„Ik zal u dus wel niet geneigd vinden, mevrouw, mij op een paar vragen

te antwoordden, met betrekking tot den moord op uw echtgenoot?”

„Alles wat ik kon zeggen, heb ik reeds aan de politie medegedeeld,

mijnheer,” antwoordde de jonge vrouw.

„Duid het mij niet ten euvel, mevrouw, wanneer ik hier de opmerking

maak, dat gij hier blijkbaar een onwaarheid zegt. Het is onmogelijk dat

gij alles hebt medegedeeld aan de politie. Gij hebt o. a. nagelaten,

haar in kennis te stellen met het voorval, hetwelk aan de drie

schurken, waarvan ik u gesproken heb, een zoo scherp wapen in handen

gegeven heeft!”

Edith Harris beet zich op de lippen, maar zij gaf geen antwoord.

En Raffles begreep wel, dat hij uit den mond van de echtgenoote van den

vermoorde niets meer zou kunnen vernemen, al begreep hij, dat zij alles

moest weten—en al geloofde hij ook de redenen te kennen, die haar

geboden te zwijgen—zelfs ten koste van een hoogen losprijs aan de

bandieten, die, evenals zij, de waarheid, of althans een deel daarvan

kenden.

Dat geen der inbrekers aan de misdaad schuldig was, stond reeds van het

eerste oogenblik, dat Raffles de bijzonderheden kende, bij hem vast.

Had zij zelven haar man neergeschoten?

Of—was er misschien nog een ander in het spel—een geheimzinnige persoon

die tot op dit oogenblik op den achtergrond was gebleven?

Raffles was vastbesloten dit uit te maken, ofschoon hij eveneens het

voornemen koesterde, de ongelukkige vrouw zooveel mogelijk te

sparen—tenzij zij zelve den moord op Harris op haar geweten zou blijken

te hebben.

Hij gaf Charly een wenk, maakte een stijve buiging voor Edith Harris en

zeide:

„Wij zullen, met uw welnemen, mevrouw, nu nog even een onderzoek

instellen in de werkkamer van uw echtgenoot, waar zich het drama heeft

afgespeeld. Daartegen zult gij toch wel geen bezwaren hebben?”

„Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer” zeide Edith eenigszins

ongeduldig. „Ik kan mij echter volstrekt niet voorstellen, wat gij daar

nog denkt te kunnen vinden, de politie is daar ook al geweest!”

Maar Raffles haalde glimlachend de schouders op en antwoordde:

„Ik wil volstrekt niet afdingen op de kunde der officieele politie,

mevrouw, maar het moet mij van het hart, dat zij een weinig is

vastgeroest in sleur, en dat haar onderzoekingen soms wel eens mank

gaan aan gemis aan grondigheid. Misschien komt het, omdat wij

particuliere detectives ons meer tijd gunnen, en de zaken daardoor met

wat meer aandacht kunnen onderzoeken.”

„Ik zal u een bediende medegeven, mijnheer,” zeide Edith met toonlooze

stem, en reeds strekte zij de hand uit naar de electrische schel in den

vorm van een kleine schildpad, die op het fijnbewerkte damesbureautje

stond, maar nog voor zij den vinger op den knop had kunnen drukken,

zeide Raffles haastig:

„Dat is volstrekt niet noodig, mevrouw. Mijn kameraad en ik weten de

werkkamer van uw echtgenoot ook zoo wel te vinden!”

Edith zeide niets meer, maar liet de beide gewaande detectives met een

stommen hoofdknik gaan.

Raffles en Charly daalden de trap af, die met dikke loopers bedekt was,

volgden de breede gang, en bereikten tenslotte de werkkamer, waar zij

zich slechts een paar dagen geleden onder geheel andere omstandigheden

bevonden hadden.

Met den eersten oogopslag zagen zij, dat alles in volmaakt denzelfden

staat was gebleven.

Zelfs geen stoel was verzet, en het bureau stond juist op dezelfde

plaats.

