Te Moll teruggekeerd, vertelde de fourier aan zijnen sergeant-majoor,
wat wonderlijke, treurige dingen hij te Gheel had gezien en vernomen;
hij verborg hem daarbij niet, hoe onuitlegbaar diep hij door het
schouwspel van der zinneloozen ellendig lot was ontroerd geworden.
Zijn kameraad schertste gedurende eenige dagen met zijne overdrevene
gevoeligheid, waarna deze indrukken allengs in des fouriers gemoed zelf
verzwakten; en hij had de krankzinnigen van Gheel waarschijnlijk al
spoedig vergeten, indien niet eene onverwachte omstandigheid ze weder
had te berde gebracht.
Eenen middag, toen de onder-officiers op de wacht-parade tegenwoordig
waren om het dagorde te ontvangen, werd daar een bevel van den generaal
afgelezen, welks voorname inhoud was, dat de twee Compagnies morgen naar
Gheel zouden vertrekken, om er de compagnies van het 3de bataljon te
vervangen, die zich naar Turnhout begaven.
Dit nieuws verraste den fourier niet weinig; hij twijfelde een
oogenblik, of hij het wel juist had verstaan. Wat? zij moesten te Gheel
gaan logeeren? Te midden der zinneloozen leven, en ongetwijfeld onder
hetzelfde dak slapen met eenigen der schrikbarende wezens, wier
aandenken hem nu nog somwijlen deed huiveren!
Dan, er was aan de noodzakelijkheid niet te ontsnappen: een soldaat
gehoorzaamt.
In het gevoel, dat hij ditmaal niet naar Gheel zou gaan als liefhebber
en uit vrijen wil, maar tot het vervullen van eenen opgelegden plicht,
vond hij gemoedssterkte genoeg om zijne bekommerdheid te overwinnen....
en het was tamelijk licht van hart, dat hij, des anderen daags 's
morgens, de lieden der Zwaan vaarwel wenschte, en met den
sergeant-majoor zich schikte bij den troep, die reeds met pak en zak
reisvaardig stond.
De trommels gaven het sein, en de compagnies, tot bij de laatste huizen
der gemeente door een gedeelte der inwoners begeleid, sloegen de
aardebaan naar Gheel in.
Ongeveer twee uren later, bereikten zij de kerk van St. Dymphna en de
eerste huizen der gemeente Gheel.
Van dit oogenblik af, werden zij al meer en meer vergezeld of
voorafgeloopen door zinneloozen,--meest kinderen,--die met papieren
hoeden op het hoofd en houten sabels of stokken in de hand sprongen en
dansten op de maat der trommels.
In den eerste poogden de bijldragers of _sapeurs_ hen te verjagen; maar
het was als een vliegenzwerm; zij vloden wel weg voor de bedreiging der
sapeurs, doch keerden telkens weder; en dewijl er van alle kanten nog
anderen kwamen toegeloopen, was het wel zichtbaar dat men ze moeilijk
zou kunnen verdrijven. De gansche troep, officiers en soldaten, eindigde
dan ook met om het zonderlinge schouwspel te lachen, en vervorderde
zijnen weg zonder zich aan de luidruchtige vroolijkheid der arme wezens
gelegen te laten.
Bij de Markt kwamen nog een honderdtal straatbengels, even uitgelaten,
zich met de zinneloozen vermengen; en toen eindelijk de compagnies voor
het gemeentehuis stilhielden, waren zij omringd van eene wolk dansende
of juichende lieden, waartusschen men onmogelijk de redehebbenden van de
krankzinnigen kon onderscheiden.
Hier werden onmiddellijk de logement-biljetten uitgedeeld, en welhaast
zag men de soldaten, in groepjes van zes, vier of twee, naar alle
richtingen zich over de Markt verspreiden om hunne herberg op te zoeken.
Niet zelden kregen zij, zonder het te vermoeden, eenen zinnelooze tot
leidsman, en daaruit ontstonden koddige misgrepen en verrassende
tooneelen, die den ganschen dag het voorwerp bleven van de vroolijke
scherts der soldaten.
Op de Groote Markt zelve, te midden der Westelijke zijde, werd den
sergeant-majoor en den fourier van verre hun logement aangewezen.
Het scheen een tamelijk groot burgerhuis; maar, buiten de gewone
inkomdeur, had het nog eene wagenpoort, die toeliet op eenen voorhof te
zien, waar de mesthoop, karren, egge en ploeg aantoonden, dat hier,
evenals bij vele inwoners van Gheel, nevens de verpleging van
krankzinnigen, insgelijks den landbouwerssstiel werd uitgeoefend.
Onze onder-officiers werden zonder veel beslag, doch met minzaamheid
onthaald door eene dochter en eene oude vrouw, welke laatste hun zeide:
"Ja, mijnheeren, het is wel ten onzent, dat gij moet zijn. Komt binnen,
en weest zoo goed ons te volgen; wij gaan u maar seffens uwe kamer
toonen; zoo kunt gij u van ransel en geweer ontdoen."
Men bracht hen eerst door een ruim vertrek, waar vier of vijf
personen,--eene juffer in uitgezochte kleeding, een oude man, een jongen
van dertien of veertien jaar en een klein meisje,--rondom den wijden
schoorsteen zaten: zinneloozen ongetwijfeld, want in hunne blikken of in
hunnen lach was iets verwilderds of iets dwaas. Boos of dreigend schenen
zij echter niet te zijn; bovenal niet de juffer die, roerloos als een
wassen beeld, hare groote blauwe oogen, zoet en klagend, op hen hield
gericht.
