dat is:
Door dit teeken zult gij overwinnen.
Om op eenige volledigheid te kunnen aanspraak maken, mogen wij niet
onvermeld laten, dat wij nog ten vorige jare een locaal in zeker
huis hebben bezigtigd, staande op de have niet ver van de markt [195]
waarin, naar ons werd medegedeeld, eertijds--eveneens ter sluiks--de
Mennonieten bijeenkwamen om hunne eerdienst uit te oefenen.--De
zekerheid, dat het Mennonieten waren durven wij echter niet uitmaken,
doch bepaald, konden wij aan eenige versieringen nog bemerken, dat
er eerdienst in uitgeoefend is.
De christelijk afscheidenen in deze plaats woonachtig, vergaderen
tot het uitoefenen hunner godsdienst, in zeker woonhuis [196] op het
Roodzand, dewijl de gemeente hier niet zoo vele leden telt, dat er
eene kerk gesticht worde en een predikant aangesteld om haar geregeld
te bedienen.
De Israeliten die hier gedomicilieerd zijn, bezitten--eveneens om
hun gering aantal--geen Synagoge, daarom vergaderen zij in plaats
daarvan sedert een aantal jaren in een woonhuis [197] staande op
de Korte donkere Gaard. Hun aantal is zelfs zoo gering alhier, dat
zij bij sommige gelegenheden genoodzaakt zijn, Israelieten van eene
andere plaats te ontbieden, om naar eisch hun feest te kunnen vieren
en uitoefenen.
En hiermede mijne lezers is de beschrijving van de reeks kerkelijke
gebouwen ten einde, wij noodigen u nu eerst, met ons weder eenige
eeuwen terug te gaan, daar de beschrijving der geestelijke gestichten
die hier eertijds in zoo ruime getale aanwezig waren, ons toeft.
Bij die beschrijving, zullen wij ons ten regel stellen, eerst de
geestelijke gebouwen enz. te beschrijven, om daarna tot de gestichten
over te gaan, die ontstonden, uit bijzondere en algemeene kosten tot
liefdadig doel.
Het voormalige klooster der zusteren van Sinte Lijsbeth of van
St. Agnes in Oudewater.
AANKOMST EN EERSTE BIJZONDERHEDEN DEZER ZUSTEREN ALHIER. LIGGING VAN
HET KLOOSTER.
»Wij hebben" zegt de heer van Kinschot, op bladzijde 58 zijner
beschrijving van Oudewater, »met zekerheid ontdekt, dat hier een
klooster van de zusteren van Sint Lijsbeth van de derde orde, even
als in 's Gravenhage geweest is; doch, geen het minste overblijfsel
daar meer van overig zijnde, kunnen wij alleen ten bewijs aanhalen,
den voorrechtsbrief, door Hertog Philips, als Graaf van Holland op het
verzoek van eenige geordende geestelijken, op den 17den van Lentemaand
des jaars 1452 aan dezelve gegund, waarnaar zij zich voegen, schikken
en gedragen moesten."
Genoemde schrijver is al zeer karig met het mededeelen van
bijzonderheden, omtrent dit convent, en het »bewijs" van derzelver
bestaan in Oudewater door hem aangevoerd, mogen mijne lezers niet
als zoodanig aannemen, aangezien deze zusters in 1452 niet meer in
deze plaats aanwezig waren; doch loopen wij onzen tijd niet vooruit,
wij zullen deze zaak later van zelf opgelost zien.
In de beschrijving van het naburige Schoonhoven door H. van Berkum,
vindt men de aankomst der zusteren alhier, aan het hoofd dezes
aangeduid, vermeld. De oorzaak, dat zulks in de beschrijving van
Schoonhoven te vinden is, ligt hierin, doordien voornoemde conventualen
van Schoonhoven naar Oudewater zijn gekomen. Zien wij dus, wat van
Berkum daaromtrent heeft geboekstaafd.
»Van het klooster [198] van sinte Lijsbeth, en van de Beggijnen
of Sustern, op de oude Haven, moet men geen twee kloosters maken,
gelijk ik ergens gevonden hebbe, het was er maar een, onder deze
verscheidene namen bekend.
»Het regte jaar van deszelfs stichting is mij onbekend; in het
jaar 1375, was er niet, als één klooster te Schoonhoven dat der
Carmelieten; het is zeker, dat in het jaar 1399, er al twee woningen
voor geestelijke vrouwspersonen waren, die van de susters op de oude
Haven, en die van St. Agnes in de koestraat, waaruit in dit voornoemde
jaer (1399) susters gestuurd werden naar Oudewater.
Het zal mijne lezers nu welligt duidelijk zijn, waarom wij
hiervoren ter neder stelden, dat de geestelijke dochters, òf
zusters van St. Lijsbeth, òf van St. Agnes zullen zijn genoemd
geweest, eene verwarring hoogst waarschijnlijk ontstaande, doordien
haar klooster of beter hare orde naar St. Lijsbeth was, en hare
bidkapel aan St. Agnes gewijd geweest zijn zal, of omgekeerd. Deze
zelfde verwarring verbeterde reeds hiervoren de Heer van Berkum in
Schoonhoven, en daarbij weten wij immers zeker, dat het St. Ursala
convent in Oudewater, waarover wij later breedvoerig zullen schrijven,
eveneens zijn naam verschuldigd is, aan de patrones van de kapel
der conventualen, die naar den derden regel van St. Franciscus
leefden. [199]
Als aanleidende oorzaak nu, waarom deze zusters uit Schoonhoven naar
Oudewater weken, vinden wij in de oudheden van Rijnland vermeld,
dat zij om de oorlogen, (de Hoeksche en Cabellaauwsche twisten)
die het platteland onveilig maakten naar Oudewater trokken. [200]
En nu mijne lezers zullen wij eenige bijzonderheden vermelden,
omtrent het hoe en waar, van deze hare vestiging in Oudewater.
Hiervoor staat ons ten dienste de copij van een handschrift,
medegedeeld in de oudheden van Rijnland bladz. 457, 458 en 459,
en uit het klooster Marienpoel bij Leijden van oorsprong.
