Gewillig liet Hortense zich naar haar kamer brengen en op haar bed

leggen door Louise en de baboe. Zij weende in stilte, en Louise, die

voorovergebogen stond aan het bed en wier hoofd ook op het kussen lag,

achter dat van de jonge vrouw, vertelde haar alles. Zij deed het op

zulk een innig lieven toon; er lag in geheel het verhaal zulk een gloed

van echt vrouwelijk gemoedsleven; zulk een levendige herinnering aan

doorgestanen strijd en geleden smart, dat de tranen van Hortense niet

meer vloeiden, en zij, zich omkeerend, het donkere, droevige gezicht

kuste, dat haar een half uur te voren dat van een vleesch geworden

duivelin had toegeschenen.

Het wondje door het vallen teweeggebracht, had niets om het lijf: toen

het afgewasschen en het schrikwekkende „bloed” verdwenen was, bleek het

hoogst onbeduidend te zijn.

Inwendig was de schok vreeselijk geweest. Hortense kwam pas weer wat

bij, en de geweldige ontroering, het groot verdriet, werkte zóó

reageerend op haar nog zwakke gezondheid, dat ze hevige koortsen kreeg.

Louise verpleegde haar trouw en trachtte van tijd tot tijd den indruk

weg te nemen, door den afgeluisterden twist op de jonge vrouw gemaakt.

Maar ’t hielp niet.

Ze was bereid aan Louise te vergeven dat deze tegen haar had

gehuicheld; sterker nog, ze zou het Fournier hebben vergeven, dat hij

haar niet had liefgehad; maar ze vergaf hem niet, dat hij haar had

bedrogen.

Dat was het standpunt, waarop zij zonder nadenken of redeneeren was

geraakt, en niets was in staat het haar te doen verlaten.

Met groote moeite gelukte het Fournier na eenige dagen toegang te

krijgen tot de kamer zijner vrouw.

Toen ze hem zag, werd ze nog bleeker dan ze reeds was en haar lippen

trilden geweldig.

Hij pleitte.

Het was niet waar dat hij haar niet had liefgehad. Zijn genegenheid

voor haar, zei hij, was reëel, maar van een anderen aard. Wat hij voor

Louise had gevoeld, maar nu reeds lang volstrekt niet meer voor haar

gevoelde, was meer een platonische liefde: van haar, Hortense, hield

hij veel als vrouw. Louise Van der Linden had hem gebiologeerd;

Hortense hem bevrediging geschonken.

Hij werkte dit thans uit en raakte er bij op dreef. De klank van zijn

eigen stem en de innige toon, waarop hij sprak, animeerden hem;

vernuftige combinaties en gepaste tegenstellingen volgden elkaar op;

stemmodulaties en fraaie effectvolle zinwendingen kwamen als

vanzelf.—’t Was alles om niet.

Zij hoorde het aan, en toen hij gedaan had met zijn pleitrede, schudde

zij het hoofd met een droevig lachje. Voor een jury zou hij zijn

pleidooi over het dualistisch karakter der liefde hebben gewonnen, zijn

vrouw zei alleen:

„Je hebt me bedrogen, Fournier! Ik geloof je niet.”

Het ergerde hem, vooral omdat hij overtuigd was dat zij de waarheid

sprak. Maar het was ook een miskenning van zijn talent en dat was op

zichzelven reeds onaangenaam! Daarbij: hij meende toch dat er iets waar

was in zijn pleidooi! In het algemeen was het immers waar dat er

sexueele en intellectueele banden bestonden, die scherp van elkaar

gescheiden konden zijn; en als dat waar was in abstracto, dan was het

dat zeker ook in zijn eigen concreet geval.

Het was dom van Hortense dat niet te willen begrijpen en hem altijd

maar te antwoorden met een afwijzend hoofdschudden en een beschuldiging

van bedrog.

Bedrogen! Honderden mannen, dat wist hij, bedriegen metterdaad hun

vrouwen op de schromelijkste manier, zonder dat ze er ooit last van

ondervinden. Wat had hij eigenlijk gedaan? Niets. Hij had nooit

geofferd op andere altaren, dan zijn huisaltaar; al wat hij zich te

verwijten had, was, dat hij in een onbewaakt oogenblik een mooie jonge

vrouw, die met een oud man getrouwd was, in zijn armen genomen en

gekust had.