"Zoo jong, zoo lief.... en krankzinnig!" zuchtte de fourier met
medelijden.
"Het is Ermelinde, de verwenschte prinses," zeide de dochter met eenen
glimlach.
"Houdt gij nog andere zotten?" vroeg de sergeant-majoor.
"Wij houden er gewoonlijk tien," was het antwoord. "Voor het oogenblik
hebben wij er maar acht. Het zijn gelukkiglijk stille, rustige
zotten.... behalve een enkele, maar die is meest altoos opgesloten."
Nu bereikten zij de kamer, die den onder-officiers tot tijdelijk
verblijf was bestemd, en er ruim en goed ingericht uitzag.
"Vrienden," sprak de oude bazin, "stelt u nu maar op uw gemak en doet
alsof gij te huis waart. Wij hebben allen ons werk: ik moet koken, bijna
den geheelen dag; onze Trees, daar, moet mij helpen en de koeien in den
stal verzorgen; onze Beth, welke gij straks zult zien, moet op de zotten
letten; mijn man en mijne twee zonen zijn aan den veldarbeid. Misschien
zoudt gij kunnen denken, dat wij niet veel naar u omkijken; maar,
wenscht gij iets, zegt het. Kan het zijn, wij zullen het u
oogenblikkelijk geven, met veel plezier. En wat de uitdeelingen van
vleesch en brood of handgeld betreft, mijnheeren, die kunt gij doen op
den voorhof. Daar is eene schuur met tafel, banken en weegschaal,
doelmatig daartoe geschikt. Wij hebben tot nu toe sergeant-majoors en
fouriers gelogeerd en waren altijd de beste vrienden."
De onder-officiers bedankten haar voor hare goedwilligheid.
"Ik zou het nog vergeten," voegde zij in het heengaan er bij. "Het is
nog verre van middag en de reis heeft misschien uwen eetlust opgewekt.
Komt beneden, mijnheeren, zoohaast gij hier gedaan hebt: de hesp, de
kramik en een goed glas bier zullen gereed staan."
Met deze woorden lieten de vrouwen hen alleen.
De sergeant-majoor wreef zich de handen en juichte over het
voortreffelijk logement, dat hun ten deel was gevallen. Min vroolijk
scheen de fourier. Toen zijn gezel hem de reden dezer koelheid vroeg,
bleek het, dat de prinses Ermelinde hem in het hoofd speelde en hem
eensklaps zwaarmoedig had gemaakt. Dit gaf den sergeant-majoor weder
stof tot spotten.
"Uwe gekke scherts laat mij ongevoelig," zeide de fourier zeer ernstig.
"Zeg al wat gij wilt; maar ik kan, zonder van medelijden te sidderen,
mij niet voorstellen, dat zulk jong meisje, die waarschijnlijk tot eene
goede familie behoort, voor gansch haar leven tot krankzinnigheid is
veroordeeld. Misschien was zij bestemd om in de wereld te schitteren;
zij is schoon...."
"Schoon?" riep de sergeant-majoor, "dit levenloos gelaat, zonder de
minste uitdrukking, effen en blinkend als een porseleinen poppenkop? Ik
geloof, dat gij scheel ziet. Is het mogelijk, zulk spookachtig
aangezicht schoon te vinden! Let maar op, dat uw ziekelijk medelijden u
zelf niet zot maakt."
"Daarvoor is geen gevaar," wedersprak de fourier lachend. "Ik ben
inderdaad kinderachtig. Wat kan ik er evenwel aandoen? Maar het is
alweder een eerste indruk, die spoedig zal voorbij zijn.... Laat ons nu
beneden gaan en de hesp eens aanspreken; want, ondanks mijne deernis met
het lot der arme juffer, gevoel ik, dat het mij wel zal smaken."
Zij daalden een tiental trappen af en kwamen in de huiskamer, tevens tot
keuken dienende, en waar zij ditmaal geene zinneloozen meer aantroffen.
"Zit neder, mijnheeren," zeide de oude bazin, die alleen was om hen te
onthalen. "Gij zult mij nieuws zeggen van onze hesp en onzen kramik."
Toen ze beiden reeds aan tafel hadden plaats genomen, keek de fourier,
waarschijnlijk zonder het te weten, nog om naar den leunstoel bij den
schoorsteen, waar eenige minuten te voren de krankzinnige juffer had
gezeten.
"Ja, ik zie het wel, mijnheeren," zeide de bazin, "het verwondert u, dat
onze kostgangers eensklaps zijn verdwenen. Mijne dochter Beth heeft ze
in de zottenkamer geroepen, opdat zij u, ten minste dezen morgen, niet
zouden storen. Anders gaan en komen zij vrij door ons huis, in den hof
en zelfs op straat. Het zou wreed zijn, niet waar, de ongelukkige
schapen, die niemand kwaaddoen, altijd in dezelfde kamer opgesloten te
houden? En gij zult het ongetwijfeld niet kwalijk nemen, indien gij nu
en dan eenen onzer zotten ontmoet."
"Zeker niet, bazin; integendeel, het zou ons spijten, moesten zij voor
ons een oogenblik hunne vrijheid missen," antwoordden de
onder-officiers.
