 28

jaren heeft dit Arsenaal in aanzijn mogen wezen, daar het ten jare

1814 verbroken werd en men het terrein Anno 1817 tot plantage heeft

aangelegd. In 1822 dit plein aan de stad gekomen zijnde, heeft men

dezen grond in 1856 in erfpacht gegeven, waarna later spoedig, daarop

een aantal huizen voor min gegoeden gebouwd zijn.

's Lands voormalig Magazijn van Oorlog.

Dit fraai gebouw, stond eertijds aan de zuidzijde van de stad, in

de straat genaamd het klooster bij het weeshuis. Het had eene lengte

van 138 bij een breedte van 22 voeten [276].

Wanneer hetzelve gebouwd werd, kunnen wij niet met zekerheid

bepalen. Omtrent zijne slooping echter verkeeren wij niet in het

onzekere, deze had in 1820 plaats.

Het voormalig Kruidhuis.

De kruidtoren was gelegen, in een »halve maan" der vestingwerken in

het noordwestelijk gedeelte der stad. De heer Van Kinschot schrijft

in 1746, »dat het binnen weinige jaren gebouwd is."

De amovering van het kruidhuis geschiedde ten jare 1820, als wanneer

het even als het magazijn van oorlog, door de administratie van

's lands domeinen werd verkocht.

De Barak of Caserne.

De Caserne, gelegen aan de westzijde van den IJssel was 168 voeten lang

en 30 voeten breed, terwijl dezelve in 24 vertrekken verdeeld was. Zij

werd voor stads rekening gebouwd, en bij aanbesteding aangenomen voor

eene som van f 14,200; deze gelden zijn voor het grootste gedeelte,

door de burgerij vrijwillig, tegen eene interest van 4% gefourneerd.

De eerste steenen aan dit gebouw werden gelegd, op den 29 Mei 1798

door A. M. Montijn, Jan de Keiser Jz. en W. Putman, zoo als op een

steen in den voorgevel aangebragt, te zien is.

Sedert het jaar 1811 wordt dit gebouw, door particulieren bewoond,

terwijl het in 1856 in het openbaar werd verkocht, en het gebouw dus

nu eigendom van particulieren geworden is.

De schuttersdoele.

Reeds in het jaar 1501 vinden wij gewag gemaakt van het volgende

octrooi voor de »voetbooghschutters van St. Joris Gilde" te

Oudewater. Uit dit octrooi bekomen wij echter de verzekering, dat zij

reeds lang vóór genoemd jaar zich te dezer plaatse bevonden en hun

aantal op het genoemde tijdstip niet minder dan 80 tot 90 bedroeg. Wij

laten dit octrooi nu volgen:

Philips, by der Gracie Goids, Eertshertoge van Oistenryck &c. onsen

lieven en getrouwen Raedt ende Tresor. Gnerl: van allen onsen

Domeynen ende Finan: Jeronimus Lauwerin; Saluyt ende Dilectie.

Wy hebben ontfaan die oidmoedige Supplicae. van onsen welgheminden

die Burchers der stede van Oudewater over ende in den naame van de

Handboech-Schutters van den Ghilde van St. Joris der voirsz: Stede,

inhoudende, hoe deselve gelegen is op tie Frontiren van onsen Lande

van Holld. strekkende aan den Gestichte van Utrecht ende Lande van

Gelre, dewelke na den overlyden van wylen onsen lieven Heer ende

Grootevader Hertoge Karel van Bourgn. Zaliger gedagten, veel groote

sware lasten en costen gehad ende geleeden hebben van diverse

Oirloogen, niet alleen van den Oorloge van Utrecht, maar alle andre

die geweest zyn in onse voirsz. Lande ende Graaflicheyt van Holland

als oick in de voirsz. Lande van Gelre, Ende hebben de voirsz:

