„Ik heb je dien brief niet willen geven.”
„Waarom niet?”
„Het is een ongepaste manier van schrijven.”
„Dat wist je toch niet toen hij gesloten was.”
„Neen, ik heb hem uit nieuwsgierigheid geopend.”
Zij trok de wenkbrauwen op en verliet het slaapvertrek.
Ze vond het vreemd en onverklaarbaar; ze was vreeselijk uit haar
humeur.
En Fournier niet minder.
Toen hij wegging, was het afscheid heel koeltjes.
„Je schijnt het me erg kwalijk te nemen,” zei hij op een toon, waaruit
bleek dat hij haar erg onnoozel vond.
Maar hij was ontzaglijk boos op zichzelven, of liever op de geheele
wereld. Dat was nu ook juist iets voor iemand die in het dagelijksch
leven altijd de waarheid sprak! Zich te laten verleiden tot een leugen,
en dan de bewijzen van het tegendeel voor het grijpen laten!
De kwade bui vervolgde hem tot op zijn kantoor.
„Je schijnt niet erg in je humeur te zijn,” zei Droz, die minder haren
dan ooit op zijn hoofd en meer spotlust in zijn wezen toonde.
„Och, zoo!”
„Is het niet goed thuis?”
„Neen. Mijn vrouw blijft sukkelend en de kleine ook.”
„Ja-a-a,” zei de old-bachelor met die langgerekte a, waaruit men
duidelijk de woorden: „wat ben je ook begonnen!” kon verstaan.
Toen Fournier er niet op doorging, omdat hij dergelijke gesprekken met
zijn compagnon liever vermeed, voegde Droz er aan toe:
„Ze was nooit sterk.”
„Neen, dat was ze ook niet.”
„Ik vind dat Europeesche vrouwen niet naar Indië moesten komen. Zelfs
pur sang Europeesche meisjes niet als kind.”
„Ik zou niet weten waarom.”
„Zij zijn op den duur niet bestand tegen het leven hier, mon cher. Je
ondervindt het nu zelf. Ze hebben last van allerlei ondermijnende
kwalen, waarvan de echte Indische meisjes nooit iets afweten.”
„Er is veel van waar, dàt kan ik niet ontkennen,” zei Fournier, en als
nieuwsgierig om te weten wat er meer zou volgen, keek hij van zijn werk
op en over zijn schrijftafel naar Droz, die, over een hoek van zijn
lessenaar geleund, bedaard op een sigaar stond te kauwen, wat zijn
meest geliefde manier van rooken was.
„Heb je er niet over gedacht je vrouw naar Europa te zenden?”
„Eigenlijk niet. We zijn er ook wel nog wat kort voor getrouwd.”
„Jullie, getrouwde lui, bent toch gloeiende egoïsten; jullie doet me in
zulke gevallen altijd denken aan schapenscheerders; zoolang er nog een
greintje wol op zit, moet het er af, en niet vóór ’t beestje heelemaal
kaal is, stuur je het welwillend de wei in.”
„De vergelijking is nogal plat,” zei Fournier geraakt. „Daarenboven is
ze scheef. Men trouwt in de eerste plaats om een aangename samenleving
te hebben en niet om te leven de één hier en de ander in Europa. Maakt
ziekte het onvermijdelijk, dan is er niets aan te doen. Maar
anders....”
„Anders moeten beiden maar saampjes hier blijven in afwachting van dat
onvermijdelijke! Mooi! Ik begin het hoe langer hoe verstandiger van me
te vinden, dat ik ongetrouwd blijf.”
Fournier zei niets. Helaas, hij had zich nu en dan betrapt op
gedachten, welke het hem onmogelijk maakten te antwoorden, dat hij het
hoe langer hoe verstandiger van zich vond getrouwd te zijn.
„Bovendien”—hij gooide het op een anderen boeg—„bovendien, wat zijn er
de gevolgen van?”
„De gevolgen?”
„Zeker. Vooreerst vervreemdt men van elkaar.”
„Dat is niets, dat komt naderhand wel weer terecht.”
„Dan.... welk een leven leidt een man in Indië als zijn vrouw in
Holland is?”