"Zij verlieten niet gaarne de keuken," ging de vrouw voort, "want die
onnoozele sukkelaars zijn nog nieuwsgieriger dan redelijke menschen. Ik
had ze niet weggekregen: zij moesten onze nieuwe soldaten zien, maar
onze Beth is de moeder der zotten; op den klank harer stem of op eenen
wenk van haren vinger, gehoorzamen zij goedwillig, ja, zelfs de reus
Carabos,--zooals de prinses Ermelinde hem noemt,--die anders, nacht en
dag, zou moeten geboeid liggen.... maar, dank zij onze Beth, nu kan de
arme man van tijd tot tijd in de zottenkamers wat rondwandelen en zijne
leden uitrekken."
"Is er een reus in uw huis? Een zinnelooze reus?" mompelde de fourier
half lachend en half angstig.
"Het is veeleer een leeuw in menschengedaante. Was onze Beth niet daar
om hem te temmen, voor geen geld der wereld nam ik hem in den kost. Gij
zult hem zien, mijnheeren, morgen of overmorgen wanneer hij kalm is. Ik
weet het niet, onze Beth alleen weet het."
Terwijl de bazin deze uitleggingen gaf, hield zij zich onledig met hare
keuken. Zij stelde eenen ziedenden pot op de heete assche, trok eenen
emmer bij en begon aardappelen te schillen.
De sergeant-majoor, die opmerkte dat de oude vrouw gaarne sprak, vroeg
haar eenige inlichtingen aangaande de krankzinnige juffer, welke bij
hunne komst in den leunstoel had gezeten, en drukte daarbij de meening
uit, dat ongetwijfeld liefdesverdriet de oorzaak harer ziekte was.
"Dit weten wij niet juist, mijnheeren," antwoordde zij. "Het is toch wel
mogelijk; maar mijn gevoelen is, dat men haar, toen ze nog een kind was,
te dikwijls in slaap heeft gewiegd met vertelsels van tooverijen,
reuzen, monsters en andere dwaze dingen. Zij verbeeldt zich, eene
koningsdochter te zijn, die verwenscht is door eenen machtigen
toovenaar, en in eenen kuil onder den grond moet zuchten en tranen
storten, totdat haar verloofde, de prins Arthur, haar komt verlossen.
Maar zij en die arme Arthur zijn wel te beklagen; want om haar te kunnen
redden, moet hij eerst den reus Carabos het hoofd afslaan en eenen draak
met zeven koppen overwinnen.... Gij zult het bij gelegenheid wel uit
haren eigen mond vernemen. Zij antwoordt zeer zelden rechtstreeks op wat
men haar zegt of vraagt; maar vertelt schier elken dag hare geschiedenis
aan wezens, die zij waant te zien."
"Van waar is het arme meisje?" vroeg de fourier.
"Van Brussel, mijnheer. Zij is eene weeze, door hare voogden bij ons
besteed. Ongetwijfeld hebben hare ouders haar eene rijke erfenis
nagelaten; want niets mogen wij haar weigeren, noch kostbare kleederen,
noch uitgekozen voedsel. Zij heeft eene kamer voor haar alleen en wordt
er gediend als eene welhebbende dame. Wat haar het grootst gedeelte van
den dag bezighoudt, is haar opschik; zij is uiterst zindelijk, zooals
gij het ongetwijfeld hebt opgemerkt."
"Ja, haar aangezicht is glad en blinkt als ware het gevernist!"
schertste de sergeant-majoor.
"Nu, dit komt daarvan, mijnheer, dat de prinses Ermelinde zich niet
alleen het blonde haar met pomade besmeert, maar ook voorhoofd en
wangen."
De fourier luisterde nadenkend toe. Hoe meer hij van de prinses
Ermelinde hoorde vertellen, hoe dieper zijn medelijden werd.--Eene
weeze, jong, rijk en schoon.... en verzonken voor altijd in den donkeren
kolk der zinneloosheid! Het was een lot, zoo schrikkelijk, zoo
beklagenswaardig, dat er aan te denken alleen hem het hart beklemde.
Op de vragen van den sergeant-majoor, zeide de bazin verder:
"Gij hebt tot nu maar vier onzer zotten gezien, mijnheeren; namelijk de
prinses; een ouden vent, die slechts doodarme bloedverwanten heeft, en
sedert twintig jaar op eene millioenrijke erfenis wacht; een jongen,
zonder verstand geboren; en een klein meisje, zot geworden nadat zij
door eenen harer schoolkameraden met eenen steen tegen het hoofd werd
geworpen. De anderen, welke gij nog niet hebt gezien, zijn ten eerste de
reus Carabos, van wien ik u reeds heb gesproken; ten tweede
Baptist-de-vogel, een professor der cijferkunst, die uit eenen ballon
gevallen is en meent in de maan te zijn geweest. Hij zal u van zijne
reis de ongelofelijkste dingen vertellen, indien gij maar wilt
luisteren; ten derde, een ouden sukkelaar, die gelooft een dozijn
levende muizen in zijne maag te hebben, en gansche dagen met het hoofd
op de borst zit om ze te hooren piepen; en ten vierde Trientje Snoeck,
een zeventigjarig vrouwken, die voor eenige bezigheid heeft, onder
stoelen, banken en kassen naar haren neus te zoeken, dien zij meent te
hebben verloren."
"En heeft zij werkelijk geenen neus?" lachte de sergeant-majoor.
"Geenen neus, mijnheer? Hij bedekt de helft van haar aangezicht; maar
zij gelooft dat het een houten neus is, dien men haar heeft opgezet. Ook
trekt zij er gedurig aan, om hem los te maken; maar hij staat vast en
het doet haar te veel pijn."
Na aldus door de bazin nog eenige andere inlichtingen te hebben bekomen,
stonden de onder-officieren van tafel op. De sergeant-majoor betuigde
den lust om de gemeente eens rond te wandelen.
