Hij betaalde haastig den chauffeur, gaf den man een goede fooi, die hem

een grijnslach ontlokte—iets zeer bijzonders voor een Londensch

chauffeur en daarop begon hij het drietal omzichtig te volgen.

Zij gingen niet ver, want nog geen vijf minuten, nadat de achtervolging

een aanvang had genomen, zag Raffles hen een tamelijk deftig wijnhuis

binnentreden, waar hij vroeger zelf wel eens geweest was en dat aan een

Italiaan toebehoorde.

Hij haastte zich, daar op zijn beurt binnen te gaan, en hij had het

geluk niet ver van den ingang een plaatsje te krijgen in de buurt van

de drie inbrekers, die zich reeds aan een tafeltje hadden neergezet, en

juist met den kellner spraken.

Raffles zette zich half met den rug naar de drie mannen toe, maar zoo,

dat hij in een reusachtigen wandspiegel gemakkelijk de gelaatstrekken

van de drie mannen kon waarnemen, en op al hun bewegingen kon letten,

zonder dat hij in het oog viel.

De kellner kwam aandragen met drie glazen port, welke hij voor de drie

heeren nederzette, en toen de man hun weer zijn rug had toegedraaid,

zag Raffles, hoe één hunner, die blijkbaar een soort aanvoerder was, de

man met den grooten krommen neus, zijn hand in zijn binnenzak stak, en

daar een tamelijk dik pak bankbiljetten uit te voorschijn haalde.

Hij krabbelde iets op het marmer van zijn tafeltje met een stompje

potlood, na het eerst tusschen zijn lippen te hebben bevochtigd,

wischte het met zijn vingertoppen nonchalant weg, na het aan zijn beide

vrienden te hebben laten zien, en begon toen, na een snellen en

onderzoekenden blik om zich te hebben geworpen, het geld te verdeelen,

waarbij ieder een gelijke portie scheen te krijgen.

Raffles had zich een krant laten geven, waarin hij met zijn zakmes een

klein gaatje had geprikt, en zoodoende kon hij in den spiegel dit alles

zien en duidelijk waarnemen, zonder dat de drie schelmen iets anders

konden gelooven dan dat daar een heer ijverig, en zonder iets anders te

zien of te hooren, in zijn blad verdiept was.

Nadat de verdeeling van de bankbiljetten had plaats gehad, hetgeen

nauwelijks een paar minuten duurde, sloegen de drie mannen hun glas

wijn naar binnen dat zij besteld hadden, betaalden, stonden op en

gingen weder heen.

Dadelijk wenkte Raffles den kellner, wierp tegelijkertijd een

zilverstuk op tafel, stond haastig op, en was binnen een paar stappen

bij het tafeltje waaraan zooeven de drie verdachte individuen gezeten

hadden.

Het kleine rekensommetje, zooeven door den man met den krommen neus op

het marmer geschreven, was slechts onvoldoende uitgewischt, en Raffles

kon de cijfers duidelijk onderscheiden.

„Duizend pond voor zijn drieën,” mompelde hij zachtjes voor zich heen.

„Het is een aardig bedrag voor lieden van hun slag, maar ik denk wel

niet, dat zij hiermede tevreden zullen zijn! Ik geloof dat ik er al

voor een gedeelte achter ben—het is een brutale chantage zaak!”

Raffles verliet nu het wijnhuis, en toen hij buitenkwam zag hij de drie

mannen, die hij zoo hardnekkig achtervolgde, een twintigtal meter

verder voor zich uit loopen.

Zij stonden juist stil, en de man die zich het laatst bij de twee

anderen gevoegd had, nam met een handdruk afscheid van zijn kameraden

en ging zijns weegs.

De man met den Cyrano de Bergerac-neus en de ander gingen nog een paar

honderd meter verder, en toen stonden ook zij stil om afscheid van

elkaar te nemen.

Het besluit van Raffles was spoedig genomen.

„Ik bezit helaas nog niet de bekwaamheid om mijn lichaam te splitsen,”

mompelde hij voor zich heen, „ik geloof er het beste aan te doen, als

ik dien man volg, die de grootte van zijn neus wel wat overdreven

heeft. Ik ben er zeker van dat hij beschouwd moet worden als de chef

van de kleine bende.”