„Zie je wel,” riep Droz lachend, „dat het juist is, zooals ik zeg:
egoïsme, anders niet. Welk leven een vrouw leidt gedurende dien tijd,
doet er niets toe!”
„Ik meende dat daarvan geen sprake behoefde te zijn.”
„Daar denken wij celibatairs nu weer geheel anders over. Wij erkennen
meer rechten van de vrouw dan jullie. Misschien is dat ook een van de
redenen waarom wij ongetrouwd blijven. De practijk van onze theorieën
zou ons te machtig wezen, en wij groeten ze, die ons te machtig zijn.”
Fournier haalde de schouders op.
„’t Zijn maar praatjes voor den vaak. Mijn vrouw heeft een buitengewone
reden om niet naar Europa te gaan. Zij kan niet tegen het klimaat.”
„In Holland niet. Maar het is toch waarachtig niet noodig naar ons
„plekje” te gaan! Er zijn „plekjes” genoeg in Europa, waar het leven
heel wat aangenamer is.”
„En waar ze als dame alleen naar toe zou gaan?”
„Verschrikkelijk, Fournier, wat heb je inheemsch Hollandsche ideeën!
Waarom kan „een dame alleen” niet te Nizza of te Davos gaan wonen? In
welken roofriddertijd denk je dan wel dat we leven? Geloof me: stuur je
vrouw en kind naar Davos. Het is in jullie aller belang.”
„Ik zal er eens over nadenken. Bovendien blijft het de vraag of ze
wil.”
„Eerst niet, natuurlijk. Zij zal beginnen met een heel vertoon van
tegenstribbelen. Maar vervolgens zal ze er over pikiren, en dan doet in
minder dan geen tijd de werkzame verbeelding de rest.”
Toen Fournier met een enkel woord tegen Hortense van ’t plan gewaagde,
werd ze doodsbleek en keek hem zoo star in de oogen, dat hij die tegen
wil en dank neersloeg.
„Is het je ernst, Gérard?”
„Natuurlijk. Het is voor mij wel niet aangenaam, maar als het in het
belang is van jou en de kleine, dan zou ik het me getroosten.”
„In het belang van mij en de kleine!” herhaalde ze bij zichzelve. „Heb
ik me beklaagd, Gérard?”
„Neen.... maar, mijn hemel, verbeeld je dat het zóó ver moest komen.”
„Waarom wil je me dan weg hebben?”
„Maar daar is geen idée van!” riep hij ongeduldig. „Wat haal je je toch
in ’t hoofd?”
„Ik haal me niets in ’t hoofd, Gérard.... niets.... niets hoegenaamd.
Ik vind het.... zóó verschrikkelijk!”
Zij weende.
Gérard loosde een zucht, die uit zijn toonen scheen te komen. Wat was
dat nu voor een dwaas tooneel! Hij meende immers niets dan goeds; hij
beoogde alleen het welzijn van vrouw en kind met opoffering van eigen
loisirs; hij zou haar natuurlijk zeer missen, dat moest ze toch
begrijpen,—en haar eerste vraag was: waarom wil je me weg hebben?
„Het is al heel onverstandig van je ’t zoo op te vatten. Indien ik dat
had geweten, dan zou ik er waarlijk niet over hebben gesproken.”
Zij wischte haar tranen weg.
„Eens en voor altijd, Gérard: zeg zulke dingen nooit weer. Ik ga niet
naar Europa, nu niet en nimmer. Ik zal hier sterven als het mijn lot
is, maar zonder jou ga ik niet heen”
Het roerde hem. ’t Was misschien dom van haar,—neen, ’t was zeker dom,
maar het was toch een machtig bewijs van haar groote liefde.
„Kom,” zei hij vriendelijk, „laat ons er niet verder over spreken. Ik
heb het alleen gezegd in het belang van je gezondheid en van de
ontwikkeling van het kind. Ik meende dat een verblijf in een zacht
Europeesch klimaat het zou versterken en krachtiger zou doen
ontwikkelen. Het zou immers voor mij een even groote opoffering zijn
als voor jou. Maar als daarmee ’t kind te helpen was, dan zou ik het
doen.”