Beiden wenschten de goede vrouw vaarwel tot den middag, en traden de
straat in.
Zij ontmoetten vele lieden, die klaarblijkend krankzinnig waren; eenigen
stuurden hun het woord toe, en de sergeant-majoor lachte met hunne vieze
grillen of dreef hen achteruit, zoohaast zij hun lastig werden. Ook de
fourier begon te ondervinden, dat het gezicht dezer onnoozele of dolende
menschen niet meer voor hem zoo schrikwekkend was als de eerste maal, en
hij erkende, dat hij na weinige dagen er zich geheel zou kunnen aan
gewennen.
Toen zij,--na een uurtje nog in de herberg de Toren met goede kameraden
te hebben doorgebracht,--weder te huis kwamen, vonden zij de lieden
reeds aan tafel en op hen wachtende om het middagmaal te beginnen.
Daar zagen zij nu den baas en zijne twee zonen, mannen met breede
schouders en eeltige handen, minzaam doch weinig sprekende.
Een stoel, waarvoor een bord stond, bleef ledig. Zij twijfelden niet, of
deze plaats aan tafel was bestemd voor Beth, de moeder der zotten, die
met eenen wenk harer oogen den reus Carabos kon doen gehoorzamen....
Maar toen het middagmaal reeds halve was afgeloopen, had nog niemand den
ledigen stoel ingenomen.
Dan stond echter de andere dochter, die met zichtbaren haast had
gegeten, van tafel op en verdween in eene nevendeur, langs waar hare
zuster, een oogenblik daarna, in de keuken kwam, om op hare beurt het
noenmaal te nemen.
Dit was dus Beth; de bewaakster der zinneloozen. Zij groette door eenen
stillen "goeden dag, mijnheeren," de twee onder-officiers en begon,
zonder meer acht op hen te slaan, haar middagmaal.
Niets bijzonders was er aan haar op te merken; evenals hare zuster was
zij de eerste jeugd voorbij, noch mooi, noch leelijk, sterk van
lichaamsbouw en grof van wezenstrekken; maar zoohaast haar eerste
eetlust wat gestild was, en zij nu en dan de nieuwe kostgasten aanzag,
stonden dezen niet weinig verbaasd over de indringende vastheid en de
beheerschende kracht van haren blik. De fourier bovenal, daar hij
telkens als gedwongen werd, de oogen voor haar neder te slaan, gevoelde
zich vernederd en gekwetst, en, wat er in zijn hart voor de fiere meid
ontstond, was geheel iets anders dan toeneiging.
"Juffrouw Beth is de moeder der zotten?" vroeg haar de sergeant-majoor
met een glimlach, dien hij zoo beleefd mogelijk poogde te maken.
"De bewaakster en verpleegster der zotten, inderdaad, mijnheer,"
antwoordde zij.
"En blijft gij zoo geheele dagen alleen met hen?"
"Het is mijn plicht, mijnheer."
"Een treurige plicht."
"Wanneer men hem volbrengt met liefde...."
"En gij zijt niet vervaard, juffrouw?"
"Vervaard? Ik? Al onze zotten zijn zachte, stille lieden."
"Uwe moeder sprak ons nogtans van eenen reus Carabos."
"Ja, Carabos, zooals onze prinses hem gedoopt beeft. Die ligt aan ketens
geboeid, zoolang ik afwezig ben."
"Ha, dit is altijd eene verzekering; maar indien hij bij ongeluk zijne
keten verbrak?"
Beth glimlachte, en zich een weinig ter zijde over den vloer buigende,
wees zij met den uitgestrekten vinger ten gronde.
"Hij mag losbreken en woedend worden," zeide zij, "met mijne oogen en
met zulk teeken van mijnen vinger, zal ik hem voor mijne voeten doen
knielen."
Bij het uiten dezer woorden had zij waarlijk een meesterachtig, een
mannelijk voorkomen, dat eenen diepen indruk op het gemoed harer
aanhoorders deed. Hare ouders en hare broeders schenen trotsch over hare
stoutmoedigheid, en bezagen de onder-officiers met oogen, die schenen te
vragen: "Welnu, wat dunkt U van zulke vrouw?"
Een zwaar en dof gerucht, als van paarden die in den stal trappelden,
deed het huis daveren.
"Hoort gij, mijnheeren, hij schudt en wringt zijne keten," zeide Beth
opstaande. "Uwe trommelaars hebben hem onrustig gemaakt; mij in zijne
nabijheid te weten, kan alleen hem bedaren. Ik ga den ongelukkige zijne
boeien afdoen. Indien de heeren lust hebben om onzen armen Carabos te
zien, zou ik hun aanraden tot morgen te wachten. Nu is hij te
aangejaagd. Vaarwel, mijnbeeren: mijn plicht is daar, achter die deur."
En zij verdween in de nevenkamer.
De ouders begonnen te roemen over hunne dochter, een toonbeeld van moed,
opoffering en werkzaamheid, tot zoo verre dat niemand hunner zich met
de zotten had te bemoeien, noch dag noch nacht; want Beth sliep in het
gedeelte van het huis, dat voor de zotten was bestemd; en, wat er ook
voorviel, zij alleen herstelde de rust en de stilte. De tegenwoordigheid
van anderen deed er meer kwaad dan goed aan.
