Van dien dag af, stond de fourier onder eenen zonderlingen invloed, dien
hij vruchteloos voor zich zelven poogde te verklaren. Waar hij zich ook
bevonde, de prinses Ermelinde vervolgde hem onverpoosd, en zelfs wanneer
hij achter de gelederen zijner compagnie onder de wapens stond of deel
nam aan de krijgsoefeningen, zweefde haar beeld immer voor zijne oogen.
Des nachts in zijne droomen vocht hij zegevierend tegen reuzen en
zevenhoofdige draken, verloste de prinses, leidde ze tot haren vader,
kreeg hare hand tot belooning van zijnen heldenmoed, en beklom met haar
den koninklijken troon van Ascalonië.
In den eerste bekende hij den sergeant-majoor zijne wonderlijke
geestontsteltenissen en lachte er mede; maar allengs werd hij meer en
meer ernstig en poogde, zooveel mogelijk, den spot van zijnen kameraad
en zelfs alle samenspraak met hem daarover te ontwijken. Wat in zijnen
geest omging, beschaamde hem als iets ten uiterste belachelijk, en het
verschrikte hem tevens, omdat hij vruchteloos voor zich zelven de
uitlegging ervan zocht. Medelijden? Kan dit zacht en stil gevoel den
vorm aannemen eener drift, die geheel het denkvermogen van den mensch
opslorpt? Wat dan?... O, hemel, de sergeant-majoor had ook gezegd; "Pas
maar op, dat gij zelf niet zot wordt, arme Arthur!" Hij zou krankzinnig
kunnen worden? Neen, neen, zulk iets vreesde hij niet; maar hoe kwam het
dan toch, dat hij, noch dag noch nacht, die tergende beeltenis van voor
zijne oogen kon jagen?.... Het was, meende hij te mogen denken, een
gevolg der overgevoeligheid van zijn gemoed; die indruk zou, evenals
vele anderen, mettertijd verzwakken en geheel vergaan. O, dede nu een
bevel van den generaal zijne compagnie naar een ander dorp vertrekken!
Dit ware een groot geluk; want het verblijf te Gheel was voor hem niet
goed, dit gevoelde hij wel.
Intusschen ontveinsde hij, zooveel hij kon, de klimmende storing zijner
zinnen voor den sergeant-majoor, deed zijnen dienst met nauwgezetheid en
ging zelfs meer dan gewoonlijk naar den Toren, alhoewel de kameraden
daar niet zelden zich vroolijk maakten over zijne zonderlinge
droomachtigheid. Van de prinses Ermelinde en van de andere zinneloozen
was hij nog dieper vervaard geworden en deed alles wat hij kon, om hunne
ontmoeting te vermijden. De lieden van zijn logement hadden al vroeg
bemerkt, dat de tegenwoordigheid hunner krankzinnige kostgangers hem
onaangenaam was, en zij hadden de noodige voorzorgen genomen om te
beletten, dat een hunner zich nog in de keuken vertoonde, ten minste
zoolang de onder-officiers er zich bevonden om hunne maaltijden te
nemen.
Op al andere oogenblikken, wanneer zijn dienst hem vrij liet, was de
fourier in zijne kamer of hij wandelde eenzaam door de velden, even
onophoudend als den eersten dag door het beeld der prinses vervolgd en
gekweld.
Misschien zou hij eindelijk toch over zijne kinderachtige ontroeringen
gezegevierd hebben, want hij deed er ernstige en oprechte moeite genoeg
toe; maar nu en dan, wanneer hij te huis kwam en noodzakelijk door de
keuken moest gaan, om zijne kamer te bereiken, zag hij de treurende
Ermelinde in haren leunstoel zitten. Bij den kwijnenden, den
spookachtigen blik, welken zij alsdan in zijne oogen stuurde, sidderde
hij van hoofd tot voeten, en het deed hem in eens alles verliezen wat
hij tot de genezing van zijnen ontstelden geest kon gewonnen hebben.
Dien nacht vocht hij dan weder tegen den zevenhoofdigen draak en
verloste de prinses.