Het was zóó weinig—’t was voor een man haast om over te blozen, zoo

weinig was het!

En daarvoor werd hij behandeld alsof hij een verrader was. Zelfs zijn

talent als advocaat was buiten staat geweest een verzoening te

bewerken.

„Je hebt me bedrogen!”—ziedaar alles wat hij ten antwoord kreeg.

’t Was idioot!

Hij verliet schouderophalend de kamer en ging ontbijten in de

achtergalerij, waar Louise Van der Linden den huiselijken schepter

zwaaide.

’t Was er keurig en keurig netjes en zijzelve verlevendigde alles met

haar mooie oogen en haar figuurtje om te stelen, dat in sarong en

kabaja nog honderdmaal sierlijker scheen dan in Europeesch toilet.

Hortense was het niet in het hoofd gekomen om iets verdachts te vinden

in het verblijf van haar man en haar jonge stiefmoeder onder één dak,

terwijl zijzelve haar kamer hield.

Fournier mocht haar bedrogen hebben en Louise verkeerd hebben gedaan

met een huwelijk te koppelen, dat beter niet gesloten ware,—fatsoenlijk

waren ze, daar had ze den dood op willen ingaan.

En bovendien, hij had het in zijn boosheid immers zelf gezegd: de

vroegere bekoring was gebroken.

In dat opzicht koesterde zij dus geen de minste vrees, en als zij den

blik had gezien, waarmee Fournier Louise beschouwde toen hij met deze

aan de ontbijttafel zat,—dan nog zou ze aan niets hebben kunnen denken.

Zij wist hoe zuiver de levenswandel van Louise was geweest, toen ze met

haar vader zulk een troosteloos huwelijksleven leidde; zij wist dat

haar man, al den tijd dat ze getrouwd waren, zijn boeken binnenshuis

had bijgehouden, en zij kon en wilde niet aannemen, dat iemand

plotseling anders werd, dan zijn opvoeding, zijn beginselen en zijn

fatsoen hem van der jeugd af hadden gemaakt.

Mistroostig zette hij zich aan tafel. Het was geen leven, vond hij, op

die manier. Hoe hij en Louise na het voorgevallene weer met elkaar aan

het praten waren geraakt alsof er niets gebeurd was, herinnerde hij

zich niet meer; maar het was zoo.

„Hoe is het?” vroeg ze op luchthartigen toon.

Hij maakte een veelbeteekenende beweging met hoofd en schouders.

„Wat zal ik je zeggen!”

„Wil ze nog van geen verzoening weten?”

„Er is geen denken aan.”

„Dat prouveert niet voor je, Gérard.”

Hij lei mes en vork neer en keek haar aan.

„Ik heb alles gedaan wat ik kon.”

„Niet meer?”

Een oogenblik aarzelde hij.

„Zelfs dat.”

„Dan zou ik er mee uitscheiden.”

„En haar met onverschilligheid....”

„Soedah, Gérard, wat ben je onuitstaanbaar traag van begrip vandaag. In

dat opzicht ben je erg achteruitgegaan. Toen je nog jongmensch waart,

vond ik het zoo gezellig dat je iemand was van demi-mots,—tegenwoordig

moet alles letterlijk voor je gespeld worden.”

„Het is mogelijk. Ik heb vandaag ook in dat opzicht geen veine. Spel

het dan maar, asjeblieft.”

„Je moet Hortense niet meer aan het hoofd leuteren over die nare

historie.”

„En dan?”

„Met haar praten over koetjes en kalfjes, net alsof er niets was

gebeurd.”

„Alsof ze zich dat zou laten welgevallen!”

„Natuurlijk zal ze dat. Wat denk je wel te bereiken met al het

vergoelijken van omstandigheden, die nu eenmaal geweest zijn, zooals ze

waren?”

Hij zuchtte diep.

„Voor ’t minst den huiselijken vrede.”

„Die bestaat reeds. Er is hier niemand, die onaangenaam is tegen den

ander. Geloof me, met praatjes bereikt men in zulke omstandigheden

niets bij een vrouw. Integendeel: hoe meer men praat, des te

wantrouwender wordt ze. Doe wat ik je zeg: vergeven doet ze toch,

vergeten toch niet.”

„Het is mogelijk.”