Op eene half schertsende bemerking van den sergeant-majoor, antwoordde
de bazin:
"Vechten met de zotten? Geweld gebruiken? Kom, mijnheer, daar is schijn
noch gedachte van. De zotten weten wel, waarom zij hunne bewaakster den
zoeten naam van moeder geven. Zij wascht en reinigt ze, zij laat hun
niets ontbreken, zij vervroolijkt ze met spel en zang, en, waar zij kan,
troost ze de arme schapen alsof het hare eigene kinderen waren. Hare
goedheid en haar engelachtig geduld hebben zelfs in den reus
Carabos,--die anders van den mensch niets heeft dan eene verre
gelijkenis,--een gevoel van dankbaarheid opgewekt. Zoo is onze Beth van
kindsbeen af, mijnheeren, tusschen zinneloozen opgevoed, heeft zij niet,
als anderen, met hun ongeluk gespot of van hen teruggeschrikt;
integendeel, in haar is de gedachte gegroeid, dat zij ook den hemel kan
verdienen met wel te doen aan die ongelukkige, verlatene wezens.... en,
op mijn woord, ik geloof dat ze gelijk heeft. Wat dunkt u daarover,
mijnheeren?"
"Hum, hum, het hangt af van goesting," mompelde de sergeant-majoor.
"Ja, ja, bazin, uwe edelmoedige dochter heeft gelijk!" riep de fourier
met begeestering uit. "Het is een heilige taak, het bitter lot dezer
arme, dolende zielen te verzachten. Wel zeker moet zulk verborgen werk
der hoogste liefdadigheid aangenamer zijn in Gods oogen, dan vele
schitterende daden, die hunne belooning vinden in de bewondering der
wereld!"
De oude vader stond op en kwam ontroerd de hand van den jongen
onder-officier drukken.
"Gij begrijpt het goed, fourier," zeide hij. "Er zijn twee wijzen om
zijn geld met de verpleging der zotten te winnen: ze voeden en
gevoelloos hun lijden aanzien, of hun daarbij nog een deel van zijn hart
te geven en ze te troosten, waar het mogelijk is. Onze Beth doet meer:
zij aanschouwt die kamers, daar achter, als haar klooster; en met haar
leven aan de verpleging der zotten te besteden, meent zij het toe te
wijden aan God.... Heb dank, fourier, heb dank voor mijne dochter."
En onder het uitspreken dezer laatste woorden ging hij, door zijne
beide zonen gevolgd, de kamer uit, om den onderbroken veldarbeid te
hervatten. Ook Trees verdween in het schommelkot, om potten en borden te
gaan afwasschen.
"Mijnheeren," zeide de bazin, "wij hebben hier de gewoonte niet, seffens
na ons middageten koffie te drinken; maar gij zijt waarschijnlijk
jongens uit de stad. Kan ik u plezier er mede doen, het water kookt, ik
schenk u in een paar minuten tijds eene kom sterke koffie op."
"Gij zijt veel te goed, moeder," antwoordde de sergeant-majoor. "Indien
het u evenwel niet te veel moeite was? Een kopje koffie na het
middagmaal en een lekker pijpje daarbij gerookt, het is het gelukkigst
oogenblik van den dag."
Zij hoefden niet lang te wachten: kort daarop vermengden de welriekende
walmen der koffieboon zich met den sterkeren geur van de tabak, en de
onder-officiers, half achterover op hunne stoelen liggende, bliezen
wellustig de blauwe rookwolkjes in de lucht en redekavelden vroolijk,
terwijl de bazin sedert eenige oogenblikken in het schommelkot was
gegaan, om hare dochter aan den huisarbeid te helpen.
Eensklaps hoorden zij achter hunnen rug een gepiep, als de schreeuw van
rotten of van zekere vogels. Zij keken om en zagen eenen ouden man, met
eenen blauwen kiel aan het lijf, die, met den vinger wenkende, hun
teeken deed om te komen luisteren, en op geheimzinnigen toon hun zeide:
"Ze zitten daarbinnen, daarbinnen in mijne maag. Hoort gij ze niet? Ze
hebben weder jongen. Nu zijn er al zes en zestig. Piep, piep, piep!
Hoort gij ze niet?"
De onder-officiers lachten; maar er was evenwel iets dat hen
verwonderde. Het gepiep scheen waarlijk uit de maag van den armen man op
te komen; en het kon niet anders, of hij had door inspanning en lange
oefening, voor dien enkelen klank ten minste, de buikspraak geleerd.
In den eerste vermaakten onze onder-officiers zich min of meer met de
zonderlinge gril van den zinnelooze; maar dewijl hij gedurig hetzelfde
herhaalde en er uit hem niet anders was te krijgen dan: "Zes en zestig!
piep, piep; hoort gij ze niet?" werden zij hem al spoedig moede.
Gelukkiglijk kwam de bazin op dit oogenblik in de kamer, om iets te
halen. Zij vatte den krankzinnige lachende bij den schouder, leidde hem
naar de buitendeur en mompelde in schijn spijtig:
"Kom, laat die heeren gerust. Ga met uwe muizen op straat en doe ze een
luchtje scheppen; anders zullen ze nog versmachten."
"Het is een felle zageman, dit levend muizennest, mijnheeren," zeide
zij, zich weder naar het schommelkot richtende. "Geviele het dat hij
terugkeerde of een andere onzer zotten u verveelde, roept mij, ik zal er
u van verlossen."
Nauwelijks was zij verdwenen, of de nevendeur werd geopend, en nu
vertoonde zich een tamelijk welgekleede man, die met kleine sprongen
rondom de kamer huppelde, terwijl hij de armen in de lucht sloeg zooals
een vogel met zijne vlerken doet, en daarbij een zonderling keelgeluid
liet hooren, dat hij ongetwijfeld van de wilde ganzen had afgeleerd.