Steeds zorgende, dat hij niet gezien werd, en onmiddellijk stilstaande,

wanneer de man, dien hij vervolgde, dit eveneens deed, zette Raffles de

jacht voort, altijd te voet.

Maar na een half uur loopens scheen het wild eindelijk zijn doel te

hebben bereikt.

Raffles zag hoe de man stilstond voor een tamelijk oud huis, waarvan de

voordeur openstond, even scheen na te denken of hij niet verder zou

gaan, en toen binnentrad.

Raffles wachtte slechts eenige oogenblikken, en ging toen op zijn beurt

het huis binnen, een soort pension, waar, in de vestibule, een portier

op en neer liep, aan den voet van de vergulde liftkooi.

Juist toen Raffles de vestibule betrad zag hij hoe het ondereinde van

de lift voor zijn oogen verdween,—ongeveer ter hoogte van de derde

verdieping naar hij meende.

Hij trad glimlachend op den portier toe en zeide als terloops:

„Dat was immers mijnheer Green, die daar met de lift naar boven ging?”

„Neen, mijnheer, dat was mijnheer Crusham van de vierde verdieping—u

bedoelde toch zeker dien heer met zijn nog al grooten neus?”

„Neen, ik bedoelde Green!” antwoordde Raffles rustig. „Woont die hier

dan niet?”

„Ik weet zeker van niet, mijnheer—misschien hiernaast!” antwoordde de

portier. „Maar in ieder geval was de heer, die zooeven met de lift naar

boven ging, mijnheer Crusham van vier hoog.”

„Nu, dan ga ik maar weer heen, ik zoek niet naar Crusham, ik zoek naar

Green,” antwoordde Raffles lachend.

En met deze woorden verliet hij het huis weder.

Op straat gekomen riep hij de eerste de beste huurauto aan, en liet

zich naar de Regent Street brengen.

En gedurende den geheelen rit was Raffles zoodanig in gedachten

verzonken, die zich alleen bewogen om het drama in de Sutherland

Avenue, dat hij met een schok weder tot het bewustzijn kwam, toen de

auto stilhield, meenende, dat de rit niet langer dan eenige minuten

geduurd had, terwijl het toch inderdaad een half uur was geweest.

Zoodra hij zijn overgoed had afgelegd en in handen gegeven had van zijn

trouwen, grijzen kamerbediende Gaston, begaf hij zich naar de

rookkamer, waar hij wel wist, Charly op dat oogenblik te zullen

aantreffen.

Inderdaad had de jonge man zich naar dit geliefkoosde vertrek begeven,

in gezelschap van een half dozijn sporttijdschriften.

Raffles schraapte een oogenblik zijn keel, nadat hij de deur had

geopend, en riep uit:

„Mijn hemel, je kunt hier den rook wel snijden! Waarom zet je toch geen

raam open?”

„Omdat dan de rook te gauw zou wegtrekken!” antwoordde Charly kalm. „Ik

vind het pleizierig, door den rook van een voortreffelijke sigaar te

worden omgeven.”

„Je bent een benijdenswaardig mensch, Charly—een normaal individu zou

het in deze atmosfeer zeker geen vijf minuten uithouden! Sta mij toe,

dat ik even een raam openschuif, want hoewel ik zelf niet afkeerig ben

van een goede sigaar—dit gaat mijn krachten te boven!”

Met een paar stappen was Raffles bij het raam, dat hij snel opende, en

in dichte golven trok de rook nu naar buiten.

„Zoo nu kan ik tenminste weer ademhalen, en verslag uitbrengen!” zeide

Raffles lachend.

„Is je tocht met succes bekroond? Heb je hun verblijfplaats ontdekt!”

vroeg Charly nieuwsgierig.

„Van één hunner tenminste, ik vermoed van den aanvoerder, ken ik de

woonplaats!” antwoordde Raffles.

„Dat is de man met zijn geweldigen neus?”

