snel zijn zakken, en haalde daaruit achtereenvolgens een kleine,
geladen Browning, een ijzeren ring, waaraan een aantal loopers
bevestigd waren, welke Raffles met het oog van den kenner bekeek, een
klein notitieboekje, een paar brieven in hun enveloppen, een
sleutelbos, een groot knipmes, een uiterst gevaarlijk wapen in de hand
van een sterk man, die het goed wist te hanteeren, en verder nog eenige
voorwerpen van minder belang.
Raffles legde dit alles op een stapel op een kleine tafel, en zeide
toen op strengen toon tot Crusham:
„In ieder geval bewijst de inhoud van uw zakken, dat gij toch moeilijk
gerangschikt kunt worden onder de ordelijke burgers! Een
Browning—dolk-mes, een bos loopers... het bezit daarvan pleit zeker
niet voor u! En steek nu uw handen eens uit!”
Weer gehoorzaamde de bandiet en voor hij nog. goed en wel wist, wat er
met hem geschiedde, waren zijn polsen gevat in een stel voortreffelijke
stalen boeien.
„Sta nu op, ga in dien hoek daarginds zitten en verroer u niet, want ik
zal mijn collega moeten verzoeken, u dit desnoods met geweld te
beletten! Terwijl gij daar zit zullen wij eens een onderzoek instellen
in uw woning!”
„Dat verbied ik u!” schreeuwde Crusham. „Laat mij uw aanstelling van
Scotland Yard zien! Gij kunt wel bedriegers zijn!”
Maar Raffles haalde minachtend de schouders op, en antwoordde:
„Een aanstelling! Wel man—ik ben mijn eigen aanstelling! Bekommer je
daar maar niet om, en doe wat wij zeggen, of het zou slecht met je
gaan!”
En met deze woorden duwde hij den schurk tamelijk onzacht neer op een
stoel in een hoek van het vertrek, waar Charly bij hem post vatte.
Raffles ging intusschen haastig naar het tafeltje, waar hij den inhoud
van Crusham’s zakken had uitgespreid, nam den sleutelbos, en opende, na
eenig probeeren, een wandkast, en het eerste wat Raffles op een der
planken ontdekte, was een Mauser-pistool van gemiddeld kaliber.
Hij nam het wapen van de plank, opende de plaat, die de kolf gesloten
hield en trok het magazijn er uit.
Er mankeerde een kogel van de zeven....
HOOFDSTUK VIII.
DE OPLOSSING.
Raffles stak het magazijn weder in het wapen, en bekeek het toen
aandachtig.
Er viel niet aan te twijfelen—Raffles had hier het wapen in handen,
waarmede Harris een paar seconden voor zijn dood zelf gevuurd had.
Hij legde het wapen weder weg, en zette zijn onderzoek voort,
In dezelfde kast vond hij een klein, ijzeren kistje, waarop geen der
sleutels van den sleutelbos paste.
Reeds liet Crusham een spottend lachje van leedvermaak hooren, toen hij
zag tot zijn verbazing, hoe de gewaande politieman een keurig étui uit
zijn zak te voorschijn haalde, daaruit een fijnbewerkte looper nam, en
met behulp van dit werktuig in ongelooflijk korten tijd het ijzeren
kistje geopend had, hetwelk een aantal bankbiljetten, een paar
rolletjes goudgeld en wat effecten bleek te bevatten.
Zonder den inhoud zelfs een naderen blik waardig te keuren liet Raffles
een en ander heel bedaard in zijn zak glijden, en zette het geheel
geledigde kistje weder in de kast, na het deksel in het slot te hebben
laten springen.
„Wat doet gij daar?” schreeuwde Crusham woedend. „Wat doet gij met mijn
geld?”
„Dat ziet gij—ik ruim na gebruik netjes de zaakjes weder op!”
antwoordde Raffles bedaard.
„Houd mij niet voor den gek!” brulde de bandiet woedend. „Wat doet gij
met mijn geld?”
„Dat confisceer ik!”
„Met welk recht?”
„Met het recht van den sterkste!”
„Maar dan zijt gij ook geen detective!” riep Crusham, grasgroen van
woede en drift uit.
„Dat heb ik ook nooit gezegd!” hernam Raffles, zonder zijn kalmte te
verliezen.
„En denkt gij dan, dat ik mij dit alles rustig zal laten welgevallen?”