"Ha, ha, Baptist, wat doet ge daar?" riep de sergeant-majoor, die zich
herinnerde dien naam van de bazin te hebben gehoord.
"Ik vlieg.... ik vlieg naar de maan!" antwoordde de zinnelooze.
"Maar gij zijt er reeds geweest."
"Ik keer er terug naartoe: het deugt hier niet voor mij."
"Is het zoo, met uwe armen uit te slaan, dat gij meent in de maan te
geraken?"
"Neen, ik wil eerst leeren vliegen. De mensch leert wel zwemmen. Het is
slechts een verschil in de vereischte kracht. Bij mijne vorige reis was
ik te veel overlast en ben daarom bijna den nek gebroken."
"En door welk middel zijt gij de eerste maal tot de maan opgeklommen?"
De man kwam nader, trok eenen stoel bij, zette zich gemeenzaam tusschen
de twee onder-officiers, nam eene houding aan als een professor die
zijne les gaat geven, haalde een stuk wit krijt uit den zak en teekende
daarmede op het tafelblad vele ronde figuren, als een hoop appelen. Dan
zeide hij met eenen fieren lach van zelfvoldoening:
"De heeren weten ongetwijfeld, waarin de klimkracht van eenen luchtbal
bestaat. Veronderstelt dat zulke luchtbal, opgevuld met waterstof-gas,
vijf duizend pond minder weegt dan dezelfde ballon zou wegen, indien hij
met gewone lucht was gevuld. Welnu, wanneer men twintig dergelijke
ballons, allen onwrikbaar aan elkander gehecht, doet maken, bekomt men
eene klimkracht van honderdduizend pond. Dit is juist wat ik heb
gedaan.... en op eenen schoonen morgen ben ik in de hoogte gevlogen met
zulke schrikkelijke snelheid, dat mij hooren en zien verging, en ik in
eenen duizeligen slaap geraakte, totdat ik eindelijk op de maan
ontwaakte, zonder te kunnen denken waar mijne ballons zijn gebleven.
Ongetwijfeld hebben zij hunne reis voortgezet en vliegen nog immer in
het eindelooze ruim, tusschen de starren van den Melkweg. Zijn ze,
integendeel, naar de zon gevlogen, dan beklaag ik het lot van mijn
wonderbaar kunstwerk."
"Gij waart dus uit uwen luchtbal op de maan gevallen? Dat moet uwe arme
knoken geene deugd gedaan hebben," schertste de sergeant-majoor.
"Neen, mijnheer, ik had geen het minste leed bekomen. Het schijnt
ongeloofelijk, niet waar? Het is evenwel gemakkelijk te begrijpen: ik
lag te midden eener breede rivier, zonder nogtans er in te kunnen
zinken; ik werd zelfs niet eens nat. Dit water, moet gij weten, bestond
uit millioenen doorschijnende blaasjes, geheel gelijk aan de zeepbellen,
waarmede de kinderen hier spelen; maar zij braken niet, namen vloeiende
allerlei vormen aan en waren rekbaar als gom-elastiek. Ik kroop over
hunne oppervlakte tot bij den boord der rivier; maar daar zag ik op den
oever geheele rijen leelijke menschenhoofden op de aarde liggen, en deze
hoofden lachten of grijnsden mij aan, met zulke vervaarlijke grimassen,
dat ik bevend terugdeinsde en wel een halven dag boven de luchtblaasjes
op mijnen buik bleef liggen, voordat ik het waagde den vasten grond der
maan te betreden. U beschrijven, mijnheeren, hoe de zaken daar staan,
durf ik niet; gij zoudt mij uitlachen en zeggen dat ik van mijne zinnen
ben."
"Neen, toch niet; gij maakt ons nieuwsgierig; kom, vertel ons wat gij in
de maan hebt gezien."
Verward en dikwijls voor zijne aanhoorders bijna onverstaanbaar waren
des mans uitleggingen.
"De grond der maan," zeide hij, "bestaat uit duizenden en duizenden
naakte rotsgebergten, zonder valleien; maar in alle scheuren en kloven
van den keiharden steen, tot op den oppersten top der hemelhooge alpen,
ligt eene zwarte, sponsachtige aarde, die zeer vruchtbaar is.... In
zulke voorwaarden zouden er geene groote boomen kunnen groeien; maar de
almogende Schepper heeft er in voorzien: de boomen hebben er beweegbare
wortelen, als zoovele voeten, en daarmede klimmen ze, alhoewel langzaam,
de bergen op en af, om naar nieuwe en diepere grondlagen te zoeken....
Wat de maanmenschen betreft, die zijn nog al wonderlijker geschapen.