Raffles wandelde, zachtjes fluitend, en met de handen diep in zijn

zakken een paar malen het vertrek op en neer, om tenslotte voor Charly

stil te staan, en hem met zachte stem toe te voegen:

„Ik geloof Charly, dat er langzamerhand teekening in het geval begint

te komen. Nog altijd ben ik van meening, dat het volkomen ondenkbaar is

dat een der drie inbrekers Harris heeft neergeschoten. Er is hier

bepaald iemand anders in het spel geweest—en ik zou er mij niet over

verwonderen, wanneer die iemand zijn hoeden kocht bij Thornton aan het

Strand!”

Charly liet een zacht gemompel van verrassing hooren en vroeg toen:

„Je meent dus dat hier een man in huis is geweest in den nacht van den

moord.”

„Dat acht ik tenminste zeer waarschijnlijk. Ik heb nog nooit gehoord

dat het de gewoonte is van dames, om een splinternieuwen, hoogen hoed

van dezen of genen aanbidder als souvenir te bewaren. Wel heb ik

daarentegen vernomen, dat mevrouw Harris in de laatste maanden zeer

vriendschappelijk omging met.... een lid van onze club, van wien de

hooge hoed, dien wij in de kast vonden, zeer wel zou kunnen zijn, want

hij heet John Nilly, en hij is rijk genoeg om zulke dure dingen aan te

schaffen!”

„Dat is waar ook!” riep Charly opgewonden uit. „Ik heb mij meermalen

onder de roos laten mededeelen dat er zeer waarschijnlijk iets gaande

was tusschen Nilly en de mooie mevrouw Harris!”

„Nu als wij dat eenmaal als vaststaande aannemen, dan kan ik niet

inzien wat er valt in te brengen tegen de stelling, dat de jonge man

hier in den nacht van de misdaad geweest is. Vergeet niet dat Harris

voor zaken op reis was, en dat zijn vrouw niet beter wist, of hij zou

nog een paar dagen op zijn minst weg blijven!”

„Alles goed en wel—maar hoe is het mogelijk, dat het drama zich hier

heeft afgespeeld?” ging Charly voort. „Als Harris onverwachts is

thuisgekomen, omstreeks twee uur, dan ligt het toch voor de hand, dat

hij de beide schuldigen waarschijnlijk elders heft aangetroffen dan in

zijn werkkamer!”

„Daar zal wel een of andere reden voor zijn, Charly,” antwoordde

Raffles, die in een leunstoel was gaan zitten, en nu langzaam zijn

blikken door het vertrek liet dwalen.

Eindelijk bleven zij gevestigd op het schrijfbureau, waarachter hij en

Charly in dien noodlottigen nacht het lijk van Harris hadden zien

liggen.

Toen ging hij weder op gedempten toon voort:

„Harris stond achter zijn bureau, toen de noodlottige kogel hem trof,

zeer waarschijnlijk afgeschoten door denzelfden man, die, in zijn

overhaasting om te vluchten, zijn hoogen hoed achterliet in het boudoir

van Edith Harris. Voorzoover ik mij kan herinneren, was het overhemd

van Harris volstrekt niet geschroeid, waaruit blijkt, dat het schot in

ieder geval op hem gelost is op een afstand van minstens een meter—wij

kunnen wel aannemen, dat het schrijfbureau zich moet hebben bevonden

tusschen de beide tegenstanders.”

„Het woord tegenstander lijkt mij hier niet zeer goed gekozen, Edward,”

zeide Charly. „Want in dat geval denkt men altijd aan gelijkwaardige

vijanden en daarvan kan hier geen sprake zijn, want Harris is

klaarblijkelijk geheel weerloos geweest, en heeft zich niet kunnen

verdedigen. Men heeft geen enkel wapen in zijn zak of ergens anders op

den vloer gevonden. Wij zelven hebben er ook geen gezien!”

„Dat is zoo—maar dat zou natuurlijk nog niet veel bewijzen, want voor

wij er kwamen, waren de drie inbrekers er reeds geweest!”

„Maar welk belang zouden die drie schurken er bij kunnen hebben, een

dooden man te ontwapenen?” riep Charly verwonderd uit.