Op zekeren dag, dat Carabos bijzonder rustig was, had Beth, de moeder
der krankzinnigen, hem voorgesteld den reus in de zottenkamer te komen
bezoeken. Zoo kon hij dan tevens met de andere kostgangers, welke hij
nog niet had gezien, kennis maken, onder anderen met de oude vrouw, die
altijd op zoek was naar haren verloren neus; maar de fourier noch de
sergeant-majoor wilde van zulk bezoek hooren, en zij drukten hunnen
afkeer van de zinneloozen zoo onbewimpeld uit, dat Beth er door gekwetst
of vernederd werd, en van toen af zich weinig genegen toonde om nog veel
in samenspraak met de gevoellooze soldaten te komen.
Eindelijk, nadat de fourier bijna eene gansche week de ontmoeting
moeting der prinses had kunnen ontwijken, werd zijn gemoed veel rustiger
en hij juichte in zich zelven, bij de zekerheid dat hij welhaast geheel
van zijne belachelijke geesteskwaal zou genezen zijn.
Maar dan gebeurde er bij ongeluk iets, van aard om hem nog dieper te
ontstellen.
Dien namiddag dreef er een hevig onweder over de gemeente. De lucht werd
zeer duister, het bliksemde fel en het donderde zoo hard, dat de huizen
op hunne grondvesten daverden.
Gedurende dit soort van orkaan waren de zinneloozen zeer onrustig; de
onder-officiers hoorden, van op hunne kamer, hoe ze rondliepen, tierden
en schreeuwden, bovenal Carabos, die zijn hol gebrul met het geratel des
donders mengde.
Na het onweder werd echter de lucht weder blauw, en ook de rust keerde
in de zieke zielen der krankzinnigen terug; alleenlijk hoorde men nog
van tijd tot tijd het gerucht der ketens van den reus....
Het kon nu elf uren des avonds zijn. Al de lieden des huizes waren
sedert lang gaan slapen, behalve de oude bazin, half sluimerend in den
leunstoel der prinses Ermelinde zittende, om te wachten op de terugkomst
van den sergeant-majoor, die ongetwijfeld later dan naar gewoonte zich
in den Toren met zijne kameraden vermaakte. Zij deed het slechts uit
beleefdheid, want de sergeant-majoor had eenen sleutel der huisdeur.
Boven de hooge schoorsteenplaat stond eene lamp, welker zwakke stralen
slechts een twijfelachtig, licht verspreidden.
Ook de fourier was nog niet te bed; hij zat op zijne kamer en poogde bij
den schijn eener kaars in een boek te lezen. Zijn aandachtsvermogen
moest echter gering zijn; want elk oogenblik zag hij op van het boek en
staarde droomend en nadenkend voor zich heen....
Eensklaps hoort hij beneden een verward gerucht van ketens, die men
schudt, van voorwerpen die vallen, van lieden die om hulp roepen, van
deuren die men openwerpt.... en terwijl hij nog twijfelt, of hij niet
droomt, komt de schrikkelijke noodkreet: "Moord, moord!" door eene
bekende stem geslaakt, hem het bloed in de aderen bevriezen.... Even ras
begrijpt hij wat er geschiedt; hij springt naar den wand, trekt zijne
sabel uit de scheede en loopt de trappen af. Wie het wanhopig hulpgeroep
hem toestuurt, is de prinses Ermelinde.... Carabos, Carabos wil haar
dooden!
Inderdaad, de reus heeft zijne keten gebroken; de verschrikte prinses,
door haren vijand bedreigd, is voor hem gevlucht.
Daar zit zij nu, in haar lang nachtkleed van hemelsblauw katoen
gewikkeld, tegen den wand der keuken ineengekropen, en akelig kermend om
bijstand en om redding. Te midden van het vertrek, en in schijn haar
niet ziende, loopt, woedt en brult een zonderling wangedrocht, dat,
alhoewel gedeeltelijk in wollen stoffen gekleed, er uitziet als een
reusachtige aap, van het soort dat men Gorilla heeft genoemd. Dit
schrikwekkend wezen draait een oogenblik in het ronde, stoot zich zelven
tegen muur en tafel en blikt met zijne roode, vlammende oogen naar deur
en venster, als zochte hij eene baan om uit zijne gevangenis te
ontsnappen.... Maar eensklaps doet hij eene beweging, als bemerkte hij
nu eerst de prinses; een vervaarlijk geloei stijgt op uit zijne holle
borst; hij nadert de arme juffer en steekt zijne klauwen tot haar
uit....