Wederom weende Hortense; zij sloeg haar armen om zijn hals.
„En ik kan niet,” snikte ze. „Er moge gebeuren wat er wil, maar ik kan
niet. ’t Is misschien niet goed van me, Gérard, maar het is niet
anders.”
„Laat ons er niet meer van spreken!”
„Toch wel! Weet je, waaraan ik dacht?”
„Neen!”
„Aan haar.”
Hij kleurde. Och, hij wist zoo goed wie er bedoeld werd, maar een
natuurlijke aandrift noopte hem als ’t ware om juist te doen alsof hij
er niets van snapte.
„Ik begrijp niet wat je bedoelt.”
„Aan mijn ’s vaders weduwe. Er is iets geweest tusschen jou en haar. Ik
heb hier in de stille eenzaamheid gelegenheid gehad om na te denken
over veel wat vroeger mijn aandacht niet zoozeer heeft getrokken. Wat
het is, weet ik niet, maar als ik het een met het ander in verband
breng, dan gevoel ik dat er iets is geweest waarvan ik onkundig ben en
dat ik toch had moeten weten.”
„Dwaasheid! Je hebt je in koortsachtigen toestand wie weet welke
malligheid in ’t hoofd gehaald.”
„Heeft er dan nooit iets bestaan tusschen jou en haar?”
’t Was een pijnlijk oogenblik.
Hij kon niet zeggen wat het was; NU niet meer. De waarheid heeft haar
tijd. Zij kan uitmuntend gezegd worden wanneer ze nog niet verzwegen of
achtergehouden is; maar zoodra dat plaats heeft gehad, wordt ’t
moeilijk haar te bekennen.
Hortense nu alles te vertellen ware een onvergeeflijke dwaasheid; de
heele waarheid immers zou voor haar een beleediging zijn geweest, die
ze nooit had kunnen vergeven.
Hij moest zijn advocatentalent als echtgenoot laten gelden; daarom
glimlachte hij slim en medelijdend.
„Ik merk nu waar de schoen wringt. Je hebt verband gezocht, Hortense,
tusschen de komst van Louise naar Indië en mijn propositie om je naar
Holland te zenden. Is het waar of niet?”
Ze kon niet spreken, maar ze knikte van ja.
„Nu, laat ik je dan zeggen dat het heel leelijk van je is. Geen haar op
mijn hoofd heeft aan zoo iets gedacht en ik meende goed genoeg in je
achting te staan om me gevrijwaard te zien tegen zulke soupçons.”
Ze omhelsde hem met een hartstocht, dien men niet gezocht zou hebben
achter haar verzwakt en anemisch uiterlijk.
De wending, die de zaak had genomen, bevredigde Fournier eigenlijk maar
half.
In gemoede kon hij verklaren dat elke nevengedachte hem vreemd was
geweest toen hij proponeerde om zijn vrouw en kind naar Europa te
expediëeren. Maar nu zijzelve er over had gesproken, en na ’t
voorgevallene met den brief, besefte hij levendig dat er een schijn
tegen hem was, en zijn beroep had hem de volle overtuiging geschonken,
dat in zulke gevallen de schijn erger kan zijn dan het wezen.
Toen hij naar de stad terugging, was hij zeer vriendelijk tegen
Hortense, en terwijl hij de volgende dagen zijn gewone bezigheden
verrichtte, dacht hij er niet meer aan, zijn gezin weg te zenden.
En toch had Droz gelijk gehad!
Na zijn vertrek waren de gedachten van Hortense blijven vertoeven bij
het idée. Dat haar jaloerschheid ongemotiveerd was,—daarvan hield ze
zich ten volle overtuigd.
En overigens hield ze van die stille conversaties met haar spiegel; van
die Lieder ohne Worte, die elke vrouw kent.
Waar was haar blanke teint; waar ’t eenigszins gevulde van haar vormen;
waar het frissche harer lippen; waar de glans harer oogen? Als ze met
een jaar in het zuiden van Frankrijk en in Italië te vertoeven dat
alles eens kon terugkrijgen? Als ze na zoo’n betrekkelijk korten tijd
eens kon wederkeeren als een kloeke, jonge vrouw met zoo’n wolk van een
gezond en flink kind,—hoe zou hij haar dan kunnen liefhebben, om wat ze
hem kon aanbieden!