Suppliante tot seekerheyd van der voirsz: Stede van Oudewater

opgesteld 't voirsz. Ghilde van St. Joris van den Voetboech

Schutters, tot in den getale van tagtigh of tnegentigh persoenen,

om welke ghilde ende gezelschap 't onderhouden by Hertoge Philips

ende andre onse Voorvaderen, die voorsz. Supplianten verleend ende

gegeven hebben geweest Vyff ende Twintig Cliuts 't s'Jaars tot XXX

Gron. 't stuk, dewelke sy den voirsz. Supplianten beweesen hebben

gehad te ontfaan by handen van den Rentmeester 't s'Lands van

Woerden, ende hebben 't selve alsoe gebruyckt tot in den Jaar toe

van LXXVIIJ. Dat die geroyeerd zyn geweest by gebrek van nyeuwe

brieven van gfirmatien van wylen onse lieve Vrouwe ende Moeder die

Eertshertoginne Saliger gedagten. Ende in den Jaar van LXXXVIJ.

soe zyn die voirsz. XXV. Cliuts s'Jaars den voirn. Schutters

weederome beweesen geweest op den Rentmeester van den Beede in

Holland, als doe wesen uyt kragte van nyeuwe brieven van

Confirmacien van mynen Genadigen Heer ende Vader myn Heer den

Coninck, sedert welk tyt tot in den Jaar toe van XCIIJ. de voirsz.

Schutters niet meer betaald en syn geweest, mits datter gheen

Beede in Holland ende Vriesland daar en binnen loop gehad en

heeft, ende hoewel dat seedert den voirsz. Jaar XCIIJ. diversche

Beeden in Hollandt loop gehad hebben ende nog doen, nochtans en

hebben die voirn. Schutteren van den voirsz: XXV. schilden binnen

derselver tyd niet ontfaan, overmits dat sy van huer voirsz.

ghifte tot nu toe gheen gfirmacie verkreegen en hebben. Twelke

hem compt ende keert, tot grooten hinder schade en achterdeele,

ende meer sal er werde hen by ons hier op niet voirsien van onse

gracie ende behoorlick provisie alsoo zy seggen, Ons zeer

oidmoedelick daar ome biddende, SOE IS 'T dat wy die saken voirsz.

overgemerct, ende daar op gehad 't advys, eerst van onsen lieven

ende getruwen, die Luyden van onse Reekn. in den Hage, ende daer

na van u, wy hebben den voirn. Schutters van St. Joris Gilde, in

onze voirsz. Stede van Oudewater, genegen wesende ter Beede ende

begeerte van de voorn. Supplianten, ende ten eynde dat sy te bat

gehert mogen syn te verstaan tot bewaaringe ende seekerheyt van

de selver onser Stede van Oudewater daer veel belancx in leyd die

Brieven van Gifte ende Octroye van de voirsz. vyff ende Twintich

Scilden 'tsjaars, henl. gegonnen ende verleend by onsen voirsz.

Voirders als voirsz. is, geconfirmeerd, gevesticht ende belieft,

ende vuyt onsen rechten wetentheyt ende zonderlinge gracie,

confirmeeren, vestigen ende believen, mits desen onzen Brieve,

Ende op dat s'noot sy, hebben hen die selve XXV. scilden 's jaars

van nieuws gegonnen ende verleend, gonnen en verleenen mits deesen

onsen voirsz. Brieve, om die van nu voortaan Jaarlicx te hebben,

ontfangen ende gebruyken van de Penn. comende van onsen Beden die

in onsen voirsz. Landen van Holland en Vriesland loop hebben

sullen, ende by handen van onsen Rentmeester van denselven Beden

in den quartier van Noort-Holland jeegenswoerdich ende toecomende

soe lange als 't ons gelieven sal, ontbieden u daar ome ende

beveelen dat by u doende die voirsz. Schutters gebruyken van onse

voirsz. Gracie, Confirmacie ende nieuwe Ghifte, ghy hen doet van

nu voortaan Jaerlicx uytryken ende betalen of 't huren sekeren

Bode voor hen de voirsz. XXV. scilden 's jaars by handen van onsen

Rentmeester van Holland in 't Quartier van Noortholland voirsz.

jegenswoerdich ende toecomende, ende van de Penningen van synen

ontfange comende van onser Beede aldaar, soo lange als 't ons

gelieven sal, als voirsz. is. Denwelken onzen Rentmeester

jegewoerdich ende toecomende wy selve beveelen mits deesen dat

alsoe te doene, ende mits overbreyngende desen onsen

jegenwoerdigen Brieff Vidimus ofte Copye Auctentyk van dien,

mitsgaders van de andere Brieven van Ghiften ende Confirmatien

boven geroerd, voor een ende d'eerste ryse en soe menich werff

als 't van nooden weesen sal, deuchdelick genieten van de voirn.