„Juist, hij heet Crusham, en hij woont in een pension in de Nelson

Street. Maar dat is niet het voornaamste, wat ik ontdekt heb! Nadat de

twee heeren inbrekers het huis van Harris verlaten hadden en met hun

huurauto omstreeks een half uur gereden hadden, stapten zij uit en

wachtten eenige minuten, waarop zich een derde man bij hen

voegde—hoogstwaarschijnlijk hun makker bij de onderneming van

gisternacht. Zij gingen daarop een wijnhuis binnen—en wat denk je dat

ze daar deden?”

„Wijn drinken!” opperde Charly.

„Ook dat! Maar onder het drinken van dien wijn verdeelde de man met den

grooten neus een groot aantal bankbiljetten. Hij maakte daarbij een

rekensommetje op het marmer van zijn tafeltje, dat hij zoo nonchalant

uitwischte, dat ik naderhand de cijfers nog tamelijk goed kon lezen—er

was duizend pond te verdeelen!”

„En—dat bedrag zouden zij in het huis van Harris hebben ontvangen?”

„Daar behoef je geen seconde aan te twijfelen!”

„Maar dan moet Edith Harris hun dat bedrag hebben uitbetaald!”

„Dat staat als een paal boven water—en het bewijst zoo klaar als de

dag, dat het nobele drietal de ongelukkige vrouw in zijn macht heeft en

in het bezit is van een geheim, dat zij tot iederen prijs—bijvoorbeeld

voorloopig voor duizend pond sterling, wil bewaren! En omdat ik het

nooit heb kunnen aanzien, Charly, dat drie mannen tegen een enkele

vrouw samenspannen, daarom zullen wij die drie schurken eens duchtig in

het oog houden—en hun plannen dwarsboomen!”

HOOFDSTUK V.

DE HOOGE HOED.

Zoodra Raffles zich met al zijn stoutmoedigheid en scherpzinnigheid op

één of andere onderneming had geworpen, rustte hij ook niet, voor hij

haar tot een goed einde had gebracht.

Reeds in honderd verschillende, meestal aanmerkelijk uiteenloopende

zaken had Charly de opmerking kunnen maken, dat Raffles in zulke

tijdperken van ontembaren lust tot daden voor geen vermoeienis

terugschrikte, dag en nacht met elkander verwisselde, de uren der

maaltijden eenvoudig vergat, en alles scheen op te offeren aan de

bereiking van het doel, dat hij zich gesteld had.

En juist als hij voor derden handelde, en zelf waarschijnlijk niet het

minste geldelijke voordeel zou behalen bij de onderneming, welke hij

begonnen was, ontplooiden zich zijn ongelooflijke werkkracht en zijn

scherpzinnigheid in hun vollen luister.

Hij had zich thans tot taak gesteld het geheim van de Sutherland Avenue

op te lossen en Edith Harris te beschermen, die klaarblijkelijk in de

handen was gevallen van een drietal gewetenlooze afzetters, en hij was

voornemens die taak tot het einde te volbrengen.

Reeds den volgenden dag begon Raffles dan ook een aanvang te maken met

zijn onderzoek en zijn netten uit te zetten.

Na zich te hebben vermomd op een wijze, die den nijd zou hebben gaande

gemaakt van den besten beroepsacteur, en nadat Charly dit voorbeeld had

gevolgd, begaven de beide mannen zich naar het huis van Harris,

voorzien van verschillende papieren en insignes, die moesten bewijzen,

dat zij detectives in particulieren dienst waren.

Het was omstreeks half twaalf in den morgen, toen Raffles op de

electrische schel naast de zware huisdeur van het huis in Sutherland

Avenue drukte.

Een bejaarde buttler deed de deur open, en liet de beide bezoekers

binnen, nadat Raffles zijn kwaliteit en die van zijn metgezel had

genoemd.

„Wat wenscht gij?” vroeg de buttler op tamelijk onvriendelijken toon.

„Wij zouden gaarne aanstonds met mevrouw Edith Harris gesproken

hebben!” antwoordde Raffles.

„Ik betwijfel of zij u kan ontvangen, mijnheer!” hernam de buttler

hoofdschuddend.