„Daarvan ben ik vast overtuigd!” gaf Raffles ten antwoord. „Gij zijt
namelijk in een toestand, die u dit als noodzaak voorschrijft. Gij kunt
eenvoudig niet anders. En ik raad u dringend aan, u in het
onvermijdelijke te schikken, want ik ken geen erbarmen, als gij het
waagt, mij te dwarsboomen!”
Bijna stikkend van woede, en knarsetandend bleef Crusham in zijn hoek
zitten, terwijl hij met loerende blikken de bewegingen van Raffles
volgde.
Deze had intusschen de kast nog verder onderzocht, en vond er nog een
paar keurig stel inbrekerswerktuigen, die hem den uitroep ontlokten:
„Wel niet zeer modern, maar van voortreffelijke kwaliteit en uitstekend
bruikbaar, tenminste ten aanzien van meubels, die niet uit een eerste
klas fabriek afkomstig zijn!”
In een andere kast, waar de sleutel op het slot zat, vond hij een paar
keurige confectiepakken, splinternieuw en waarschijnlijk gisteren pas
gekocht, een lederen handvalies, eveneens waarschijnlijk pas gekocht,
een wandelstok met zilveren knop, en andere voorwerpen.
Hij keek Crusham hoofdschuddend aan en zeide op bestraffenden toon:
„Gij zijt een slecht parvenu, mijnheer Crusham! Het is toch
merkwaardig, dat lieden van uw slag, zoodra zij maar een geldelijk
voordeeltje hebben gehad, lekker eten en nieuwe kleeren gaan koopen.
Daarin schijnt voor u het toppunt van aardsche gelukzaligheid te
bestaan!”
Raffles was nu weder een gesloten kast genaderd en weer moest de
sleutelbos van Crusham ter hulp worden genomen.
In deze kast vond hij, verborgen onder een stapel linnengoed, een
kleine lederen portefeuille, die, bij opening, een aantal meerendeels
zeer groote en fraaie diamanten bleek te bevatten, prachtig geslepen,
en afzonderlijk in fijn vloeipapier gewikkeld.
Raffles bekeek ze met het oog van een kenner, en liet toen een zacht
gefluit hooren.
Hij keek even in gedachten voor zich uit, en zeide toen:
„Ja, ja, nu meen ik ze te herkennen! Deze diamanten moeten omstreeks
een maand geleden gestolen zijn bij een juwelier in de Rue de la Paix
te Parijs, er heeft een beschrijving van gestaan in de meeste bladen,
en daarom hebt gij zeker nog niet ze ten gelde durven maken! Wel, het
zou bepaald zonde zijn, die prachtige steenen hier in uw woning te
laten! Ik verzeker u, dat ze in mijn handen meer rente zullen afwerpen
dan in de uwe!” En met deze woorden liet Raffles de portefeuille met
diamanten, die zeker een verkoopwaarde hadden van minstens twaalf
duizend pond sterling, in den binnenzak van zijn jas glijden.
Crusham’s oogen puilden hem bijna uit het hoofd en zijn stem had een
schorren klank, toen hij riep:
„Gij zult het toch niet wagen, mijn diamanten te rooven?”
„Ja, dat waag ik!” antwoordde Raffles glimlachend. „Ik vind het risico
niet zeer groot!”
„Maar dan zijt gij een dief, dan zijt gij een roover!” riep Crusham
wanhopig uit.
„Misschien ben ik wel iets dergelijks,” hernam Raffles koeltjes, „maar
toch zou ik mij niet gaarne vergelijken of op een lijn stellen met
lieden zooals gij! Ik zou mij voor mijn geheele leven geschandvlekt
achten, wanneer men den naam van John Raffles onmiddellijk voor of na
dien van Crusham zou noemen!”
Op het hooren van dezen naam liep er als een huivering van ontzag en
vrees over het gelaat van Crusham. Hij kromp ineen, als een hond, die
een slag met de zweep verwacht, en keek schuw naar Raffles op, terwijl
hij mompelde:
„Hij is het dus—het is de Groote Onbekende! Ik Had het dadelijk moeten
vermoeden! Slechts John Raffles zou den moed hebben op zulk een
onbeschaamde en toch stoutmoedige wijze op te treden.”
„Zoudt gij u maar niet liever gewonnen geven?” vroeg Raffles
glimlachend.
„Doe wat gij wilt!” bromde Crusham. „Ik weet wel dat ik mij tegen u
niet verzetten kan!”
„Ik geloof dat ik verder niets meer te doen heb—tenminste wat betreft
het materieele gedeelte! Maar nu, mijn waarde Crusham, moeten wij eens
spreken over geestelijke! Over moreele, als gij wilt!”
