Duidelijker bewijs voor hun bestaan te Oudewater is wel niet aan te
voeren, zoodat het geschrevene daarvoor reeds genoeg zoude zijn. Wij
zijn echter nog in de gelegenheid er meerder van te schrijven.
Zij moeten naar onze meening in genoemd jaar 1325 reeds in vrij groote
getale hier aanwezig zijn geweest, daar in 1326 des vrijdags voor
St. Bartholomeus dag door gemelden Graaf Willem aan de broeders van
het St. Jans huis te Oudewater in eigendom werd gegeven, een hofstede
naast hun kapel gelegen, om een kerkhof te maken. Voorts bestaat er
onder de oude keuren van Oudewater eene van St. Bartholomeus dach in
jaer ons Heeren Duisent vier Hondert vijf en vijftig, waarvan het einde
[240] aldus luidt: »ende oock mede het Broederschap van St. Jans van
hare renten, mogen mede in bieden als voorsz. is."
Van deze Malthezer of St. Jans Ridders, waarvan het capittel steeds
te Utrecht gevestigd was, vindt men vermeld, dat hun commandeur van
Oudewater in 1559 prior van die orde was, en dat hij sterk doleerde
tegen het onregt, dat Philips II, koning van Spanje bij de invoering
der Bisdommen, die orde aandeed. [241]
Wat er van de goederen dezer orde nader gewierd, is bekend. Onder
de negen commandeurs echter, die de staten van Utrecht in 1651 nog
aanstelden, wordt die van Oudewater de tweede genoemd. [242]
De vele pogingen sedert het laatst der 16de eeuw aangewend, om van
den commandeur van St. Jans orde alhier, terwille van de behoeftigen
behoorlijke alimentatie te mogen hebben, uit de goederen van den
commandeur, of dat hij alhier met ter woon zal mogen komen en
uitdeeling aan de minvermogenden te doen naar ouder herkomen, den
16 October 1583, bij de magistraat der stad besloten, aan Willem I,
prins van Oranje te verzoeken, zijn vruchteloos geweest; zoo ook alle
latere pogingen hiertoe aangewend. [243]
Het huis der St. Jans Ridders is hoogst waarschijnlijk gelegen geweest,
voor zoover men uit oude transporten en andere stukken kan opmaken,
aan het einde van de St. Jansstraat, die voorheen een aantal huizen
bevattede en ook haren naam wel van die orde bekomen zal hebben:
alzoo aan de oostzijde der stad nabij de Wijngaard of Achterstraat,
en de nu geamoveerde Waardpoort.
Het Weeshuis.
Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij
de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij
aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en
vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt
maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken,
belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst,
dit gebouw van liefdadigheid.
De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit,
die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het
opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt,
u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve
toedacht.
Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen
eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding
gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie,
leest men:
Bedenckt de arme weesen 1613.
Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan
bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar
de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu
geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer." Hier valt
het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de
grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het
is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651,
en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het
gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een
schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en
begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop
de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden
ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder"
een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.
Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog
dit versje:
De weesen deser stad
In haere jonge jaeren,
Ontbloot van oudersgunst,
Opvoeding en bewaeren,
Genieten in dit Huis
Lyf- en Zielsonderhout,
Dies syn sy schuldig,
God te danken menigfout."
Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de
weezen in 1651 alhier kleedden--eene bijzonderheid, die naar onze
meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.
Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten,
waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te
meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst
van penseelbehandeling is.
Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en
volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden,
Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.
Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van
Velzen, en het derde--zijnde een vrouwenportret--van Jannigje Joostens,
hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.--Deze drie personen,
hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op
zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan
te rigten.
Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone
wijze gevierd.
Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat
ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan
het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.
Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en
Schepenen twee goede vreedzame personen, meer dan dertig jaren oud
zijnde, tot Weesmeesters.
De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebben over, en kennis te
nemen, van al de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen,
onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen
en aan hunne zorg werden toevertrouwd.
Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze
personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te
mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze
magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het
vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne
betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren. [244]
»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt
behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren
of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen
is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen
erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer,
en voorts alles doen, 't geen goede ende getrouwe weesmeesteren,
naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen."