„Zeg mevrouw maar, dat wij voor een hoogst belangrijke zaak komen—in de

zaak van de duizend pond! Als je dat maar zegt, geloof ik dat mevrouw

ons dadelijk zal toelaten!”

De buttler zette verbaasde oogen op, maar hij wees zwijgend naar één

der zware eikenhouten banken, die hier en daar tegen de wanden van de

vestibule stonden, en wilde zich verwijderen toen Raffles hem

terugriep:

„Luister eens vriend, voor je je verzoek gaat overbrengen!” begon de

Gentleman-Inbreker. „Hoe komt het eigenlijk, dat gij ons de deur hebt

geopend? Dat is toch het werk van den huisknecht?”

„De huisknecht is er niet meer—hedenmorgen vertrokken!” antwoordde de

buttler op grimmigen toon.

„Maar het dienstmeisje of de kamenier dan?”

„Die is op het oogenblik boven bij mevrouw! Maar zij en ik zijn de

eenigen die gebleven zijn! De anderen zijn weggeloopen—zij wilden hier

niet langer blijven.”

„Misschien wilden zij niet langer zijn in een huis, waar zulk een

vreeselijke misdaad is gepleegd?” kwam Charly Brand.

„Dat zal het wel geweest zijn, mijnheer!” antwoordde de buttler

brommend, en hij deed opnieuw een stap in de richting van de trap.

Maar weer riep Raffles hem terug:

„Vertel mij eens, goede vriend—hoe kunt gij het verklaren, dat geen van

de bedienden iets gehoord heeft van het revolverschot?”

„Dat is zoo verwonderlijk niet, mijnheer!” antwoordde de buttler

schouderophalend. „De muren hier in huis zijn overal zeer dik, er

liggen zware tapijten in het werkvertrek, die het geluid dempen, en

alle bedienden slapen in een heel ander gedeelte van het huis—aan den

anderen kant van de binnenplaats. Ik geloof dat men zelfs met een

geweer in die kamer zou kunnen schieten, zonder dat wij het kunnen

hooren, tenminste als de deuren dicht zijn!”

„Gij zelf wist er natuurlijk ook niets van, dat uw meester reeds

eergisterennacht zou terugkeeren?”

„Niets, mijnheer! Mijnheer was niet erg mededeelzaam!” bromde de

buttler. „Ik wist heelemaal niet, wanneer hij zou terugkomen.”

„Nu zal ik u een vraag stellen, mijn vriend, die u misschien wat

onaangenaam in de ooren zal klinken, maar die ik toch moet doen, om mij

een beter inzicht in de zaak te kunnen vormen,—hoe was de

verstandhouding tusschen mevrouw Edith Harris en haar echtgenoot?”

De buttler slaakte een uitroep van verontwaardiging en antwoordde:

„Denkt gij dat ik daarop antwoord, mijnheer? Hebt gij ooit van een

bediende gehoord, die vijftien jaren ergens in huis is, en antwoordt op

zulke vragen?”

„Laat het dan maar, vriend!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar gij zult

er toch wel niets op tegen hebben, mij te antwoorden op de vraag, of

gij veel van—uw meesteres houdt?”

„Als gij dat zoo graag weet, mijnheer—ik zou voor haar door een vuur

gaan!” antwoordde de buttler en zijn oogen werden vochtig terwijl hij

dit zeide.

„Dank u. Nu weet ik, dat de verstandhouding tusschen mijnheer en

mevrouw Harris alles te wenschen heeft overgelaten!”

De buttler keek Raffles in de grootste verbazing aan en het was alsof

er een angstige uitdrukking in zijn oogen kwam.

Toen stamelde hij:

„Hoe komt gij daarbij? Dat heb ik volstrekt niet gezegd!”

„Neen, gezegd hebt gij het niet—en toch is het zoo!” hernam Raffles

glimlachend. „Doe maar geen moeite, er achter te komen, waaruit ik dit

zoo eensklaps afleid—het is nogal ingewikkeld, ziet gij! Zeg eens—hoe

laat hebben de bedienden zich eergisteravond ter ruste begeven?”

„Op den gewonen tijd, mijnheer—omstreeks half twaalf.”