„Ik weet niet wat wij nog te bepraten kunnen hebben!” hernam Crusham
onwillig. „Gij hebt uw slag geslagen, dat erken ik, maar laat dat u
voldoende zijn!”
„Dat is mij bij lange na niet voldoende!” hernam Raffles op strengen
toon. „Gij vergist u als gij denkt, dat ik hier in de eerste plaats
kwam om den armzaligen inhoud van dat kistje, of dat handjevol
diamanten! Zij zijn mij welkom, als extraatje, maar niet daarom kwam ik
hier! Ik wil van u weten in hoeverre gij mevrouw Harris in uw macht
hebt, ik wil weten, wat gij weet van het gebeurde in het huis van den
bankier, ik wil weten, of gij John Nilly gezien hebt of niet, en zoo
ja, onder welke omstandigheden dat dan was, kortom ik wensch alles van
u te weten, wat gij zelf weet aangaande het drama! En ik zou u sterk
aanraden niets voor mij verborgen te houden, want vroeg of laat ontdek
ik het toch—en dan zoudt gij het voordeel kwijt zijn, dat er voor u aan
verbonden is, indien gij mij alles ronduit opbiecht!”
Crusham wierp Raffles een boosaardigen blik toe en vroeg toen op
gedempten toon:
„En waarin zou dat voordeel dan wel bestaan?”
„Vraagt gij dat nog?” riep Raffles oprecht verbaasd uit. „Ik moet
zeggen dat ik uw schranderheid hooger had aangeslagen! Begrijpt gij dan
niet, dat ik u in mijn macht heb? Vergeet gij, dat ik de diamanten in
mijn zak heb afkomstig van een inbraak, door u en uwe kornuiten te
Parijs begaan? Heeft het dan in uwe oogen niets te beteekenen, dat ik
eveneens een aantal effecten in mijn binnenzak heb, die natuurlijk ook
al van diefstal afkomstig zijn?”
Crusham liet een schril lachje hooren en riep uit:
„Het ontbrak er nog maar aan, dat John Raffles een anderen inbreker de
les ging lezen of de boetprediker uithing!”
„Daaraan denk ik geen seconde!” hernam Raffles met de grootste kalmte.
„Niet omdat ik mij zelf met u op een lijn stel—dat is te dwaas om
alleen te loopen, maar omdat ik mij nooit een oordeel aanmatig over
„andere inbrekers” zooals gij zegt—tenminste indien zij zich bij het
inbreken bepalen. Maar de zaak verkrijgt in mijn oogen aanstonds een
heel ander aanzien, wanneer de heeren zich verlagen, een ongelukkige
vrouw te bedriegen, en, door misbruik te maken van haar
beklagenswaardigen toestand haar geld af te persen. Ik herhaal echter,
dat ik er niet aan denk u te kapittelen—ik zeg u slechts, dat ik u in
mijn macht heb, en dat gij verstandig zult doen, daar rekening mede te
houden. Een korte telefonische boodschap met Scotland Yard, en binnen
tien minuten zijt gij in arrest gesteld!”
„En zoudt gij dat durven?” riep Crusham met schrille stem.
„Waarom niet?”
„Waarom? Omdat gij daardoor immers u zelf ook in verderf zoudt storten!
Denkt gij soms, dat ik het zou verzwijgen, dat gij de man zijt, naar
wien de politie sedert jaren vruchteloos zoekt?” riep Crusham uit.
„Geloof maar niet dat ik een seconde zou aarzelen!”
Maar Raffles haalde de schouder op en hernam:
„Ik kan wel zien, dat gij mij niet goed kent! Meent gij met een kind te
doen te hebben? Gelooft gij werkelijk, dat ik mijzelf zal blootgeven?
De politie zal mij in het geheel niet zien—en toch zult gij, als ik dat
wil, zoo zeker in de val loopen, als ik u tegenover mij zie zitten! Ik
behoef haar maar een enkele van de door u te Parijs gestolen diamanten
te zenden! Of dien te omschrijven, en dat zou reeds voldoende zijn, u
te doen arresteeren. En als gij eenmaal gearresteerd zijt komt ge niet
zoo spoedig weer los, want als ik mij niet vergis, zult gij nog wel een
of ander met de politie te vereffenen hebben! En wat de inbraak in het
huis van Harris betreft—en de daarop gevolgde afdreiging—ik verzeker u
dat ik slechts weinig moeite heb, mevrouw Harris te overtuigen, dat zij
het best zou doen, indien zij de zaak eenvoudig bij de politie aangaf.