Uitgenomen de nu besproken Weesmeesters, werden er nog ieder jaar op
Vrouwe Lichtmissedag (2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen,
drie personen tot Weesvaders gekozen, waaruit een tot boekhouder
enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het
gesticht.
Deze Weesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen
onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne
bediening achtervolgd worden, zoo als genoemde magistraten te rade
kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eed bij het
aanvaarden van de betrekking als Weesvader aan Burgemeesters te doen
was als volgt: [245]
»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen,
en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de
voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren
en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of
vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen,
of in gewigtige zaken [246], van de vroedschappen dezer stede. Dat
zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen,
goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen,
wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective
diensten, schuldig is, en behoort te doen:
Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen,
als bij de keuren gesteld is.
Terwijl over de meer directe behoeften der weezen, (verzorging,
spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader"
en eene »binnenmoeder."
En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen
ook geene weesvaderen door Burgemeesters en Schepenen meer benoemd;
terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, het weeshuis tot huisvesting
van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.
Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende
weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie
Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog
steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert
eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna
uitsluitend, zoodat eene oud binnenmoeder bewoond wordt.
De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd
door eenige regenten. [247]
Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857
en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en het Weeshuis
gedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.
De bibliotheek van het departement tot nut van 't algemeen, afdeeling
Oudewater is berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.
Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw
konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
voormalig Arm of Ziekenhuis
te berigten.
Dit gebouw is gelegen bij het Weeshuis, ten zuiden der straat genaamd
het Klooster en ongeveer aan de Vestingwal van dàt gedeelte der stad,
waar eertijds de Waardpoort zijne spitsen verhief. Schrijvende over
de Cellezusteren, (zie bladz. 251) hebben wij reeds opgemerkt, dat de
laatsten eertijds hoogstwaarschijnlijk daarin haar verblijf zullen
gehad hebben, en wij stipten daarbij tevens aan, dat het later tot
gevangenis eenigen tijd gebruikt werd.
Het tijdvak evenwel juist te bepalen, dat dit huis tot gevangenis
diende, is ons niet gelukt te ontdekken, zeker echter is het, dat
het in 1747 gebruikt werd tot Arm of Ziekenhuis, dat men er toen
»berooide en gebrekkige ingezetenen" in voedde en oppaste, en dat
deze zorg was toevertrouwd aan het opzigt enz. van een binnenvader
en eene binnenmoeder. [248]
Sedert Julij 1829 werd het Weeshuis als zoodanig echter gebruikt, en
het Ziekenhuis dus onnoodig geworden zijnde, werd dit den 10 November
1829, door de regering der stad publiek verkocht.
De bestemming van het gebouw is sedert verdwenen, daar er tegenwoordig
eene boerderij in uitgeoefend wordt, doch vrij algemeen, draagt het
gebouw nog den naam »het Ziekhuis."
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.
Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten,
eenigzins noordelijk gedeelte der stad, de steeg voerende van de
markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan,
en wordt om deze reden nog de Gasthuissteeg genaamd.
Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat
de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer
Van Kinschot [249] dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd
gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen
kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene
thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst,
en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele
gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der
zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden."
De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de
stichter was heer Egbert Speijers, pastoor te Berkenwoude Oudewatersche
van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.
Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede
vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot
bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en
anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste
wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der
ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het
Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat
wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.
In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van
de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop,
verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen
werden dan provenieren genoemd, en tengevolge van dien, droeg het
Gasthuis ook wel sedert dien tijd, den naam van Proveniershuis.
De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het
beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was
gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259
kenbaar gemaakt [250].
Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en
West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786
werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een
artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter
berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog,
de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke
plaatse, van zal geschreven kunnen worden.
Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke
gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten,
en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte
van uit een liefdadig gesticht in een artillerie magazijn. Het is
daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin
te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen,
die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten,
mogen als sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in
aanmerking komen.
Uitgenomen 4 hoofdpoorten, had Oudewater eertijds nog 2 kleine poorten,
die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op
de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden
genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad
lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der
Oude Huigensteeg.
In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740
en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op
Stoop's schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne
gedaante en gelegenheid.
Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
de voormalige IJssel of Veerpoort.
Eigenlijk zijn er twee IJsselpoorten geweest, die echter beiden gelegen
waren, in het zuidwestelijk gedeelte der stad, bij de rivier de IJssel,
waarom zij IJsselpoort genoemd werden.
De oudste IJsselpoort, stond ten zuidwesten der Romeinbrug, naast de
nu geamoveerde Romeintoren. Hare standplaats, was alzoo van uit de
stad aan de binnenzijde van den IJssel.
Langs deze zijde der stad, was Oudewater dus niet zoo groot als
tegenwoordig, want de IJssel, die nu door de kom der gemeente aan twee
zijden begrensd wordt, was toen ter tijde de natuurlijke grens van
Oudewater ten Oosten en zekere streek genaamd het veer of IJsselveer
ten Westen; van daar, dat men haar ook de Veerpoort noemde.
Deze streek genaamd het Veer, kwam echter bij octrooi der staten van
Holland dd. 2 November 1585 [251] onder het regtsgebied van Oudewater,
werd later binnen de stadswallen getrokken en van dien tijd moest
de tweede IJsselpoort, dus gebouwd worden, van uit de stad, aan de
buitenzijde van den IJssel.
Deze poort, waarin de bezetting de hoofdwacht hield, was aan de
stadzijde, naar de Dorische orde gebouwd, terwijl de gevel voorzien
was, met de wapenen der steden Delft, Oudewater en Alkmaar.
Ten jare 1779 werd deze poort afgebroken en weder opgebouwd, doch de
hoofdwacht werd sedert verlegd, in een daarnevens geplaatst gebouw,
waarvan wij ter behoorlijke plaatse zullen schrijven.
De IJsselpoort, zoo als wij schreven in het laatst der voorgaande
eeuw gebouwd, was echter reeds in 1815 bouwvallig geworden, van daar,
dat men in laatstgenoemd jaar het bovengedeelte afbrak, en men van
toen alleen als IJsselpoort, twee ongewelfde steenen muren door een
hek gesloten, te beschouwen had.
Wederom ter oorzake van bouwvalligheid, besloot men in 1856 dit
gedeelte der poort te verkoopen, waarop nog in het zelfde jaar de
afbraak volgde; alleen twee net bijgepleisterde steenen muurtjes,
waarvoor nog altijd twee kanonnen geplaatst staan, roepen als nog:
hier verhief zich eenmaal de Veer of IJsselpoort.
De voormalige Broekerpoort.
Zij lag aan de noord westzijde der stad, insgelijks kort aan
den IJssel. Haar uittredende, voert de weg u naar de boerenbuurt
Diemerbroek en ongetwijfeld is zij haren naam daaraan verschuldigd,
zoo ook de Broekerstraat nabij deze poort gelegen.
De binnen en buitengevel van dit gebouw, waren eertijds versierd
met fraaije hardsteenen kantelingen; later zijn deze weggenomen,
en de vier zijden met een Italiaansch dak toegekapt.
Deze poort deelde Ao 1856 in hetzelfde lot van hare zuster de
IJsselpoort; ook zij werd publiek verkocht en tengevolge van dien
gesloopt. Voor zoover wij konden nagaan, vindt men niet aangeteekend,
noch bij eenig schrijver noch in eenig stuk op het gemeente archief,
van wàt jaar deze poort dagteekende en dewijl er ook op het gebouw
zelf, zich in onze dagen geen jaartal vertoonde, is deze poort
gevallen, zonder den naneef te bevredigen, als hij vraagt, in wat
jaar verrees aan de noord westzijde van Oudewater de Broekerpoort?
De voormalige Linschoterpoort.
De Linschoterpoort stond aan de noordoostelijke zijde van Oudewater
en verschafte den uitgang naar de boerenbuurten, de heerlijkheid,
en het dorp Linschoten waarnaar zij dus genoemd werd.
Zij werd veranderd van een slot tot poort, in het jaar 1672, zooals
ten duidelijkste bleek uit het volgende opschrift in de architraaf
van het gebouw aan de stadzijde uitgehouwen, en door ons vóór de
amovering nageschreven:
DEN EERSTEN (STEEN) VAN DESE POORT HEEFT GELEYT
CORNELIUS AMELIUS, SONE VAN MR. JOHAN DE KONINCK
OP DEN 6 APRIL Ao. 1672.