„Was mevrouw Edith dien avond uitgeweest?”

„Ja, naar de comedie.”

„Hoe laat keerde zij terug?”

„Iets voor half twaalf!”

„Wie opende haar de deur?”

„De huisknecht.”

„Wat zeide zij toen?”

„Niets anders dan dat wij allen maar naar bed moesten gaan!”

„Natuurlijk behalve het kamermeisje, dat haar bij haar nachttoilet

behulpzaam moest zijn?”

„Neen, mevrouw zond Dora ook aanstonds naar bed want zij zeide dat zij

zware hoofdpijn had en haar hulp kon ontberen.”

„Zoo!” zeide Raffles kortaf.

Hij scheen er nog iets aan toe te willen voegen, maar bedacht zich, en

liet den buttler gaan, die de trap besteeg, om het bezoek bij zijn

meesteres te gaan aankondigen.

Slechts weinige minuten later keerde hij haastig terug en begon reeds

boven aan de trap te spreken:

„Mevrouw verzoekt u aanstonds bij haar te komen! Snel, als ik u

verzoeken mag! Mevrouw schijnt buitengewoon opgewonden te zijn—ik

begrijp niet wat haar scheelt! Volg mij, heeren!”

Raffles en Charly beklommen op hun beurt haastig de trap en een

oogenblik later werden zij door den buttler in een fraai, op de tweede

verdieping gelegen boudoir gelaten, waar Edith Harris hen ontving, met

een bevende hand op het blad van een kleine tafel leunend, en zoo wit

als de zakdoek, dien zij in de kleine vuist geklemd hield.

De buttler wierp zijn meesteres een angstigen, liefdevollen blik toe,

en daarop trok hij zachtjes de deur toe.

Nauwelijks was deze achter hen dichtgevallen, of Edith trad op Raffles

toe, en vroeg op heeschen gefluisterden toon:

„Wie zijt gij mijnheer? Wat hebt gij tegen Henry gezegd? Wat bedoelt

gij met de duizend pond? Wat weet gij?”

In plaats van aanstonds te antwoorden, geleidde Raffles de doodsbleeke

vrouw naar een sierlijke, kleine sofa, liet haar daar neerzitten,

schonk kalm een glas water voor haar in, en dwong haar een paar teugen

te drinken.

Hij nam haar het glas weder af, zette het op de tafel neder, keek de

jonge weduwe doordringend aan, en begon toen, rustig sprekend, en geen

oog van haar gelaat afwendend:

„Wij zijn particuliere detectives, mevrouw—maar misschien van een ander

en een beter soort, als men ze gewoonlijk aantreft. Ons is veel bekend,

wat anderen ontgaat, en ik mag gerust zeggen, dat wij heel wat weten,

wat voor de mannen van Scotland Yard een duister raadsel is. Wij zijn

hier gekomen om den moord op uw man op te helderen—en wij zullen hem

ophelderen, ondanks alles!”

Edith Harris wierp Raffles een verwilderden blik toe en zeide, na

eenige malen moeilijk te hebben geslikt:

„Er valt niets op te helderen, mijnheer—mijn echtgenoot is gedood door

drie inbrekers—en die zullen wel nooit worden teruggevonden! Hun spoor

is de politie geheel en al bijster!”

„Dan valt het te betreuren, mevrouw, dat gij haar niet een weinig de

behulpzame hand wilt bieden—door haar bijvoorbeeld op het spoor te

brengen van de twee mannen, die hier gistermiddag bij u geweest zijn,

en toen van u een som van duizend pond sterling kregen, om met nog een

derden man te verdeelen!”

Terwijl Raffles sprak, was Edith Harris langzaam van de sofa opgerezen,

met halfgeopenden mond en starende oogen, als zag zij een

spookverschijning.

Toen strekte zij de handen afwerend voor zich uit, slaakte een doffen

kreet en viel achterover....

Zij was in zwijm gevallen....

Raffles schonk onmiddellijk het glas weder half vol water, nam een

klein fleschje uit zijn vestzak, ontkurkte het en liet een paar

druppels van het lichtgroene goedje, dat het bevatte, in het water

vallen.

