„Als gij het volstrekt noodzakelijk acht, zal ik er bij de p

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 381: DE MISDAAD IN SUTHERLAND AVENUE.

DE MISDAAD IN SUTHERLAND AVENUE.

HOOFDSTUK I.

DE INBRAAK.

Het was omstreeks één uur in den nacht, toen twee deftig gekleede

heeren uit een eerste klasse coupé stapten van den laatsten trein, die

aan het Paddington station stopt.

Zij gingen haastig het station uit, staken het groote plein over, tot

zij het Grand Junction Canal bereikten—de eenige gracht, welke het

reusachtige Londen rijk is, en volgden den oever daarvan, tot dat zij

Harrow Road bereikt hadden.

Het was op dezen breedsten verkeersweg in het hartje van het Londensche

Westend nog tamelijk druk.

Er reden nog heel wat autobussen, en ook passeerden er veel huurauto’s.

Maar in de deftige Sutherland Avenue, die den zooeven genoemden

verkeersweg verbindt met Maida Vale was bijna geen teeken van leven

meer te bespeuren.

De Londenaar is toch al niet zoo bijzonder gesteld op laat naar bed

gaan, in welk opzicht hij zeer verschilt van den Berlijner, en hier in

het deftige Westen ging men zelden later dan ten hoogste half twaalf

ter ruste.

De beide heeren, die slechts nu en dan een paar woorden met elkander

wisselden, liepen de Sutherland Avenue in.

Zij schenen niet veel haast te hebben, want zij deden volstrekt geen

moeite een huurauto te overmeesteren, maar wandelden kalm voort, alsof

het midden op den dag was.

Het was reeds over half twee, toen zij de Shirland Road bereikten.

Van deze breede straat af is de Sutherland Avenue eigenlijk te

beschouwen als een aaneenschakeling van afzonderlijk liggende villa’s

en deftige heerenhuizen, die meerendeels omgeven zijn door een tamelijk

grooten tuin.

De nacht was donker, en de maan had zich achter de wolken verborgen.

Het was bijna twee uur, toen de twee heeren eindelijk stilstonden op

den hoek van een breede dwarsstraat.

Vandaar hadden zij het oog op een zeer fraai, blijkbaar nog niet lang

geleden gebouwd huis in renaissance stijl, met breede vensters, en een

groot terras, waarlangs men de huisdeur bereikte.

Tot dit terras gaf het breede klinkerpad toegang, hetwelk van het

trottoir af door den voortuin naar het huis voerde.

De oudste der beide heeren, een man van een rijzige lichaamsgestalte,

met een scherp gesneden gelaat, waarin twee doordringende grijze oogen

op eigenaardige wijze schitterden, haalde zijn horloge te voorschijn,

en zeide op zachten toon tot zijn metgezel, die heel wat jonger was, en

wiens gelaat een bijna vrouwelijke zachtheid vertoonde, ofschoon er op

dit oogenblik een vastberaden trek om zijn mond lag:

„Het is nu iets over tweeën, Charly—wij zullen voor de veiligheid nog

een minuut of tien wachten, ofschoon ik eigenlijk niet geloof dat het

noodig is!”

De man, die deze woorden gesproken had, was Lord Edward Lister, alias

John Raffles, de Gentleman-Inbreker.

Het was reeds tamelijk lang geleden, sedert Raffles op een nachtelijken

rooftocht was uitgegaan, en verschillende omstandigheden hadden hem

daarvan teruggehouden.

Niet dat de Groote Onbekende door gewetenswroegingen hiervan was

teruggehouden. Hij beschouwde zijn zonderling beroep zooal niet als

gewettigd, dan toch zeker als gerechtvaardigd door de omstandigheden.

Hij erkende echter tevens, dat de maatschappij, zooals zij thans was

ingericht, alle reden had om er anders over te denken, en daarom voerde

hij reeds geruimen tijd een verbitterden strijd met de verdedigers van

die maatschappij, waaronder hij in de eerste plaats de politie moest

rekenen.

Raffles had reeds een tamelijk lange loopbaan achter den rug—maar in al

die jaren was de politie van de Engelsche hoofdstad er nog slechts een

paar malen in geslaagd zich van zijn persoon meester te maken, en nooit

had zij er zich op kunnen beroemen, langer dan een paar uren van deze

vreugde te genieten, want telkenmale was de Groote Onbekende er in

geslaagd, zich te bevrijden op een wijze, welke zelfs den befaamden

boeienkoning Houdini met bewondering en ontzag zou hebben vervuld.

Gedurende het laatste jaar was Scotland Yard echter al zeer ongelukkig

geweest in haar pogingen, om zich van den Gentleman-Inbreker meester te

maken, want met aalgladde behendigheid had Lord Edward Lister zich

steeds aan haar grijpende hand weten te onttrekken, om met een

spottenden glimlach om de dunne lippen weder naar een volgend avontuur

te ijlen, nog gevaarlijker dan het vorige, en zich slechts bekommerend

om dit eene doel: Zijn fortuin zoo groot mogelijk te maken, opdat hij

er zooveel mogelijk onrecht mee zou kunnen herstellen.

Dat fortuin beheerde hij onder het mom van Lord William Aberdeen, die

een schoon huis bewoonde in de Regentstreet, daarbij geholpen door zijn

trouwen vriend Charly Brand, dezelfde jonge man, die thans naast hem

stond en het fraaie huis in het oog hield, dat het doel was van hun

nachtelijken tocht.

Raffles had zijn sigaret weggeworpen, en keek aandachtig naar het

donkere huis, dat in een bed van groen te sluimeren leek.

Een der zijgevels, die naar de beide mannen was toegekeerd, werd zwak

verlicht door het schijnsel van een straatlantaarn, die op eenigen

afstand daar vandaan was geplaatst.

Het was hier zoo stil, dat men zelfs op zeer verren afstand de schreden

van een patrouilleerend paar agenten kon hooren.

Voorbijgangers waren er in het geheel niet meer te zien, en slechts

zeer zelden reed er een auto voorbij.

Maar plotseling voelde Charly Brand zich bij den arm grijpen en snel

een paar schreden terugvoeren in de zijstraat.

„Wat is er?” vroeg hij op fluisterenden toon.

„Kijk eens goed naar den zijgevel van het huis van Harris—het laatste

venster van hier gerekend, gelijkvloers.”

„Het is bijna niet te zien—het is zoo donker, en er staat struikgewas

in den weg.”

„Kijk toch maar eens goed!” drong Raffles aan.

Charly spande zijn oogen zooveel mogelijk in, maar daar hij niet,

evenals Raffles, de gave had, om als de katten in het donker te kunnen

zien, zoo duurde het eenige oogenblikken, voor dat hij verbaasd en op

ongeloovigen toon zeide:

„Voor den drommel—het raam wordt geopend, en er klauteren mannen naar

buiten.”

