Zóó was heel Holland eens...."

Mr. J. P. Amersfoort.

Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan

hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is,

behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke

voortbrengselen--waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt--het

hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.

Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te

beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever,

tot de onder-afdeelingen door, onverschillig van welken tak van

wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn,

die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt

geheel.

Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen,

en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze

laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het

dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen

onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw

verband, gelijk blijken zal.

Hierom eerstens hebben wij ons voorgenomen iets te leveren over

Oudewater's bodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam

van geologie of aardvorming bekend) ook van nut voor menig inwoner

dier plaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs

verschillende lagen bestaat.

Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.

Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting--langen

tijd onze geachte stadgenoot--de heer Staring en anderen, hebben

tot de kennis der geologie van geheel ons vaderland zelfs, roemvol

de hand geleend. Ondersteund door van 's lands wege gedeeltelijk

bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen,

konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap

laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat

wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met

de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden,

om iets omtrent de geologie van Oudewater en omtrek in het licht te

geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat

elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig

ook daargesteld, den geleerden nogtans aanleiding kan geven tot het

maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen

bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.

Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter

verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen

zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende

berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te

weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der

geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten

uiteen te zetten.

Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste

aardlaag in Oudewater bezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot

de klei-soorten behoort. Zet men echter den voet buiten het stadje,

dan is de afwisseling van klei- met veenachtigen grond zeer in het

oog loopend.

Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan

onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden

ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.

Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele

runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt,

heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren

hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die

menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier

ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene

gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen,

zou men vóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De

weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de

IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende

vergezigten van thans, werden toen belemmerd door eeuwenoude bosschen,

die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.

De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding

zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken:

den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft

veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn

voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,--vóór deze

streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene

schets gaven, ook toen was Oudewater's bodem reeds aan menigvuldige

verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden

nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.

Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats

bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem,

dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen

scheiden: in alluvium en diluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en

beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van het

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 7 / 178 题