Zij was gebouwd naar de Dorische orde, voorzien met drie kruisboogen
waarin de hameije even als in al de overige poorten niet ontbrak,
en had ruim 47 voeten lengte.
Vooral aan de buitenzijde, was het een allerschilderachtigtst
poortje met zijne gaanderij en vier bevallige boogen of openingen,
die een riant vergezigt over het omliggende landschap aanboden, en
haar vriendelijk voorkomen werd niet weinig verhoogd, door de met
vijf boogen voorziene brug, die er vóór lag. Zóó vertoonde zich een
en ander tot in 1857, als wanneer in Augustus des laatstgenoemden
jaars deze poort en die brug, publiek werden geveild en verkocht,
de poort voor 660 en de brug voor 110 Gulden [252].
De voormalige Waard of Utrechtsche poort.
Deze is de laatste der vier hoofdpoorten, die ons nog ter beschrijving
rest. Zij stond aan het zuidoostelijk gedeelte der stad, voerende
naar de buurt Snelrewaard en naar de stad Utrecht en hierdoor is ons
hare naamreden dus niet twijfelachtig.
Dit gebouw had eene lengte van 11 1/2 bij een breedte van 6 1/2 Ned. el
terwijl haar verwulfsel met drie kruisboogen gemetseld was. Ook
deze poort kon op fraaiheid aanspraak maken. Aan de binnenzijde
zag men in den gevel in het midden, het wapen van Oudewater, aan de
regterzijde dat van Delft en ter linker, dat der stede Alkmaar net
in Bentheimersteen uitgehouwen met het jaartal 1607, terwijl aan
de buitenzijde der poort, de hollandsche leeuw was aangebragt, met
het onderschrift Hollandia en insgelijks met voornoemd jaarcijfer,
dat het tijdstip der stichting dezer poort aanduidde.
Later zullen wij trachten te ontvouwen, waarom men de wapens dezer
drie voornoemde steden, zoowel op de twee reeds genoemde poorten,
als op andere openbare gebouwen in Oudewater en in de twee andere
steden aantreft; doch mij dunkt die hollandsche Leeuw daar buiten, aan
de Waardpoort hij had zoo zeer zijne beteekenis, Oudewater had, zoo
dikwijls met het trotsche Sticht in onmin gelegen, en de Stichtschen
zij hadden het ook menigmaal met groot verlies ondervonden, als zij
met die van Oudewater streden! mij dunkt die Leeuw met zijn opgeheven
klaauw, stond daar zoo tergend voor die van Utrecht juist aan die
zijde van het gebouw, dat bij andere poorten, dat voor--of tegen--had,
dat zij meest uitsluitend naar de provincie Utrecht voerde! [253]
Nog ten tijde van den Heer Van Kinschot (Ao. 1746) was deze poort
ter linkerzijde van uit de stad, voorzien met een spits torentje,
deze spits is er van echter reeds ten jare 1784 weggebroken.
In het jaar 1607, dat van den bouw der poort, werd ook de nu
sedert lang gedempte brug met 5 boogen, die er eertijds vóór lag
gebouwd. [254] Ook hiervoor is in de plaats gekomen, eene kleine brug
voor de communicatie te water in de stadsgrachten.
Niet onvermeld mogen wij laten, dat deze poort min of meer langen tijd,
tot gevangenis voor militairen is gebruikt geweest.
Maar in Augustus 1857, werd ook deze poort in publieke veiling
gebragt en verkocht voor f 760,00 en eenigen tijd daarna werd slooping
bewerkstelligd [255].
Oudewater in anno 1265 tot een stad gemaakt [256] was in 1858 veranderd
in een soort van vlek!
Deze vier poorten, behoorden, toen de vesting in welstand was [257]
aan den staat, zoodat dan ook van Landswege in 1815 de IJsselpoort
gesloopt werd. Spoedig zou het ook toen reeds, de beurt aan de drie
anderen geweest zijn, waren zij niet ten jare 1821 door de stad van de
domeinen gekocht, alleenlijk om het amoveren derzelve te voorkomen. Men
is later ook van stadswege tot andere gedachten gekomen, want wij
hebben het einde van al de poorten gezien!
