De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen
als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan
gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was
de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het
woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver,
nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch
wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest
zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en
vertaalt het maanverzwelger (mona--maan chyros fr. chirer, verscheuren,
verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e. Lunam
devastans sive devorans naar, Magnus 110) weder schenken--Garm,
gar, ger, gir--schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros,
gierig, begeerig.
Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.
De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in
ongemeene merkwaardigheid stond.