En Louise was ten slotte toch niet gevaarlijk!
Vooreerst was ze door en door fatsoenlijk, vond Hortense. Ze moest het
wel wezen! Een vrouw die kon leven sans reproche op de wijze als zij
geleefd had met Van Velton,—zie, Hortense vond het bewonderenswaardig.
En dan, zij, Louise, was toch, al had ze een goed figuur en een mooi
gezichtje, eigenlijk niet veel meer dan een nonna, die zeer zeker nooit
een man van smaak als Fournier kon impressionneeren.
De westmoesson was ingevallen: ze „stond door” verzekerden de Indische
lui. Het regende dat het goot en Batavia met Weltevreden incluis was
één reusachtige modderpoel.
Natuurlijk vierde men niettemin het Sinterklaasfeest.
De toko’s, geïllumineerd met vetlampions of met het nieuwe gaslicht,
beleefden weinig genoegen van haar schitterende verlichting; wat niet
uitwoei dat regende uit.
E per se muove kon men zeggen van ’t publiek, zooals Galilei het deed
van de aarde.
Ondanks het ongunstige weer waren er duizenden inlanders op het pad en
honderden Europeanen in dichte rijtuigen.
Er was een boot van Singapore op de reede gekomen. De opgaaf van de
passagiers stond vermeld in de dagbladen, maar één naam ontbrak; ’t was
op speciaal verzoek van de draagster dat die niet op de lijst was
gezet.
Mevrouw Van Velton—Van der Linden was begonnen met in alle stilte haar
intrek te nemen in het Hotel der Nederlanden, ’t Was maar voor één
nacht had ze gezegd; ze wilde haar familie met haar komst verrassen. En
de hotelhouder, die veel van deze familie had gehoord, maar ook wist
dat ze zeer rijk was, had deze laatste eigenschap in het oog gehouden
en gaarne aan het verzoek, om haar verblijf geheim te laten zijn,
voldaan.
Hortense was tant soit peu hersteld van boven gekomen en had haar
woning weer betrokken. Zij zat in de achtergalerij met haar nog altijd
zeer zwak kindje en deed haar best om belang te doen stellen in het
speelgoed, dat zij en Fournier in pracht en overvloed hadden gekocht.
Dan, het kind was te jong om er veel van te beseffen.
Verrast keek Hortense op toen een rijtuig op het erf stilhield. Met
haar kind op den arm ging ze naar voren.
Een dame sprong, vlug als een jong meisje, uit een huurwagen en
omhelsde haar hartelijk.
„Dag Stance, hoe gaat het?”
Mevrouw Fournier was stom van verbazing. Zulk een onverwachte komst!
„Mijn God,” zei ze, „hoe is het mogelijk dat u hier bent gekomen,
zonder dat iemand er van weet?”
„Dat is minder moeilijk, dan je denkt. Laat ons nu maar dadelijk klaren
wijn schenken, Stance. Je moet me nu niet meer „mevrouw” noemen en met
„u” aanspreken. Tutoyeer me en zeg Louise. Ik ben te jong om tegenover
jullie iets anders te kunnen zijn dan een goede vriendin.”
„Met pleizier, maar het is waarlijk een dubbele verrassing.”
„Soedah! je zult nog wel meer verrassingen ondervinden vandaag, hoop
ik.”
„Hoe dan?”
„Ik heb van alles voor jullie meegebracht. Er volgen drie grobaks met
goed. Kan je me logeeren?”
„Natuurlijk.”
„Uitstekend! Dan blijf ik hier. Ik heb met je man veel te bespreken
over de zaken van papa. Wat mij de firma meedeelde is van dien aard,
dat ik niet geloof er genoegen mee te kunnen nemen. Fournier moet me
daarin helpen.”
