Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige
gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen:
dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel
aantreft. De beteekenis nu van het woord Diluvium is vloedvorming,
en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking, dat die
thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene
ontzaggelijk groote watermassa.
Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland" van den
niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden
uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder
het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne
vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende
oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer
ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of
later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium
alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken,
en het zou zich als 't ware gelijk eene zandzee met monsterachtige
baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de
overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting
uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen
uit blaauw--soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men
ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.
Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in
de putboringen, hier en elders, in Oudewater's omtrek gedaan. Hier
toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie
bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15,
ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.
De meening van sommigen--inzonderheid van werklieden die nu en dan met
het maken van waterputten belast worden--dat de wellen met aderen,
als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij
weten, dat de plaats waar de wel wordt aangetroffen, zich op ongelijke
diepte bevindt.
Gemiddeld bekwam men welwater:
In Oudewater op omstreeks 12,50 Ned. el.
In deszelfs omtrek, als in:
Williskop en Snelrewaard » » 11,-- » »
Hekendorp en Roozendaal » » 9,50 » »
Papekop, Hoenkoop,
Ruigeweide en Linschoten [1] » » 7,75 » »
Omtrent Papekop strookt dit ook vrij goed met het onderzoek van
laatstgenoemden ervaren geoloog: "Er zijn aldus geene redenen--zegt
hij, na over de boorputten van Gouda en Leiden gesproken te
hebben--die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene
geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen het diluvium
begint, en dat dit het zand is, hetwelk bij Utrecht op 2 el diepte
wordt aangetroffen, bij Woerden op gelijke diepte, en ook, welligt
in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el; bij het
station Papekop regelmatig op deze diepte; bij Gouda op 9 tot 12 el,
en bij Rotterdam waar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt,
op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting
hebben zulks aan het licht gebragt." [2]
Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer
aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld
opgaven; wij bedoelen bij het begin van Hoenkoop en Williskop. Om
pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17
el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater,
hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna,
wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende,
heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend
drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot
het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water
zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld,
nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het
huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw
komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou
zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijk veen, derrie en ijzeroer,
alsook boomstronken en schelpen.
De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte
circa 1/4 uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd,
en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de
diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.
Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het: