Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop
nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat
de eene weg over 't Huis te Britten, Leiden, Alphen, Woerden, Utrecht,
niet ver van Wijk bij Duurstede en Wageningen heeft geloopen tot aan
Nijmegen, en de andere aan den zuidkant over Voorburg, Kralingen,
[123] Alblas, Asperen, en zoo over de Waal naar Nijmegen.
Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende
meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen,
dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden,
en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de
tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.
Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae
peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat
ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die
langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag.
Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde
plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge
Waard genoemd wordt.
Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel
van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden,
als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren. [124]
Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats
gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan,
terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten,
steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en
dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)
En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt
zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot
schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen:
zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,--hoe
weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche
adelaren geplant waren op der Bataven grond.
Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de
bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.
f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was
het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen
stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde,
als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.
g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens
moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het
aandringen van nieuwe volksstammen.
Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden
naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander
gemeen hadden.
De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en
de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren,
Chamaven, Gugernen, Toxandriërs, Caninefaten en Sturiers grensden,
terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken,
Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd
hadden. [125]
Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen,
die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls
zien en betasten kan,--hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de
plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die
niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten,
en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in
g hiervoren aangetoond.
Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende
oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers
en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de
reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald
ons oog op dit oord.
Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische
schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste
gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan:
hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt
werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden
bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen
verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam
of welke stammen?
Achter Tacitus' historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft,
vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in
de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de
bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand
en andere landbeschrijvers.
Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun
tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan
gezegd hebben.
»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee
werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans
in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl
de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet,
en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij
den Briel in zee loopt.
Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een
gedeelte van Gelderland, de provincie Utrecht en een groot deel van
Holland, met de volgende steden: Huessen in het land van Cleef, Tiel,
Buren, Culenborg in Gelderland, Wijk bij Duurstede, de stad Utrecht
en Montfoort in het Sticht van Utrecht. Voorts Asperen, Heukelum,
Leerdam, Vianen, IJsselstein, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven,
Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Delft en andere
steden in Holland. [126]
Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien
wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist
Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,
Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook
deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren
gelegen hebbende.
Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid,
en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze
oorden volgens hen genoemd.
»De Caninefaten," lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte
van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des
Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden,
begrijpende 't gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort,
Oudewater, Woerden en Gouda ligt.
Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook
wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de
plek woonden van het tegenwoordige Oudewater.
»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den
oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk
deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen,
weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden:
zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten
en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond,
en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen
als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk
geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de
volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en
vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.
Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog
eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst,
en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche
veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en
zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden,
moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen
voor deze woeste indringers.
Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen
oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende,
treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters
van het roemruchte eiland der Batavieren--waaronder, zooals wij nu
weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan
wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen
en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des
Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over
Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere
en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom
nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van
den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door
't volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.
En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der
Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan,
eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van
eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na
langzamen vooruitgang een zoo hecht geheel vormde, dat krachtiger
naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands
beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid. [127]
In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote
germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame
verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag
van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te
worden gedacht, wanneer er sprake is van onze voorouders. Wat er
hier of daar welligt van de oude stammen nog overig was, loste zich
in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen, later
ingedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die
der Angelen op de Veluwe. [128]
Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer
voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd
niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.
Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog
vermeld, dat Oudewater en zijn onderhoorig land nog op het einde
der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft. [129]
Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.
»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont
der feesten Sinte Pauwels in den wijnter" [130] (24 Januarij 1280)
is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland. [131]
Toen waren zij dus Noord-Hollanders.
De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende
innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij;
alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van
het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus
ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.