„Het is niet mogelijk, Gérard. Als ik je zoo iets zeg, dan is het zoo;

daar heb jij geen verstand van.”

„Ik deed het in aller belang en tot bevordering van.... aller geluk.”

Zij lachte zoo luid, dat hij er van schrikte, want het moest zelfs tot

Hortense doordringen.

„Geluk! Och, Gérard, ge zijt ook al zoo’n zwaarmoedige Hollander! Je

denkt ook dat het geluk een olifant is, die honderd jaren oud wordt.

Mon cher, het is een vlindertje dat men grijpen moet als men kan....

maar niet te lang vasthouden, anders gaat het beestje dood.”

Fournier zweeg.

Toen het ontbijt was afgeloopen stond hij op, nam zijn brieven en

couranten en ging naar de stad. Zij vergezelde hem tot in de

voorgalerij. Het was, vond hij, precies of ze man en vrouw waren. De

gouden zonnestralen speelden door het dicht gebladerte; de veelkleurige

bloemen en planten op het voorerf zagen er zoo gezellig en vroolijk

uit; het donkere ameublement ontleende zulk een fraai relief aan den

marmeren vloer; de glanzende, zwarte paarden trappelden vroolijk voor

het wachtend rijtuig,—en dan het mooie vrouwtje.... Wel, de betoovering

was zoo groot, dat hij haar goeden dag had willen kussen om de illusie

te volmaken.

„Tot vanmiddag,” zei hij, haar de hand reikend.

„Adieu.”

„Ik zal eens nadenken over de parabool van zooeven.”

Zij lachte weder.

„Doe het maar niet, Gérard. Die groote, nare, sombere gebouwen in de

stad zijn niet geschikt voor zulke gedachten. Bovendien, ik weet ook

niet waartoe het zou dienen.”

Onderzoekend keek hij haar aan.

„Ik wil oprecht met je wezen. Niemand begreep waarom ik naar Indië

terugkeerde, nietwaar?”

„Neen.”

„Nu, het was om jou.”

Het bloed steeg hem naar het hoofd.

„Maak je niet zenuwachtig, Fournier. Als het niet voor goed uit was,

zou ik het je niet gezegd hebben; dat begrijp je toch wel?”

„Maar waarom....?”

„Waarom? Wel je bent me verschrikkelijk tegengevallen. Je vergeeft het

me, hè, maar ik hield je ten onrechte voor een homme d’esprit. O, ik

weet het wel: je bent erg knap—maar dàt is het niet, wat ik bedoel. Ik

hield je voor een zwaluw en ik vind een huismusch. Nog eens: neem me

mijn openhartigheid niet kwalijk, Gérard. Je weet, ik ben nu eenmaal

zoo, en niet anders. Ik zal mijn best doen om Hortense weer gezond voor

je te maken en leeft jullie dan maar saampjes.... Ik durf het niet te

zeggen, omdat ik niet goed weet hoe ik het zeggen moet, maar gelijk de

meeste mannen houdt ge erg van je gemak, en je kunt het ter wereld niet

gemakkelijker hebben dan thuis.”

Hoofdschuddend en zonder een woord te spreken ging hij heen en stapte

zijn wagen in. Hij had veel van haar beleefd, maar dat was wel het

ergste van alles. En wederom toch moest hij ’t voor zichzelven

bekennen: het was waar wat ze gezegd had. Vlug en werkzaam mocht hij in

vele opzichten heeten,—hij was een luiaard in de liefde. Geest en stof

bewandelden in dat opzicht hun weg niet gezamenlijk en in volkomen

harmonie. De eerste was de laatste geregeld een post of wat vóór. Maar

hoe kon zij zijn eigenschappen kennen? Dat zij het deed maakte hem boos

en taquineerde hem tevens. O, als hij zijn vooroordeelen het zwijgen

wilde opleggen, dan zou hij nog wel eens metterdaad kunnen toonen dat

zij ongelijk had gehad, toen ze hem, zoo spottend, gemakzucht verweet!

Louise Van Velton-Van der Linden wist wel wat ze deed. Toen ze hem zag

weggaan, trokken haar mondhoeken snel en herhaaldelijk naar achteren;

ze moest zich goed houden om niet te lachen. Ze bleef in de voorgalerij

staan tot het rijtuig het erf af en den weg op reed. Hij keek om en zij

groette hem met haar zakdoek. Daarna ging ze de kamer van Hortense

binnen.