Het is dikwijls voor ons een strijd, tusschen oudheidgevoel en
belang voor onzen tijd, als wij een fraai monument zien verbreken,
dat voorheen zijn nut had, doch door de verandering van tijden,
tegenwoordig tot niets meer dient. Zoo ook ondervonden wij dat gevoel,
toen de drie laatste schilderachtige poortjes onder den moker des
sloopers vielen.
Als oudheidminnaar, kon het niet anders, of het moest ons pijnlijk
aandoen, deze grijze sleutelen der stad, die de stomme getuigen
waren van zoo veel lief en leed der burgers die zij omsloten, door
den slooper te zien vallen. Zij worden vermoord, dachten wij, niet
door het geschut des vijands maar door hare eigene burgers!
En dan als zoon der 19 eeuw, kwam daar eene stemme tegen, en ik
moest zeggen en beamen met onzen tijdgenoot, zoowel voor deze als
zoo vele onnut geworden poorten: valt, gij steengevaarten aan onze
steden, gij belemmert ons het uitzigt naar Gods vrije natuur. Valt,
gij zijt noodeloos in onzen tijd, de burgers van Nederland behoeven
niet meer, al is het ook bij nacht, uit de veste gesloten te worden,
zij mogen geen schatting meer opgelegd worden, als zij niet aan de
uitnoodiging van het luiden der »poortklok" gehoorzamen [258]. Valt
nietige gebouwen, de hechtste vestingen, door de natuur en de kunst te
zamen gevormd en volmaakt, zijn niet bestand tegen eene tegenwoordige
hardnekkige belegering, ook gij dus niet zwakke monumenten van
vroeger tijd! valt, de 19 eeuw, die spoorwegen en telegraphen heeft,
die de landen en landen als een maken, en de afstand van werelddeelen
en werelddeelen als doen verdwijnen, zij gedoogt niet langer, dat de
burgers van een vrije staat, niet ten allen tijde bijeen kunnen komen,
waar de communicatie naar den vreemde, ook in ons Nederland op zoo
groote schale van toepassing gebragt is.
Valt dus poorten valt, als onnut in onzen tijd, valt overal waar gij
u bevindt aan opgeheven vestingen, want door u in stand te houden,
bezwaart men de gemeentenaren met noodelooze schattingen voor uw
onderhoud benoodigd!
De poorten beschrijvende, hebben wij onwillekeurig gewag moeten
maken van den Romeintoren, het slot of kasteel en de hoofdwacht,
en aangezien allen in deze rubriek ter beschrijving voegen, willen
wij het eerst iets vermelden van
de voormalige Romein of Gevangentoren.
De Romein of Gevangentoren, was gelegen ten zuiden der Romeinbrug
aan de IJsselsluis bij den mond der stadshaven.--Het was een zeer
oud gebouw, had een vierkante gedaante, en was nog in 1746 met een
plat overwulfd, van waar men een ongewoon fraai gezigt, zoowel naar
de stad als over den IJssel had. Later echter, heeft men dit gebouw,
met een kap of dak van blaauwe pannen voorzien.
De éénige deur, die in het gebouw van buiten was aangebragt, bevond
zich aan de oostzijde; deze doorgaande, geleidden u eenige treden
opwaarts weder aan eene deur, die de toegang tot het eigenlijke
interieur van dezen toren was.
Men verwonderde zich, wanneer men van buiten den vrij aanmerkelijken
omtrek van het gebouw had gadegeslagen, over de geringe ruimte van
binnen, doch als men dan in aanmerking nam, dat zijne muren eene
meer dan Ned. el dikte hadden, dan verdween spoedig deze twijfel. Dit
gedeelte van het gebouw was slechts met een lucht, dat tevens lichtgat
was, voorzien, en mogt dus reeds op een geschikte gevangenis aanspraak
maken; doch was de misdaad groot, en de persoon gevaarlijk, dan werd
het luik geopend, dat zich in dit locaal bevond, en een vochtige
kelder, bewaarde alsdan den misdadiger zeker en streng. Bij hoogen
waterstand van den IJssel moest de ongelukkige de wijk op een zich daar
bevindende ladder nemen, ten einde het binnendringende IJsselwater,
aan wiens voet het gebouw aan de noordzijde gebouwd was, te ontvlugten.