Want ik weet meer dan zij! Ik weet bijvoorbeeld, dat zij volstrekt niet
behoeft te vreezen voor haar minnaar! Ik zie u sidderen! Naar het
schijnt, heb ik daar de zwakke plek blootgelegd, niet waar? Ik wil u
nog verder op de hoogte brengen van mijn wetenschap! Ik weet ook, dat
die minnaar geen moord gepleegd heeft zooals die rampzalige vrouw
schijnt te denken, en zooals gij, laaghartige schepsels, haar hebt
laten denken—maar dat er een eerlijk tweegevecht heeft plaats gehad,
waarbij Harris den dood vond. Misschien is het nog wel anders in zijn
werk gegaan en heeft de minnaar—ik ken zijn naam—uit zelfverdediging
zijn tegenstander neergeschoten, zonder dat zijn minnares dit wist. Gij
merkt wel, dat er weinig is, hetwelk ik nog niet doorgrond heb—en dat
weinige zult gij wel zoo verstandig zijn, mij mede te deelen. Het is in
uw eigen belang!”
„En—wat win ik daarmee?” vroeg Crusham grommend,
„Wel—uw vrijheid! Is die u dan soms niets waard? Zeker, de poging om
mevrouw Harris af te zetten, zoudt gij voor goed moeten opgeven, maar
ik geef u de verzekering, dat gij dat toch nimmer meer zoudt durven
ondernemen, wanneer ik mij tegen u kant, voor het geval gij niets los
wilt laten van hetgeen gij weet. Bedenk u dus wel, en neem spoedig een
besluit!”
„Maar mijn kameraden, ik zou hen dan moeten verraden?”
„Als dat uw eenig bezwaar is!” riep Raffles op minachtenden toon. „Laat
u daardoor maar niet weerhouden! Gij zijt toch de aanvoerder en moet
doen, wat gij in deze zaak het beste acht. En het beste is op dit
oogenblik zonder eenigen twijfel, dat gij de volle waarheid zegt! Ik
zeg u nogmaals dat de bron, waaruit gij hooptet te putten, voor u toch
verstopt is, want ik zal Edith Harris wel duidelijk maken dat zij van u
en uw kornuiten voortaan niets te vreezen heeft. Spreekt gij echter
niet en blijft gij volharden bij uw weigering om mij de heele waarheid
mee te deelen dan zijt gij binnen een kwartier een gevangen man—met
alle gevolgen daaraan verbonden! En die kent gij beter dan ik!”
Nog even scheen de schurk te aarzelen en toen barstte hij uit, na
Raffles een woedenden blik te hebben toegeworpen:
„Ik ontken het niet langer—gij hebt mij in uw macht! Gij weet veel meer
dan ik kon vermoeden—en mijn spel is gespeeld—ik heb verloren!—Ik zal u
vertellen hoe alles zich heeft toegedragen, maar slechts op voorwaarde
dat gij mij een briefje schrijft, hier in mijn kamer, hetwelk ik aan
mijn vrienden toonen kan en waarin gij verklaart dat gij mij gedwongen
hebt, alles op te biechten! Het zijn gevaarlijke snuiters en zij konden
wel eens denken, dat ik hen maar wat op de mouw speld, om al het geld
later voor mij zelf te kunnen houden!”
„Die voorwaarde zal worden vervuld!” zeide Raffles.
Hij schreef haastig eenige woorden op een stukje papier en overhandigde
het aan Crusham die het doorlas en toen met een tevreden gezicht in
zijn zak stak.
Daarop begon de bandiet op zachten toon, nu en dan een gesmoorden vloek
uitend:
„Gij zult zelf wel begrijpen, dat wij van niets wisten, toen wij dien
nacht inbraken, anders hadden wij wel een beter oogenblik gekozen! Wij
konden nog geen tien minuten binnen zijn, of wij hoorden een sleutel in
het slot van de huisdeur steken en iemand binnen komen, die moeite deed
zijn schreden zoo veel mogelijk te dempen. Wij waren toen juist op de
eerste verdieping aan den arbeid, naast de werkkamer van Harris. Ik
ging snel de gang op en keek over de leuning in de vestibule en zag dat
het Harris zelf was, die daar zooeven was binnen gekomen.”
„Was hij alleen?” vroeg Raffles haastig.
„Ja. Hij had een handvalies bij zich en begon de trap te beklimmen.
