Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het
2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een
paar uren afstand van Gheel.
Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier,
die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe
hadden bijgedragen.
Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en
het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en
brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.
Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat
dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet
minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan
tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan
werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal
in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te
wachten hadden.
Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid
hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te
bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn
best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp
met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en
daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.
Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van
den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat
hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen
slijten.
De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig
herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de
velden of op de heide.
Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat
de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde
dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit
volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige
menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat
wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen,
door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek.
Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar
Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist
daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant,
Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien
en gesproken.
Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein
bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den
middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er
alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan
terug zijn voor het einde van den dag.
Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij
van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich
over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich
naar Gheel te begeven.
Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer.
Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de
roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en
schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes
met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van
glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie
groene kwispel.
Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een
indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des
dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop
en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan
personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen,
dat iedereen hen bewondert.
Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong
en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men
maar over zich zelven tevreden is?
Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter;
want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat
zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in
vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de
boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen
langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te
stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was
gevallen.
Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht
Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.
Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de
lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand
die het te heet heeft en uitrust.
Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij
op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.
"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een
heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te
hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt
zeker met uw half bataljon te Gheel?"
"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een
wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog
verre?"
"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn
gezelschap u niet hindert...."
"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."
Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier
te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest
wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme,
vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was
van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden
burgerstand behoorde.
"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te
zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige
honderden zotten [1]."
"Wel duizend, fourier, wel duizend!"
"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de
straten wandelen?"
"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer
dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te
spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder
den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen
Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."
De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met
verrassing:
"Ja, die is ongetwijfeld zot."
"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert
tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en
wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of
anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in
zijn leven niet."
Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed,
waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte
waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en
een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg
hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren
naakt tot aan de knieën.
Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen
eenen boom en _presenteerde_ het geweer, met evenveel ernst als een ware
soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.
"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het
denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is
misschien soldaat geweest?"
"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij
eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op
zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden
geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren,
schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote,
sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf
gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens
getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst
moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij
vroeger heeft verzuimd."
"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en
winter, in nat en droog?"
"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem
daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze
streek."
"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.
"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te
midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen,
den gulden weerhaan niet glinsteren?"
"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de
aangewezene richting blikkende.
"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor
iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."
"Uw kasteel?"
"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige
honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het
krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden,
prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet.
Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom
niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen
burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan
vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te
overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."
De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging
te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield
voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief,
smeekte zij:
"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner
zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of
Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."
De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den
fourier:
"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die
voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."
De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen
schaterlach:
"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker
van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de
generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik,
arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden....
Zot, leelijke zot!"
Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den
fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige
stappen te hebben gedaan:
"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier
voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten,
die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt
gij daarover, fourier?"
De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was
duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een
oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en
nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste
scheldwoorden uitvarende.
Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een
scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "_gare, gare au cheval_!" hem
ter zijde deed springen.
Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en,
dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.
"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is
vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat
men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar
zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont
naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter.
Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel
komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel
denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt
gij het durven, fourier?"
"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat
gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"
De baron wees vooruit en zeide:
"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote
sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."
En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de
fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat
snuif te koopen!"
"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier,
van verbaasdheid bijna stom.
"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel
laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"
De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze,
verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met
een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in
de baan wegvlood.
Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en
hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en
vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar
Moll terug te keeren.
Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog
eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van
hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te
vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de
krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon
hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen,
aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.
Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van
St.-Dymphna en trad het stadje in.
Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange
Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen,
vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan
hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend
of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat
hij eenige aandacht op hen sloeg.
Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu
scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met
breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden
haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop.
Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte
ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een
kangaroe te springen.
De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen,
bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en
uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te
worden verpletterd.
Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een
halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze
zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.
Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet
twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen
blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste
stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend,
die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.
Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog
ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij
onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat
centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.
"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn
logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest
en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche
fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie
betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet
geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert
de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel
wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden
noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of
zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader
komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig
vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met
zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo
goed aan gewend dat ik,--gij zult het niet gelooven,--dat ik dagelijks
op het dambord speel met een hunner."
"Met eenen zot?"
"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is
elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur
verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer
er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem
evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."
"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de
fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt,
van ons verstand maakt!"
"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de
sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht
overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk
erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane
angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis,
springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen
moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het
ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een
uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed
ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het
dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval,
de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk
woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"
"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was
het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen
doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."
"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig
voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den
hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen
vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op
mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de
wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man
zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een
glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot
straks."
De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem
onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers
tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen
te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn
ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten;
burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde
kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was
blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der
redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid
hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en
toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.
Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel
hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij
nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch
broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen
nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.
Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en
vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.
Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig
heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw
laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een
uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had
schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar
kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en
levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en
welbehouden levenskracht.
Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om
reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon
zien komen.
Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,--om toch iets te
zeggen,--aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte
gemeente was.
"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied
geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar
behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene
kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp,
afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."
"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?"
bemerkte de fourier.
"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen
voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."
"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid
maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier
zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze
menschen?"
"Uit onze provinciën, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal
komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten
te Gheel besteden."
"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"
"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog
kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de
armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als
vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich
bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn
drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners
van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is
onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging
dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."
Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de
fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den
burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te
zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de
sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te
luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de
merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige
kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende
harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar
de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.
Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met
wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook
luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid....
toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de
herberg van zijnen vriend.
Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben
toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een
glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de
gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger,
tot zich te roepen.
Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:
"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."
Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:
"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een
verstandig man, niet waar?"
"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."
"Onnoozele, het is een zot!"