„O, daar kunnen redenen genoeg voor zijn!” antwoordde Raffles. „Maar

laten wij ons niet inlaten met theoretiseeren, al wil ik de waarde

daarvan niet ontkennen.”

Raffles was opgesprongen, en liep nu, het hoofd een weinig

voorovergebogen, de lippen gespitst, langzaam door het vertrek, terwijl

er niets ontging aan zijn scherpen blik, geen enkele bijzonderheid hoe

klein ook.

Zoo bereikte hij tenslotte den wand van het groote vertrek, waar een

paar fraaie olieverfschilderijen hingen, die klaarblijkelijk vader en

moeder van Harris moesten voorstellen, en waarvan de onderkant der

breede vergulde lijsten bijna rustte op den eikenhouten rand van de

lambriseering, die tot op manshoogte langs de vier wanden van het

vertrek liep.

Eensklaps bleef hij staan, trok een stoel naar zich toe, klom er op, en

bekeek met groote aandacht de lijst van een der beide schilderijen.

Toen haalde hij zijn gouden potloodje te voorschijn, en scheen daarmede

iets aan de lijst te verrichten, hetwelk Charly niet aanstonds

duidelijk onderscheiden kon.

„Wat doe je daar toch?” vroeg hij eindelijk nieuwsgierig. „Is er iets

bijzonders aan die schilderijlijst?”

„Er is in zooverre iets bijzonders aan te zien, dat er een kogelgat in

zit, mijn waarde!”

„Een kogelgat?” riep Charly verbaasd uit. „Hoe is dat mogelijk?”

„O, heel eenvoudig—men zal er op geschoten hebben!” antwoordde Raffles

laconiek.

„Dus?”

„Dus mogen wij gerust aannemen, dat Harris zich wel degelijk verweerd

heeft, en misschien zelf wel het eerst heeft geschoten!”

„Maar dan zijn wapen? Zijn revolver?” riep Charly op ongeloovigen toon.

„Waar zou die dan gebleven zijn?”

„Die is natuurlijk, voor wij kwamen, door iemand weggenomen—en zeer

zeker niet door Edith Harris, want die had er toch zeker alle belang

bij, als naderhand bewezen kon worden, dat haar minnaar niet zonder

meer haar echtgenoot had neergelegd, maar dat er een soort tweegevecht

heeft plaats gehad!”

„Je spreekt daar rustig een groot woord uit, Edward!” hernam Charly.

„Is het wel zeker dat Nilly de minnaar is van Edith Harris, of geweest

is?”

„In ieder geval moet hij haar wel zeer intiem kennen—als hij zijn hoed

in haar slaapkamer achterlaat!”

„Pardon, je bedoelt in haar boudoir!”

„Boudoir of slaapkamer dat is voor een vrouw van de wereld hetzelfde!

In ieder geval heeft zij dien hoed aanstonds voor haar man willen

verbergen nadat Nilly haar verliet—en hij heeft haar wel zeer overhaast

moeten verlaten, dat hij zelfs zijn hoed niet meer kon medenemen!”

„Hoor eens, Edward—ik moet je eerlijk bekennen, dat de zaak voor mij nu

pas onduidelijk wordt!” riep Charly uit. „Aanvankelijk meende ik dat ik

de zaak tamelijk goed doorzag, maar ik kom op dat inzicht terug—ik

begrijp er geen sikkepit meer van!”

Raffles haalde de schouders op en hernam:

„Voor mij is de zaak glashelder—op de verdwijning van de revolver na,

maar ook in dat opzicht denk ik niet langer in duister te zullen

rondtasten, zeer waarschijnlijk is het wapen weggenomen door personen,

die er belang bij hadden het te doen voorkomen, alsof hier een moord

had plaats gevonden!”

„De eenige, die er belang bij zouden hebben, zijn de drie inbrekers!”

riep Charly uit.

„Juist—en wij zullen ons haastten, dit eens nader te gaan onderzoeken,

Charly! En kom nu eens hier, en help mij!”

Charly trad naderbij en vroeg:

„Wat moet ik doen?”

„Duw het schilderij eens zoover je kunt opzij—de kogel is dwars door de

zware lijst heengegaan en waarschijnlijk in den muur blijven steken.”