Leelijk--zooals wij het woord verstaan--zijn ze boven alle beschrijving;
maar wat hen van de aardmenschen in alle geval zou onderscheiden, is een
staart als eene gewrongene koorde, die hen verscheidene ellen achterna
sleept. Er zijn mannen, noch vrouwen, noch kinderen. Allen noemen zich
met hetzelfde woord _Unakau_, dat in hunne taal wil zeggen:
_mosselslikker_. De Unakaus zijn niet onsterfelijk. Hoe worden daar dan
de nieuwe menschen geboren, zult gij vragen, mijnheeren? De leelijke,
grijnzende hoofden, welke ik allereerst op den oever der rivier meende
te zien liggen, waren nog ongeboren maanmenschen. Ziehier, vanwaar zij
komen. De Unakaus hebben lange, breede olifantsooren, en daarachter
groeien nu en dan kleine harde bolletjes, welke zeer jeuken en hen
verplichten, ze af te krabben. Valt zulk bolletje op eenen gunstigen
grond, dan zwelt het allengs en schiet eene soort van wortels. In den
beginne, gelijkt het een waren paddestoel of champignon; maar de
paddestoel krijgt oogen, mond en ooren, en wordt op den duur een
menschenhoofd, dit is te zeggen Unakau-kop. Zoo blijft hij groeien en in
de hoogte schieten gedurende ongeveer twintig onzer aardejaren; dan
geraakt hij los en leeft tusschen zijne mede-Unakaus gedurende veertig
jaren, waarna hij weder wortelen in den grond schiet en, twintig andere
jaren, immer kleiner en kleiner wordt, totdat hij eindelijk geheel in de
aarde terugkruipt, zonder dat er iets zichtbaars van hem overblijft....
Deze Unakaus, alhoewel grooter dan wij, wegen bijna niets; zij gaan
niet: zij maken sprongen van honderd voet hoogte en meer, en zijn zoo
licht, dat ze bij winderig weder zich aan bergen of boomen moeten
vastleggen, om niet als stuifzand in de lucht op te vliegen. Daartoe
zijn hun die lange staarten gegeven. Hun eenig voedsel is het
ongedierte, dat op de boomen leeft; maar in stede van rupsen en wormen,
bestaat dit ongedierte in vier of vijf soorten van oesters, zoo
smakelijk, dat ik ze niet kon eten zonder mij vingers en duimen af te
lekken.... Er is slechts één verslindend beest op de maan. Het heet
_Tomagudlo_, dit is godswraak. Het te beschrijven kan ik niet: op onze
aarde is niets dat er aan gelijkt. Ik zal toch zeggen, dat dit gedierte
iets is als eene schrikkelijk groote vliegende schildpad, zonder hoofd;
want gansch haar lichaam is slechts éen mond, die opensplijt als eene
wagenpoort en tanden laat zien, glinsterend als gepolijst staal. Dit
beest is hun duivel. Hij verslindt en verzwelgt slechts de valschaards,
de bedriegers, de twistzoekers, in éen woord de boozen. Daarom zijn de
Unakaus over het algemeen goedhartig en vreedzaam; maar zij hebben
insgelijks driften, die hen verblinden over hun recht, on somwijlen
willen zij strijden en het bezit der oesterbosschen op de vruchtbaarste
bergen. Zoo heb ik de toebereidsels tot een schrikkelijken oorlog
bijgewoond; maar toen de twee legers strijdvaardig stonden, kwam de
Tomagudlo aangevlogen en verslond al de Unakaus, die oorzaak van den
twist waren en ongelijk hadden.... en daarmede was het pleit beslist en
de oorlog ten einde. Weet gij wat denkbeeld zij over onze aarde hebben?
want zij zien ze als eene groote, gloeiende...."
Hier werd hij in zijne uitleggingen onderbroken door de verschijning van
eenen jongen, die sprakeloos tot bij den schoorsteen naderde, het kussen
in den leunstoel opschudde, en weder even stil naar de zottenkamer
terugkeerde.
"Het is Topaas, de dwerg der prinses," mompelde de zinnelooze met
spijtig ongeduld. "Zij gaat komen.... Ziet, daar is ze reeds!"
En, inderdaad, zonder eenige acht op de tegenwoordigheid der
onder-officiers te slaan, kwam de krankzinnige juffer met statigen tred
vooruit, gevolgd door haren dwerg Topaas, die den sleep van haar kleed
veinsde te dragen. Zij naderde den leunstoel en liet er zich zachtjes op
nedergaan. De dwerg,--een krankzinnig geboren jongen met grooten mond,
hangende lip en uiterst dom voorkomen,--zette zich op de hurken nevens
haar, en beiden bleven zwijgend en roerloos als onbezielde beelden.
Met verbaasdheid keken de onder-officiers het ongelukkig meisje aan: op
het gelaat van den sergeant-majoor zweefde een glimlach; het hart van
den fourier klopte integendeel van angstig medelijden.
Ja, zij mocht schoon genoemd worden, ten minste zoo men de spookachtige
strakheid van haren blik onopgemerkt liet; zij had groote blauwe oogen,
een fijnen mond, en wangen welker zuivere gladheid bijna onnatuurlijk
scheen. Daarenboven waren hare kleederen niet alleen zindelijk, maar
zelfs prachtig; en met hare juweelen, echt of valsch, geleek zij
inderdaad naar eene theaterkoningin.
Baptist-de-vogel poogde zijne uitleggingen voort te zetten; maar de
aandacht der onder-officiers was zoo onafkeerbaar op de prinses
Ermelinde gevestigd, dat zij niet meer luisterden. Ontevreden veegde
Baptist met zijne mouw de krijttrekken van de tafel, en liep grommelend
het huis uit.
Na eene lange wijl der volledigste stilte, bemerkte de fourier dat uit
de oogen der prinses tranen begonnen te vloeien. Met eene zachte stem,
vol deelneming en deernis, waagde hij het, haar het woord toe te sturen.
"Arme juffer, gij zijt wel ongelukkig en hebt veel verdriet, niet waar?"
zeide hij.
Zijne vraag bleef onbeantwoord; het meisje bezag hem zelfs niet.