»In 't jaer ons Heeren 1399 doe sende Heer Vrederik die Biechter der
susteren van Scoenhoven op de oude haven, en de Heer Claes, Biechter
der susteren van Sint Agnieten te Schoonhoven in die koestraat die
eerste zusteren wt horen huse, daer onse susteren voert wt gesproten
zijn, ende alre eerst vergaderdese int heilige leven te Oudewater
ende daer na vergaderdese bij Pieter Aven zoen over de sluse. [201]
Daerna int jaer ons Heeren 1412. doe coft suster Clemens Gelis dr. onse
eerste mater in die derde oerde, gheboren van eerbaren ouders van
Scoonhoven, die Husinghe, die den Heer van Vliet toehoorde, die stont
in de capelstraat daer hi ons goedertierenheit in bewijsde om der
wil zijnre vrouwen, die hoor suster Ariaen Jans dr. in onse Cloester
brocht. In corte jaren daerna scoet Jan Melisz. husinge boven wt,
dattet op onse werf vallen woude, dat men met balken onderscoerde,
ende dese husinge coften wi, ende van dat voerhuis ande straat wort
ons capel ghemaekt [202] ende after daeran onse butenhuus. After
teghen de stede muer [203] langhes onse werf lieten wi een steenen
huus timmeren, daer wi inweefden, bacten ende brouden, en de torfden
en de verpenscot. [204] Daer voer dat huus stont enen sconen put di wi
lieten graven, daert water in ende wt vloeide ende ebbede, door een
zijl [205] wt d ijssel. Bisiden den put hadden wi enen sconen viver
laten graven, daer wi visch in hielden. Andie ander zijde van onse
werf coften wi Heer Bertelmeus [206] husinge, ouse cureit, dat was ons
priesters husinge, onse reventer [207] ende sieccamer ende koken. Oec
coften we Ouwerogs husinghe met enen bergh, daer susteren in woonden
die den beesten en de tsuvel bewaerden, die door een poort met een
slot in quamen eten, noch coften we 2 husinge, dat voorhuus stont an
de Capelstraat, ende dat after huus stont an onse werf, met een berch."
Uitgenomen de voornoemde bijzonderheden staan in het gemelde stuk
nog de volgende giften aan het klooster vermeld:
»In 't jaer ons Heeren 1413 sterf Peter Ave soen, op Sint
Lambrechtsavond, die onse susteren eerst versamende, behalve
menigherlei goedicheit die hi ons dee, so gaf hi ons 25 nobel ende
5 pont tsjaers ewighe rente, 15 groot voer een pont."
Ziet hier mijne lezers, u met onze beste pogingen op de hoogte gebragt
omtrent den oorsprong van dit convent in Oudewater. Uit een en ander
hebben wij gezien, op wat een aanzienlijke hoogte deze zusteren het
in korte jaren gebragt hebben, immers wij zagen het klooster reeds
de aanmerkelijke ruimte beslaan, van de westzijde der kapelstraat
bij het heilig leven tot aan het tegenwoordig zoogenaamde klooster,
bij de oude vestingmuur der stad. Achter al deze huizen was eene
aanzienlijke ruimte, zoodat zij te over gelegenheid hadden, die
bedrijven uit te oefenen, door ons hiervoren uit het stuk van de
oudheden van Rijnland gecopierd.
Zij die in Oudewater bekend zijn, en iets van zijn geschiedenis
weten, zullen mij welligt tegen voeren: al deze bijzonderheden daar
vermeld, omtrent de ligging van het klooster enz. hebben betrekking
op het verblijf van de zusters naar den 3 regel van Sint Franciscus
van penitentie, gewoonlijk naar het kapelletje, dat aan Sint Ursula
gewijd was, het St. Ursula convent geheeten. Het is zoo mijn lezer,
gij hebt gelijk, doch ook mijne mededeelingen zijn juist. Laat ons
het duidelijk maken.
Nadat de zusteren van St. Lijsbeth of van Sint Agnes, van het jaar
harer komst in Oudewater onder denzelfden naam, en onder dezelfde
orde als in Schoonhoven, ten minste hoogst waarschijnlijk, daar heen
leefden, was het in Anno 1414, dat Hertog Willem, Graaf van Holland
toestond, dat genoemde zusters, uit de kapelstraat, »die leefden in
een' woning en Hofstadt die Heeren Jans van den Vliete plachte wesen,
ien besloten Cloester en convent van Sint Franciscus oerden, geheten
van penitentien sullen mogen funderen, timmeren, enz.
Het is dus nu duidelijk geworden: de zusters uit Schoonhoven van
St. Lijsbeth of St. Agnes, werden ten onzent in 1414 zusters naar den
derden regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk zooals
wij reeds opmerkten, bekend onder den naam van het St. Ursula Convent.
Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar
den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie.
Nadat wij den oorsprong der zusters alhier uit Schoonhoven nagingen,
is de geleidelijkste overgang voor het beschrijven van het St. Ursala
convent, onzes inziens de mededeeling van de inhoud des briefs,
waarbij Hertog Willem het aannemen en de stichting van dit convent
naar de orde van St. Franciscus, oorlooft en consenteert, en al
dadelijk gaan wij dus hiertoe over:
»Willem by der Genaden Gods Palsgrave op den Rijn Hertoch van Beyeren,
van Henegoën, van Holland, van Zeeland ende Heer van Vriesland dan
cont allen leuden, dat wy om Godts wille aangesien zelicheit onser
en onser ouderen ziele, en om den dienst Godts allerwegen te meerren
geoorloft en geconsenteert hebben, verloven en consenteren met desen
brief, dat de vrouwe persoenen by de maegeden en weduwen in onser
steede van Oudewater in de Capellestraet in een woninge en hofstadt,
die heeren Jans van der Vliete placht wesen een besloten cloester en
convent van Sint Franciscus Oerden geheten van penitentien sullen mogen
funderen, timmeren en volbrengen in der woningen voorsz. en hem daarin
laeten besluiten na manieren en de ordonnantien des voorz. oerden,
als daartoe behoort, ende nemen dit voorsz. clooster en convent
met haren goederen en personen daartoe behoorende in onser hoede en
bescherminge, gelikerwijs en in alre manieren als wy anderen cloesteren
ende Godtshuisen in onsen lande liggende genomen hebben, en omdat wy
dit vaste en gestade gehouden willen hebben, voer ons en voer onse
nacomelingen, so hebben wy desen besegelt met onsen segele, gegeven
in den Hage op ten eersten dach in Septembre Ao MCCCC en vierthien."
Dit klooster, stond onder het opzigt van het kapittel en de bisschoppen
van Utrecht, terwijl de broeders van het gemeene leven, doorgaans
minderbroeders genaamd er het bestuur over hadden. [208]
Stil en vreedzaam, leefden deze zusters eenigen tijd in het nederige
Oudewater voort, en wij mogen vooronderstellen, dat hunne inkomsten
in korten tijd aanmerkelijk vermeerderden, zeer gezind als men in
die tijden was, giften aan dergelijke gestichten te schenken, ten
minste in meergemeld handschrift uit het klooster Marienpoel vinden
wij nog vermeld: »Leye Wittender sterf in 't jaer ons Heeren 1418 op
Sint Katrinedach, si gaf ons (het convent van Oudewater) in aelmissen
18 engelsche nobel."
