Tegen alle verwachting van zijnen gezel, scheen de fourier, den morgen
na zijn wedervaren met Carabos, zeer rustig en zelfs van betere luim dan
te voren.
Hij had, gedurende eenen slapeloozen nacht, den tijd gehad om over zijne
belachelijke verbeeldingen en den goeden raad van den sergeant-majoor na
te denken, en daarbij met schaamte erkend, dat hij, sedert zijne
aankomst te Gheel, juist had gehandeld als ware het hem te doen om tegen
den ridder Don Quijote van Cervantes in gekheid te wedijveren. Zoo dwaas
scheen hem zijn gedrag, dat hij met zich zelven den spot dreef en
hartelijk deel nam aan de vroolijke scherts van zijnen kameraad, die
gelukkig was, zijne blijdschap over de genezing van zijnen jongen vriend
te mogen uitstorten.
Wel werd de fourier allengs weder eenigszins ernstig, doch het bleef
echter klaarblijkend, dat de betoovering, vroeger door de prinses
Ermelinde op hem uitgeoefend, beslissend was verbroken.
Na de morgenvergadering der compagnie, zeide hem de sergeant-majoor.
"Fourier, ik ga straks naar Moll, om daar den baas der Zwaan een bezoek
te brengen. Alles begint mij hier schrikkelijk te vervelen; en dewijl de
baas mij door eenen bode heeft uitgenoodigd, wil ik de gelegenheid
waarnemen, om mij ginder een weinig te verzetten en te vermaken. De
kapitein heeft mij verlof gegeven tot dezen namiddag, te zeven uren. Het
spijt mij, dat wij niet te zamen naar Moll kunnen gaan. Wij mogen niet
te gelijker tijd van de compagnie afwezig zijn, aangezien gij intusschen
ook mijnen dienst op u moet nemen. Maar hebt gij lust om in den namiddag
naar Kevermont op te wandelen en mij te gemoet te komen, ik zal Moll te
vijf uren verlaten; zoo kan ik ongeveer te half zeven Kevermont
bereiken."
De fourier aanvaardde zijn voorstel met genoegen, en vergezelde hem een
eind verre in de baan naar Moll.
Dien dag was de jonge onder-officier bijzonder wel te moede. De
overdrevenheid zijner ontroeringen had hem gansch genezen. Nu deed het
gezicht der zinneloozen bijna geenen indruk meer op hem; en, versomberde
nog somwijlen zijn gelaat onder den invloed eener onaangename
overweging, het was slechts wanneer hij bedacht, tot welke gekke
zinsverdwaling hij zich door zijne kinderachtige gevoeligheid had laten
verleiden.
Toen het bepaalde uur naderde, ging hij den weg naar Moll op, en
ontmoette inderdaad den sergeant-majoor, vooraleer deze het gehucht
Kevermont had bereikt.
"Welnu," vroeg hij zijnen kameraad, "heeft men zich te Moll goed
vermaakt?"
"Uitmuntend," kreeg hij ten antwoord. "Er zit wel eene zwarte vlieg op;
maar het is beter, aan zulke dingen niet te denken... Ha, fourier, wij
hebben ginder eenige flesschen van het patersvaatje geledigd! Die baas
Krols is toch een brave vent, en mij zoo genegen dat hij, wilde ik het
aanvaarden, mij zijn laatste hemd zou schenken.... Maar waarom ziet gij
er zoo nadenkend uit? Speelt de prinses van Ascalonië nog altijd u in
het hoofd of hebt gij weder tegen Carabos gevochten?.... Weg met al die
vervelende zagemannen! De eenige wijze en vermakelijke zotten zijn
degenen, die de wijn maakt, zooals ik, bijvoorbeeld; maar wel verre van
de lieden te willen bijten of verscheuren, zou ik al de menschen als
broeders in mijne armen willen drukken. Dit is de goede, de edele
krankzinnigheid.... Sa, gij zegt niets? Zijt gij weder betooverd?"
"Maar gij laat mij den tijd niet tot spreken," wedervoer de fourier
lachende. "En toch, wat zou ik u kunnen zeggen?"