De naam Gevangen Toren, komt dus wel niemand meer onduidelijk in
zijnen oorsprong voor.
Zijne benaming van Romeintoren, is niet zoo zeker op te lossen.
De Heer van Kinschot meldt op bladz. 50 zijner beschrijving van
Oudewater aldus: »Zij is van ongemeene groote steenen opgemetseld, en
men meent op goede gronden, dat deze ten tijde der Romeinen gebouwd,
en alsdan een Wachttoren geweest zij, die vervolgens ook tot een
tolhuis, als te dien tijde gelegen ter zijde der IJsselpoort op en
aan de Rivier de IJssel zoude gedient hebben."
De mogelijkheid, dat het voor tolhuis gediend heeft, willen wij niet
ontkennen alhoewel wij het nog niet aannemen, doch te betreuren is het,
dat de heer Van Kinschot t. a. p. zijn »goede gronden" niet aanhaalt,
waarop hij meent, dat deze door de Romeinen gebouwd zou zijn, en hun
tot een wachttoren gediend zou hebben.
Wij voor ons, meenen zelfs goede gronden te kunnen aanvoeren, om te
beweren, dat het gebouw onzer beschrijving, niet door de Romeinen
gebouwd is, doch van uit de middeneeuwen en niet ouder dagteekent,
en dat het een verdedigingstoren, een wachthuis en gevangenis in of
bij »der stede muer" geweest zij.
Uitgenomen nog de vooronderstelling voor een verdedigingstoren uit de
middeneeuwen, mij ook mondeling door den zeer bekwamen archeoloog
Dr. Jansen, Conservator van het museum van Oudheden, te Leiden
medegedeeld, schijnt onze meening bevestigd te worden, uit den
stevigen bouw van het voorwerp onzer beschrijving--muren toch van
meer dan een Ned. el dikte, hebben nog al iets kunnen wederstaan.
De muren van dezen toren, waren van groote roode steenen opgetrokken,
en de Romeinen bouwden in ons land immers meestal van Duifsteen,
gelijk wij reeds vroeger hebben opgemerkt.
De Romeintoren [259] stond eertijds in, zeker echter aan der stedemuur,
en dit zet onze bewering niet weinig klem bij. Laat ons die stedemuur
eens zoo wel mogelijk volgen van de Linschoter tot aan de IJsselpoort
[260] ten tijde, dat de laatste, toen nog bij de Romeintoren stond,
dan zal over een en ander nog meer licht gespreid worden, indien
wij het aantal torens in der »stedemuur" vermelden, in 1542 nog in
dezelve aanwezig [261]
1 Linschoeten poort.
2 Toerentge aft adriae goessesz.
3 Toerentge aft 'tgastuys.
4 Nyeuwe toern.
5 Toerentge after Meeus Huygesz.
6 Dat outaer.
7 De Weerdenpoort.
8 Doode luydentoern.
9 Koentgestoern.
10 IJsselpoort.
De Romeintoren nu, stond zoo als wij reeds meermalen opmerkten, in
of bij de stadsmuur [262] aan de IJsselpoort. Van veel gewigt als
deze plaats was, uit een oogpunt van verdediging, zoowel om de poort
zelve, als de vereeniging van IJssel en haven, moest dáár vooral de
toren hecht en sterk van bouw zijn.
De meening, dat zij van Romeinschen oorsprong zou zijn, wordt dus
naar onze bescheiden meening door een en ander ontzenuwd. De naam
Romeintoren, gaf aanleiding tot deze vooronderstelling, doch al werd
in oude bescheiden, de nevens liggende brug niet dikwijls Remijnsbrug
geheeten, dat toch weinig van Romeinbrug heeft, dan nog zou de naam
Romeintoren, met eenig regt kunnen voorondersteld worden zijn oorsprong
te hebben, van eenig persoon die Romein of Remijn heette. Dat dit toch
geen zeldzaamheid was, zag men duidelijk hiervoren aan de benamingen,
toerentge aft' adriae goessesz en toerentge after Meeus Huygesz.