Charly klom eveneens op een stoel en niet zonder moeite duwde hij het

zware schilderij zoover op zij, dat de plek bloot kwam, waar de

revolverkogel aan de achterzijde de lijst weder verlaten had en in het

bovenste gedeelte van de lambriseering was blijven steken.

Met eenige moeite wist Raffles het projectiel te verwijderen, na het

zware eikenhout met zijn scherp zakmes gedeeltelijk te hebben

weggesneden.

Hij vatte nu het voorwerp tusschen duim en vinger en zeide:

„Een geblindeerde kogel—hoogstwaarschijnlijk uit een Mauser, een

Parrabellum, of een Browning—drie repeteerschoten, waarvan de kogels

nog op vijftig meter afstand gemakkelijk door een dikke eikenhouten

plank slaan en die daardoor maar weinig misvormd worden vanwege hun

stalen mantel.”

Raffles draaide de kogel om en om, en vervolgde toen:

„Ik zie het al, het is een kogel uit een Mauserpistool—kijk maar naar

de spitse punt!”

„Maar zeg eens, Edward—wie waarborgt je nu, dat die kogel al niet lang

geleden door de een of andere oorzaak in den muur is geschoten?”

„Hoor eens, Charly,” hernam Raffles een weinig ongeduldig, „ik geloof

dat wij verstandig zullen doen, als wij aan het toeval geen grooter

plaats inruimen dan het verdient! Het kogelgat is kersversch, de randen

ervan zijn nog scherp, de kogel glinstert nog van nieuwheid—en daar, op

den parketvloer, kun je zelfs, als je goed kijkt, nog een weinig heel

fijn goudpoeder zien, dat afkomstig is van de lijst.”

Charly moest van zijn stoel afkomen, en zich diep bukken, maar toen

moest hij dan ook erkennen, dat er inderdaad een paar zeer fijne

korreltjes bladgoud op den vloer lagen.

Hij richtte zich op en zeide:

„Ik geef mij gewonnen—in ieder geval moet de kogel pas zeer onlangs in

de schilderijlijst geschoten zijn! Nu verlang ik alleen nog maar dat je

me verklaart, waar het repeteerpistool gebleven is, waarmede die kogel

is afgeschoten, en wie hem heeft afgevuurd!”

„Dat zal ik je niet verklaren—dat zullen de drie schurken doen, die

iets of alles van het geheim weten, en daarvan misbruik zullen maken,

om die ongelukkige Edith Harris op een gruwelijke wijze af te zetten!

Ga maar mede—wij zullen die heeren aanstonds eens aan den tand voelen!”

HOOFDSTUK VII.

DE REVOLVER.

Raffles liet geen tijd verloren gaan, maar hij begaf zich aanstonds

naar de Nelson Street, teneinde daar naar Crusham een onderzoek in te

stellen, vergezeld door Charly, die zeer nieuwsgierig was, hoe dit

avontuur zou eindigen.

De huurauto, welke Raffles op straat had aangeroepen, bracht hen in

minder dan drie kwartier naar het groote pension in de Nelson Street.

Zij stapten uit, en Raffles liet de auto wachten.

Daarop trad hij op den portier toe, terwijl Charly hem volgde, en

vroeg:

„Is mijnheer Crusham thuis, goede vriend?”

„Ik geloof het haast wel, mijnheer!” antwoordde de man. „Ik zal het

even gaan telefoneeren.”

„Neen, doe dat vooral niet!” kwam Raffles haastig. „Wij willen hem

verrassen. Zeg ons maar waar zich zijn woning bevindt.”

„Op de vierde verdieping, in het achterhuis, mijnheer! Er is een groot

portaal waarop een zestal deuren uitkomen, en zijn woning is naast die,

op welker deur Blackman staat te lezen.”

„Uw inlichtingen zijn zoo volledig, goede vriend, dat ze voor ons

ruimschoots voldoende zijn, en dat wij nu onzen man niet zullen

missen!” zeide Raffles, terwijl hij den verwonderden portier een

geldstuk in de hand duwde.