„Zoo is het! En wel met groote overhaasting, zou ik zeggen, Charly. Ik

geloof dat wij een verloren nacht zullen moeten boeken—er zijn kapers

op de kust geweest! Het is jammer, maar verwonderlijk is het niet—vroeg

of laat moest de groote rijkdom van den bankier Harris mijn collega’s

wel aanlokken—en ook de omstandigheid, dat men zijn huis betrekkelijk

gemakkelijk kan binnendringen.”

Raffles staarde ingespannen naar het half geopende venster, en zag, hoe

daar achter elkander drie mannen uitklauterden, die zich een oogenblik

achter het struikgewas van den tuin verborgen hielden, waarschijnlijk

om te wachten tot de lucht zuiver was, en daarop ijlings het hazenpad

kozen.

Zij behoefden ook niet te vreezen, dat men hen in Sutherland Avenue zou

zien want er was heinde en ver geen levende ziel te bespeuren.

De drie mannen snelden den tuin door, wipten over den muur,

waarschijnlijk met behulp van een korte ladder, die zij daar hadden

neergezet, en waren het volgende oogenblik verdwenen.

Charly Brand slaakte een gedempten kreet van ongeduld en

teleurstelling, en zeide toen:

„Moeten wij die kerels zoo maar laten verdwijnen?”

„Wat had je er dan tegen willen doen?” vroeg Raffles spottend. „Hen

naloopen soms, met de kans om een kogel tusschen de ribben te krijgen,

verondersteld dat wij hen inhaalden? Waarom zouden wij ons zooveel

moeite gegeven hebben?”

„Waarom? Maar voor den drommel—omdat die kerels er met den buit vandoor

zijn gegaan!”

„Dan moet de buit al zeer gering zijn geweest, Charly, want ik heb niet

kunnen zien, dat zij veel bij zich droegen. En daarom zullen wij ook

nog maar eens gaan kijken, want ik acht het volstrekt niet onmogelijk,

dat de kerels zich door een loos gerucht op de vlucht hebben laten

drijven, en dat wij niet anders hebben te doen dan kalmpjes gaan halen

wat zij reeds hebben gereed gezet.”

„En als het gerucht nu eens niet loos was geweest?”

„Dan zullen wij het wel zien,” antwoordde Raffles kalmpjes.

Hij gaf Charly een wenk, en daar deze wel begreep, dat het plan van

Raffles vaststond, volgde hij hem op den voet, toen de Groote Onbekende

haastig de straat overstak, zich snel overtuigde, dat niemand hen

gezien had, en daarop met groote behendigheid over het lage ijzeren

hekje wipte, dat de voortuin van de straat scheidde.

In een oogenblik was hij onder de schaduw van eenige fraaie

kastanjeboomen, die terzijde van het huis stonden, verdwenen, en Charly

haastte zich zijn voorbeeld te volgen.

Van de plek waar de beide mannen stonden, konden zij bijna den geheelen

zijgevel overzien, en het eerste wat zij in het oog kregen was het half

openstaande raam, het dichtst bij den hoek, waardoor de drie inbrekers

de vlucht hadden genomen, en waardoor zij waarschijnlijk ook naar

binnen waren geklauterd, na een ruit te hebben uitgesneden en de

afsluiting van de luiken te hebben verbroken.

Raffles tuurde ingespannen naar de andere vensters, maar nergens kon

hij het minste of geringste lichtschijnsel bespeuren.

Het scheen dus wel vast te staan, dat de bewoners van het huis nog

altijd in diepe rust verzonken waren, anders zouden zij waarschijnlijk

reeds lang alarm hebben gemaakt.

Voorzichtigheidshalve wachtte Raffles echter nog een groot kwartier,

maar toen alles stil bleef, trok hij Charly aan de mouw, en voerde hem

naar het raam, waarvan het kozijn zich nauwelijks anderhalven meter

boven den grond bevond.

De beide mannen konden zich dus al heel gemakkelijk naar binnen

begeven, anderen hadden den weg reeds voor hen gebaand.

Eenmaal binnenshuis keek Raffles naar buiten en overtuigde zich, dat de

drie inbrekers van zooeven de plek goed gekozen hadden, want het was al

zeer moeilijk dit venster aan gene zijde van den tuinmuur te bespeuren.

Raffles begreep nu ook dat het slechts te zien geweest was van de plek

af, waar hij en Charly zooeven hadden gestaan.

Alvorens licht te maken met behulp van zijn zaklantaarn deed Raffles de

luiken weer dicht, zonder ze echter te sluiten, en nu pas waagde hij

het er op zijn zaklantaarn te doen ontgloeien.

De twee vrienden bleken zich te bevinden in een fraai gemeubelde

tuinkamer, waar gemakkelijke meubelen van wit geschilderd riet stonden.

Het vertrek had twee deuren, en toen Raffles op een daarvan toetrad,

zag hij dat zij aanstond—het was waarschijnlijk de deur, welke ook de

drie mannen van zooeven gebruikt hadden.

Voorzichtig duwde Raffles de deur een weinig verder open, en keek nu in

een breede, met marmer bevloerde gang.

Hij bracht zijn mond zoo dicht mogelijk bij het oor van Charly en

fluisterde:

„Je weet dat ik de inrichting van het huis heb kunnen bestudeeren—een

half jaar omstreeks geleden, en ik denk wel niet, dat de bewoners de

inrichting van de verschillende vertrekken sedert dat oogenblik

veranderd hebben. Deze gang loopt op de vestibule uit, en men kan op

twee manieren naar de eerste verdieping komen—langs een breede

achtertrap, een paar passen hier vandaan, en langs de groote hoofdtrap,

die in de vestibule begint. Wij zullen de laatste maar nemen dan kunnen

wij tevens onzen aftocht dekken, door de knippen en kettingen van de

voordeur te doen. Volg mij maar, maar denk er om dat je nog zachter

loopt als anders, want marmeren vloeren hebben de onaangename

eigenschap dat zij sterk ressonneeren.”

Raffles trad in de gang en Charly volgde hem.

Bij het flauwe licht van de slechts op halve kracht brandende

zaklantaarn liep hij achter Raffles de gang ten einde, totdat zij

beiden de groote vestibule bereikten, waarop een zestal deuren uitkwam,

en waar de breede statietrap een aanvang nam, die met een stouten boog

naar de eerste verdieping voerde, en uitliep op een breede gaanderij,

die door zware eiken pilaren getorst werd.

De lantaarn moest nu een oogenblik gedoofd worden, want Raffles, die

een uitnemend geheugen had, wist, dat zich boven de breede huisdeur een

cirkelrond venster bevond, waardoorheen het licht waarschijnlijk op

straat zou zijn te zien.

Zij moesten dus in het donker de trap beklimmen, maar in dergelijke

zaken waren zij zoo geoefend, dat zij niet meer gerucht maakten dan een

muis, toen zij over den dikken looper naar boven slopen.

Zoodra zij eenmaal om den hoek van de gaanderij verdwenen waren,

ontstak Raffles zijn zaklantaarn weder, en wenkte Charly hem te volgen.

HOOFDSTUK II.

DE DOODE.