"Geef mij nieuws van Gheel: mij dunkt, het is al eene eeuw geleden, dat
ik uit die zottenwereld ben weggevlucht."
"Er is geen nieuws, majoor, ten minste dat ik weet; ik heb bijna den
ganschen dag op onze kamer zitten schrijven.... De sergeant Pacquet is
onbeleefd tegen zijnen kapitein geweest en men heeft hem voor acht dagen
in den bak gezet."
"Dit is inderdaad geen nieuws. Pacquet zal zijne strepen niet lang
behouden; het is een dwaze kerel.... Weet gij anders niets?"
"Ha, ja, ik ging het nog vergeten, omdat ik er nu maar weinig belang
meer aan hecht: er is een negende zot in ons logement gekomen.... het is
te zeggen, eene zottin."
"Hebt gij ze gezien?"
"Ja, een oogenblik."
"Jong?"
"Dertig jaar misschien; het is moeilijk te raden."
"Schoone vrouw, fourier?"
"O, neen, majoor, zij heeft verwilderde oogen, hangende lippen en holle
wangen. Zij komt van Antwerpen. Volgens hetgeen Trees mij van haar
zeide, moet zij op trouwen gestaan hebben, maar haar verloofde heeft, op
het beslissend oogenblik, haar laten blinken en is sedert met een ander
meisje getrouwd. Dit heeft haar zoodanig het hart ingedrukt, dat zij van
verdriet is zinneloos geworden. Trees heeft dit ongetwijfeld van de
geleiders der zottin vernomen; want de weinige woorden, welke de arme
vrouw stamelt, hebben geenen zin en zij schijnt niemand meer te kennen."
"Ja, liefdesmart, zielsverdriet," mompelde de sergeant-majoor, het hoofd
schuddende, "ik weet wat het is.... en zelfs moet ik bekennen, dat ik
onder dit oogpunt eene zeer ongelukkige hand heb. Misschien ga ik
alweder te Moll een treurend hart achterlaten; maar ditmaal toch zal ik
er geheel onschuldig aan zijn. Hebt gij niet opgemerkt, dat Judoca, de
oudste dochter van baas Krols, gedurende de laatste dagen van ons
verblijf te Moll, mij veel vriendschap betoonde?"
"Inderdaad, en gij zelf, majoor, waart bijzonder minzaam voor haar,"
antwoordde de fourier met eenen glimlach.
"Ik? Nooit, ik dacht er niet aan; en, geloof mij of niet, voor niets ter
wereld keer ik nog terug naar Moll."
"Waarom?"
"Verbeeld u, fourier, dat tusschen het eten eener lekkere taart en het
drinken van een glas wijn, de baas mij heeft doen gevoelen, dat, indien
ik den krijgsdienst wilde verlaten, het mij niet onmogelijk zou zijn,
eene plaats van het staatsbestuur te bekomen. Dan zou hij zijne dochter
eenen goeden bruidschat medegeven en kon ik zijn schoonzoon worden. Hij
had wel opgemerkt, zeide hij, dat ik eene innige genegenheid voor Judoca
koesterde, en zij, van haren kant, was sedert mijn vertrek zoo droevig
geweest, dat het leed deed om aan te zien.... Gij begrijpt wel, dat ik
dit zonderling voorstel heb van de hand gewezen. De baas nam mijne
weigering niet euvel op; maar toen ik de Zwaan verliet, zag ik tranen in
Judoca's oogen glinsteren. Ik had waarlijk medelijden met haar, want
zij is een braaf en zedig meisje."
"En gij gevoelt niets voor haar?"
"Niets. Ik heb het u reeds gezegd, fourier: eens in mijn leven heb ik
bemind. Sedert dan kan geene vrouw,--zelfs niet de schoonste,--op mij
nog eenigen indruk doen. Die taal verwondert u, en gij meent dat ik
alweder spot?"
"Ik geloof u, majoor; gij hebt mij reeds meermaals laten verstaan, dat
gij eene verborgene wonde in het hart draagt."
"En gij zijt ongetwijfeld nieuwsgierig om die wonde te kennen?"
"Neen, bewaar uw geheim; ik zal nooit iets doen om het te ontdekken."
