Oudewater en omtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe
oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en
bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!
Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo
fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!
Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in
uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel,
onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en
bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.
Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in
overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe
hoogere ligging--veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt--ten
weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.
Deze oude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u
reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die
den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan
deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling
van Oudewater beschrijvende.
Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordige
Oudewater tijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal
vertoond hebben.
Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.
Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op de
waarden boomen stonden, deze hinderden tot het bouwen van woningen,
en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide
bosschen werden veeltijds rode geheeten. [132]
In het tegenwoordige Oudewater zijn twee straatnamen: de Roodstraat
en het Roodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt
langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien,
dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl
deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog
grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven:
is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn;
hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooid
zegt het landvolk) en werden zij daarom rode genoemd, dat later in
Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt
men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld
van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen. [133]
De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook,
die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig
van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig
en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten;
zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.
De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant,
meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de
afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer
Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt. [134]
De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen
het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte
hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren. [135]
Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd
in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen,
die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten
zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk
de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch
hadden zij twee deuren naast elkander.
Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten
bestreken met koemest en kleiaarde: het vervaardigen van steen toch
was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die
bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets
zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.
Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door
het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot
schoorsteen dient.
Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.
De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer
woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze
vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein
voorstellen.
Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij
wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij
althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met
witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden
zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren
zich als geschilderd met bonte aderen en vlakken niet onaartig moet
voorgedaan hebben. [136]
Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit
vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten,
hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen
dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen. [137]
En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien
tijde in Oudewater en omtrek.
Het Markveld bij Oudewater.
Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en
onroerende eigendommen.
De voorname roerende have in de oudheid was vee, huisraad, wapenen
en kleederen.
Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden
en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen
gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers
trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde
en beperkte gronden.
Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze
tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van
wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat
de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust,
zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.
Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk
bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals
wij dit ons nu nog zeer wel kunnen begrijpen, dat de herder naar de
geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar
verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke
weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had,
en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.
De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog,
den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door
deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers
treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.
Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als
minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle
bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het
oudste is en waarvan bij Oudewater nog een spoor aanwezig bleef.
Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit
nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen
aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het
land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding
paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er
in gesneden.
Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor
geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid
des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De
grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook
cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men
mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen
verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg
afgereden.
Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem
(volgens Tacitus G 26). Dit was het verdeeld eigendom bijgevolg. De
aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld,
en die werden naar ligging aan de grens--let wel--mark genoemd. (De
eigenlijke beteekenis van mark is alzoo grens. Tusschen de wouden
op de velden zette het volk zich neder, en zoo komt mark soms de
beteekenis van bosch zeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland
nog marken genoemd.)
Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden
in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden
niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en
de besloten weiden om de woningen liggende.
Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten
geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de
aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden
te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.
Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud
zelve had ieder »genoot" slechts een onverdeeld aandeel, en zooals
wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin
tot de mark betrokken.
Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts van Oudewater, geachte lezer,
ligt een stuk land, genaamd het markveld.
Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark
behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor
bewijzen aanvoeren.
a. Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke
mark denken.
b. Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegde veld.
Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en
bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als
het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld
veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veld
zou volgens eenige taalkundigen afstammen van vellen, omhouwen,
zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is."
Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar
die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit
ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs
te meer.
Verder zagen wij, dat mark grens beteekende. Opmerkelijk nu is het,
dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien
Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk
de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt
heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een
deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms
nog het galgenveld genaamd.
Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet,
is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor
den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen
de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt
werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden
aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte. [138]
Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als
wij in onze tijden.
Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het
woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven,
als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting
in mark en heem aanrigtende.
Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860 Oudewater
en omtrek geteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar
de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw
het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna
de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den
loop der rivieren te bedwingen.
En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden
de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt
werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in
1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop van Utrecht, Oudewater tot
eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele
privilegien schonk. [139]
Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten,
en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en
merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der
stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.