Niet lang echter mogten zij zich op deze ruste beroemen; donkere
wolken van onrust en woeling betrokken den politieken en kerkelijken
horizont van Holland en Utrecht en... de zusters van het St. Ursala
convent moesten vlugten uit Oudewater. Om dit echter duidelijk te
maken, is het noodig, dat ik den vriendelijken lezer verzoek, met
mij de aandacht eene wijle te bepalen op zaken en gebeurtenissen,
die wel niet in Oudewater voorvielen, doch den grootsten invloed op
het convent moesten hebben.
Na den dood [209] van den Bisschop Frederik van Utrecht in
October 1423, [210] werd het kapittel in de daaraanvolgende maand
bijeengeroepen tot het verkiezen van een anderen bisschop, waartoe
zich dan ook verscheidene mededingers opdeden. Rudolphus van Diephout
kanunnik te Keulen en Walravus van Meurs, kwamen onder allen het
meest in aanmerking--Rudolph bekwam de meeste stemmen en werd alzoo
tot bisschop gekozen. [211] Beide zonden echter gezanten naar Rome
om de bevestiging van den man hunner keuze van Paus Martinus de V
te erlangen. Aan geen der beide partijen mogt dit echter gelukken en
dientengevolge droeg kort daarna de paus het bisdom van Utrecht op,
aan Raban, Bisschop van Spiers. [212] Toen deze echter vernam, dat het
Sticht in hevige partijschappen verdeeld was, liet hij zich gemakkelijk
bewegen, om zijn regt over te staan, aan Zwederus van Kuilenburg,
die hem daarvoor zijn domproostdij opdroeg. Ook de paus nam hierin
genoegen en Zwederus werd bevestigd als bisschop van Utrecht. Dan,
hierop volgde een openbare scheuring in het Sticht. De geestelijkheid
der stad Utrecht onderwierp zich aan 's pausen besluit en erkende
Zwederus voor bisschop. [213] Doch het overige gedeelte van het Sticht
bleef Rudolf aanhangen.--De paus aldus in zijn bediening gekrenkt,
verbood alle kerkelijke diensten, in zulke plaatsen des bisdoms,
daar Zweder niet erkend werd, en sommigen eerbiedigden dit bevel uit
ontzag voor den paus, terwijl anderen de dienst bleven waarnemen. [214]
Zweder intusschen, had zich meester gemaakt van het slot ter Horst,
en noodzaakte eerlang de steden Amersfoort en Rhenen en ten laatste
ook de stad Utrecht hem als Bisschop binnen zijne muren te nemen,
zooals hij dan ook in Augustus 1425 zijnen intogt in laatstgenoemde
stad deed en er gedurende tien maanden verbleef. Daarna verbond
Zwederus zich met de Kabellaauwsche partij in Holland inzonderheid
met zijne nabestaanden: Jan en Willem van Egmond en sedert ook met
Philips, hertog van Bourgondie, die terstond pogingen aanwendde,
om den aanhang van Rudolph en de vrienden der Hoekschen in het
Sticht, met geweld aan te tasten. Door een en ander, maakte Zweder
zich binnen kort zoo gehaat in Utrecht, dat men een toeleg smeedde,
om hem uit de stad te houden, en Rudolphus in den bisschoppelijken
zetel te herstellen, dat in den zomer van 1426, door beleid van Jan
van Renesse van Rijnouwen gelukte. [215] Rudolph werd eerst door de
Ridderschap en de stad Utrecht en door de Ridderschap en de steden
van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid, tot postulaat,
Ruwaard en Beschermer van het bisdom aangenomen [216] en Zweder alle
Regtsgebied ontzegd. De laatste vestigde sedert elders den stoel des
bisdoms en werd in het algemeen, door den Kabellaauwschen aanhang,
voor wettigen bisschop erkend. [217]
Rudolph, die nu in het Over en Nedersticht volkomen meester was,
verbond zich met vrouwe Jacoba en de Hoekschen [218] en haalde zich
hierdoor den haat van hertog Philips op den hals.
Tot zoover mijne lezers heb ik u moeten brengen, om het vertrek der
zusters in 1428 uit het St. Ursala convent van Oudewater, wel te
kunnen begrijpen.
Oudewater toch erkende immers nog een laatstgenoemd jaar vrouwe Jacoba
als gravin, doch deze was zooals wij zagen de partij van Rudolph van
Diephout toegedaan, en Diephout met zijne aanhangers was door paus
Martinus de V tot den geestelijken ban veroordeeld. [219]
Wat moesten onze conventualen nu doen? Ongehoorzaam zijn aan
den paus wilden zij niet, en in Oudewater blijven, en een anderen
bisschop erkennen als de gravin die haren scepter nog over Oudewater
zwaaide, konden zij niet. Zij werden dus genoodzaakt om te vlugten,
doch waarheen? Natuurlijk naar het gebied van Hertog Philips van
Bourgondie, die den bisschop aanhing, die zij erkenden, Zwederus van
Kuilenburg. [220]
Nu leefde er in dien tijd in Leiden een zeer vroom en edel man,
Boudewijn van Zwieten genaamd, en de mare van zijn weldoen, had zich
tot in het nederige Oudewater verspreid. Ook deze was het met den
Hertog en Zwederus eens, en het was dus niet te verwonderen, dat de
vlugtende zusters uit het convent van Oudewater, naar hem de wijk namen
en hem smeekten, medelijden te hebben met haren toestand. De echtgenoot
van Heer van Zwieten voegde ook haar verzoek, bij dat der nonnen
en van Zwieten besloot hierop de zusters voorloopig huisvesting te
geven. [221] Hare aankomst te Leiden had plaats op 20 Maart 1428. [222]
Onze kloosterlingen hebben ons nu reeds zoo veel belang ingeboezemd,
dat wij niet kunnen nalaten, haar nog eenigen tijd elders te volgen.
Nadat de nonnen bij Van Zwieten huisvesting hadden bekomen, peinsde
hij ernstig na over de toekomst der conventualen, eenmaal onder zijn
bescherming staande. Al spoedig was zijn plan een ander klooster voor
deze zusters te stichten, tot zoodanigen graad van rijpheid gekomen,
dat hij na verlof van den pastoor van Oegstgeest en bevestiging van
dit verlof, door den bisschop van Utrecht, in 1431 reeds een zoodanig
gebouw onder Oegstgeest had laten bouwen, en deze bouwing was reeds
in het volgend jaar harer ontvlugting, in 1429 begonnen.