Wij hebben uit een en ander nu kunnen nagaan, dat de meening,
dat dit gebouw uit de middeneeuwen en niet ouder heugt, [263] en
gediend heeft ter verdediging, tot wachtplaats en gevangenis, naar
ons oordeel vrij voldoende gebleken is, 1. uit zijne gelegenheid,
2. uit zijne constructie en ten 3. uit de materialen waarvan het
gebouw was opgetrokken. [264]
Toen nu in later tijden, met de verandering der stedemuur in wallen,
al de torens, die zich van afstand tot afstand in de vesting bevonden,
verbroken werden, omdat men in de latere vestingplannen deze menigte
torens als onnoodig beschouwde, is het echter gemakkelijk te begrijpen,
dat de Gevangentoren gespaard bleef. De streek genaamd IJsselveere
werd, zooals bekend is, aan de vesting getrokken, alzoo kon er geen
sprake zijn, dat deze toren, om de aan te leggen vestingwallen moest
wijken, daar de laatsten nu langs deze zijde ongeveer 80 Ned. ellen
uitgelegd werden. Daarbij was hij immers hoogstwaarschijnlijk toen
reeds, gelijk nog in onze dagen, tot gevangenis bestemd, waarvoor zeer
pleitte, de donkere ronde kelder die wij reeds hiervoor beschreven
en ten tijde van zijnen opbouw daarin was aangebragt, zooals met het
grootste gemak was op te merken. Alzoo dan, nemen wij aan, dat zij
gespaard bleef tot in onzen tijd, èn omdat zij bij de uitlegging
der veste kon blijven staan, èn omdat men eene gevangenis steeds
noodig had.
Zóó bleef dan dit gebouw gedurende eeuwen achtereen in wezen en juist
daardoor was zijn ontstaan achter de graauwe tijdnevelen zoo duister
verborgen. Nogtans wij hebben gepoogd het twijfelachtige van »wanneer"
op te lossen in het bevestigende »toen"! Mogte het ons gelukt zijn! de
lezer oordeele.
Doch, de tijden veranderen, en de menschen met hen; nadat het gebouw
den sloopenden tand des tijds gedurende zooveel eeuwen had wederstand
geboden, moest ook hij vallen onder het vernielende staal des sloopers.
Te gelijk met het torentje van het St. Ursula convent en de Linschoter
en Waardpoorten werd in Augustus 1857 de Romeintoren tot afbraak
verkocht, en wel voor de som van 230,00 Gulden.
Reeds den 20 Augustus deszelfden jaars sloeg men den moker aan het
grijze monument. [265]--Weken en weken, heeft men op zijne breede
hechte muren moeten breken voor men aan den grondslag van het gebouw
genaderd was, als gedacht hij het doel zijner stichting, en, als
tergde hij zijne sloopers met vasten wil en fieren hoogmoed, gelijk
zoovele strijdlustige poorters uit het tijdvak van zijne geboorte,
zich voornamen en ten uitvoer bragten het leven zoo lang mogelijk te
rekken, doch ook zoo duur mogelijk te verkoopen.
de Hoofdwacht.
Zooals wij reeds opgemerkt hebben, bevond zich hoogst waarschijnlijk
eertijds de hoofdwacht in de bij de IJsselpoort liggende Romeintoren.
Stellig echter weten wij, dat zij aanwezig is geweest in de tweede
IJsselpoort, die later op het oude IJsselveer gebouwd is. [266]
Toen deze laatste echter in 1779 werd verbroken--hoewel later
weder opgebouwd--bouwde men in het zelfde jaar ten zuidoosten der
IJsselpoort, een uitsluitend tot hoofdwacht bestemd gebouw.
Dit net gebouwtje, dat nu aan de gemeente behoort, werd natuurlijk
als hoofdwacht nutteloos, toen Oudewater ophield, onder de rei der
vestingen te behooren.
Tegenwoordig wordt het door een stadsagent bewoond en er tevens eene
kleine nering in uitgeoefend.
Het voormalig Casteel of Slot.