Hij gaf Charly een wenk en haastig begonnen de beide mannen de trappen

te beklimmen.

Op de vierde verdieping gekomen stonden zij een oogenblik stil en keken

om zich heen.

Juist op dat oogenblik liep er een klein en nog al haveloos

dienstmeisje haastig over het portaal met een gevulde lampetkan in

iedere hand.

Het was nog een kind, met het haar in een spichtig vlechtje gedraaid.

Raffles greep het wicht als het ware in de vlucht, en vroeg op

fluisterenden toon, terwijl hij het een zilveren geldstuk voor de

gretige oogen hield:

„Jij bent zeker het dienstmeisje van de pensionhoudster?”

„Jawel, mijnheer! Wilt u hier kamers komen zien?”

„Neen, lief kind, dat is mijn bedoeling niet! Zet die lampetkannen maar

eens neer.”

Het meisje gehoorzaamde onwillekeurig, maar zij keek den bezoeker met

groote, vragende oogen aan.

„Hoe heet je?” ging Raffles voort.

„Dorrith, mijnheer!”

„Luister dan eens goed naar mij,” hernam Raffles. „Mijnheer Crusham

woont op deze verdieping, nietwaar?”

„Ja, mijnheer—die deur daarginds!” antwoordde het dienstmeisje, terwijl

zij met haar vuile vingertje in de richting wees van de vervelooze

deur.

„Op het oogenblik is hij thuis, nietwaar?”

„Ja, mijnheer, dat geloof ik wel.”

„Is de deur van zijn woning afgesloten?”

„Die is altijd op slot, mijnheer! Ik moet altijd kloppen, voor ik

binnen kan komen om den boel schoon te maken—tenminste als hij thuis

is.”

„Hij is dus nog al wantrouwend, die goede mijnheer Crusham?”

„Dat moet wel, mijnheer, want hij sluit altijd alles af, en hij heeft

op een paar kasten zelfs Lipman-sloten laten maken.”

„Deksels dan zal hij zeker een rijk man zijn, die op die manier zijn

geld bewaart!” merkte Raffles zachtjes lachend op.

„Nu dat zal wel niet, mijnheer!” grinnikte het dienstmeisje. „Pas

gisteren kwam hij met heelemaal nieuwe kleeren aan thuis, en hij bracht

een vriend mee, en samen lachten en schreeuwden zij daarbinnen, en ik

moest een paar flesschen wijn halen van de duurste die ik krijgen kon,

en een paar blikjes kreeft en ander lekkers, en toen zijn zij aan het

smullen gegaan! En ik kreeg een shilling fooi!”

„En daar was je erg blij mee?” vroeg Raffles glimlachend.

„Natuurlijk, mijnheer, want het was mij nog nooit overkomen!”

„Nu jij bent een verstandig kind, en je zult het ver in de wereld

brengen!” zeide Raffles, terwijl hij het kind op de wang klopte. „Zou

je deze vijf shilling willen verdienen?”

„Nou alsjeblieft, mijnheer!” antwoordde het dienstmeisje met

schitterende oogen.

„Luister dan eens! Wij zijn detectives, en wij hebben een appeltje te

schillen met dien mijnheer Crusham, die gisteren plotseling zoo rijk

was geworden! Neen, je hoeft er niet van te schrikken—wij zullen den

boel niet op stelten zetten! Maar je moet ons helpen! Want als hij een

mannenstem hoort, zal hij misschien de deur niet opendoen, begrijp je

wel?”

„Dat doet hij zeker niet, mijnheer!” antwoordde het meisje, met

stellige stem. „Een maand geleden kwam er eens iemand die hard op zijn

deur klopte, een man met een erge basstem. En weet u wat mijnheer

Crusham toen deed? Hij liep zoo maar pardoes langs den achteruitgang

zijn woning uit, en vloog de straat op—en pas des avonds kwam hij weer

terug.”

„Nu daar heb je het al!” kwam Raffles glimlachend. „En wie was die

bezoeker wel?”