De eigenlijke plaats waar het klooster gesticht werd heette toen
Paddenpoel--Moerassig als de grond was, denkt men in de oudheden van
Rijnland, dat deze plaats dus genoemd werd, naar deze amphibien, die
doorgaans op zulke moerassige plaatsen in menigte gevonden worden;--hoe
het echter zij, stellig weten wij, dat de Heer Van Zwieten na de
stichting van het klooster aldaar, deze weinig aestetische naam heeft
laten veranderen, in Sinte Marienpoel of onzer Liever Vrouwenpoel en
wel op bevel van Zwederus in 1429.
Aan dit klooster werd deze wet voorgeschreven, dat het getal der
geprofesside nonnen niet grooter dan veertig zoude zijn, en, dat er
niet meer dan tien leeken of buiten zusters zouden aangenomen worden,
ten waar, dat het algemeen kapittel, en hij (Van Zwieten) het bij
zijn leven ook anders mogten verstaan. Ook moesten de nonnen, die
zoo als wij weten in Schoonhoven en Oudewater tot in Ao. 1414 zusters
van St. Lijsbeth of Sint Agnes heetten en nader in Oudewater leefden
naar den derden regel van St. Franciscus, daar sedert de gelofte doen,
te leven als Reguliere kanonnikessen naar den regel en de instelling
van St. Augustinus. [223]
De stichtingbrief was door den Heer Van Zwieten bezegeld, en op dat
deze brief te grooter kracht zoude hebben, heeft hij Willem Klinkaert,
prior in het klooster den Hem buiten Schoonhoven en Herman Jansz. prior
van het klooster te Stein bij Haastrecht die tot bezigtigers van dit
klooster aangesteld waren, verzocht, hun zegel ook aan dezen brief
te hangen. Dit alles heeft van Zwieten dus gedaan, op het feest van
Vrouwen Lichtmis in het jaar 1431.
Uit dezen merkwaardigen brief, die wij om zijne uitgebreidheid niet
in zijn geheel mogen overnemen [224] ziet men tevens, dat de reden
van deze stichting was eene groote Godsdienstzin, dat hij nog »28
merghen lants, luttel min of meer" enz. met het klooster, het convent
in eigendom schonk en de voorwaarden waarop dit plaats greep, dat hij
in het klooster eenmaal wilde begraven zijn, en wat men voor de ruste
zijner ziel en die zijner familie aldaar zoude bidden, doch wij zien
er uit een zekere zinsnede ook tevens, hoe groot de nood was toen de
conventualen vloden uit Oudewater.
Daarna volgt in meergemelde Rijnlandsche Oudheden een breedvoerige
brief van de vermelding der landerijen en inkomsten, die hij aan dit
klooster bewezen heeft. [225]
Voorts bleek het den schrijver uit een ander stuk, dat Boudewijns
zonen de stichting van hunnen vader bevestigd hebben.
Ook Philips, Hertog van Bourgondie en Graaf van Holland heeft niet
alleen gemelde stichting in 1445 binnen de Haag bevestigd; doch er
zelfs nog eenige gunsten aan toegevoegd, waarvan de voornaamsten
eveneens aldaar genoemd worden.
In 1516 deed Keizer Karel als Graaf van Holland hetzelfde als Philips
in 1445--en zóó steeg dit klooster in luister, dat toen meester
Coenraad Pietersz. 's konings gezworen Landmeter in het jaar 1570 op
het verzoek van den pater de grootte der landerijen opnam, hij bevond,
dat dezelve 275 morgen 87 roeden was.
Dit convent heeft, zoo als uit een doodboek daaraan behoorende, bleek,
onder zijne nonnen mogen hebben, dames uit de edelste geslachten
van Holland zoo als uit de Duivenvoorden, Poelgeesten, Alkemaden,
Boekhorsten, IJsselsteins, Wassenaars en eene menigte anderen. [226]
Zie daar mijne lezers, u in breede trekken geschetst, hoe dit convent
uit Schoonhoven en Oudewater gesproten, opkwam en in luister steeg,
ook nadat de vlugtende nonnen uit Oudewater er het eerst haren
intrek namen.
Het wordt echter tijd, dat wij ons spoeden van Marienpoel naar het
in 1428 verlaten klooster in Oudewater.
In het zelfde handschrift waarvan de inhoud door ons op bladz. 227-229
hier voren is medegedeeld, en die zooals wij daar zien kunnen,
betrekking had omtrent het hoe en waar, van het verblijf der zusteren
in Oudewater vóór derzelver vlugt naar Leiden, vinden wij het volgende
vermeld:
»Int jaer ons Heeren 1430, coften die susteren van Over Issel al deze
voersz. husen metten erfrenten daer wise mede ghecoft hadden en de
mitten lijfrenten die wi daer op vercoft hadden." [227]
Hieruit ziet men dus, dat ons convent uiterlijk ongeveer 2 jaren
tijds zonder kloosterlingen zal geweest zijn, daar de ontruiming in
1428 plaats had, en de verkoop aan de zusters van Over IJssel in 1430
geschiedde: immers, dat die zusters een convent zullen hebben gekocht
en het niet, nog in hetzelfde jaar zullen betrokken hebben is slecht
te vooronderstellen.--Wij worden te meer genoopt, dit aan te nemen,
indien wij de gebeurtenissen nagaan, in 's lands historie bladen.
Vroeger toch hebben wij reeds opgemerkt, dat toen Jacoba met Rudolph
een partij uitmaakten zij zich hierdoor den haat van Hertog Philips
op den hals haalde, doch nadat de Cabellaauwschen veeltijds met groot
geluk streden, werd volgens sommigen, [228] de vrede tusschen Hertog
Philips en Rudolph van Diephout [229] in den winter van het jaar
1428 getroffen; doch men sloot toen en nader, meermalen slechts een
bestand. [230] Uit het oorspronkelijk verdrag [231] toch, ziet met
zekerheid, dat de vrede niet voor Ao. 1430 geteekend werd.--Alzoo
hetzelfde jaar, dat de zusteren van Overijssel het klooster van
Oudewater kochten.
Neemt men nu echter in aanmerking, dat de strijd tusschen Van
Kuilenburg en Van Diephout in voornoemd jaar echter nog niet ten einde
was [232], en dat Van Diephout reeds vroeger door de Ridderschap
en steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid tot
postulaat, Ruwaard en beschermer van het Bisdom aangenomen werd, en
Zweder alle regtsgebied ontzegd, dan zou men bijna tot gevolgtrekking
mogen komen, dat deze pas aangekomen conventualen, de partij van
Rudolphus van Diephout waren toegedaan.