"Maar toch eens, fourier, zal ik moeten zeggen, wie ik ben en wat mij op
het geweten drukt. Welaan, gij zijt een goede kameraad en een bescheiden
vriend; ik gevoel den lust om u mijne geschiedenis te vertellen. Het zal
den weg verkorten, luister."
En zijnen gezel den arm nemende, stapte hij voort, terwijl hij dus
aanving:
"Mijne geboortestad is Brugge; ik was eene wees en stond onder toezicht
van eenen voogd, die zeer streng mij behandelde en mij weinig geld gaf,
ofschoon mijn vader, bij zijn overlijden, mij ongeveer vijf en twintig
duizend gulden tot erfenis had nagelaten.--In onze buurt woonde een
zekere Mr. Roovelt, een gepensioneerd groot-majoor, die in den slag van
Waterloo zijne rechterhand had verloren. Hij had eene dochter, Lucia
genaamd, een zeer bevallig, doch misschien al te gevoelig meisje. In
onze kindsheid hadden wij te zamen gespeeld. Toen ik van het collegie
terugkeerde en achttien jaar had bereikt, veranderde deze vriendschap
welhaast in een diep liefdegevoel, waartegen de majoor en mijn voogd
niets anders inbrachten, dan dat wij nog te jong waren en ten minste, om
te trouwen, moesten wachten totdat ik mijne meerderjarigheid zou hebben
bereikt.... Ik beminde Lucia oprecht en innig; maar zij werd door haren
vader zeer streng gehouden, en slechts elke week werd het mij gegund,
eenige oogenblikken met hem en met haar door te breugen. Ik was jong en
gevoelde den nood tot uitspanning en vermaak, en niet zelden sleet ik
den avond en een gedeelte van den nacht in gezelschap van vroolijke
vrienden. Lucia was ongerust, mistrouwend, ja, zeer jaloersch van
inborst. Nergens kon ik gaan en met vrienden mij vermaken, of zij wist
er bericht van te krijgen. Dan deed zij mij hevige verwijten, kreeg
zenuwaanvallen of weende uren lang, als had ik mij inderdaad op eene
onwaardige wijs jegens haar gedragen. Ik was overtuigd, dat die
geweldige ontsteltenissen aan hare overdrevene liefde voor mij waren toe
te schrijven; maar hare voortdurende bespieding, de dwang, dien zij op
mij poogde uit te oefenen, het denkbeeld, dat ik aan haar en aan haren
vader rekening te geven had over mijne minste daden, dit alles te zamen
bracht mij in opstand tegen haar, en het scheen mij zelven toe, dat
mijne genegenheid voor haar eindelijk zeer was verminderd.... Omtrent
dien tijd bereikte ik mijne meerderjarigheid, en mijn voogd stelde mij
ter hand wat er alsdan nog van mijne vaderlijke erfenis overbleef,
namelijk ongeveer twintigduizend gulden...."
"Gij hebt twintigduizend gulden bezeten?" mompelde de fourier. "In
geld?"
"In klinkend geld en in bankpapier."
"En hebt gij die nog?"
"Geen cent meer.... Maar onderbreek mij niet, het zou te lang duren. Ik
ga voort. Dit geld werd mijn ongeluk. Ik viel in slecht gezelschap; de
meening dat er aan zulken schat geen einde kon komen, de hoogmoed, de
zucht naar uitspattende vermaken sloegen mij met blindheid. Paard en
rijtuig moest ik hebben, met edelgeborene verkwisters in verkwisting
wedijveren, halve nachten tusschen flesschen champagne en liederlijke
gezellen van alle slag tuischen, zingen en juichen.... Het spreekt van
zelven, dat majoor Roovelt en mijn voogd mij zeer streng over mijn
zinneloos gedrag berispten, en de arme Lucia, meer nog dan te voren, mij
wanhopige verwijten deed; maar hunne vermaningen, daar ik ze als
berekende dwangmiddelen aanschouwde, deden mij des majoors woning
schuwen, en dreven mij tot nog grootere buitensporigheid aan...."