„Houd haar mond eens open!” zeide hij op zachten toon, zich tot Charly

wendende.

De jonge man trad op de bewustelooze vrouw toe, opende niet zonder

moeite de opeengeklemde tanden met behulp van een vouwbeen, dat hij op

de kleine secretaire vond liggen, en nu vond Raffles gelegenheid, een

weinig van den inhoud van het glas in haar keel te gieten.

Toen trad Raffles terug en bleef een oogenblik naar de vrouw zien, die

daar bleek en roerloos op de sofa lag.

„Er zullen wel tien minuten verloopen, voor zij weer bij kennis komt,”

mompelde hij halfluid voor zich heen. „Wij konden van die gelegenheid

wel eens gebruik maken, een klein onderzoek in te stellen.”

„Hier?” kwam Charly verwonderd. „In welk opzicht zou het onderzoek van

dit boudoir je van nut kunnen zijn, om het geheim van den dood van

Harris op te lossen?”

„Zeg dat niet te bout! Ik ben er zeker van dat Edith Harris bij de zaak

betrokken is, en het zou dus niet zoo verwonderlijk zijn als wij in

haar boudoir het geheim van den dood van Harris ophelderen. Wij zullen

maar eens eerst zien, waartoe de verschillende deuren toegang geven.”

Hij deed snel eenige stappen in de richting van een der deuren, welke

het vertrek rijk was, en ging voort:

„Dit is de gangdeur, waardoor wij zijn binnengetreden.”

Hij opende een tweede deur, keek even naar binnen, en zeide toen, zich

tot Charly wendende:

„Dit is de slaapkamer van de vrouw des huizes—waarlijk vorstelijk

ingericht. En nu eens zien waarheen ons de derde deur brengt!”

Raffles moest, om deze derde deur te bereiken, het vertrek in zijn

volle lengte oversteken, en toen hij de deur opende zag hij in een

smalle, schaars verlichte gang, aan het einde waarvan hij het begin van

een trap kon onderscheiden.

Hij bleef een oogenblik staan, sloot toen de deur weder, en kwam

langzaam met de hand aan de kin naar het midden van het vertrek terug,

en zeide, als een antwoord op een onuitgesproken vraag van Charly:

„Een achtertrap, die waarschijnlijk toegang geeft tot een kleine

zijdeur.”

Hij keek rond, zag op een klein tafeltje een hengselmandje staan, trad

er op toe, nam den sleutelbos er uit, en opende achtervolgens een paar

wandkasten die beiden op slot bleken te zijn.

Hij onderzocht met een snelheid, die slechts door langdurige praktijk

te verkrijgen is, de twee kasten, en kwam na een paar minuten

glimlachend naar Charly toe.

Hij had een fijnen, waarschijnlijk zeer duren cylinderhoed in de hand,

welken hij zachtjes heen en weer schommelde.

HOOFDSTUK VI.

HET GAT IN DE SCHILDERIJLIJST.

„Wat heb je daar?” vroeg Charly nieuwsgierig. „Een hoogen hoed?”

„Zoals je ziet! En nog wel een splinternieuwe.”

„Wat vreemd dat mevrouw Harris de hoeden van haar man in een kast van

haar boudoir verbergt.”

„Dat mag je inderdaad vreemd noemen, mijn waarde!” hernam Raffles.

Hij keek in de binnenzijde van den met wit satijn gevoerden hoed, en

vervolgde halfluid:

„Gekocht bij Thornton aan het Strand..... No. 56, ... en dan die

initialen van den eigenaar, nu zal ik je een kleine verrassing doen

beleven, Charly.... die initialen zijn niet van Harris.”

„Wat zeg je daar?” riep Charly verwonderd uit. „Het is dus geen hoed

van haar man?”

„Dat schijnt zoo” antwoordde Raffles glimlachend. „Met gouddraad zijn

er twee letters ingestikt—een J en een N!”

„Maar dan—dan...” begon Charly stotterend.

Hij wilde nog iets opmerken, maar juist op dat oogenblik maakte Edith

Harris een beweging.