Langzamerhand echter geraakte eenige jaren daarna er een einde aan
deze kerkelijke twisten (zie de noot hier beneden) en reeds in 1446 was
het klooster ook in Oudewater tot zoodanigen trap van aanzienlijkheid
gestegen, dat Philips Hertog van Bourgondie als Graaf van Holland
toen de volgende ordonnantie rigtte, tot wering der erfenissen van
de geordende personen te Oudewater.
Genoemd stuk, had echter volgens den Heer van Kinschot wel het meest
betrekking op de geordende naar St. Franciscus, dus op het St. Ursula
convent.
Philips &c. want binnen onse voorschreve Landen binnen corten jaeren
gefondeert, gemaeckt, ende begrepen sijn soo veel kloosteren,
ende vergaderingen van Regulieren, ende Regulierissen, ende van
broederen, ende susteren van Sinte Franciscus Orde, dat veel te
veel is nae grootheyt van onze voorschreve Landen, ende noch dagelyx
meer van den selven begrepen worden; in welcken cloosteren, huyzen,
vergaderingen die persoonen van den selven soo wel Vrouwen, als Mannen,
meest alte neringen, ende ambachten doen dat onbehoorlyk is ende hoe
wel sy aldus geoirde, ende begeven luyden syn, off wesen souden, sy
hebben hem tot deser tyt toe willen bewinden erve te nemen van haeren
ouderen, ende dat erfelyk te gehouden, sonder weder uyt te erven,
ende indien dat dat alsoo lange staen soude, sonder voersienicheyt
daar op te hebben, sy waeren geschepen, mits dat soo veel syn, binnen
korten jaeren gemaeckt, alle die landen te getoigen, daer by dat wy,
ende onse nacomelingen onse diensten verliesen mochten, ende oock
onse arme gemeynte, ende ondersaten neringloos worden souden, soo
wel binnen Steden als daer buyten, Ende om hier in te voorsien van
behoorlyke remedie, soo waeren bij onsen gemeenen Rade, Ridderschap,
ende Steden onser voorschreve Lande, van Hollandt van Zeelandt ende
van Vryeslandt geordineert seeckere commissarise, die welcke alle den
staet van den voorschreven georden, ende geestelyken personen oversien
souden, ende dair nae te ordineren op dat getal, ende grootheyt van
den huysen ende vergaderinge van dien, ende oock te oversien haer
richeyt, ende renten, ende daer nae te voegen, hoe ryk sy souden
wesen om hoeren staet eerlyk, ende redelyk te houden, ende oock goede
redelyke ordonnantien met hem te maken ende te overdragen, hoe, ende in
wat schyn sy voortaen erven souden, innemen, ende uytgeven ende oock
by testamente, op dat in toecomenden tyden tusschen hem, ende onsen
waerlycken ondersaeten, niet meerder geschils, noch ongevals gebueren
en soude, die welcke commissarissen hadden begonnen voor hem te doen
comen, ende ombieden die overste van sommighen van den voorschreven
cloosteren, ende vergaderinghen hem op doende die manieren van den
voorscreven ordonnantien maer alsoo 't scheen, soo en hebben sy hem
in geenre manieren willen ontdecken den staet van hoeren cloosteren,
noch goeden, meynende altoos te blyven in hoeren opsette, om erve
te nemen, ende alsoo alle die landen, renten, ende erven van onsen
voorschreven landen te rapen ende onder te slaen ende oock met haeren
neringen, ende ambachten onse waerlycke ondersaeten neringlois te
maecken ende den arbeyt, ende ambachten te ontrecken, 't welcke ons
om der redene wille vooschreven, ende oock om andere waerachtige,
ende merckelyke redene daertoe dienende in geenrewys langher te lyden
en staet, Ende hebben daerom gheordineert, overdraegen, ende gesloten,
dat voortaen geen gheoirde luyden, van wat orde dat sy syn, in onsen
Landen van Hollandt, van Zeelandt ende van Vrieslandt erve nemen en
sullen van haeren ouderen maeghen noch vryenden in eenigher manieren,
noch oock niet meer lande, noch erve en sullen koopen noch vercrygen
bij testament, noch anders in onse voorschreve landen binnen Steden,
noch daer buyten, tot der tyt toe dat die voorsz. gheoirde luyden,
by den Commissarisen daer toe gheordineert geweest, off haeren
gemachticht ghesent hebben sullen om met hem een overdrachte, ende
ordinantie te helpen ordineeren, hoe, ende in wat schyn zy voortaen
erven, ende hem hebben sullen in den punten voor verclaert, Ende op
dat dit eenen yegelyken kondich wesen mach, Soo ist, dat wy ombieden,
ende beveelen allen onsen Baenridsen, Ridderen, Knapen, Steden,
Bailjuwen, Drossaten. Officieren, ende ondersaeten over al in onse
voorschreve landen van Hollandt, van zeelandt, ende van Vrieslandt
binnen Steden, ende buyten daer desen onsen bryeff gethoont sal
worden, dat sy den selven onsen bryeff openbaerlyck doen kondigen,
ende ghebieden op dat een yegelyck hem daer nae mach weten te rechten,
ende dat sy niet en gehengen dat eenige geoirde luyde voortaen erve
nemen, noch eenighe lande, noch erve meer en copen, noch en nemen by
testamente off anders, want dat onse eyntlycke meyninge, ende welle is,
In Oirconde &c. Gegeven op den acht en twintichsten dach in Octobri,
Anno ses en veertich. (1446.)
Op dezen brief, die wij uit van Kinschot overnemen, volgt eene
andere ordonnantie van Philips die den 17 Maart 1452 aan de zusters
van St. Lysbeth in 's Gravenhage gerigt werd, waarin verzachtende
omstandigheden op den vorigen brief in voorkomen en zij geinstrueerd
worden, hoe zich omtrent het uitoefenen harer bedrijven te gedragen
en hoeveel bezittingen zij mogen hebben--achter de originele brief
stond geschreven:
De zusteren tot Oudewater hebben eenen brief van Woorden tot Woorden
als der zusteren brief van Sint Lysbethen zusterhuis in den Haghe ende
desen brief van der zusteren tot Oudewater is van der dato veerthien
daghe in Maert Anno XIIIJc.--LXVJ. na den loip 's Hoefs.