Schutters van de voirsz. XXV. scilden 'tsjaars, alleenlick wy

willen dat al 't geene des hen daar aff gegeeven ende betaald

sal worden geleeden ende gepasseerd zy in 't uytgeven der

Reekeningen van onsen voirsz. Rentmeester van onsen Beden van

Holland in den Quartier van Noortholland voirsz. jeegenwoordich

ende toekomende, die 't betaald sal hebben, by den voirsz. Luyden

van onsen Rekeningen in den Hage, denwelken wy oock bevelen by

desen, dat alsoe te doene, sonder eenighe zwaricheid ofte

wederseggen ter contrarien, want ons alsoe geliefd, niet

jegenstaande eenige Ordonnantien, Restrinctien, geboden oft

verboden ter contrarien, Gegeeven in onser Steede van Brugge,

den lesten dach van April in 't Jaar ons Heeren Duysent vyff

honderd ende een, Aldus geteykend by mynen Heer den Eertshertoge

Jeronimus Lauwerin Tresorier Generaal van de Finan: ende andre

jegenwoerdich, Hanneton. Ende op ten rugge van deesen Brieve staat

gescreven dat hier naar volcht. De Tresorier Generaal van de

Domeynen ende Finantien myns Genaden Heer des Eertshertoge van

Oistenryck, Hertoge van Bourgondien, Jeronimus Lauwerin consenteerd

alsoe verre als in hem is dat 't inhouden in 't Witte van desen

jegewoordigen volcomen zy naar zyne vorme ende inhouden, alsoe ende

by der manieren dat deselve myne Geduchtegen Heer wil ende beveeld

gedaan 't fyne by deselve, Geschreven onder 't handteyken van den

voirsz. Tresorier General den tweesten dach van Meye in 't Jaar

Duysent Vyff Honderd ende Een.

Aldus geteykent,

LAUWERIN.

Vervolgens berust er op het gemeente archief een ordonnantie voor de

schutters van den »edelen Cruysboog" dd. 26 Augustus 1597, die wij

echter om hare uitgebreidheid niet mogen overnemen. Voorts wordt nog

in verscheiden keuren van deze schutters gewag gemaakt.

Op het stadhuis wordt nog een fraaije vlinder bewaard, die men denkt,

als insigne van de voetboogschutters van St. Joris Gilde gebruikt

te zijn.

Omtrent de schuttersdoelen vinden wij vermeld [277] in 1746.

»De Doele staande in de Kapelstraat is een oud gebouw, 't geen groote

ruimte heeft en zeer bekwaam ter Herberging van reizende en andere

lieden. Zij komt de schutterij, die nu in twee quartieren en vaandels

verdeeld is, in eigendom toe, die ook aldaar hare vergadering houdt."

In den voorgevel van dit gebouw, die in Anno 1787 zeer verfraaid

werd, ziet men den ridder St. Joris den draak bestrijdende in steen

uitgehouwen.

Na de vernietiging der stedelijke schutterij, is de Doele ter

voldoening van der stad's pretentien in 1798 aan de gemeente gekomen

en als eigendom getransporteerd.--De stad heeft dezelve in 1799 voor

de som van f 3300 aan een ingezetene dezer plaats verkocht.

De naam van het Logement de St. Jorisdoele, herinnert in onze dagen

nog aan de oude schutters van Oudewater.

En hiermede is ook de reeks gebouwen ten einde, die hun ontstaan

verschuldigd waren uit een beginsel van verdediging, bij eene mogelijke

belegering der plaats. Toen echter Oudewater uit de rei der vestingen

verdween, zijn de meeste dezer gebouwen natuurlijk van onnut geworden,

en wij zagen dan ook de vernietiging van bijna allen. Nu resten ons

nog eenige gebouwen te beschrijven, die wij noch onder de kerken,

noch onder de geestelijke of liefdadige gestichten, noch onder de

gebouwen ter verdediging van stad en land konden rangschikken, en

toch tot de monumenten der stad behoorden of nog behooren.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 121 / 178 题