De karren kwamen; de massa koffers werd afgeladen en ontpakt, en onder
die bezigheid viel Hortense van de eene verrukking in de andere. Zij
had geen jonge vrouw moeten wezen om niet tot in haar for intérieur
getroffen te zijn over al het schoons, dat haar stiefmoeder voor haar
uit Europa meebracht. ’t Was een ware profusie van geschenken, het een
al fraaier en kostbaarder dan het ander. Er was letterlijk van alles;
voor Hortense persoonlijk aan toiletten en sieraden, voor het kind,
voor de huishouding, voor Fournier,—c’était au grand complet!
Zij raakten niet uitgepraat!
De rijsttafel werd vertraagd en kwam ook te laat op ’t kantoor.
In Hortense’s boudoir zaten de twee dames en négligé te praten over al
het aantrekkelijke van de Europeesche leefwijze, zonder aan haar siësta
te denken, totdat zich in de galerij het geluid liet hooren van den
tred eens mans.
Fournier had door een leitje van zijn vrouw vernomen dat Louise
onverwacht was gearriveerd, en vóór den gewonen tijd was hij thuis.
Vlug maakten de dames dat zij er eenigszins presentabel uitzagen; toen
ze Fournier, die in de achtergalerij wachtte, te gemoet traden, en toen
Louise hem met haar vriendelijksten glimlach de hand reikte, voelde hij
als ’t ware geen grond meer onder zijn voeten.
Het leven in huis was sedert den dag, waarop Louise aankwam, zeer
veranderd. Van een stil gezin was het een druk huishouden geworden.
In het eerst sloegen Fournier en Hortense de jonge weduwe met
verwondering gade.
„Ze is zeer veranderd,” zei Hortense op een laten avond, toen ze met
hun drieën wederom waren uitgeweest en zij doodmoe op haar kleine sofa
neerzonk en haar voeten overliet aan de zorgen van haar baboe.
„Ja,” antwoordde Fournier geeuwend, en hij had er haast bijgevoegd:
„jij ook.”
Hij wist niet of het ondanks was of ten gevolge van, maar dàt was
zeker: sedert Louise hen als het ware voorttrok van de eene visite naar
de andere en noopte tot het geven van het eene avondje na het andere,
was het of Hortense opleefde. Ze begon er beter uit te zien. O, het was
haar dikwijls zoo moeilijk zich te kleeden, en ze had zoo graag ’s
morgens nog wat te bed gebleven als het tijd was om op te staan. Maar
’s nachts en in den namiddag sliep ze lekker, zonder dat er van
slapeloosheid of verveling sprake was. Voor het eerste was ze al te moe
en voor het laatste had ze geen tijd.
„Weet je wel,” ging Hortense voort, „hoe ze thuis altijd in sarong en
kabaja liep? Eerst toen ik kwam werd er een beetje uitgegaan, maar vóór
dien tijd kwam ze haast nergens.”
„Het schijnt dat ze in Europa een dubbele dosis levenslust heeft
opgedaan. Ons leven is nu heel anders. Kom je wel toe met het geld?”
Zij lachte.
„Ik houd over.”
„Houd je over? En vroeger kwam je geregeld tekort!”
„O, maar zij is ontzaglijk royaal.”
Geheel tegen zijn aard en beschaafde manieren stoof Fournier op.
„Je laat haar toch de gastvrijheid, die ze bij ons geniet, niet
betalen?”
Verschrikt keek ze hem aan.
„Mijn God, Gérard, wat scheelt je? Ik kan het niet helpen.”
„Wat is dat? Kan je het niet helpen?”
„Neen. Ik wilde eerst niet dat ze me geld zou geven. Doch zij wilde het
en ik ben niet tegen haar opgewassen. Als zij iets wil, dan gebeurt
het; dat was bij ons thuis ook altijd zoo.”
„Hortense,” zei Gérard ernstig, „morgenochtend schrijf je op een stukje
papier hoeveel ze je heeft gegeven. Ik zal dan geld meebrengen van het
kantoor. Ik bezit Goddank genoeg om zulke dingen in mijn huis niet te
veroorloven.”
„Maar Gérard-lief, zij wil het.”
„En ik wil het niet.”