En dezen brief nu haalt van Kinschot aan, om te bevestigen, dat in
Oudewater zusteren van St. Lysbeth geweest zijn--hij kan er echter
volstrekt geen betrekking op hebben, daar wij immers zagen, dat de
nonnen van St. Lysbeth of van St. Agnes reeds in 1414 deze orde
verlieten, voor die van den derden regel van St. Franciscus.--De
oorzaak zijner dwaling is onzes inziens gemakkelijk te begrijpen; hij
heeft zich laten verleiden, door dat de zusters van St. Lysbeth uit
's Gravenhage zoodanigen brief kregen en de zusteren van Oudewater 4
jaren later een zelfden--er wordt daarin echter kortweg van zusteren
gesproken, zonder vermelding der orde waartoe zij behoorden; men
beschouwe alzoo dezen brief als gerigt, tot de zusters van het Ursula
convent, dat wij in dit hoofdstuk beschrijven.
Het aantal conventualen, zal aanmerkelijk toegenomen zijn, immers
wij moeten het bijna hieruit opmaken, door dien er in Ao. 1572 een
groot gedeelte van dit convent naar Utrecht ging. De stadsrekening
van dat jaar toch, vermeldt eenige onkosten voor dezelver onderhoud
aldaar betaald; echter belettede deze delogering niet, dat er in het
jaar 1575 een aanzienlijk aantal zusters in het klooster waren.
Op het gemeente-archief is aanwezig, een register van boekhouding van,
en aanteekeningen omtrent de landerijen en erfpachten en renten van dit
convent, over de jaren 1538-1559 en van 1578 tot 1579. De inzage dezer
stukken doet ons zien, dat die bezittingen zeer aanzienlijk waren.
Volgens resolutie der Staten van Holland dd. 23 Mei 1577 moesten
de goederen van dergelijke gestichten, aan iedere stad daar dezelve
gevonden werden, in eigendom komen. Men heeft echter alhier niet zeer
spoedig gevolg aan de uitvoering dezer resolutie gegeven, immers eerst
den 10 Junij 1582 (dus na een tijdsverloop van ruim 5 jaren) werd
door de regering van Oudewater en de conventualen, eene conventie
ten deze gesloten, waarbij aan de laatsten, voortaan een bepaald
jaarlijksch inkomen zoude worden uitgekeerd, dat tot dezen tijd toe,
niet geregeld was geschied. Bij deze overeenkomst werd de ouderdom
tot grondslag genomen en tevens bepaald, dat bij overlijden van eene
der zusters, dit eene verhooging van inkomsten voor de overblijvenden
zouden ten gevolge hebben. (Zie hier achter.)
Eene echter, was er in het convent, die met zeer veel onderscheiding
bejegend werd, namelijk de procuraetster Emmetje Goossensdochter,--en
geen wonder: toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden en innamen,
was zij het voornamelijk, die troost bood waar troost te bieden was,
en smarte lenigde waar smarte te lenigen was, en o wij weten het uit de
historiebladen, de nood was er zoo hevig en de angste was er zoo groot!
Deze Emmetje Goossensdr., wordt dan ook inzonderheid in diverse
resolutien van den magistraat geroemd, om de getrouwe diensten door
haar bij den overval bewezen en haar pensioen is uit dien hoofde
meermalen verhoogd geworden, als anderen deze onderscheiding niet te
beurt mogt vallen.
De bezittingen van het convent werden »apart" geadministreerd en
de pater, mater, procuraatster en leden (hierna te noemen) bleven
den 25 Augustus 1584 borg bij de regering, voor hunnen rentmeester
Jan Jansen Coppert. Beide originele stukken: het laatste door al de
conventialen onderteekend, berusten ter secretarie.
Bij de opheffing dan van dit St. Ursala-convent, vinden wij vermeld,
dat er in waren de navolgende conventualen:
Pater. Jan van Alerdinck.
Mater. Marrigje Willemsdochter de Lange, oud 52 jaren.
Procuraetster. Emmigje Goossensdochter, » 52 »
Zusters. Tryntje Thonisdochter, » 83 »
» Geertje Jansdochter, » 60 »
» Tryntje Simonsdochter, » 34 »
» Heiltje Willemsdochter, » 48 »
» Anna Pietersdochter, » 56 »
» Pietertje Pietersdochter, » 31 »
» Marritje Gysbertsdochter, » 36 »
» Machteld Gysbertsdochter, » 31 »
» Marretje Ariensdochter, » 52 »
» Jannetje Thonisdochter, » 33 »
» Marrichje Cornelisdochter, » 60 »
» Urseltje de Caesaris, » 73 »
Was innoncent, en werd voor rekening van het convent, in het gasthuis
te Gouda onderhouden.
» Marrigje Dirksdochter, oud 72 jaren.
» Pyn Jansdochter, » 60 »
» Lysbeth Jacobsdochter, » 32 »
» Tryntje Hillebrandsdochter, » 61 »
» Cornelia Joostensdochter,
» Bregje, kort daarna overleden.
De basis des ouderdoms nu, die gevolgd werd omtrent het pensioen der
conventualen, ingevolge het besluit van 1582 was als volgt:
Die van 60 jaren en daarboven oud waren 's jaarlijks f 60,--
» » 50 » tot beneden de 60 jaren » » 50,--
» » 40 » » » » 50 » » » 42,--
En die beneden de 40 » » » 36,--
In vier driemaandelijksche termijnen moest deze jaarwedde worden
betaald. Ook was het conditie, dat, als de jongste der conventualen,
met ter tijd kwamen tot een ouderdom van 40, 50 of 60 jaar hun
pensioen alsdan zoude worden verhoogd, en zoo het gebeuren mogt, dat
zij door hoogen ouderdom, of langdurige ziekte, van hunne jaarwedde
niet konden leven, er dan in alle billijkheid in zou worden voorzien,
en dat hunne woning voor rekening van de stad in een »ordentelijken"
staat zoude worden onderhouden.
Zooals in het verdrag bepaald was, konden zij dus in alle stilte
in het klooster haar leven eindigen, en St. Jacob 1582, was voor
de conventualen de beslissende dag, dat hare jaarwedde op genoemde
conditien begon.
Emmigje Goossensdochter werd, hoezeer slechts 62 jaren oud zijnde,
gerekend boven den 60 jaar te zijn, voor haar weldoen voor en na den
moord altoos gedaan.
Cornelia Joostensdochter, wier ouderdom niet vermeld is, was gesteld
op half geld, haar jaarlijksch pensioen was niet meer dan f 23;
mogelijk was zij slechts eene werkzuster.
