»In oude tijden plagt den Rhijn nevens Batavia of 't Batouwerland
eenen zeer snellen loop te hebben, totdat hij bij Katwijk in zee viel;
maar toen maakte hij door de Maas en Waal slechts eenen traagen en
kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van den Rhijn,
het doorgraven van de Lek en Yssel, loopt de stroom bijna geheel
te niet en de traage loop van Waal en Maas is in een zeer snellen
afdrift verandert. Belangende den tijdt en d'oorzaak van de gedachte
opstoppinge des Rhijns, bij Katwijk, daarin zijn zeer verschillige
gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen
allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den
loop des Rhijns zoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat
de Rhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft
moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van 't water des Rhijns
en den vloed daardoor ontstaan en door de Lek enz. quyt te maken.--De
oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op 't
jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater den Rhijn injoeg en in
't land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken,
de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de
inwoonders genoodzaakt zijn geworden, de Lek te graven, om hun water
in en door de Maas voortaan in zee te loozen."
Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet
uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.
De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch
neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor
het verstopt maken des Rijnmonds [15], als hij zegt:
»Men meent, dat de Rijnmond te Katwijk tusschen 860 en 1000 verstopt
is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien
tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom
door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en
de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het
Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer
rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven,
die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid
en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen,
welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen." [16]
Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den
IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve
aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu
nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde
slib mede en die wordt zeebezinking genoemd.
Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden om Montfoort gelegen,
en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei
bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij
beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer
afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch
Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde
Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het
indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig
ten minste--de vloed niet verder gaat dan halverwege Montfoort en
Oudewater (zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het
afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen,
en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.
Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrent Oudewater
geweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de
meeste slib, welke dan ook, afgezet.
Nu is de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel boven IJsselstein
met eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water
kan nog door den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders
den IJssel nog binnen bij vloedgetijde te IJsselmonde wanneer er
overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is,
en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluvium nog uit
rivier- en zeeklei wordt gevormd.
Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen
IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone
getijden tot omstreeks halverwege Montfoort en Oudewater gaat. Volgens
eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter
verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen
der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje
tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter
heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een
ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25
Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in
hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.
Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug
bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed
aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd
overtuigen. Met het oog naar den kant van Gouda gewend, ziet men alsdan
reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen
trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar
de zijde van Utrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd
wordt vooral begunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven
voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne
toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt
van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren
tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.
Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende
plaatsnamen: IJsselstein, Oudewater, Goejanverwellesluis, Haastrecht,
Stolkwijkersluis, Gouda, Moordrecht, Ouderkerk aan den IJssel,
Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en IJsselmonde. Op
eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook
om hunne naamsreden te verklaren. 't Wordt echter meer dan tijd, nu
van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel
te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men--om zulks met goed
gevolg te doen--moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling
en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den
loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat
men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong
kan afdalen.
Bijna algemeen is men tegenwoordig van 't gevoelen, dat de verouderde
schrijfwijze van IJssel is: Ysala, en zulks wijders eene verbinding
is van de woorden Y en Sala; Y beteekent water en Sala loop; alzoo
Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen dan
waterloop. [17]
De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie
dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige
eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.
Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier, zullen wij hierover
iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 te Gouda in het
licht verschenen [18]:
»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren
van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering
besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze
rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen
rivierstaat des lands--iets, dat nog zeer te betwijfelen is--zoo is
zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer
geenzins onbeduidend te noemen.
De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor
heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de
sprekendste wijze ontdekt.
Van den benedenmond af tot Gouda bestaan de bekende steenfabrieken
niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde
metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en
vijftig duizend guldens gerekend.
Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de
ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot
gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.
De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib
waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld
en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen
worden vervaardigd.
Ten gevolge van, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen
de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de
fabriekanten worden betaald.
Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen
even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de
grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.
Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt,
men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der
waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor
aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend."
Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men,
zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit
de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.
Een enkel voorbeeld in cijfers--zoo stond daar verder--zal ons dit
ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks
zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men
heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700,
bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen
aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men,
dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000
kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de
Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.
En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant
Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen? [19]
»O zilv're Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,
Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,
En schatten zonder end...."
Zonder einde echter?
Zal de sluis tot afdamming van den IJssel boven Gouda, niet een
volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg
voor den aanvoer van slib naar deze streek, en aan de andere zijde
der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?
Volgens de genoemde brochure--wat het laatste betreft--ja gewis.
Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloed
over en trok die weder terug van de plaats, die wij thans Oudewater
heeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den
»Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk" kusten, daargesteld om
uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden
afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,--zij was oorzaak, dat men
u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken"
vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet
uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar
die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom,
zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het
aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte
uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen
boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.
Bij Oudewater kleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra
zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans
nog tot boven Oudewater voortzet, beperkt worden. De rustelooze
waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal
gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij
tot voorbij Oudewater te hervatten.
Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bij Gouda in
werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte "waterloop" zal
spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het
laatste ('t verdiepen) is men van boven IJsselstein tot boven Montfoort
bereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek
geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken,
hier echter tot nut der plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of
bijna geen nut meer voor Oudewater doet. Integendeel; want zooveel
klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan
met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd
is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken
is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop
is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken,
behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche
stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen,
maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien
van Vecht verwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is,
dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bij Gouda tot aan
de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die
sluis, al dadelijk van den Opper-IJssel in den gekanaliseerden IJssel
of Vechtstroom bevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds,
van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel te Gouda
of te Oudewater.
Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van
den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de
plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen;
maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze
verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan
de provincie Zuid-Holland f 90,000, de prov. Utrecht f 110,000 en
het rijk f 100,000 zal verstrekken.
Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.
Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel
invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke
geologie terug, door te verklaren wat eigenlijk rivier- en zeeklei is.
Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil
kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte
kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter
den lezer--wie zulks niet mogt weten--dadelijk te verklaren wat
rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij
de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam
van Pottebakkersaarde.
Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de
Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij--de rotsen--vervormen
zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in
keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte,
gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de
zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.
Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeks Montfoort zeer ondiep
en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene
publikatie van Oudewater's gemeenteraad eener voorgenomen doch
door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een
gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er
zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde" bevond. Deze nu zal niet
van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast
bevindende grachten.
Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want
welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de
zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid,
deze als zee--de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.
Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland" een zeer gemakkelijk
middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te
onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van
gemaakt heeft, bij verbakking roode, zeebezinking gele steenen.
Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij
aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen,
welke laatste onder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen
aangeduid worden.
Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke
diepte, hier en daar in en om Oudewater te verzamelen, en die ter
verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met
meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem
te bepalen.
Grond- of Kienhout.
Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders
misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op
eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan
zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat
over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft,
vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand
bevestigd.
Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam
van het Schakenbosch in Hekendorp, waarover in de mythologische schets
nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.
Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer
vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een
of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische
vloed of die van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat
zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan
gepaard, zullen de meeste boomen die als "grondhout" bij ons worden
aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met
slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald,
daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling
onderworpen is of althans geweest is.
De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin
liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook
anders met den top liggende heeft gevonden.
Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve
de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout
komen dikwerf voor.
Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen
grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de
landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam
de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde
geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is
hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove
grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het
laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere
stukken op: zoo ook bij de stammen.
Steigeraarde.
Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in
den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die
puinaarde zich over 't algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is
voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buiten Oudewater
zelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te
dringen om geene steigeraarde meer te vinden.
En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des
bodems, tot de zoogenaamde