Hier werd zijn verhaal onderbroken door het geschreeuw van eenen
krankzinnige, die beweerde keizer van Oostenrijk te zijn, en hun den
doortocht op zijn grondgebied wilde ontzeggen; maar zij dreven hem
terug, evenals eenige anderen, zonder zich nog door zulke ontmoetingen
te laten wederhouden.
"Ik zal het kort maken, want wij naderen Gheel," hernam de
sergeant-majoor. "Nadat ik gedurende bijna twee jaren dit losbandig
leven had geleid, zag ik met verschriktheid het einde mijner
geldmiddelen naderen. Dan wilde ik den slechten weg verlaten, waarin ik
doolde, en mijne levenswijs veranderen. Het was te laat: de majoor
verbood mij den toegang tot zijn huis en mijn voogd deed mij zeggen, dat
hij voortaan den zinneloozen verkwister niet meer wilde kennen, die
waarschijnlijk zou eindigen met den naam zijns vaders door schandelijke
daden te onteeren. Daar ik geen ander geld meer had, dan drie of
vierhonderd gulden, bekroop mij de vrees, dat, indien ik in Brugge
bleef, zijne voorzegging waarheid kon worden. Geheel bedorven of grondig
slecht van inborst was ik niet. Ik betaalde mijne kleine schulden tot
den laatsten stuiver: en, zonder iemand iets van mijn voornemen te
melden, liep ik naar Holland en nam er vrijwillig dienst onder het
voetvolk. Door mijn goed gedrag en mijne vlijt won ik de welwillendheid
mijner oversten. Na anderhalf jaar was ik reeds sergeant; doch dan brak
de Belgische omwenteling uit, en ik verkoos naar mijn vaderland weder te
keeren. Ik had Lucia, mijne zoete speelgenoote, eerste voorwerp mijner
jongelingsliefde, niet vergeten; integendeel, zij had nooit opgehouden
voor mijne oogen te zweven; en zelfs, ik beken het, was de eenige reden
van mijn voorbeeldig gedrag onder dienst, de zwakke hoop dat ik daardoor
hare vergiffenis en die haars vaders zou kunnen verwerven. Ook, wat ik
allereerst deed, was mij naar Brugge te begeven. Eilaas, majoor Roovelt
had deze stad verlaten en was naar Brussel gaan wonen. Wat mij nog meer
bedroefde, was te vernemen, dat Lucia, door mijn onverwacht vertrek
pijnlijk getroffen, was ziek gevallen en eenigen tijd in levensgevaar
had verkeerd. Volgens het gevoelen van den vriend, die mij deze
berichten gaf, was er voor mij op geene vergiffenis te hopen; want de
majoor had gezworen, dat, indien ik mij nog voor hem durfde vertoonen,
hij met de eenige hand die hem overbleef mij eenen kogel door de hersens
zou jagen.... Brugge was in volle gisting; overal herklonk de kreet: 'te
wapen, te wapen!' en honderden jonge lieden trokken op naar de
Hollandsche grenzen. Ik volgde zulk eenen troep, en werd te Antwerpen in
eene nieuwgevormde compagnie tot sergeant-majoor aangesteld.... Men
heeft reeds meer dan eens beweerd, dat ik eene bijzondere genegenheid
voor het een of ander meisje had opgevat. Gij zelf, fourier,
voorondersteldet daar straks, dat zoo iets mogelijk is. Ach, ik zou het
willen: het zou mij misschien helpen om Lucia Roovelt te vergeten; maar
die herinnering mijner eerste jonkheid, die pijnlijke knaging van mijn
geweten, is zoo gemakkelijk niet te overwinnen."
"En hebt gij, sedert uwen terugkeer in ons land, geene moeite gedaan om
Lucia terug te zien?" vroeg de fourier.
"Neen," was het antwoord, "ik gevoel mij schuldig en ben overtuigd, dat
de majoor en zijne dochter met verachting hunne deur voor mij zouden
gesloten houden, indien Mr. Roovelt, in zijne wettige gramschap, zijne
bedreiging niet uitvoerde. Ik heb het verdiend en hoop niets meer. Kon
ik slechts haar beeld mij uit den geest drijven! Ik doe er moeite genoeg
toe, en misschien zal het mij mettertijd gelukken; maar mijn geweten zal
mij toch eeuwig blijven verwijten, dat ik mij jegens haar wreed en
ondankbaar heb gedragen."