„Ja.... maar dan kom ik ook zeker tekort.”
„Je kunt zooveel van me krijgen als je noodig hebt, maar het geld geef
je haar terug. Ik neem het ernstig kwalijk dat je het hebt aangenomen.”
Hij was inwendig woedend. Geen karakter had toch die vrouw! Foei, hij
had het niet geloofd als een ander het hem had verteld. ’t Was hem
moeilijk den slaap te vatten; terwijl Hortense reeds sliep, zoo rustig
als ’t maar kon, lag hij zich nog steeds te ergeren over het gebeurde.
De slotsom was, dat hij het zijn vrouw half en half vergaf. Wat kon ook
zulk een zwak hoofd tegen een vrouw als zij? Het was te dwaas om te
verlangen dat de een tegen de andere zou zijn opgewassen. Maar ze had
het hem kunnen zeggen, en voorts had Louise moeten bedenken dat hij in
geen geval zóó iets had kunnen toestaan. Als zij er dan voor Hortense
geen beleediging in had gezien, dan had ze moeten begrijpen dat het er
een voor hem was.
Den volgenden ochtend vermeed hij Louise en ging vroeger dan gewoonlijk
naar de stad. Met een portefeuille vol bankbiljetten en een bezwaard
gemoed keerde hij des middags terug. Hij zag er niet tegen op als
advocaat de lastigste perkara’s aan te vatten en de kwaadaardigste
tegenstanders te staan. De groote mond en de hatelijkste aanmerkingen
van sommige collega’s vreesde hij volstrekt niet—’t was iets anders
tegenover haar te staan in zulk een geval.
Hij behoefde niet lang te zoeken naar een geschikte manier om in
conversatie te treden over de lastige zaak; zij stond hem reeds op te
wachten in de voorgalerij.
„Bonjour, schoonzoon, breng je geld voor me mee?”
Hij beet zich van ergernis op de lippen.
„Ja,” zei hij, „het doet me genoegen, dat u het zelf hebt ingezien.”
„Wat?”
„Dat het geen houding had tegenover mij.”
Zij lachte hem uit in zijn gezicht, en haar kleine, witte tandjes
schitterden daarbij als koralen.
„Fournier, wat ben je achteruitgegaan! Mon Dieu, wat een stijf,
ouderwetsch heer ben je geworden! Ik schaam me haast over onze
parentage.”
„’t Is mogelijk, maar het is niet anders,” zei hij, zonder zich iets
aan te trekken van haar spotternij.
„Neen, het is niet anders, al had het anders kunnen zijn.”
„Het is mijn schuld niet.”
Ze zag hem aan met dien vreemden blik, waaraan hij, gelijk hij wist,
moeilijk weerstand kon bieden.
„We dwalen af, Gérard. We moesten spreken over die nare quaestie van
geld, nietwaar? Zeg het asjeblieft ronduit: wil je me weg hebben?”
„Volstrekt niet. Het is een nieuwe beleediging dat van me te denken.”
„Laat maar! Alles wat ik zeg, schijnt je te beleedigen; maar soedah.
Kijk eens, ik ben hier in het huis van.... mijn stiefkinderen.”
Fournier hield het niet langer uit. De maat was vol. Al het verdriet,
dat ze hem had berokkend, scheen zich plotseling om te zetten in
bitterheid, en zóó hevig was het, dat hij voor een oogenblik alles
vergat.
„Het is niet noodig,” zei hij scherp, „mij daaraan te herinneren. Ik
ben uw speelbal geweest en ge moogt u daarover verheugen. Als een echt
bedorven Indisch meisje hebt ge uw grillen tegenover mij den vrijen
teugel gevierd toen ik volkomen onder de betoovering lag van een
schoonheid, waarvan door u schandelijk misbruik werd gemaakt. Het is nu
gedaan en de betoovering is gebroken. Verspil niet nutteloos uw
spitsvondigheden aan iemand, die het zich gelukkig niet langer waardig
acht. Ik heb u liefgehad, zoals ik geloof dat zelden een man een meisje
kan liefhebben. In alles heb ik me door u als aan een touwtje laten
leiden, totdat ik ten slotte, als gebiologeerd, op uw aandringen de
arme Hortense trouwde, zonder dat ik iets anders voor haar gevoelde dan
de achting, die men aan een fatsoenlijk jong meisje schuldig is.”