"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien
er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."
"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs
van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den
naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot
is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."
"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.
"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige
oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor,
dit is voldoende."
Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan,
terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als
onverschillig hem zeide:
"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon
met zijn groot leger in Rusland...."
Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met
oogen die van trotschheid fonkelden:
"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen,
op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en
mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om
uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis,
daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"
En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas
open, dat twee of drie knoopen lossprongen.
Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles,
ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener
pint.
Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden
filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere
genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde,
met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens
had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de
Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de
kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der
Goede Hoop!
Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien,
kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man
over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.
De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte
op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het
gezicht neergeslagen zitten.
Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij
kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij
was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.
Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd
en zonder spreken de herberg verlaten.
Natuurlijk was,--toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden
plaats genomen,--het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke
zinnelooze, die daar juist was weggegaan.
De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het
scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot
burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar
dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.
Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van
zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge
tooneelen zij dagelijks bijwoonden.
De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich
verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al,
de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna
gedurig voor haar op de knieën zaten te bidden.... Er was ook een
man,--een heer van Brussel,--die den ganschen dag niets deed dan in het
veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene
maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van
zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den
zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een
ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij
eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou
monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen.
Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig
gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van
Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis
gemakkelijk te maken.
In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek
had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen
voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij
reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op
den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd
gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden....
Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen
grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets
deed dan zegeningen uitdeelen.
De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat
zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook
zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of
zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op
het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene
bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel
in persoon.
Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal
van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde
aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier,
wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van
meer andere gevallen.
Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld
of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel
iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:
"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten
dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt;
daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd,
en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als
een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke
zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij
uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben
God-de-zoon!'--Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze
riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij
liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"
Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen
bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het
lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en
beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner
makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde
hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll
terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten
wenschen.
Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen
vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden
vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.
Onderweg zeide de sergeant glimlachende:
"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar
waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te
hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan
alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"
"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet
niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn
gemak."
"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te
zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en
kunnen ze niet veranderen."
"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het
ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."
"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der
meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."
"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin,
liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de
oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."
"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de
ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan
Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden?
Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."
Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog
zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de
sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en
zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander
afscheid namen.
De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en
mismoedig, ging de baan naar Moll op.
* * * * *
Vooraleer te vertellen wat den fourier later nog met de zinneloozen
wedervoer, is het noodig hier eene aanmerking in te lasschen. Ofschoon
wij, tot nu, niets anders beschreven dan wat de jonge fourier werkelijk
heeft gezien en gehoord, zou men kunnen twijfelen aan de waarheid van
ons verhaal, omdat de toestand der krankzinnigen te Gheel aanzienlijk is
veranderd sedert het Staatsbestuur, in 1851, de hooge hand over hunne
verpleging heeft genomen. Om dit te voorkomen zal het volstaan, hier een
kort uittreksel te geven uit het belangwekkend werk: "_Gheel, de Kolonie
der krankzinnigen, historisch geschetst door A.C. Van der Cruyssen_."
Deze schrijver zegt onder ander:
"Toen wij te Gheel aankwamen, stonden wij niet weinig verwonderd,
niets van dit buitengewone, dat men ons zoo levendig afgeschetst
had, te ontwaren. Het gaat er rustig toe evenals in elke andere
gemeente; men bemerkt er bij eene oppervlakkige beschouwing niets
bijzonders; en, zoo men niet wist, zich in een middelpunt te
bevinden, waar zich meer dan 900 zinneloozen bewegen, men zou dit
niet het minste bespeuren, en Gheel voor eene der rustigste
plaatsen van gansch het land nemen.
"Nogtans men had er ons zooveel van verteld. Mannen, die zich
inbeelden keizers en koningen te zijn, liepen er in grootsche
houding de Markt op en neder, gevolgd door eenen sleep
straatbengels; hier zag men er met groote hoeden, suwarows met
pluimen op het hoofd en eene houten sabel aan de zijde, die dachten
groote veldovorsten te zijn en in schijn een gansch leger
aanvoerden; daar groote dames, prinsessen en wat al meer; verder
bisschoppen, predikers en anderen, in de drolligste kleeding, die
hen aan de algemeene bespotting blootstellen moest.
"Zeker moest de beweging van die verschillige zinneloozen, die daar
allen volgens goeddunken liepen en wandelden, te midden eener
volkrijke plaats en van duizenden menschen met verstandelijke
vermogens begaafd, het zonderlingste kontrast opleveren, dat men
wel ooit op eene vrije plaats aantreffen kon. Dit alles is echter
voorbij, niets meer van dat buitengewone, dat u opeens zeide waar
gij u bevondt.
"Op onze bemerking van den geneesheer-opzichter, Br. Bulckens over
hetgeen men mij verhaald had, zeide deze achtbare heer, dat dit
vroeger zoo bestond; maar dat dit slechte gebruik sinds
verscheidene jaren uitgeroeid is."
Tot dus verre de hr. C. Van der Cruyssen.
In den loop dezes jaars 1878, heeft de schrijver van dit verhaal
gelegenheid gehad, om de gemeente Gheel te bezoeken en er kunnen
erkennen dat, alhoewel daar nu ongereer 1300 krankzinnigen worden
verpleegd, en deze meest allen in vrijheid op de straat verkeeren, het
er inderdaad even rustig toegaat als in het vreedzaamste dorp des lands.
Het kan dus niet verwonderen, dat een geleerde, als de hr. August
Droste, in zijn schrift over Gheel, dit stadje _Das paradies der
Wahnsinnigen_ noemt; en wij, hem daarin navolgende, ons verhaal _Het
Paradijs der krankzinnigen_ hebben betiteld.