Eensklaps begon zij te spreken: met evenveel nadruk en begeesterde
stembewegingen, alsof zij eene tooneelrol voordroeg, zeide zij:
"O, vader, vader lief, ik zie u; gij zit op uwen troon en zwaait den
schepter des gerechts over uw volk. Men knielt voor u, men bezingt uwe
glorie en men waant u gelukkig, o, machtige vorst van Ascalonië!... maar
uw oog is kwijnend en in uw hart is het duister als in een graf. Uwe
arme Ermelinde, uw aangebeden kind, niet waar? Gij waant ze dood, gij
vermoedt niet, dat een godvergeten toovenaar ze aan uwe liefde heeft
ontstolen. Hoe zou uw vaderhart bloeden en schrikken, indien gij wist,
dat ik hier verwenscht zit in den kuil van den zevenhoofdigen draak,
bewaakt, geplaagd, gemarteld door den wreeden reus Carabos, en voor
eenigen troost niets hebbende dan den trouwen dienst van onzen goeden
dwerg Topaas!... Zal er dan nimmer een einde komen aan mijn akelig lot?
Zal ik verouderen in dezen duisteren afgrond, zonder u nog eens te mogen
zien en op mijn liefderijk hart te drukken?... En waar blijft hij, mijn
verloofde? Hij zoo dapper, zoo ridderlijk van gemoed, waarom komt hij
mij niet verlossen? Eilaas, hij insgelijks waant mij dood; hij weet niet
dat zijne welbeminde, zijne bruid, kwijnt en wegsterft onder de macht
van Albafras, den onmenschelijken toovenaar. Vliet, mijne tranen, vliet
als beken: weenen is al wat mij overblijft!"
De jonge fourier beefde van treurig medegevoel en had waarlijk groote
moeite, om zijne eigene tranen op te houden. Geheel koel kon de
sergeant-majoor bij dit tooneel van smartelijke geestverdwaling niet
blijven. Waarschijnlijk om zijne ontroering te verbergen, zeide hij met
luide stem:
"Maar, goede juffer, gij hebt ongelijk, zoo allen moed te verliezen. Den
eenen dag of den anderen, zal uw vader onverwachts komen en u verlossen
uit de macht uwer vijanden."
In stede van op zijne troostende woorden acht te slaan, riep het
krankzinnige meisje, met eenen lach van geluk op het gelaat en den
glanzenden blik naar het diepe der kamer gericht:
"Gezegend zij God, mijne zalige oogen zien hem.... hem, Arthur, mijn
verloofde! Zie, hoe dit zwaard in zijne ridderlijke hand bliksemt....
Let op, let op, daar is de reus Carabos!... Ha, ha, zijn leeuwenhoofd
rolt in het zand!... Moed, Arthur, moed: ik hoor den zevenhoofdigen
draak uit den afgrond opstijgen en om wraak huilen. Ach, het is eene
moeilijke taak!... Arthur, mijn lieve Arthur, zie wel toe, dat gij zijne
zeven koppen in eens afslaat; want anders groeien ze oogenblikkelijk
weder bij; er kwam geen einde aan en gij zoudt in den onmogelijken kamp
bezwijken. Daar is hij, daar is het gruwelijk monster! Zie toe, zie toe,
Arthur, en neem uwen slag wel waar: uw leven en mijne verlossing hangen
er van af.... Daar, hij slaat, hij slaat.... de zeven koppen al in
eens!... Wee, wee, neen, slechts vijf! Het is gedaan! Arme Arthur,
verscheurd, verslonden, dood.... en dood alle hoop!... en ik, eilaas, ik
mag niet sterven!"
Haar gelaat ontspande en zij hernam hare eerste stille houding, als
verging onmiddellijk in haar het geheugen van den schrikkelijken kamp,
die voor hare oogen had gespookt.
"Dit ijselijk schouwspel langer aan te zien, is mij onmogelijk," zuchtte
de fourier opstaande, "mij dunkt, ik zou er ziek van worden."
"Ik heb er insgelijks genoeg van," zeide de sergeant-majoor. "Wat zij
daar uitgalmt, heeft zij ongetwijfeld uit een of ander blauwboek van
buiten geleerd. Mij dunkt, ik heb zoo iets van mijne grootmoeder hooren
vertellen, toen ik nog een kind was.... Komt gij mede naar den Toren?
Daar zal het wat vermakelijker zijn, dan in deze vervelende
zottenwereld."
"Neen, majoor, nu kan ik u niet vergezellen. Ik heb nog, voor het
_appèl_ van vier uren, den toestand der wapens onzer compagnie af te
schrijven; de adjudant heeft het mij bevolen."
"Groote zaak: vijf minuten werk!"
"En daarenboven, majoor, nu gevoel ik mij in het geheel niet gestemd om
naar de herberg te gaan."
"Het zij zoo. Ik wed dat gij alleen in de velden wilt wandelen, om aan
het lot dier arme prinses te denken; dit zal haar ongelukkiglijk weinig
baten. Het is met haar gedaan; en, zooals zij zelve zegt, alle hoop is
dood voor haar.... Tot vier uren dus."
Met deze woorden stapte hij naar de huisdeur. De fourier stuurde nog
eens eenen blik vol medelijden tot de krankzinnige juffer, en klom dan
langzaam de trappen op.
In zijne kamer gekomen, zette hij zich bij de tafel, schikte een
ontplooid papier voor zich, en meende te schrijven; maar zijne geschokte
verbeelding voerde hem weder beneden, in tegenwoordigheid der prinses
Ermelinde. De pen viel hem uit de hand; hij staarde vast in de ruimte en
bleef, in smartelijke gepeinzen verzonken, roerloos zitten.