Maar voor zij verder gingen fluisterde Charly zoo zacht dat het

nauwelijks te verstaan was:

„Hoe zit het eigenlijk met de bedienden?”

„Er zijn er vijf en slapen allen in een geheel ander gedeelte van het

huis, dan waar wij te maken hebben. Stel je daaromtrent gerust.”

„En de werkkamer?”

„Wij zijn er nog maar een paar stappen vandaan—die deur daarginds.”

Raffles ging verder, en na de gang, die het verlengde vormde van de

gaanderij, bijna ten einde gekomen, stond Raffles stil voor een hooge,

eikenhouten deur.

En ineens werd het donker.

„Wat doe je?” vroeg Charly, zoo zacht mogelijk fluisterend en den arm

van Raffles grijpend.

„Zeg niets! De deur staat op een kier!”

„Welnu wat zou dat? Natuurlijk hebben de drie kerels, die wij hebben

zien vluchten, haar opengelaten.”

„Het is mogelijk—maar ik vertrouw het niet erg. Laten wij maar eenige

oogenblikken wachten!”

En zoo stonden de beide vrienden doodstil, en niets was te hooren dan

hun zachte ademhaling.

Maar eensklaps trof een ander geluid hun oor....

Ergens in huis, zij konden onmogelijk zeggen waar het juist was, klonk

een zacht kreunend geweeklaag als van een menschelijk wezen, dat hevige

pijn lijdt of onder een vreeselijke smart gebukt gaat.

Het klonk zwak en gedempt, maar het was voor zulke geoefende ooren als

die van Raffles en Charly toch duidelijk verneembaar.

Na eenigen tijd te hebben geluisterd, bracht Raffles zijn mond op den

tast zoo dicht mogelijk bij het oor van Charly en fluisterde:

„Het schijnt wel het gekreun van een vrouw te zijn. Die schurken zullen

toch mevrouw Harris geen kwaad hebben gedaan?”

Er kwam geen antwoord, behalve in den vorm van een hernieuwd

lichtschijnsel, Raffles had zijn lantaarn weder doen ontgloeien.

Charly kon zien, dat er een vastberaden uitdrukking op zijn gelaat lag.

Het volgend oogenblik haalde Raffles zijn masker te voorschijn, en bond

het zich voor zijn gelaat, terwijl hij Charly wenkte zijn voorbeeld te

volgen.

Aldus onkenbaar gemaakt traden Raffles en Charly het vertrek binnen,

nadat de eerste voorzichtig de deur verder had opengeduwd.

Zij bevonden zich in een groot vertrek, dat zich op den eersten blik

als werkkamer deed kennen, want er stond een zeer zwaar

bureau-ministre, en eenige aktenkasten hadden een plaats tegen de

wanden gevonden.

De fraaie parketvloer was gedeeltelijk bedekt met een zeer groot,

vingerdik Perzisch tapijt, en hier en daar stonden gemakkelijke

clubfauteuils van kostbaar leder.

Voor de drie hooge ramen hingen fluweelen gordijnen, die op het

oogenblik gesloten waren.

Raffles had de deur weder achter zich gesloten, en keek nu langzaam,

met op elkaar geknepen lippen om zich heen.

Door het halfmasker kon Charly zijn gelaat niet onderscheiden, maar hij

gevoelde als het ware instinctmatig, dat er op dit oogenblik een trek

van wantrouwen op dat gelaat lag.

En toch was er zoo op het eerste gezicht volstrekt niets in het

vertrek, dat tot achterdocht aanleiding kon geven.

De meubelen stonden op zijn plaats, de gordijnen hingen vlak voor de

ramen strak neder, en de twee andere deuren van het vertrek waren

gesloten.

Maar Charly zag heel goed, dat Raffles met de rechterhand in zijn

broekzak de kolf van zijn revolver omklemd hield, op alles voorbereid.

Het zwakke gekreun als van een gewond dier had opgehouden, of het was

in ieder geval op deze plek niet hoorbaar.

Nu viel de blik van Raffles op de groote brandkast, die tegen één der

muren van het groote vertrek was geplaatst.

Zij was gesloten, en de sleutel stak niet op het slot.

„Houdt de deuren in het oog, dan zal ik de kamer eens onderzoeken,”

zeide Raffles zachtjes. „Ik weet niet wat het is—maar er is hier in

huis iets dat mij niet bevalt—iets waaraan ik geen naam kan geven!”

Charly bleef op dezelfde plek staan en Raffles begaf zich naar de

brandkast.

Daartoe was het noodig, dat hij het vertrek in zijn volle lengte

overstak.

Charly zag hoe hij het zware bureau voorbij liep, er even zijn lantaarn

op richtte, en eensklaps stokstijf bleef staan, het gelaat naar den

grond gericht.

Verscheidene seconden bleef hij in diezelfde houding, alsof hij uit

brons was gegoten.

Toen richtte hij zich weder op, en wendde langzaam zijn gezicht naar

Charly.

Door de gaten van het masker kon de jonge man de oogen van den

Gentleman-Inbreker als staal zien glanzen.

Voorzichtig kwam hij naderbij.

En toen hij op dezelfde plek gekomen was, waar Raffles nu stond, had

hij moeite een kreet van afschuw te onderdrukken ... achter het groote

schrijfbureau, op den grond uitgestrekt, lag het lichaam van een man

van omstreeks vijftig jaar, met gebroken oogen, die naar de zoldering

staarden, en een uitdrukking van haat en woede op het marmerbleeke

gezicht, de vuisten van de uitgestrekte armen dichtgeknepen.

Midden in het voorhoofd was een zeer klein, donkerrood plekje te

zien—het was een kogelgat.

Vandaar kronkelde zich een zeer kleine roode streep over het voorhoofd,

om zich in het grijze haar terzijde van het voorhoofd te verliezen.

„Is dat...?” vroeg Charly met een huivering.

„Ja, dat is John Harris,” antwoordde Raffles op gedempten toon.

„Dus ... een moord?” zeide Charly vol afgrijzen. „Daarom gingen zij zoo

haastig op de vlucht zonder iets mede te voeren!”

Raffles knikte, en knielde naast het beweginglooze lichaam neder.

Een enkele blik was voor hem voldoende, om hem duidelijk te maken, dat

hier iedere hulp nutteloos was—de bankier Harris was dood.

Hij richtte zich langzaam weder op, ging naar de gangdeur, en draaide

den schakelaar van het electrische licht om.

Bijna op hetzelfde oogenblik ging de gangdeur open, en op den drempel

verscheen een jonge, en zelfs bij haar doodelijke bleekheid

beeldschoone vrouw.

Zij had prachtige fluweelzwarte oogen, waarin thans echter een

uitdrukking van namelooze schrik en ontzetting lag.

Zij had de hagelwitte tanden in de bloedlooze lippen gebeten, en

staarde onbewegelijk Raffles aan, die op zijn beurt als een standbeeld

bij de deur was blijven staan.

De vrouw was in een zeer sierlijke peignoir gekleed, en heur haar was

zooals Raffles aanstonds zag, in der haast in een zwaren wrong

vastgespeld.