Dat evenwel de goederen van dit convent, niet dadelijk, maar langzaam
onder het bestuur der regering of van den rentmeester gekomen zijn,
schijnt ons toe te blijken uit de vermeerdering van inkomsten,
aangeduid in eenige nog aanwezig zijnde rekeningen van de bezittingen
van dit convent, [233] na dien tijd.
Den 14 Januarij 1613 requesteerde de conventspater Jan van Alerdinck,
wiens pensioen even als dat der andere conventualen reeds meermalen
verhoogd was, om eene vermeerdering zijner jaarlijksche toelage van f
100. Hierop werd echter geapostuleerd, dat, »soo wanneer de supplt. de
brieven van 't incomen van 't oude convent volgens belofte bevorens
gedaan, zal hebben overgelegd, alsdan zijne alimentatie zal worden
verhoocht zooals behooren sal" en eenigen tijd daarna werd zijn
pensioen op 200 Gulden ook bepaald.
De laatste verhooging der jaarlijksche toelage aan de twee laatst
overgeblevene zusters--Marrigje Gijsbdr., en Jannigje Thonisdr.,
die steeds zijn blijven voortgaan met zieken op te passen enz.,
is volgens resolutie van den magistraat in 1631 gebragt tot 200 Gulden.
Na het overlijden van allen, is de rekening dier goederen bij die der
stad gevoegd, onder den naam van rekening der stad en het St. Ursula
convent.
Na de omwenteling van 1795 is het laatste vervallen, en de bezittingen,
met uitzondering van eenige kleine renten, voor de helft der 18. eeuw,
allen verkocht.
Wij mogen onze schets niet eindigen, zonder aan het kloostergebouw
zelve nog kortelijk de aandacht te bepalen. Beziet men het klooster
op Stoops schilderij in 1775, dan ontwaart men langs de zuidzijde,
of daarnaar haren naam dragende straat het klooster, een vrij
aanzienlijk gebouw, waarvan in onzen tijd echter geen spoor meer
overig is, daar het reeds lang voor den sloopenden tand des tijds
viel; maar toch... wij zijn eenigzints onjuist, immers, wat gewaagt
men nog dikwijls bij vergravingen van een onderaardschen gang, die
naar de kapel leidde, wat spreekt men nog veel van de menigte kelders,
van het groot aantal fondamenten en van de duizendtallen steenen, die
men uit den historischen bodem opgraaft, als ook van het ontdekken der
put »daar wi visch in hielden in het water in vloeide ende ebbede," die
in 1827 ontdekt werd! en immers ook de convents-kapel, het zoogenaamde
»kerkje" doet ons nog dikwijls aan het St. Ursula convent denken. Alzoo
van dit gebouwtje, dat nog bestaat, zal men nog wel het een en ander
van zijne verschillende bestemmingen enz. kunnen opduiken.
Reeds in 1578 vinden wij gewag gemaakt, dat het klokje, dat in het
torentje der kapel hing, publiek verkocht werd voor XIIJ Gulden XVIIJ
st., en nog in hetzelfde jaar werd het kapelletje, ten minste zeker
een gedeelte daarvan tot eene school ingerigt; men heeft toen tevens
den leidekker aanbesteed het dak te repareren.
De beoefenaars der uiterlijke welsprekendheid hielden daar ook oudtijds
(schrijft de Heer van Kinschot in 1747) hunne bijeenkomsten en tevens
werd het »kerkje", zooals nog in onze dagen, als locaal gebruikt tot
uitdeelingen van verschillenden aart aan de behoeftigen.
Nog in 1747 weten wij stellig, dat het »kerkje" tot stads school
gebruikt werd, de laatste is sedert echter meer achterwaarts uitgebouwd
en de kapel werd ingerigt tot woonhuis! waarschijnlijk is dit geschied
in 1785, daar wij aangeteekend vinden, dat het in laatstgenoemd jaar
aanmerkelijke vertimmeringen onderging. Voor eenige jaren vergaderde
in het gebouwtje onzer beschrijving het muziekgezelschap Amicitia et
Harmonia, en tegenwoordig wordt hetzelve tweemalen 's weeks gebruikt,
tot repetitie-plaats van eene liedertafel, Crescendo genaamd.
In het jaar 1857 werd het reeds vroeger van zijn klokje beroofde
torentje, publiek geveild en verkocht voor eene som van f 81--, en wij
schrijven het noode ter neder, het griefde ons toen wij den slooper
het breekijzer zagen stooten in het torentje, dat zich zoo lief van
buiten en binnen de stad voordeed; toch, wij minnen het gebouwtje
nog, o, het herinnert ons zooveel; somtijds gebeurt het, dat wij ons
alleen daarin bevinden en dan, als wij zonder stoornis van anderen,
onze gedachten den vrijen teugel kunnen vieren, dan verdwijnen soms in
den geest de weinige kamermeubels, voor de nederige bidstoeltjes der
nonnen, het tegenwoordige prosaïsche winkeltje maakt plaats voor het
St. Ursula altaar; dan zien wij den geurigen wierrookwalm ronddwarlen
om den zwartgedoschten nonnenstoet, en wij hooren de orgeltoonen
ruisschen en de nonnen het Ave aanheffen, en het geluid wordt ernstig
en plegtig teruggekaatst door het gothische koorgewelf; maar dan,
als de verbeelding heeft plaats gemaakt voor de werkelijkheid, dan is
de bidkapel weer ledig en de toonklank van het orgel vergaan, en het
gezang der zusters wordt niet meer gehoord; toch zoo denken wij dan,
schijnt het, dat er iets hemels, iets schoons, het gebouwtje bleef
en blijft omzweven: immers onderrigting en beschaving der jeugd,
uitoefening der liefdadigheid, beoefening der redekunst en poezij,
later de repetitien van de edele toonkunst, niet waar? dit alles
regtigt ons met de meeste billijkheid, te zeggen: de kapel van het
St. Ursula convent, speelde ook na hare suppressie eene verhevene en
aestetische rol in mijne vaderstad!
De tegenwoordige huizinge voor zusters naar den derden regel van
St. Franciscus orde te Oudewater.
Nadat gedurende ruim twee eeuwen, de zusters op de hiervoren aangeduide
wijze in deze plaats waren verdwenen, scheen men er binnen eenige
jaren bijzonder aan te denken, weder een convent van nonnen naar
den derden regel van St. Franciscus van penitentie te Oudewater op
te rigten. Voor het jaar 1857 was het bestemd aan deze gedachten
uitvoering te kunnen geven. Immers reeds op den 29 Maart van gezegd
jaar, werd er uit Rotterdam verzoek gedaan, tot het voorschreven
doeleinde een huis op de korte Have, onder No. 53 aangeduid te
koopen, en eenigen tijd daarna, werd door den Heer Johannes Putman,
als lasthebbende, dit perceel dan ook aangekocht voor eene som,
met de daaronder begrepen onkosten over de f 5000--beloopende.
Dit van buiten en binnen vrij aanzienlijk huis, was weldra, door de
noodige veranderingen, tot eene geschikte nonnenwoning geconstrueerd,
zoo dat nog in hetzelfde jaar 1857 eenige zusters uit een Rotterdamsch
zustershuis, in deze plaats zich met ter woon vestigden.
Deze zusters staan onder het opzigt van den Bisschop van Haarlem,
terwijl aan het hoofd dier orde gesteld is, eene zoogenaamde algemeene
overste der religieuse recollectinen penitenten, van de orde van den
H. Franciscus te Rotterdam.
Voornamelijk maken deze nonnen ook hare bezigheid van het opvoeden en
onderwijzen van kinderen, waardoor zij tevens in hare dagelijksche
behoeften moeten voorzien.--Dat zij daarin vrij wel naar wensch
geslaagd zijn, schijnt ons toe uit de nadere inrigting van eene schuur
tot schoollocaal, die de zusters kunnen genaken, door den tuin harer
huizinge, waaraan deze school, die aan de Achter of Wijngaardstraat
gelegen is, grenst.
Het voormalige Cellebroers en Zustershuis te Oudewater.
»In de oudheden van Hugo van Heussen," zoo vermeldt Kinschot,
»wordt ook vermeld van een cellebroers en een cellezusterenhuis,
wier laatsten, haar werk maakten om de zieken te bedienen en op te
passen, even als de eersten, om de dooden te begraven; doch ons is bij
streng onderzoek geen meerdere stof ter beschrijvinge van derzelver
gesteltenis, gewoonten enz. voorgekomen." [234]
Hier doet zich dus de ernstige vraag op, zijn er wezenlijk in Oudewater
de Cellebroers geweest? Niet een document op het gemeente archief
pleit voor hun daarzijn in vroeger tijd; niettemin, wij mogen van
Heussen niet regtstreeks tegen spreken, hij zal bij het beweeren,
dat zij hier gewoond hebben, wel zijn reden gehad hebben. Cellezusters
echter, zijn hier zeker geweest. Immers ook de overgeblevene van deze
corporatie werden ingelijks, mits voortgaande met hunne Christelijke
werkzaamheden, een gelijk pensioen als die van het St. Ursula convent
toegelegd. [235]
Bij resolutie van den magistraat dd. 3 April 1594 werden van Anna
Gerritsdr. »de brieven" geeischt, met ontslag van den eed niet meer
voor de zieken te gaan. Zuster Anna Dirksdr. de papieren van dit
gesticht overgelegd hebbende, is de laatste van wie wij eenig berigt
vonden. [236]
Alleenlijk rest ons dus hiervan nog te vermelden, dat het gebouw,
waarin deze geestelijke personen woonden, gehouden wordt voor het
tegenwoordig nog zoogenaamde ziekenhuis, waarvan ter gelegener tijd
zal worden gesproken. [237]
Sedert lang zijn ook de cellebroers te Oudewater, indien zij er ooit
geweest zijn, den weg van alle vleesch gegaan, zij rusten dan reeds
lange ter plaatse, waar zij eertijds hunne natuurgenooten zoo dikwijls
heen bragten, in den zwarten schoot der aarde.
Opmerkelijk is echter, met deze cellebroers het navolgende eenigsins
in verband te brengen.
De plegtigheid en stille ernst, zoo zeer passende aan eene begrafenis,
liet voor eenige jaren te Oudewater, soms nog al iets voor den
behoeftigen stand, te wenschen over. Om deze en alligt meerdere
redenen, kwam de eerw. pater Rooters op eene gelukkige gedachte.
Hij noodigde namelijk een 26tal jongelingen, allen van den
fatsoenlijken burgerstand uit, om de lijken van minvermogenden van
beiderlei kunne en zonder onderscheid van ouderdom steeds »de laatste
eer" eene plegtige begrafenis te verschaffen en tot veler blijdschap
gelukte deze poging naar wensch. Op den 23 Januarij 1857, werd den
eerwaarden oprigter van wege het parochiaal armbestuur, in zijne toen
gehouden vergadering berigt, dat deze vereeniging de belangstelling
der gemeentenaren in hooge mate had opgewekt, en tevens werd door
genoemd bestuur den wensch uitgedrukt, dat het nageslacht er nog die
vruchten van mogte inoogsten, die men nu reeds van die vereeniging
zoo ruimschoots genoot.
En inderdaad, het is plegtig te zien, hoe deftig en ernstig de
begrafenis van een behoeftigen medemensch door deze jongelingen
geschied.
Behoudens onze vroegere aanmerking, zeggen wij gerustelijk: er bestaat
wezenlijk eenige overeenkomst, tusschen de cellebroers van vroeger
en de zich noemende parochiale dragers in onzen tijd. [238]
Het voormalige riddermatig verblijf der St. Jans Ridders te Oudewater.
Nog ééne geestelijke orde, die te Oudewater eertijds bestond, dient
vermeld te worden; ik bedoel de St. Jans Ridders wier commanderie
onder het landcommandeurschap van Utrecht stond.
Wij gaan dadelijk bewijzen, dat zij te Oudewater zoodanige riddermatige
huizinge gehad hebben, uit de navolgende.
Ordonnantie, roerende Tieleman Batenburch en het St. Jans Huis
te Oudewater.
Wi Willem, grave enz. maken cont etc., dat Tieleman Batenburch van
Oudewater quam voer ons ende droech op en vrey eigen onsen lieven
ende getrouwe Heeren Jacob Bisschop van Suden sine woninge die hy
liggende hevet binnen onser porte van Oudewater mid erve ende met
visschery en alsoe groet alse Tiedeman voorschreve daer liggende
hevet, ende belegen hevet an die nortside Dierc Rapneys, ende
an die suutsyde Pieter Cesepeirmit, welcke wooninge voorschreve
Hais Jacob Bisschop van Suden voorschreve verliede Tiedeman
Batenburch toet sinen leve, ende na siene doet weder te comen op
den Bisschop van Suden ende op Sinte Jans huse te Oudewater der
oerden van Sinte Jans erfliken te bliven, in oerconde hier off,
soe hebben wi dezen brief besegelt met onsen segele. Gegeven
in de Hage des dinsendages na Sinte Jansdach uitgaende biechte,
int jaer ons Heeren duisent drie hondert vijf en twintigh.