„Hoe gaat het?” vroeg ze en nam plaats op een vouwstoeltje aan het

voeteneinde van het bed.

„Och, zoo! Ik heb vannacht geen koorts gehad en ik voel me nu ook

tamelijk wel.”

„Dan zou ik eens opstaan en wat op en neer wandelen.”

„Och, waartoe?”

Met opgetrokken wenkbrauwen keek Louise haar aan.

„Mijn God, Hortense, wat zijn jullie toch onuitstaanbare wezens. Neen

maar, je bent als het ware voor elkaar geschapen! Ik zie nu in dat ik

indertijd heel verstandig heb gedaan.”

Hortense gaf op dit laatste geen repliek.

„’t Is in hooge mate humoristisch,” vervolgde Louise, „en ik begin er

aan te wanhopen een einde aan de dramatische positie te maken. Weet je

wat: ga met me mee naar Europa.”

„Ik kan niet tegen het klimaat.”

„Dwaasheid, kind. Het zuiden van Frankrijk is overheerlijk. Laat ons

daar ’n half jaar gaan wonen en ik breng je gezond en sterk weer naar

Batavia terug.”

„Ik zal er eens over denken. Maar.... Fournier?”

„Wel, die moet er zich maar doorslaan gedurende dien tijd.”

„Als hij wil.”

„Hij moet; ’t is in het belang van jullie kind. Dat heeft het hard

noodig. De mail sluit vandaag. Ik zal papa schrijven.”

Fournier had het op den maildag ook drukker met het schrijven van

brieven aan zijn relaties in Holland. Hij kwam laat thuis en vond tot

zijn groote verwondering zijn vrouw in de achtergalerij. Louise gaf hem

een wenk; hij begreep.

„Dag Stance,” zei hij vriendelijk: „komaan, het is gelukkig dat je weer

zoover beter bent.”

„Ja, ik heb geen koorts meer.”

„Je moet je toch niet te veel vermoeien. Beloof je me dat?”

Zij knikte met het hoofd en glimlachte even. Hij gevoelde zich

aanmerkelijk verlicht. De mogelijke gevolgen van het voorgevallene

hadden hem vrij zwaar gedrukt. Als de arme Hortense eens gestorven

was,—hij zou het zich nooit hebben vergeven! Die Louise, die duivelin,

dacht hij, en onwillekeurig keek hij haar even aan. Duivelin? Ja zeker,

maar dan toch in engelengedaante. Zijn ontwikkeld kunstgevoel sprak in

den verholen blik vol bewondering, dien hij op haar wierp en dien zij

zoo goed kende van voorheen.

Zijn verwondering kende geen grenzen toen des avonds aan het dessert

Louise het gaan naar Europa ter sprake bracht.

De teleurstelling was groot.

Dat was dus de reden, waarom Hortense zoo wèl was tegen hem! Zij wilde

van hem weg en de andere ook.

„Och,” zei hij, „als het jullie beider verlangen is, heb ik er

natuurlijk niets tegen.”

„Wel,” zei Louise, „me dunkt, je moest je over het kloek besluit

verheugen.”

„O, ik verheug me ook, dat zie je wel.”

Zij lachte.

„Je wordt ironisch, dat is een goed teeken.”

„Welzeker! ’t zal hier in huis allergezelligst voor me zijn!”

„En onlangs,” merkte Hortense aan, „toen we boven waren, heb je het nog

zelf voorgesteld.”

„Nu, je waart toen ziek....”

„En ’t kind?”

„’t Is waar, wat het kind betreft, bestaan dezelfde redenen nog.

Maar.... als Louise eens ging en het kind meenam.”

„Nooit!” riep Hortense. „Mijn kind blijft bij mij.”

Over ’t gelaat van Louise gleed een glimlach. Ze begreep zoo goed dat

hij er niets van meende en het slechts een kinderachtige wraakneming

was.

„Waarlijk, Gérard,” spotte ze: „je wordt zóó goed! Papa zou zeggen: te

goed voor deze wereld.”

„Hm! Dus dat is zóó bepaald vandaag.”

„Juist. Onder voorwaarde dat de WelEdel-Gestrenge Heer Mr. G. Fournier

welwillend zijn hooge goedkeuring daaraan wil hechten.”