Charly meende, dat het het zwartste en rijkste haar was, dat hij nog

ooit had gezien—en ook het bleekste, smartelijkste gelaat.

De jonge vrouw was de eerste die sprak.

Haar stem beefde, en had een zonderlingen klank, toen zij stamelend

vroeg:

„Zijt gij—zijt gij politiebeambten?”

„Politie, mevrouw—en dat gemaskerd?”

„Maar—gij komt dus niet om.... ik weet niet wat ik zeg.... ik

bedoelde.... wie zijt ge dan, en waarom komt gij hier?”

„Dat is niet gemakkelijk in een paar woorden te zeggen, mevrouw,”

antwoordde Raffles op ernstigen toon. „In ieder geval—wij hebben

zooeven het lichaam van uw ongelukkigen echtgenoot gevonden, en.... gij

schijnt zoo overstuur te zijn dat wij voor u willen handelen!”

De jonge bleeke vrouw streek met een vaag gebaar de hand langs de

slapen, keek Raffles wezenloos aan, en mompelde toen iets, dat hij niet

verstond.

De Gentleman-Inbreker keek haar een oogenblik medelijdend, maar met

onderzoekenden blik aan, en hernam toen:

„Gij—gij waart er toch niet bij, toen de inbrekers uw ongelukkigen

echtgenoot doodschoten?”

„Neen, ik was er niet bij,” mompelde de vrouw, terwijl zij zich op een

stoel liet neervallen en strak voor zich uitstaarde.

„Gij zijt zeker door het schot gewekt?”

„Ja—dat geloof ik wel—ik weet niet zeker.... het is alles zoo verward

in mij!”

„Uw man had zich natuurlijk nog niet ter ruste begeven, toen de

schurken hier binnendrongen?” ging Raffles voort.

De vrouw wendde snel haar hoofd om en vroeg toonloos:

„Waarom vraagt gij dat?”

„Wel, mevrouw, uw echtgenoot is geheel gekleed! En zie eens—daar ligt

zelfs zijn overjas!”

„En hier vind ik zijn hoed!” voegde Charly er aan toe, die intusschen

het vertrek eens had nagezocht en zich nu in een hoek van het vertrek

bukte, waar hij den stijven hoed van den doode opraapte.

„Ik begrijp het al,” ging Raffles op gedempten toon voort. „Uw

echtgenoot is waarschijnlijk juist thuisgekomen op het oogenblik, dat

de inbrekers hier bezig waren, en toen zij zich overvallen zagen,

hebben zij niet geschroomd den ongelukkige neer te schieten!”

De jonge vrouw bleef opnieuw zwijgend voor zich uitkijken en scheen

zelfs nauwelijks te hooren wat Raffles zeide.

Het gebeurde had haar blijkbaar vreeselijk aangegrepen, want zij scheen

er zelfs niets bijzonders in te vinden, dat zich hier twee in keurig

avondtoilet gekleede, gemaskerde mannen bevonden, waarvan zij in het

geheel niet wist hoe zij waren binnengekomen, en of zij hier wel met

goede bedoelingen kwamen.

Raffles dacht een oogenblik na en vervolgde, met eenige verbazing in

zijn stem ditmaal:

„Het feit moet ruim een half uur geleden hebben plaats gehad, mevrouw.

Hebt gij er geen oogenblik aan gedacht, aanstonds de politie te

waarschuwen, zoodra de schurken hun hielen hadden gelicht?”

„Ik—ik was te zeer in de war mijnheer, om daar aan te denken!”

antwoordde mevrouw Harris, en een siddering doorliep haar lichaam:

„Hebt gij het schot gehoord?”

„Ja, ik heb het schot gehoord,” herhaalde de jonge vrouw mechanisch.

„Toen zijt gij natuurlijk dadelijk opgestaan, om te zien wat er was?”

„Ik—ja, ik geloof het wel! Ik weet het niet zeker meer—het moet wel zoo

zijn!”

„Maar waarom hebt gij dan toch niet onmiddellijk om uw huisdokter

getelefoneerd, mevrouw?” drong Raffles aan. „Weliswaar geloof ik dat de

wonde aanstonds doodelijk was, maar voor alle zekerheid hadt gij toch

een dokter moeten laten halen.”

Daar de jonge vrouw in het geheel geen antwoord gaf, vervolgde Raffles

hoofdschuddend:

„Ook de bedienden schijnt gij niet te hebben gewaarschuwd! Hebben zij

het schieten niet gehoord?”

„Zij slapen in een ander gedeelte van het huis, mijnheer—en het was

maar een zwakke knal!”

„Waar slaapt gij, als ik vragen mag?”

„Op de tweede verdieping, mijnheer!”

„Hebt gij nog tegenover die schurken gestaan?”

De jonge vrouw huiverde, toen zij op doffen toon ten antwoord gaf:

„Ja, ik heb hen gezien!”

„Hebben zij u dan ook niet met den dood bedreigd? Hebben zij u in het

geheel niet belet om alarm te maken? Hebben zij u rustig weder laten

gaan?”

„Zij waren bevreesd, dat de bedienden misschien eveneens het schot

hadden gehoord, zij namen overhaast de vlucht!”

Raffles bleef haar een oogenblik aandachtig beschouwen, en zeide toen:

„Nu, de politie zal het moeten uitmaken, mevrouw!”

Met een ruk wendde de jonge vrouw zich om en keek hem met haar bleek

gelaat aan, waarin de groote oogen koortsachtig schitterden, en zeide

op verschrikten toon:

„De politie? Waarom zou die er zich mede bemoeien?”

„Maar mevrouw, gij zult toch aangifte moeten doen van de zaak!” hernam

Raffles verbaasd. „Gij kunt er de politie onmogelijk buiten laten! De

schuldigen moeten gestraft worden! De ellendigen zullen wel sporen

hebben achtergelaten en daar gij hen gezien hebt zult gij hen wel

herkennen, zoodra Scotland Yard er in geslaagd zal zijn, hen te

vatten!”

„Neen—ik wil met deze afschuwlijke zaak niets meer te doen hebben!”

riep mevrouw Harris uit, terwijl zij hevig begon te sidderen.

„Maar mevrouw, de schuldigen moeten toch hun verdiende straf

ondergaan!” liet nu de stem van Charly zich hooren, die tot dusverre

gezwegen had en zijn onderzoek van het vertrek beëindigd scheen te

hebben.

De jonge vrouw liet een zacht gekreun hooren, leunde met gesloten oogen

achterover in haar stoel, en hield krampachtig haar dichtgeknepen

vuisten terzijde tegen het hoofd gedrukt.

Een diepe rimpel van smart doorgroefde het hooge, blanke voorhoofd.

Eindelijk bracht zij er stamelend uit:

„Als gij het volstrekt noodzakelijk acht, zal ik er bij de politie

aangifte van doen—ofschoon deze den dood van mijn man toch niet meer

ongedaan kan maken en ik er zeker van ben, dat men de schuldigen niet

zal kunnen vatten.”