Louise was bleek geworden. Zij hield zich vast aan het marmeren blad
van de tafel en zag hem verschrikt in het gezicht. Zulk een uitval op
een zoo heftigen toon had ze van hem het allerminst verwacht; hij,
altijd zoo beschaafd en de goede vormen in acht nemend, stond daar nu
voor haar met een brutaal gezicht en slingerde haar allerlei verwijten
voor de voeten. En, wonderlijk toch, ze vond hem veel knapper van
uiterlijk dan ooit te voren. Wat ze altijd had gevonden, was dat het
hem aan iets mannelijks ontbrak; dat had haar getroffen, juist omdat
hij haar overigens zoo na aan het hart lag.
„Mij dunkt,” zei ze zacht, „dat je geen recht hebt om je te beklagen.
Je hebt een gelukkig huwelijksleven; dat is meer dan ik ooit gehad
heb.”
„Ik zal daarop niet antwoorden,” zei hij even brusk als te voren. „Voor
Hortense heb ik veel te veel achting dan dat ik iets zou willen of
kunnen zeggen dat beleedigend voor haar zou zijn. En als je haar wilt
beleedigen door geld te geven voor een gastvrijheid, die ze nooit
gewoon is geweest te laten betalen, dan zal ik haar verdedigen ook
tegenover u.”
Die laatste woorden maakten haar woedend.
„Ei! Wel, je ben een galante ridder, Gérard! Het is waarachtig wel
noodig, dat je die hoedanigheid in herinnering brengt. Ik heb
medelijden met je!”
„En ik kan niet zeggen dat ik zelfs dat heb met u. Hier is het geld
terug, dat je aan Hortense hebt gegeven.”
„Ik wil het niet.”
„Je moet het terugnemen. Denk niet dat ik me door uw driftig verzet
laat intimideeren. Ik heb het u gezegd; dat is voor goed uit.”
„Ik wil niet, Fournier. Neem dat geld van tafel of ik scheur het aan
snippers.”
Hij moest eerlijk erkennen, dat hem eenigszins de schrik om het hart
sloeg. Hij was „man” genoeg om de waarde van het geld te kennen en te
appreciëeren, en hij wist met zekerheid dat Louise van een kracht was
om te doen wat ze zeide.
„’t Is me onverschillig wat u er mee doet. Het is immers uw geld en
niet het mijne. Je kunt er mee doen wat je wilt.”
Met één greep had ze het half uiteengeschoven pakje bankbiljetten
gegrepen: ze trok, scheurde en rukte in een graad van woede, die
Fournier hevig verschrikte en voor een zenuwtoeval deed vreezen.
De fragmenten bankpapier vlogen door de voorgalerij; dat was hem te
veel, hij deed een greep om nog te redden wat er te redden was, en
kreeg met een klein gevuld handje een klap op zijn gezicht, dat hem
duizenden sterretjes voor de oogen dansten.
Hij stond verstomd. Hij zag dat ze de rest van het kostelijke geld in
de grootste opgewondenheid aan snippers scheurde en toen de deur
openrukte om de zijkamer binnen te gaan; daarop hoorde hij een harden
schreeuw en liep ook naar binnen.
Hortense lag doodsbleek op den grond. Bij het vallen had ze haar hoofd
bezeerd aan den uitstekenden poot van een wipstoel en een vrij groote
bloedplek op de fijne Palembangsche mat toonde dat ze zich had verwond.
Louise had van een knaapje een flacon met eau de cologne genomen, en
hield dien der bewustelooze onder den neus, terwijl ze haar slapen er
mee wiesch.
„Ga weg!” beet ze Fournier toe, toen deze dichterbij kwam.
En hij ging; hij sloop weg, als een geslagen hond, met een
centenaarsgewicht op de borst. Wat het nu worden moest, wist hij in het
geheel niet meer, maar dat er verschrikkelijke dingen op til waren,
vreesde hij wel.