Daar ik wel verwachtte dat hij zich dadelijk naar zijn slaapkamer zou
begeven, ging ik haastig aan mijn twee makkers zeggen dat wij slechts
geduldig behoefden te wachten, want dat hij zeker spoedig zou slapen.
Maar het zou heel anders loopen! Harris had juist de verdieping
bereikt, waar ik mij achter een trapdeur verscholen had, toen er van
boven snelle schreden naderden. Het volgend oogenblik verscheen er een
jonge man, zonder hoed, die onder het loopen zijn overjas aantrok en
zeer bleek was. Op het portaal ontmoetten de twee mannen elkander. Toen
begreep ik natuurlijk wat er gaande was—mevrouw Harris had dien nacht
haar minnaar ontvangen....”
Crusham liet een gesmoord lachje hooren, dat Raffles de vuisten deed
ballen en ging toen voort:
„Harris liet een kreet van woede hooren, maar de ander verzocht hem op
zachten toon geen scènes te maken en hem in zijn werkkamer een
oogenblik te woord te staan. Daar gingen zij binnen. Daarnaast konden
wij ieder woord verstaan, want zij spraken zonder hun stem te dempen.
Zij waren blijkbaar zeer opgewonden. De minnaar wierp Harris. voor de
voeten, dat hij zijn vrouw op de schandelijkste wijze behandelde, en
dat hij haar niet verdiende. Hij zei, dat hij haar innig lief had en al
lang tegen zijn gevoel had gestreden, maar het nu niet langer had
kunnen volhouden en meer van die smoesjes. En tenslotte bood hij hem
aan te duelleeren. En als hij dat niet wilde, dan moest hij, Harris,
bezweren, dat hij zijn vrouw voortaan menschwaardiger zou
behandelen—wat weet ik al meer! Toen zei Harris, dat hij hem den
volgenden dag getuigen zou zenden. De ander vroeg toen vergiffenis dat
hij hem leed had gedaan, en wilde heengaan—en toen viel het eerste
schot. Ik herkende het dadelijk als de korte, scherpe knal van een
Mauser-pistool. De jonge man schreeuwde: „O, jou verraderlijke schurk!
Sluipmoordenaar—om mij ruggelings neer te schieten!” En toen kwam het
tweede schot veel zachter dan het eerste, zelfs in ons vertrek, dat er
toch vlak naast lag, gedempt klinkend. Daarop de val van een zwaar
lichaam en toen vloog de jonge man weg. Edith Harris verscheen
doodsbleek op den drempel—en ik vertelde haar, dat haar minnaar haar
man had neergeschoten—en dat zij zou moeten bloeden als zij niet wilde
dat ik het aan de groote klok hing! En dat is de geschiedenis!”
Raffles keek Crusham eenigen tijd zwijgend aan en zeide toen langzaam:
„Nu, gij zijt de grootste schurk, dien ik in langen tijd gezien heb,
dat is zeker! Misbruik te maken van den zielenangst eener diep
rampzalige vrouw die al zoo vreeselijk gestraft is! Ik wil je eerlijk
zeggen, dat het mij moeite kost, mijn woord gestand te doen en je niet
op staanden voet aan de politie over te leveren! Maar dit raad ik je
aan—vertoon je nooit meer in het huis van Harris aan de Sutherland
Avenue, want ik zal onverbiddelijk zijn, dat zweer ik je, wanneer je
het waagt Edith Harris nog een stroobreed in den weg te leggen!”
Raffles was opgestaan en maakte de boeien los, die de polsen van den
ellendeling omkneld hielden.
Charly had de deur reeds geopend.
Op den drempel keerde Raffles zich nog eens naar Crusham om en zeide op
dreigenden toon:
„Ik zou je nog in overweging willen geven, deze woning binnen vier en
twintig uur te verlaten—het kon eens goed voor je zijn!”
En daarop verdwenen de beide mannen, en lieten den schurk aan zijn
woede en teleurstelling over.
Een half uur later stelde Raffles Edith Harris per brief van alles op
de hoogte, en gaf hij haar de verzekering dat zij niets meer behoefde
te vreezen.
Hij liet Charly den brief wegbrengen en toen de jonge man terugkeerde
zeide de Gentleman-Inbreker op ernstigen toon tot hem:
„Scotland Yard zal nu natuurlijk blijven denken dat inbrekers Harris
hebben doodgeschoten—maar zoolang zij die mannen toch niet vindt, zal
ik er het zwijgen toe doen—een vrouw, die zooveel offert voor den man
dien zij liefheeft, verdient dat zeker wel!”