Raffles was met een paar sprongen bij de kast, legde er den hoed weder

neer, deed de deur op slot, en liet den sleutelbos weder in het mandje

vallen.

Juist op dat oogenblik sloeg Edith Harris haar oogen met een

verwilderden blik weder op, ging overeind zitten, en wreef met een vaag

gebaar haar hand over haar voorhoofd.

Toen vroeg zij op zwakken toon:

„Wat is er toch met mij geschied? Wie zijt gij mijne heeren, en wat

wenscht gij?”

„Als gij nog slechts enkele oogenblikken goed nadenkt, mevrouw, dan

zult gij u die vraag zelve kunnen oplossen!” antwoordde Raffles op

ernstigen toon.

Edith Harris. keek strak voor zich uit en scheen met moeite haar

gedachten te verzamelen.

En snel scheen de herinnering weder terug te keeren aan hetgeen er

zooeven geschied was.

Dat was duidelijk te zien aan de snel wisselende uitdrukking van haar

bleek gelaat.

En eensklaps liet zij zich weder languit op de sofa vallen en barstte

in een hartstochtelijk geween uit, het hoofd in de kussens verbergend.

Raffles trad op haar toe, legde zijn hand op den schokkenden schouder,

en zeide op denzelfden ernstigen toon van zooeven:

„Ik geloof dat gij er het verstandigst aan zou doen mevrouw, als gij

ons onomwonden de waarheid zeidet.”

„Neen, dat kan ik niet!” kreet de jonge vrouw wanhopig. „Ik kan de

waarheid niet zeggen—die moet voor altijd begraven blijven!”

„Maar begrijpt gij dan niet, mevrouw, dat de schurken, die hier

gisteren bij u geweest zijn om u geld af te zetten, het niet bij dezen

keer zullen laten, maar terug zullen keeren? Begrijpt gij dan niet dat

zij u het leven tot een hel zullen maken en dat zij telkens

onbeschaamder in hun eischen zullen worden? Het is mij duidelijk dat

zij het geheim weten van dit huis—dat zij weten wat hier

eergisterennacht is voorgevallen. Ik begrijp ook, dat zij die

wetenschap te gelde willen maken, dat zij u in zekeren zin in hun macht

hebben—welnu, ik bied mij aan, om die ellendelingen te bestrijden—en ik

geloof, dat ik hen zal kunnen overwinnen—maar daarvoor is het noodig,

dat gij mij de waarheid, de volle waarheid zegt.”

Een vlammend rood steeg op in de wangen van de jonge vrouw, toen zij

antwoordde:

„Dat kan ik niet, mijnheer, dat zal ik nooit kunnen!”

„Bedenk wel, mevrouw, dat wij detectives zijn, en dat men ons niet tot

de domsten rekent,” hernam Raffles. „Wat gij ons niet zeggen wilt—of om

de een of andere reden niet zeggen kunt, dat zullen wij toch wel

ontdekken, ook zonder uw wil!”

Maar nu sprong Edith plotseling op, en plaatste zich met fonkelende

oogen voor Raffles, terwijl zij uitriep:

„Als gij een man van eer zijt, mijnheer, dan neemt gij genoegen met de

verklaring, die ik reeds heb afgelegd voor den rechter-commissaris. Ik

wil niet dat er in die vreeselijke zaak gewoeld wordt! Wat ik met die

mannen, van wie gij spreekt, te doen had—dat is een zaak tusschen ons

en ik wil niet, dat dit ruchtbaar wordt. Het mag tot geen enkelen prijs

ruchtbaar gemaakt worden, want anders zou ik het besterven!”

„Gij zoudt het dus kalm kunnen aanzien, mevrouw, dat die gewetenlooze

ellendelingen u het mes op de keel blijven zetten?” hernam Raffles.

„Liever dat, dan.... Genoeg, mijnheer!” zoo viel Edith zichzelf in de

rede. „Ik stel het op prijs, dat gij mij van dienst hebt willen zijn,

maar ik smeek u, u niet verder met de zaak in te laten!”

Lord Lister No. 0381: De Misdaad in Sutherland Avenue · 第 2 / 4 段