8. Noviomagum. Zie hiervoren.

Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop

nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat

de eene weg over 't Huis te Britten, Leiden, Alphen, Woerden, Utrecht,

niet ver van Wijk bij Duurstede en Wageningen heeft geloopen tot aan

Nijmegen, en de andere aan den zuidkant over Voorburg, Kralingen,

[123] Alblas, Asperen, en zoo over de Waal naar Nijmegen.

Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende

meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen,

dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden,

en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de

tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.

Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae

peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat

ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die

langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag.

Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde

plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge

Waard genoemd wordt.

Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel

van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden,

als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren. [124]

Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats

gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan,

terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten,

steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en

dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)

En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt

zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot

schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen:

zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,--hoe

weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche

adelaren geplant waren op der Bataven grond.

Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de

bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.

f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was

het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen

stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde,

als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.

g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens

moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het

aandringen van nieuwe volksstammen.

Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden

naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander

gemeen hadden.

De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en

de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren,

Chamaven, Gugernen, Toxandriërs, Caninefaten en Sturiers grensden,

terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken,

Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd

hadden. [125]

Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen,

die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls

zien en betasten kan,--hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de

plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die

niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten,

en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in

g hiervoren aangetoond.

Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende

oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers

en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de

reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald

ons oog op dit oord.

Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische

schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste

gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan:

hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt

werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden

bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen

verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam

of welke stammen?

Achter Tacitus' historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft,

vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in

de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de

bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand

en andere landbeschrijvers.

Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun

tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan

gezegd hebben.

»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee

werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans

in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl

de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet,

en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij

den Briel in zee loopt.

Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een

gedeelte van Gelderland, de provincie Utrecht en een groot deel van

Holland, met de volgende steden: Huessen in het land van Cleef, Tiel,

Buren, Culenborg in Gelderland, Wijk bij Duurstede, de stad Utrecht

en Montfoort in het Sticht van Utrecht. Voorts Asperen, Heukelum,

Leerdam, Vianen, IJsselstein, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven,

Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Delft en andere

steden in Holland. [126]

Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien

wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist

Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,

Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook

deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren

gelegen hebbende.

Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid,

en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze

oorden volgens hen genoemd.

»De Caninefaten," lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte

van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des

Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden,

begrijpende 't gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort,

Oudewater, Woerden en Gouda ligt.

Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook

wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de

plek woonden van het tegenwoordige Oudewater.

»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den

oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk

deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen,

weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden:

zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten

en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond,

en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen

als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk

geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de

volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en

vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.

Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog

eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst,

en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche

veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en

zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden,

moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen

voor deze woeste indringers.

Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen

oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende,

treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters

van het roemruchte eiland der Batavieren--waaronder, zooals wij nu

weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan

wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen

en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des

Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over

Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere

en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom

nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van

den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door

't volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.

En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der

Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan,

eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van

eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na

langzamen vooruitgang een zoo hecht geheel vormde, dat krachtiger

naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands

beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid. [127]

In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote

germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame

verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag

van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te

worden gedacht, wanneer er sprake is van onze voorouders. Wat er

hier of daar welligt van de oude stammen nog overig was, loste zich

in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen, later

ingedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die

der Angelen op de Veluwe. [128]

Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer

voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd

niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.

Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog

vermeld, dat Oudewater en zijn onderhoorig land nog op het einde

der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft. [129]

Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.

»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont

der feesten Sinte Pauwels in den wijnter" [130] (24 Januarij 1280)

is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland. [131]

Toen waren zij dus Noord-Hollanders.

De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende

innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij;

alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van

het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus

ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 79 / 178 题