»Dat alhier een kasteel of slot geweest is," schrijft de heer Van
Kinschot op bladz. 24, »getuigen vele schrijvers, en is ook zeker,
doch de tijd, wanneer en door wien het gebouwd werd, wordt nergens
gevonden."
Ook wij nemen zulks aan, doch brengen met dit bedoelde kasteel
niet in verband, gelijk voornoemde schrijver, de regelen van den
vaderlandschen historicus Matthijs van der Houven die gewaagt, »dat
in 't kasteleinschap van Oudewater op den IJssel het oude kasteel
plag te liggen, doch, dat het in zijn tijd niet meer in [267] wezen
was." [268] Deze regelen toch hebben betrekking op het kasteel te
Vliet in Roozendaal bij Oudewater dat op den IJssel ligt, en waarvan
de ruïne nog bestaat. [269]
Wij begrijpen te minder, hoe van Kinschot deze regelen van Van der
Houven op het Slot van Oudewater kon toepassen, daar hij reeds
op de volgende bladzijde (25) weder omtrent hare ligging--en nu
teregt--schrijft:
Dit Slot heeft eertyds gestaan aan de Noort-Oostzyde van de Stad, by en
omtrent dezelfde plaats, alwaar nu de Linschoter-Poort is gelegen. De
Regeering verzogt zyne Keyzerlyke Majesteit, als Graaf van Holland,
in het jaar 1533, om dit Slot tot eene Poort te maaken, het geen zy
verwierven, onder deze verbintenisse, van dat zy ten allen tyden op
de eerste aanmaning van zyn Keyzerlyke Majesteit of zyne nakomelingen
Graaven van Holland, die Poort van Linschoten op haare kosten weder
tot een Slot herstellen zoude, waarvan de verbindenis Luidt, als volgt:
»Wy Burgemeesteren, Schepenen, ende Raiden der Steede van Oudewater,
doen te weeten, ende bekennen mits deezen onsen Brieve, Dat Alsoe
die Keys: Majt. belieft heeft tot onsen ernstigen vervolghe ende
Sollicitacie te accordeeren. Dat die Poorte van Linschoten, in
voir tyden gemaict tot een Stercte of Slot, weder toegemaect sal
worden tot een Poirte van de voirsz: Steede, gelyk die in voertyden
plach te syne, mits dat wy 't selve becostighen souden, ende aan syn
Majt. reserveerende 't Logys van dezelve Poorte voir syne officier off
andertsins, ende mits oick, dat syne Majt. die voirsz: Poirte weder
sal mogen maken tot een stercte als 't zyne Majt. of zyne nakomelingen
Graaven van Hollandt believen sall, ende van als: geve onse behoirlicke
brieven, wy dancken zyne Majt. van desen voirsz: Consente ende Gracie,
hebben nair voorgaande Communicatie gehouden mitten Rycdom ende
Vroetschap derzelver Steede, beloeft hebben ende beloeven mits deesen,
dat wy der voirsz: Poirte sullen doen repareeren ende maken mit dueren,
valle bruggen, ameyden ende anders ter ordonnantie van mynen Heere,
Heeren Anthonis van Lalaing, Grave van Hoochstraaten heer van Montigm:
en Stadthouder Gnrael: der voirsz. Landen van Hollandt of zyne E:
Gecommitteerde als van nooden weesen sal ome: daar duer vuyt en:
in der voirsz: Stede te ryden en passeeren: behouden den Keys:
majt. 't Logys van den voirsz, Poirte tot zyne Majt. beliefte, ende
diezelve Poirte zyn, Keys: Majt. of Nakomelingen te laten volgen,
ome: dair van een Stercte weder gemaict te werden als wy dair toe
van syne Majt. of syne Erffgenaamen wegen vermaant sullen worden,
sonder daar tegens te doen in eenigerleie manieren.
»Des 't oerconden, hebben Wij Burgemeesteren, scepenen en Raeden
der Voersz. steede, onser steede zegel hier aangehangen den achtsten
dach van April in 't jaer ons Heeren duijsend vijf honderd drie en
dertich na scrijven der kerk van Utrecht ende ons voorsz. steede,
ende stonde onder geteekend