Op dit oogenblik verschijnt de fourier in de keuken; een angstkreet
ontsnapt hem. Wat hij zoo dikwijls gedroomd heeft, gaat waarheid worden:
nu moet hij de prinses Ermelinde verdedigen tegen haren wreeden
dwingeland! Hij heft de sabel in de hoogte en zal het monster den ruigen
kop kloven.... maar achter zijnen rug klinkt nu eene stem, die hem
toeroept:
"Houd op, houd op! Zijt gij zot geworden? Gij weet niet wat ge doet.
Carabos zal de prinses niet hinderen: hij ziet ze zelfs niet; de arme
man is geheel nachtblind!"
Zij, die deze woorden spreekt, is Beth, der zotten moeder. Uit haren
slaap door al dit gerucht opgewekt, heeft zij metterhaast een kleed
aangetrokken, en staat daar nu, met eenen spotlach van medelijden op de
lippen den verbluften fourier aankijkende, als waande zij hem inderdaad
krankzinnig.
Maar ze grijpt onmiddellijk den reus hij den schouder, terwijl zij op
beheerschenden toon hem zegt:
"Carabos, mijn jongen, het tempeest, de donder heeft weder den boozen
geest u in het lijf gejaagd. Op de knieën nu, op de knieën! Hoort gij
mij niet?"
Het wangedrocht beeft in al zijne leden en zinkt grommend voor haar
neder.
De bazin, die in het schommelkot was gevlucht, opent aarzelende de deur,
bij het vernemen der stem harer dochter.
"Moeder," zegt deze, "hij heeft eene vijs zijner keten gebroken. Haast
u, breng mij eene nieuwe vijs, dan is alles weder te recht."
Terwijl het moedige meisje den reus dwingt, haar naar de zottenkamer te
volgen, staat de fourier nog altijd met de sabel in de hand, verstomd en
roerloos te midden van het vertrek. Hij gevoelt het belachelijke van
zijnen toestand en is neerslachtig en beschaamd.
Onder eene nieuwe vlaag van geestverbijstering, komt nu de prinses
Ermelinde op hare knieën tot voor zijne voeten gekropen, heft de
smeekende handen tot hem en roept op scheurenden toon:
"O, Albafras, machtige toovenaar, genade, genade, spaar mijn leven! o,
neen, neen, dood mij niet!"
Daar wordt de buitendeur met eenen sleutel geopend, en de
sergeant-majoor treedt binnen. Hem ontsnapt een angstschreeuw bij het
gezicht van zijnen jongen kameraad, die met de sabel in de vuist de
krankzinnige juffer schijnt te willen vermoorden, terwijl zij voor zijne
voeten kruipt en om genade kermt.
Hij springt op hem toe, ontrukt hem zijn wapen, sluit hem in de armen en
zegt met diep medelijden:
"Ongelukkige vriend, wat gebeurt u? Kom, houd u stil, bedaar; het zal
overgaan."
De fourier blijft een oogenblik zwijgend; maar dan barst hij eensklaps
los in eenen schaterlach, die zijnen gezel nog meer doet verschrikken.
Zou de arme fourier waarlijk zinneloos geworden zijn?
Nu komen opvolgend de andere huislieden beneden. Wanneer zij vernemen
wat er is voorgevallen, schijnen zij er weinig belang aan te hechten. De
prinses wordt naar hare kamer terugbracht; de keten van Carabos is bij
middel eener nieuwe schroef hersteld. Allen wenschen elkander goeden
nacht. De sergeant-majoor, weinig gerust over den geestestoestand van
zijnen gezel, leidt hem naar boven.... en de diepste stilte daalt neder
over het huis, waar een oogenblik te voren woest gehuil en bange
noodkreten hergalmden.