"Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in
uw gemoed het betere beginsel spreekt,--dat het u een lust
is, u soms te stellen te midden van de geslachten der
voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de
eigenaartigheden huns levens."
Hofdijk, Historische landschappen, blz. 61.
"Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel
ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs
zedelijke en godsdienstige ontwikkeling."
Rooijaards, Invoering van het Christendom, blz. 371.
Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen
zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen
het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:
a. de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.
b. na hun verkeer met hen.
c. de invloed van het Christendom er op; en die van
d. den handel en de tegenwoordige communicatie.
a. Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.
Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche
stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met
elkander gemeen hadden, en dus ook de bewoners van dit oord. Schetsen
wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook
onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk
zouden willen zijn.
Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter
woon verkozen.
Zij kleedden zich veel in de vachten van door hen gedoode wilde
beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene
horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk
echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.
In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons,
helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.
In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en
eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig,
en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van
geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?
De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel,
liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden
dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende
inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan
naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:
Gewoonte was een wet en overlevring,
Was geschiednis.
Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne
woonstede waren bij hen gewone deugden.
Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde
was hun bijna of in het geheel niet bekend.
b. Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.
Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, waren alle gebruiken
nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam
echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke
overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap
van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en
meer betreden.
Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de
Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op,
die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen
en kunsten.
Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken:
die van wetenschap en weelde.
c. De invloed van het Christendom op de zeden.
Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch
altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het
licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp
daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd
voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek:
het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der
menschen, dus ook op zeden en beschaving.
Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten
in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op
beschaving uitoefende.
d. De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden
en beschaving.
Wat is er in Oudewater nu nog van de zeden der vroege bewoners over?
Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo
volledig en geregeld mogelijk beschreven.
Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond,
dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende
gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar
was, Oudewater zou nog zijn ouden geest niet verloochenen.
Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen
die reeds lang hadden afgelegd.
Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen
eenvoud in Oudewater gewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste
gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk
schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone
eenvoud verdwijnen, en alhoewel Oudewater nog kan wijzen op zeer
oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer
bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer
en meer zeldzaam.
Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo
iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van
zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!
Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het
eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere
natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke
communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt
de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten
zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen
naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor
die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud
van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!