Halma teekent er dit van aan: [14]

»In oude tijden plagt den Rhijn nevens Batavia of 't Batouwerland

eenen zeer snellen loop te hebben, totdat hij bij Katwijk in zee viel;

maar toen maakte hij door de Maas en Waal slechts eenen traagen en

kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van den Rhijn,

het doorgraven van de Lek en Yssel, loopt de stroom bijna geheel

te niet en de traage loop van Waal en Maas is in een zeer snellen

afdrift verandert. Belangende den tijdt en d'oorzaak van de gedachte

opstoppinge des Rhijns, bij Katwijk, daarin zijn zeer verschillige

gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen

allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den

loop des Rhijns zoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat

de Rhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft

moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van 't water des Rhijns

en den vloed daardoor ontstaan en door de Lek enz. quyt te maken.--De

oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op 't

jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater den Rhijn injoeg en in

't land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken,

de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de

inwoonders genoodzaakt zijn geworden, de Lek te graven, om hun water

in en door de Maas voortaan in zee te loozen."

Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet

uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.

De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch

neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor

het verstopt maken des Rijnmonds [15], als hij zegt:

»Men meent, dat de Rijnmond te Katwijk tusschen 860 en 1000 verstopt

is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien

tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom

door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en

de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het

Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer

rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven,

die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid

en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen,

welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen." [16]

Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den

IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve

aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu

nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde

slib mede en die wordt zeebezinking genoemd.

Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden om Montfoort gelegen,

en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei

bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij

beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer

afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch

Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde

Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het

indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig

ten minste--de vloed niet verder gaat dan halverwege Montfoort en

Oudewater (zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het

afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen,

en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.

Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrent Oudewater

geweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de

meeste slib, welke dan ook, afgezet.

Nu is de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel boven IJsselstein

met eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water

kan nog door den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders

den IJssel nog binnen bij vloedgetijde te IJsselmonde wanneer er

overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is,

en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluvium nog uit

rivier- en zeeklei wordt gevormd.

Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen

IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone

getijden tot omstreeks halverwege Montfoort en Oudewater gaat. Volgens

eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter

verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen

der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje

tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter

heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een

ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25

Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in

hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.

Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug

bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed

aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd

overtuigen. Met het oog naar den kant van Gouda gewend, ziet men alsdan

reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen

trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar

de zijde van Utrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd

wordt vooral begunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven

voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne

toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt

van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren

tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.

Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende

plaatsnamen: IJsselstein, Oudewater, Goejanverwellesluis, Haastrecht,

Stolkwijkersluis, Gouda, Moordrecht, Ouderkerk aan den IJssel,

Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en IJsselmonde. Op

eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook

om hunne naamsreden te verklaren. 't Wordt echter meer dan tijd, nu

van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel

te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men--om zulks met goed

gevolg te doen--moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling

en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den

loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat

men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong

kan afdalen.

Bijna algemeen is men tegenwoordig van 't gevoelen, dat de verouderde

schrijfwijze van IJssel is: Ysala, en zulks wijders eene verbinding

is van de woorden Y en Sala; Y beteekent water en Sala loop; alzoo

Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen dan

waterloop. [17]

De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie

dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige

eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.

Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier, zullen wij hierover

iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 te Gouda in het

licht verschenen [18]:

»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren

van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering

besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze

rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen

rivierstaat des lands--iets, dat nog zeer te betwijfelen is--zoo is

zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer

geenzins onbeduidend te noemen.

De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor

heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de

sprekendste wijze ontdekt.

Van den benedenmond af tot Gouda bestaan de bekende steenfabrieken

niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde

metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en

vijftig duizend guldens gerekend.

Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de

ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot

gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.

De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib

waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld

en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen

worden vervaardigd.

Ten gevolge van, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen

de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de

fabriekanten worden betaald.

Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen

even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de

grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.

Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt,

men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der

waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor

aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend."

Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men,

zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit

de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.

Een enkel voorbeeld in cijfers--zoo stond daar verder--zal ons dit

ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks

zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men

heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700,

bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen

aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men,

dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000

kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de

Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.

En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant

Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen? [19]

»O zilv're Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,

Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,

En schatten zonder end...."

Zonder einde echter?

Zal de sluis tot afdamming van den IJssel boven Gouda, niet een

volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg

voor den aanvoer van slib naar deze streek, en aan de andere zijde

der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?

Volgens de genoemde brochure--wat het laatste betreft--ja gewis.

Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloed

over en trok die weder terug van de plaats, die wij thans Oudewater

heeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den

»Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk" kusten, daargesteld om

uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden

afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,--zij was oorzaak, dat men

u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken"

vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet

uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar

die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom,

zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het

aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte

uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen

boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.

Bij Oudewater kleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra

zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans

nog tot boven Oudewater voortzet, beperkt worden. De rustelooze

waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal

gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij

tot voorbij Oudewater te hervatten.

Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bij Gouda in

werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte "waterloop" zal

spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het

laatste ('t verdiepen) is men van boven IJsselstein tot boven Montfoort

bereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek

geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken,

hier echter tot nut der plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of

bijna geen nut meer voor Oudewater doet. Integendeel; want zooveel

klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan

met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd

is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken

is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop

is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken,

behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche

stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen,

maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien

van Vecht verwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is,

dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bij Gouda tot aan

de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die

sluis, al dadelijk van den Opper-IJssel in den gekanaliseerden IJssel

of Vechtstroom bevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds,

van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel te Gouda

of te Oudewater.

Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van

den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de

plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen;

maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze

verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan

de provincie Zuid-Holland f 90,000, de prov. Utrecht f 110,000 en

het rijk f 100,000 zal verstrekken.

Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.

Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel

invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke

geologie terug, door te verklaren wat eigenlijk rivier- en zeeklei is.

Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil

kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte

kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter

den lezer--wie zulks niet mogt weten--dadelijk te verklaren wat

rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij

de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam

van Pottebakkersaarde.

Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de

Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij--de rotsen--vervormen

zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in

keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte,

gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de

zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.

Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeks Montfoort zeer ondiep

en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene

publikatie van Oudewater's gemeenteraad eener voorgenomen doch

door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een

gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er

zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde" bevond. Deze nu zal niet

van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast

bevindende grachten.

Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want

welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de

zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid,

deze als zee--de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.

Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland" een zeer gemakkelijk

middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te

onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van

gemaakt heeft, bij verbakking roode, zeebezinking gele steenen.

Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij

aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen,

welke laatste onder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen

aangeduid worden.

Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke

diepte, hier en daar in en om Oudewater te verzamelen, en die ter

verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met

meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem

te bepalen.

Grond- of Kienhout.

Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders

misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op

eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan

zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat

over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft,

vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand

bevestigd.

Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam

van het Schakenbosch in Hekendorp, waarover in de mythologische schets

nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.

Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer

vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een

of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische

vloed of die van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat

zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan

gepaard, zullen de meeste boomen die als "grondhout" bij ons worden

aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met

slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald,

daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling

onderworpen is of althans geweest is.

De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin

liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook

anders met den top liggende heeft gevonden.

Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve

de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout

komen dikwerf voor.

Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen

grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de

landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam

de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde

geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is

hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove

grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het

laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere

stukken op: zoo ook bij de stammen.

Steigeraarde.

Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in

den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die

puinaarde zich over 't algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is

voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buiten Oudewater

zelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te

dringen om geene steigeraarde meer te vinden.

En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des

bodems, tot de zoogenaamde

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 13 / 178 题