„Men zal er ieder geval zijn best voor moeten doen, mevrouw!” kwam

Charly die zich dezen afkeer van de politie in dit geval slechts noode

kon voorstellen. Hij meende dat het in de vrouwelijke natuur lag,

onmiddellijk wraak te nemen voor deze misdaad.

Raffles had intusschen diep nagedacht, en hernam toen, terwijl hij zich

opnieuw tot de zacht kreunende vrouw richtte:

„Gij moet mij niet kwalijk nemen, mevrouw, als ik u nog een vraag stel,

maar ik wilde wel gaarne weten, in hoeveel tijd gij ongeveer van uw

slaapkamer naar dit vertrek kunt loopen!”

De jonge vrouw scheen een oogenblik te aarzelen, en antwoordde toen:

„Het huis is heel groot, mijnheer—ik denk wel, dat de afstand minstens

drie minuten bedraagt.”

„Dus—de inbrekers hebben die drie minuten hier in de kamer vertoefd,

bij het lijk van den vermoorde? Gij hebt hen immers in dit vertrek

gezien?”

In plaats van te antwoorden barstte de ongelukkige vrouw plotseling in

heftig geween uit, en riep met half verstikte stem:

„Ik weet het niet, mijnheer! Vraag mij niet verder! Gij martelt mij!

Het is zoo vreeselijk, er nu nog verder over te moeten spreken!”

„Ik zou u niet voor al het goud ter wereld willen kwetsen, mevrouw!”

zeide Raffles op zachten toon. „Als gij liever niet wilt antwoorden,

dan denkt geen van ons beiden er aan u te dwingen! Maar in ieder geval

moet deze zaak aanstonds worden aangegeven! Als gij er zelf voor

terugschrikt, dan zal ik de politie wel waarschuwen!”

„Neen, neen—ik zal het zelf wel doen!” hernam de echtgenoote van den

bankier.

„Gij kunt er gerust bij zeggen, dat gij, even nadat de inbrekers

vertrokken waren, bezoek hebt gehad van John Raffles!” voegde de Groote

Onbekende erop rustigen toon aan toe. „Gij ziet mij verwonderd aan—hebt

gij dien naam nog nimmer gehoord?”

De jonge vrouw schudde langzaam het hoofd.

„Nu, ik gevoel mij er volstrekt niet door gekwetst!” ging Raffles met

een zonderling glimlachje voort. „Maar als gij mijn naam aan de politie

opgeeft, zal zij zooveel te beter weten, wie ik ben! Ik zal u de

geheele waarheid mededeelen, mevrouw—wij waren hier gekomen om de

brandkast van uw echtgenoot leeg te plunderen, als het ons mogelijk

was! Ik weet wel—men mag van de dooden alleen goeds te zeggen, en uw

man is op een vreeselijke wijze om het leven gekomen, en daarom zal ik

er mij dan ook toe bepalen, u te zeggen, dat de rijkdommen van uw man

zeer weinig nut afwierpen—meer zullen wij er voor het oogenblik niet

van zeggen! En nu zullen wij u verlaten, mevrouw, het spreekt van zelf,

dat wij onder deze omstandigheden er niet aan denken, ons voornemen ten

uitvoer te brengen! Wilt gij dat wij de politie hier aanstonds

heenzenden?”

„Gelooft gij dat het onvermijdelijk zal zijn, mijnheer?” vroeg de

echtgenoote van den vermoorde op zwakken toon, en zonder het hoofd op

te heffen of naar Raffles te zien.

„Maar natuurlijk is het dat, mevrouw!” riep Raffles uit. „Ik ben er

niet de man naar, om oordeel te vellen over de handelwijze van de

inbrekers, die mij voor zijn geweest ditmaal—maar in koelen bloede een

niets vermoedend man neer te schieten—nooit zou ik mij daartoe kunnen

verlagen! Wees sterk, mevrouw—ik verzeker u dat de laffe moord op uw

echtgenoot spoedig gewroken zal zijn!”

HOOFDSTUK III.

ZONDERLINGE BEZOEKERS.

Daar Raffles aan zijn voornemen gevolg had gegeven, en onmiddellijk per

telefoon het hoofdbureau van politie in kennis had gesteld met zijn

ontdekking in de Sutherland Avenue, zoo stonden reeds den volgenden dag

de meeste kranten vol met bijzonderheden aangaande dezen verraderlijken

moord, tenminste voor zoover men deze had kunnen machtig worden.

Want mevrouw Edith Harris bleek zeer gesloten te zijn, en scheen door

het gebeurde in het prachtige huis van haar echtgenoot zoo zeer te zijn

aangegrepen, dat zij zaken vergeten was, die voor de politie toch van

groot nut hadden kunnen zijn, indien zij ze geweten had.

Zoo bleek Edith Harris zich maar zeer weinig te kunnen herinneren van

de gelaatstrekken der bandieten.

Toen de inspecteur van politie, die het eerste onderzoek leidde, haar

er op opmerkzaam maakte, dat het toch licht in de kamer moest zijn

geweest, daar zij zelve verklaard had, de electrische kroon te hebben

zien gloeien, herriep zij deze mededeeling aanstonds weder en zeide dat

eenige der bandieten kleine zaklantaarns bij zich hadden, die slechts

een zeer onzeker licht verspreidden.

Ook kon zij onmogelijk verklaren, hoe het mogelijk was, dat er na het

schot eenige minuten waren verloopen, en dat zij niettemin de inbrekers

nog altijd in de werkkamer van haar echtgenoot gevonden had, terwijl

het toch veel meer voor de hand lag, aan te nemen, dat zij dadelijk het

hazenpad hadden gekozen zonder zich verder om hun slachtoffer of om hun

buit te bekommeren!

Er bleken nog meer tegenstrijdigheden in de verklaringen van de jonge

vrouw te zijn, en de inspecteur moest met een zucht bekennen, dat het

verre van gemakkelijk zou zijn, het spoor van de daders te vinden.

Wat hem bevreemdde, was, dat Edith Harris met geen enkel woord gewaagd

had van het nachtelijk bezoek van Raffles en diens metgezel, ofschoon

de Groote Onbekende zelf de mededeeling had gedaan, dat hij zich in het

huis van Harris bevond, ongeveer een half uur nadat de bandieten het

verlaten hadden.

Toen men de ongelukkige vrouw hierop wees, was zij zeer zenuwachtig

geworden en had zij verklaard, dat zij bevreesd was geweest, zich den

toorn van den Gentleman-Inbreker op den hals te halen, als zij verried,

dat hij dien nacht eveneens een poging tot inbraak had gepleegd.

Uit het onmiddellijk getuigenverhoor bleek, dat de bankier Harris op

dien noodlottigen nacht zeer laat was teruggekeerd van een zakenreis.

Hij had geen der bedienden behoeven wakker te maken, daar hij een

huissleutel had medegenomen, passende op een kleine achterdeur, die op

den tuin uitzag.