De fourier poogde hem te troosten, door het vooruitzicht dat misschien
alle hoop niet zoo volledig voor hem was verloren, als hij het geloofde.
Inderdaad, de sergeant-majoor, die zeer geleerd was en bij zijne
oversten als een uitstekend soldaat stond aangeteekend, zou
ongetwijfeld, vooraleer een jaar verloopen ware, tot den graad van
tweeden luitenant vervorderd zijn. Toonde hij zich met de gouden
epauletten op de schouders en den officiersdegen aan de zijde voor Mr.
Roovelt, en bewees hij daardoor dat zijn gedrag sedert lang
onberispelijk was geworden, zouden Lucia en haar vader zich niet
gelukkig achten, te mogen vergeten wat er was geschied?
Zij waren op de Markt van Gheel getreden, toen de sergeant-majoor
antwoordde:
"IJdele droomen! Zeker, Lucia heeft mij teeder en innig bemind, te veel
misschien voor ons beider geluk, maar men mag van het menschelijk gemoed
het onmogelijke niet verhopen. Hare wettige verontwaardiging heeft de
liefde in haar hart uitgedoofd. God weet, is zij niet lang reeds
getrouwd? In alle geval, het schijnt mij dat ik, schuldig als ik mij
gevoel, haar niet zou durven naderen. Het beste is nog, mijne straf met
verduldigheid te aanvaarden, en van den tijd die alles geneest.... Zie,
daar komt de adjudant tot ons. Hij doet ons teeken, dat hij ons wil
spreken. Zou er nieuws zijn? Kon hij ons de tijding mededeelen, dat onze
compagnie Gheel gaat verlaten, ik zou er niet treurig om zijn. En gij,
fourier?"
"Ik zeker niet, gij kunt het denken; maar onze kapitein drukte immers
gisteren de meening uit, dat wij misschien nog eene gansche maand te
Gheel zullen blijven?"
Nu naderde hun de adjudant.
"Fourier," zeide hij tamelijk streng, "het schijnt dat de lucht hier
niet voordeelig op uwe hersens werkt. Gij hebt uwe bons voor vleesch,
brood en jenever zoodanig in de war gebracht, dat er niet wijs uit te
worden is."
"Zeker, adjudant, iedereen kan misgrepen begaan," antwoordde de fourier,
"maar ik meen mijne bons nauwkeurig te hebben opgemaakt."
"In het geheel niet: gij hebt vele ratioenen meer ontvangen dan het
getal der tegenwoordig zijnde mannen bedraagt. Wat er van zij, ik kan
mijnen algemeenen staat niet doen overeenstemmen, voor dat die dwaling
opgeklaard is. Kom, ga met mij naar mijn logement; wij zullen uwe bons
met het getal der mannen vergelijken."
"Ik volg u, adjudant.... Ga naar den Toren, majoor; ik zal straks bij u
komen."
"Neen," was het antwoord, "ik ben wat moede en wil naar ons logement
gaan, om een oogenblik te rusten. Kom mij daar halen, dan gaan wij te
zamen naar den Toren."
De fourier volgde den adjudant tot op zijne kamer.
Het was hem niet moeilijk, in korten tijd het bewijs te leveren dat de
adjudant zich had misgrepen, ten minste wat hem betrof. Daar er evenwel
eene dwaling bestond, moest deze, meenden zij, door eenen anderen
fourier begaan zijn, en zij poogden te zamen, door optellen en
vergelijken, den knoop der verwarring te ontdekken.
Eindelijk, na een half uur zoekens, bevonden zij, dat de adjudant zelf,
door het misplaatsen eener cijfer, de dwaling had veroorzaakt. Hun
drukke arbeid liep uit op eenen schaterlach.
De fourier haastte zich terug naar zijn logement; want de
sergeant-majoor, die op hem wachtte om een glas bier in den Toren te
gaan drinken, zou misschien over zijn lang wegblijven verwonderd zijn.