„O, het was iemand, die daar niet eens moest zijn, mijnheer! Hij had

bij ongeluk op die deur geklopt en mijnheer Crusham had niet eens

verstaan wat hij vroeg, hij was maar dadelijk aan de haal gegaan, en nu

begrijp ik het ook!” riep het meisje uit, met een glans van blijden

trots op haar groezelig gezichtje over haar schranderheid. „Mijnheer

Crusham heeft zeker gedacht dat ze hem kwamen halen om hem in de

gevangenis te gooien.”

„Dat noem ik den spijker op den kop slaan!” zeide Raffles, terwijl hij

het kind vriendelijk onder de kin streelde. „Nu, natuurlijk willen wij

niet nogmaals de kans loopen, dat het heerschap langs de achtertrap de

plaat poetst, na snel zijn zakken gevuld te hebben met wat hij in die

geheimzinnige kasten verborgen houdt! En daarom moet je ons nu helpen,

mijn kind!”

„Maar hoe kan ik dat, mijnheer?” vroeg het dienstmeisje schuchter en

met den blik onafgewend gericht op het zilverstuk.

„Het is heel eenvoudig, Dorrith! Wij gaan naast de deur staan, en jij

klopt aan de deur en zegt dat er een brief voor mijnheer Crusham is.

Hij kent je stem natuurlijk, en hij zal de deur wel open doen—en als de

deur eenmaal open is, verzeker ik je, dat hij haar niet zoo spoedig

meer zal kunnen sluiten. Wil je dat doen?”

„Krijg ik dan die vijf shilling, mijnheer?”

„En nog vijf, als je je werk goed doet!”

„En is die mijnheer Crusham werkelijk zoo’n slecht man?”

„Een bijzonder slecht man, Dorrith!” antwoordde Raffles glimlachend.

„Dan zal ik het dadelijk doen, mijnheer!” antwoordde het meisje.

Het drietal liep nu op de teenen naar de deur, en daarop klopte Dorrith

aan.

Aan den anderen kant van de gesloten deur werden schreden hoorbaar, en

een mannenstem vroeg, tamelijk ongeduldig:

„Wie is daar en wat moet je?”

„Ik ben Dorrith, mijnheer, en ik heb een brief voor u.”

„Kun je hem dan niet onder de reet van de deur schuiven, domme eend!”

riep de stem.

En nu gaf het dienstmeisje blijk van meer schranderheid, dan Raffles en

Charly haar hadden toegeschreven, want nog voor de eerste haar iets

behoefde te zeggen, antwoordde zij onvervaard:

„Dat gaat niet, mijnheer, ik heb het al geprobeerd—hij is veel te dik,

het lijkt wel of er bankbiljetten in zitten!”

Deze mededeeling had een geweldige uitwerking, want onmiddellijk werd

de sleutel in het slot omgedraaid, twee grendels werden teruggeschoven,

en de deur werd met een ruk geopend, tot ongeveer een hand breedte.

En in de opening was het gelaat zichtbaar van Crusham met nog ongekamde

haren, neerhangende knevel, en tamelijk smerig.

„Waar is het pakje nu?” liet de stem zich hooren, terwijl hij de hand

door de kier van de deur stak.

„Ik ben het pakje, mijnheer!” liet de stem van Raffles zich hooren, en

tegelijkertijd trad hij naar voren en greep met ijzeren vuist de hand

van Crusham, die zooeven door de deurkier gestoken was, terwijl hij

tegelijkertijd zijn voet tusschen de reet stak.

Met een kreet van woede wilde de bandiet de deur weder sluiten, maar

hij had met een al te sterke tegenpartij te doen.

Charly duwde er tegen aan, en daar ook Raffles er zijn schouder

tegenzette, steeds de rechterhand van den schurk vasthoudend, was deze

korte worsteling spoedig beslist—en de deur vloog open, Raffles en

Charly traden naar binnen en de laatste deed de deur vlug achter zich

dicht.

„Wat moet dat beteekenen?” brulde Crusham verwoed. „Hoe waagt gij het

op deze onbeschaamde manier bij mij binnen te dringen? Laat

onmiddellijk mijn hand los!”