Uit het voortgezet onderzoek bleek, dat hij bij een zakenvriend te

Manchester had vertoefd, en dat het eigenlijk zijn oorspronkelijke plan

was geweest, nog een paar dagen in die stad te vertoeven.

Hij had zich echter een weinig ongesteld gevoeld, en aan zijn

zakenvriend te kennen gegeven, dat hij liever naar Londen zou

terugkeeren, teneinde daar wat rust te gaan nemen—later zou hij dan

zijn zaken in de Katoenstad wel afdoen.

Het spreekt vanzelf dat de politie aanstonds ijverig begon te zoeken

naar de daders; daar Edith Harris verklaard had, hen niet meer te

zullen herkennen zoo werden de nasporingen naar den moordenaar van

Harris ten zeerste bemoeilijkt.

Dit alles en nog eenige andere bijzonderheden was te lezen in de meeste

avondbladen van dien dag, en vooral Raffles en Charly volgden de

relazen met groote aandacht.

Raffles las het verslag in de „Daily Mail” wel drie malen over, nadat

hij met Charly had gedineerd in de kokette eetzaal van de Windsor-Club,

waarvan hij als Lord Aberdeen vice-president was, en wierp toen het

blad op tafel terwijl hij zich achterover in zijn stoel liet vallen, en

hoofdschuddend zeide:

„Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik de houding van Edith Harris niet

volkomen kan begrijpen! Wat bezielt haar toch, om het onderzoek

moedwillig te bemoeilijken?”

„Moedwillig?” herhaalde Charly, die juist een versche sigaret opstak.

„Hoe zoo?”

„Wel, zij verklaart, dat zij de moordenaars niet zal herkennen, als zij

ze ziet, omdat zij niet in staat was geweest, hun gelaatstrekken

duidelijk te onderscheiden! Welnu, wanneer die mannen niet gemaskerd

waren—en daar lees ik niets van—dan is het onverklaarbaar, dat zij

althans het gezicht van den man, die voor de anderen het woord voerde,

en met haar sprak, later niet zou herkennen! Ik heb meermalen

opgemerkt, dat juist in dergelijke zaken van hevige spanning de

gelaatstrekken van een mensch een onuitwischbaren indruk bij ons

achterlaten.”

„Maar zij zegt dat het donker was in het vertrek!” kwam Charly. „Of

tenminste dat het alleen verlicht werd door het schijnsel van een

electrische zaklantaarn.”

„Ja, dat zeide zij tenminste naderhand! Maar eerst had zij gezegd, dat

de electrische kroon brandde!” hernam Raffles.

„Dat is waar,” zeide Charly hoofdschuddend. „Dat is ook niet erg

duidelijk!”

„O, er is nog wel meer wat niet duidelijk is!” ging Raffles voort.

„Daar is bijvoorbeeld het feit, dat de moordenaars kalmpjes weg op zijn

minst drie minuten zijn blijven wachten in de kamer van Harris, nadat

het doodelijke schot gevallen was! Kun je je een oogenblik verplaatsen,

Charly, in den toestand van een drietal mannen, waarvan er één den

bankier heeft doodgeschoten, die hen zoo juist heeft overvallen?”

„Ik zal mijn best eens doen!” antwoordde Charly.

Hij sloot een oogenblik de oogen en vervolgde toen, na ze weer te

hebben geopend:

„Ik weet het niet heel zeker, maar als ik ook maar een seconde kon

vermoeden, dat het schot in huis ergens gehoord was door een van de

vijf bedienden dan zou ik maar spoedig het hazenpad kiezen!”

„En daar zou je verstandig aan doen!” kwam Raffles kalm. „Bovendien—het

komt maar hoogst zelden voor, dat een inbreker van zijn wapen gebruik

maakt. In negen en negentig van de honderd gevallen heeft hij alleen

zijn revolver bij zich, om er mee te dreigen, en hij maakt er slechts

gebruik van als hij zijn eigen leven of zijn vrijheid in gevaar ziet.

Daarvan nu was in dit geval geen sprake, want het onderzoek heeft

uitgewezen, dat Harris in het geheel geen wapens bij zich

droeg—tenminste niet in dien noodlottigen nacht. De inbrekers waren met

zijn drieën, en ik kan mij niet goed voorstellen, waarom zij die groote

overmacht niet beter hebben weten uit te drukken, dan in een volkomen

nutteloozen moord!”

„Ja, wanneer je de zaak zoo voorstelt!” riep Charly, die aandachtig had

toegeluisterd.

„Wanneer jij een andere voorstelling te berde wilt brengen—ga dan je

gang. Laat dan spoedig eens hooren, want er is niets zoo goed om zich

een juist inzicht in een zaak te vormen, dan er over te redetwisten!”

Charly dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Harris is bij zijn schrijftafel gevallen. Op die tafel stond een

telefoontoestel. Is het niet denkbaar, dat hij den hoorn gegrepen

heeft, en de politie heeft willen waarschuwen—en dat een der bandieten

in zijn opwinding daarom den bankier heeft neergeschoten?”

„Die lezing lijkt mij volkomen onaannemelijk, Charly, en ik zal je

zeggen waarom,” antwoordde Raffles kalm. „Om te beginnen hielp het

telefoneeren alleen natuurlijk niets! De naaste politiepost is minstens

acht minuten loopens verwijderd van het huis van Harris, en de

bandieten zouden dus tijd in overvloed hebben het huis te verlaten, van

het oogenblik af, dat Harris, ongewapend zijnde, niet in staat was om

dit te beletten! Dan is er vervolgens de ligging van het lijk—achter de

tafel, te rekenen van de gangdeur! Geloof je, dat de drie inbrekers hem

daartoe de gelegenheid hebben zouden gelaten, zoover het vertrek in te

komen? Neen, Charly, dat lijkt mij al heel onwaarschijnlijk!”

„Maar voor den drommel—wat denk je dan eigenlijk?” riep Charly uit. „In

ieder geval staat het toch vast, dat het schot door een van de

inbrekers is gelost!”

„Dat wil ik toegeven—voorloopig tenminste! Maar dan blijft toch de

houding van Edith Harris even raadselachtig. Ik heb het duidelijk

gevoel, dat zij er om heen draait, dat zij niet de volle waarheid

spreekt, dat zij iets verzwijgt—wat weet ik het!”

Een oogenblik zaten de beide mannen in gepeins verdiept, en toen riep

Charly eensklaps uit:

„Misschien had zij een hekel aan haar man—ja misschien haatte zij hem

zelfs. Wie kan zeggen, of dat schot haar niet een verlossing is

geweest! Zij is een zeer mooie, nog heel jonge vrouw, en hij was bijna

vijf en twintig jaar ouder dan zij, verre van mooi, en naar ik op de

Windsor-Club heb hooren zeggen vanmiddag, was hij een echte bruut, die

haar min of meer als een slavin behandelde, haar dan weder langen tijd

achter elkander volkomen veronachtzaamde en er bovendien tegelijkertijd

een paar minnaressen op nahield!”

„Ja dat alles heb ik ook gehoord, Charly. En tot welke gevolgtrekking

brengt je nu je meening, dat Edith Harris haar man haatte?”

„Wel wat zal ik zeggen?” zeide Charly haperend. „Misschien heeft zij

wel in relatie gestaan met die schurken, waarvan er een haar man gedood

heeft. Misschien was de heele vertooning een doorgestoken kaart!”

„Voor die opvatting zou misschien iets te zeggen zijn, Charly—als wij

niet toevallig het smartelijke gekreun van die vrouw gehoord hadden,

toen zij nog volstrekt niet kon weten, dat wij ons in huis bevonden, en

dus ook geen comedie behoefde te spelen! Wanneer er inderdaad een

complot had bestaan, om Harris uit den weg te ruimen—in beginsel zou ik

heel goed met die opvatting kunnen medegaan—dan zou die vrouw heel

anders zijn opgetreden! Dan zou zij niet in de eenzaamheid gekreund

hebben als een gewond dier! Ook zouden de drie inbrekers niet zoo

overhaast op de vlucht zijn gegaan—ofschoon ik wil toegeven, dat zij

misschien door het een of ander gerucht buitenshuis of daarbinnen zijn

opgejaagd.”

Weer zwegen de beide mannen eenige oogenblikken, diep in gedachten

verzonken, en weer was het Charly, die eensklaps uitriep:

„Daar valt mij iets in—veronderstel eens dat zij hetzelve gedaan had!”

„Aan iets dergelijks heb ik ook gedacht!” hernam Raffles kalm. „Er

kunnen zich gevallen voordoen, waarin de vrouw, tot het uiterste

gedreven, haar man het leven beneemt. Maar om dan zulk een ingewikkeld

complot op touw te zetten, waarbij niet minder dan drie mannen

betrokken zijn—dat is dus twee te veel, dat komt mij niet erg

waarschijnlijk voor. En dan—bedenk eens de plek, waar de misdaad

gepleegd was! Als zij van plan was hem te dooden, hoe wist zij dan zoo

nauwkeurig van te voren, dat haar man zich aanstonds, nadat hij

thuisgekomen was, naar zijn werkkamer zou begeven?”

„Dat is zoo—en er is zelfs nog meer. Zij kon volstrekt niet weten, dat

hij juist dien nacht zou thuiskomen!” riep Charly opgewonden uit. „Want

zijn zakenvriend te Manchester heeft immers verklaard, dat zijn

oorspronkelijk plan was, nog een paar dagen langer daarginds te blijven

vertoeven!”

Met een sprong was Raffles overeind, en nu keek hij, de handen in de

zakken van zijn smoking, Charly met schitterende oogen aan, terwijl hij

een paar maal achtereen het eigenaardige gebrom liet hooren, hetwelk

voor Charly een waarschuwing was, dat Raffles een of ander spoor had

ontdekt.

Deze liep nu een paar maal het vertrek op en neer—het was de kleine

eetkamer in het huis aan de Regent Street—en bleef toen opnieuw voor

Charly staan, terwijl hij op gedempten toon zeide:

„Ik geloof, mijn waarde, dat je daar de kern van de kwestie hebt

aangeroerd! En ik ben een botterik, dat mij dat zelf niet aanstonds is

te binnen geschoten. Wel zeker, het is een punt van groot belang naar

ik meen, dat Edith Harris volstrekt niet kon weten, dat haar man dien

nacht reeds zou terugkomen! Kom Charly, sta eens op, kleed je aan, en

ga met mij mede!”

„Om wat te doen?”

„Om naar het huis in de Sutherland Avenue te gaan!”

„Wat wil je daar uitvoeren?”

„Ik wil dit geheim trachten te doorgronden!”

„Wil je je daar als John Raffles of als Lord Edward Lister gaan

aanmelden?”

„Praat geen nonsens! Ik wil er heen gaan als particuliere detective!

Mijnentwege als inspecteur van Scotland Yard! Een kleine vermomming zal

voldoende zijn—Edith Harris heeft Lord Aberdeen nooit gekend!”

„Maar denk je dat zij je zal toelaten?”

„Als zij het niet deed, dan zou dat sterk tegen haar pleiten!” riep

Raffles uit. „Kom maak wat voort! Deze zaak begint mij hoe langer hoe

meer belang in te boezemen, en ik zou wel eens willen weten wat er

eigenlijk achter schuilt. Je hebt toch zeker wel lust om met mij mee te

gaan?”

„Dat spreekt van zelf,” riep Charly uit, terwijl hij opsprong.

Een half uur later waren de beide mannen, goed vermomd, in een huurauto

onderweg naar het huis, waar de moord op Harris had plaats gehad.

Daar het lichaam van den vermoorden bankier reeds op het bed in zijn

slaapkamer was neergelegd, nadat de Coroner zijn bevindingen had

geboekstaafd, en de fotograaf van Scotland Yard eenige opnamen van het

lijk had gemaakt, zooals het achter de schrijftafel lag, was de

politiepost voor het huis reeds weder ingetrokken, en het lag daar

eenzaam en duister, maar op de tweede verdieping scheen achter een der

vensters een flauw lichtschijnsel te gloren.

Het bleek, dat de chauffeur niet tot vlak voor het kleine hek van den

voortuin kon rijden, want zooeven was er juist een andere taxi komen

aanrijden, die een oogenblik den weg versperde, teneinde twee heeren,

die er in gezeten hadden, gelegenheid te geven, uit te stappen, en zich

langs het klinkerpad naar de voordeur te begeven.

Charly wilde op zijn beurt juist het portier aan de straatzijde openen

om daar vast uit te stappen, toen Raffles hem bij den arm greep, en

haastig weer terugtrok.

„Wat is er?” vroeg Charly verwonderd.

„Kijk daar eens!” zeide Raffles op gedempten toon, die zijn blikken

strak gevestigd hield op de twee mannen, die haastig langs het

klinkerpad liepen en bijna de huisdeur bereikt hadden. „Herken je die

mannen niet?”

Charly keek een oogenblik scherp toe, en onderdrukte een kreet van

verwondering.

Er was wel reden toe—want de twee goedgekleede heeren, waarvan er één

nu aan de bel trok, waren twee van de drie inbrekers, welker gestalte

zij den vorigen nacht een oogenblik duidelijk belicht hadden gezien

door het schijnsel van een straatlantaarn.

HOOFDSTUK IV.

EEN WEINIG LICHT IN DE DUISTERNIS.

Daar de tweede auto vrij ver was blijven staan van het voertuig, dat

henzelven hier had gebracht, zagen de beide mannen, die nu juist door

een huisknecht werden binnen gelaten, niet, dat zij het voorwerp waren

van de belangstelling der beide gewaande detectives.

„Wat heeft dat nu te beteekenen?” riep Charly verbluft uit.

„Ja, dat mag je wel vragen!” was het antwoord van Raffles.

„Er is dus wel zeker een complot geweest! Misschien komen de schurken

nu wel het loon voor hun misdaad halen!”