„Dat laatste wil ik graag doen, mijnheer Crusham—want ik wil u niet

grieven, maar zij is nog al smerig!” zeide Raffles, en hij liet de hand

van den ander los, die echter hierdoor al heel weinig voordeel genoot,

want op hetzelfde oogenblik zag hij de revolver van Charly op zijn

borst gericht.

„Wilt gij nu eens eindelijk zeggen wat dat te beteekenen heeft?”

schreeuwde Crusham, wit van woede.

„Gij zult het spoedig te hooren krijgen!” antwoordde Raffles bedaard.

„Vooral geen overhaasting wat ik u bidden mag! Wij hebben den tijd, en

ik ben gewend, om dergelijke zaken in alle kalmte tot een goed einde te

brengen! Neem plaats wat ik u verzoeken mag, mijnheer Crusham, en

vertel mij eens op den man af, zonder omwegen, wat gij hebt uitgevoerd

met het Mauser-repeteerpistool, welke gij hebt weggenomen in de

werkkamer van den bankier Harris, eergisterennacht!”

Crusham werd groen in zijn gelaat van woede en schrik over deze

onverwachte vraag, die hem duidelijk aantoonde, dat men zijn geheim had

doorgrond.

Toch stamelde hij, nauwelijks hoorbaar:

„Ik weet niet wat gij bedoelt—ik weet niet waar gij het over hebt.”

„Dat weet gij integendeel zeer goed,” hernam Raffles kalm, „en ik zou u

sterk aanraden, er maar rond voor uitkomen! Ik heb zooeven wel gezegd

dat wij den tijd hebben, maar daarmede bedoel ik natuurlijk niet, dat

wij den tijd hadden om naar zinledige praatjes te luisteren! Gij hebt

niet met kinderen te doen, wij weten alles of daaromtrent!”

„Jullie bent natuurlijk van de politie!” zei Crusham, terwijl hij

Raffles en Charly een valschen blik toewierp.

„Min of meer!” antwoordde Raffles bedaard. „Dat doet er ook trouwens

niets toe, van het oogenblik af dat wij op de hoogte zijn van de zaak

en vast voornemens van onze kennis gebruik te maken. Ik herhaal dus

mijn vraag van zooeven. Waar hebt gij het Mauser-pistool gelaten,

waarmede Harris gewapend was, toen gij hem dood in zijn werkkamer vondt

liggen.”

„Ik weet van geen pistool! Ik weet niets!” antwoordde Crusham nijdig.

„Gij zult mij niet aan het klappen krijgen—ik heb niets uitstaande met

die zaak in de Sutherland Avenue!”

„Gij wilt u dus van den domme houden?” vroeg Raffles, terwijl hij

verachtelijk de schouders ophaalde. „Dat is heel onverstandig, en het

houdt ons onnoodig op! Mijn collega en ik hebben u en uw beide makkers

tot twee malen toe gezien, het eerst in den nacht van de inbraak, en

den volgenden dag, toen gij de ongelukkige mevrouw Harris ging

bezoeken, om haar duizend pond sterling af te persen, als prijs voor uw

stilzwijgen! Ik ben u nagegaan tot in het café, waar gij den buit

verdeeld hebt met uw twee medeplichtigen en ik zou u minuut voor minuut

kunnen verklaren, wat gij gedaan hebt van het oogenblik af, dat gij aan

het huis van den bankier Harris aanscheldet!”

„Bewijs het mij! Gij hebt niet anders dan het mij te bewijzen!” riep

Crusham woedend.

„Gij blijft dus hardnekkig? Nu ik denk dat wij het bewijs hier wel in

deze kamer zullen vinden!” antwoordde Raffles. „Steek uw handen eens

op!”

Aarzelend, met een gelaat van woede vertrokken, gehoorzaamde Crusham,

omdat hij wel inzag, dat hij tegen twee vastberaden mannen, die zeker

van de politie waren, en die op een voor hem onverklaarbare wijze een

deel van de waarheid hadden ontdekt, toch niets vermocht.

Lord Lister No. 0381: De Misdaad in Sutherland Avenue · 第 3 / 4 段