„Het is niet onmogelijk, Charly! In ieder geval zegen ik het toeval,

dat ons juist op het goede oogenblik hierheen bracht.”

„Zouden wij ons niet vergissen—zouden zij het wel zijn?”

„Ik twijfel er geen seconde aan! Het profiel van één van die kerels met

zijn geweldig grooten, krommen neus is gemakkelijk te herkennen—en ook

de andere, die kleine met zijn wat krommen rug herkende ik ook

aanstonds, al was het gisteren donker!”

„Maar het is mij volkomen onbegrijpelijk, Edward, wat die lieden hier

thans komen uitrichten!” hernam Charly in de grootste verbazing. „Waar

halen zij de onbeschaamdheid vandaan!”

„Dat is mij ook niet zeer duidelijk, maar het staat vast, ten eerste

dat zij niet veel goeds in zin hebben en ten tweede, dat zij, ofschoon

zij in dit zelfde huis gisteren hebben ingebroken, niet het minste

gevaar loopen, door de weduwe Harris te worden aangeklaagd, of zelfs

niet het minste gevaar loopen, door haar in het nauw gebracht te

worden, en dat zij dat heel goed weten!”

„Dan moet er iets geschied zijn, waardoor die schurken mevrouw Harris

in hun macht hebben!” riep Charly uit.

„Daaraan behoef je niet te twijfelen,” kwam Raffles ernstig. „Het is

maar de vraag, waardoor zij die macht hebben verworven!”

„Als wij eens naar binnen gingen en ons eenvoudig van die kerels

meester maakten?”

„Daartoe gevoel ik inderdaad veel lust, Charly—maar er is een beletsel.

Wij kunnen natuurlijk die schelmen aan de justitie overleveren—maar als

zij werkelijk iets weten van Edith Harris of van haar gedooden

echtgenoot, dan zullen zij misschien uit woede gaan babbelen, louter

uit lust om zich te wreken, en wie kan ons zeggen, of de eer van Edith

Harris dan niet door het slijk wordt gesleurd? Ik geloof dat wij

verstandiger doen, kalmpjes te wachten, totdat die schelmen weder te

voorschijn komen, en dan zien waar zij blijven! Weten wij dat eenmaal,

dan kunnen wij hen gemakkelijk in het oog houden, en hun gangen ten

allen tijde volgen. Vroeg of laat zullen wij er dan toch wel achter

komen, welke geheimzinnige band er toch wel kan bestaan tusschen de

inbrekers en Edith Harris. Maar nu doen wij beter, Charly, ons een

weinig terzijde te houden, want misschien kunnen zij onze auto zien van

uit één der ramen van het huis, en wij mogen den argwaan van de

schurken in geen geval gaande maken!”

Raffles stak dus zijn hoofd uit het portierraam en riep op gedempten

toon tot den chauffeur, die zich reeds begon te verbazen, dat zijn

passagiers niet uitstapten:

„Rijd eens een klein eindje terug, vriend—een meter of vijftig, en stop

dan opnieuw!”

De chauffeur gehoorzaamde, en even later stond de huurauto weder naast

het trottoir stil, op een afstand, die nog juist groot genoeg was, om

geen vrees te moeten koesteren voor ontdekking, en vanwaar men toch het

huis goed in het oog kon houden.

Raffles had een oogenblik in gedachten verzonken gezeten, en zeide nu

tot Charly:

„Ik geloof dat het beter is, mijn waarde, dat wij nu maar scheiden,

want bij zulk een achtervolging is het beter, wanneer men alleen is.

Dan valt men minder in het oog!”

„Je zult je toch niet in gevaar begeven?”

„Ik kan niet inzien, welk gevaar er voor mij zou zijn!” antwoordde

Raffles schouderophalend. „Het is klaarlichte dag, en ik vermoed dat

die twee schoeljes zich dadelijk, nadat zij dit huis verlaten hebben,

naar hun woning zullen begeven.”

Charly had het portier reeds geopend, en stond het volgende oogenblik

op het trottoir.

Raffles keek even door de voorruit, en zeide op zachten toon:

„Zij hebben ook hun auto aangehouden, en zijn dus niet van plan om hun

bezoek lang te maken. Zeg tegen den chauffeur, dat hij dien wagen moet

volgen, al ging hij naar het einde der wereld, beloof hem een goede

fooi, en maak dat je weg komt.”

Charly volgde de gegeven instructies op, sloot het portier, wisselde

eenige woorden met den chauffeur, en verwijderde zich vervolgens met

haastige schreden.

Raffles keek hem een oogenblik na, en toen was zijn aandacht

uitsluitend beperkt tot de huisdeur van het fraaie huis, waar zich in

den afgeloopen nacht het geheimzinnige drama had afgespeeld, waarin

Edith Harris, dat gevoelde Raffles nu zeer duidelijk, een belangrijke

rol had gespeeld—belangrijker dan viel af te leiden uit haar karige

verklaringen.

Er waren zeker nog geen tien minuten verloopen, of de voordeur ging

weer open, en de twee mannen verschenen op den drempel, uitgeleide

gedaan door een ouden bediende.

Zij richtten haastig hun schreden naar de wachtende auto, waarop één

hunner een paar woorden tot den chauffeur zeide.

Beiden stegen in, en de auto zette zich in beweging.

De chauffeur van Raffles had goed opgelet, en dadelijk nam de

achtervolging een aanvang.

Het was voor den man niet zoo gemakkelijk, de andere auto te volgen,

want herhaaldelijk moesten zij zeer drukke punten passeeren, en eenige

malen kwam het voor dat de beide auto’s van elkander gescheiden werden

door een verkeersagent die zijn witten staf ophief.

Maar gelukkig had de chauffeur toch de huurauto niet uit het oog

verloren en na een rit van bijna een uur stond de wagen van Raffles

plotseling stil.

Raffles keek door de voorruit.

De auto welke hij achtervolgde stond eveneens stil op den hoek van een

tamelijk groot park.

Raffles zag hoe de beide mannen uitstapten, waarna één hunner den

chauffeur betaalde, die dadelijk daarop wegreed.

Raffles bleef nog een oogenblik zitten, teneinde, zich zoo weinig

mogelijk te vertoonen, en te zien wat de twee mannen nu zouden doen.

Zij deden echter voorloopig niets, en bleven rustig wachten, onder het

rooken van een sigaret.

Na verloop van tien minuten kwam er met haastige schreden een man

aanloopen, die zich bij de beide anderen voegde.

Raffles herkende hem niet, maar hij begreep, dat het de derde man moest

zijn van het drietal inbrekers, hetwelk hij den nacht te voren uit het

huis van Harris de vlucht had zien nemen.

Raffles kreeg den indruk, dat hij zich verontschuldigde over zijn

laatkomen, waarop de drie mannen zich langzaam, als lieden die niets te

verzuimen hebben, verwijderden.

Raffles begreep dat het oogenblik was aangebroken, om op zijn beurt uit

te stappen.

Lord Lister No. 0381: De Misdaad in Sutherland Avenue · 第 1 / 4 段