„Er schiet niet veel anders voor me over.”

„Gérard,” zei Hortense ernstig, „zeg het ronduit: als je liever hebt

dat ik niet ga, dan blijf ik.”

Het trof hem en hij zag haar vriendelijk aan.

„Ik vind het heel lief en goed van je, Stance.”

„Kind, kind!” lachte Louise: „wat ben je toch een gansje! Hij moest mij

tot vrouw hebben!”

’t Was een onvoorzichtig woord bij hun onderlinge verhouding. Het deed

Hortense rillen en ook Fournier, maar op een andere manier.

Na het diner ging Hortense naar haar kamer; ze was doodmoe. Niet alleen

dat deze eerste vermoeienis, na haar koortsen, haar aangreep, maar de

agitatie van het gesprek over die reis naar Europa had een groote

reactie ten gevolge, en voor geen schatten zou ze in staat zijn geweest

de oogen langer open te houden. Louise bracht haar naar hare kamer,

waar ze nauwlijks haar hoofd op de kussens had neergelegd, of ze sliep.

In de voorgalerij zat Fournier, toen Louise terugkwam, in een wipstoel

een sigaar te rooken. Zij ging tegenover hem zitten en las de courant.

Zij spraken geen woord. Onwillekeurig keek hij naar haar strak en

zonder één oogenblik de oogen af te wenden. Louise wist het wel, al was

op haar fraai en regelmatig gelaat geen spoor van die wetenschap te

ontdekken. Terwijl hij daar zat, doorliep hij in gedachten hun beider

verleden van het oogenblik dat hij met haar kennis maakte, toen hij nog

in ’s lands dienst was en met den ingenieur Van Brakel en den

cavalerie-officier Van Schermbeek in een commensalenhuis woonde. Hij

herdacht de prettige avonden, die hij had gesleten bij dokter Van der

Linden aan huis; hij zag haar weer als meisje in den tijd toen hij haar

zoo druk het hof maakte. En dan dien avond in den tuin toen hij zich

declareerde, en zij, in een booze, zenuwachtige bui, hem driftig

afwees! Daarna haar zijdelingsche pogingen tot toenadering en zijn

stilzwijgen uit gekrenkt eergevoel; toen zijn overplaatsing naar

Soerabaia, haar huwelijk met „dien” Van Velton, zijn verdriet toen hij

’t vernam, het ontslag door hem genomen op de proposities van Droz, de

nieuwe vreemde verhouding tegenover haar en de hartstochtelijke op

niets uitgeloopen scène tijdens het bal.... Zou er dan nimmer iets

anders bestaan tusschen hem en die vrouw, die op zulk een vreemde

manier als het ware in zijn leven was geweven?

Voor de honderdste maal vergastte hij zijn oogen aan haar schoonheid.

Schijnbaar verdiept in haar couranten-lectuur, glimlachte zij even. Ze

wist waaraan hij dacht; zij kende hem zoo goed, dat ze als het ware

zijn gedachtenloop volgen kon. En toen hij, meegesleept door zijn

gedachten, den altijd sluimerenden hartstocht in stilte had

aangewakkerd tot die uit elk zijner trekken sprak, toen hief ze, als

onder een magnetischen invloed, onwillekeurig het hoofd op, schudde het

donkere, krullende haar met een alleraardigste beweging van ’t mooie

kopje naar achteren en zag hem met haar schitterende zwarte oogen aan.

Het was hem of hij de aarde voelde draaien!

„Weet je wat ik ga doen?” vroeg ze schalks.

„Neen,” zei hij haast onhoorbaar.

„Ik ga slapen. Bonsoir!”

Zij reikte hem de hand: het welgevormde kleine handje, dat hij met

drift aangreep; zijn vingers beefden; de hare waren zoo kalm en rustig!

En toen hij die te lang vasthield, gaf zij hem met de vrije hand een

tik, trok zich los en liep door de achtergalerij naar hare kamer. Maar

nog even keek ze om.

Hij was geheel onder den invloed. Eenige minuten liep hij in de

voorgalerij op en neer; leunde een oogenblik tegen een pilaar; keek

naar de heldere, met groote sterren bezaaide lucht, en sloop toen als

een dief zijn eigen huis binnen.

Voor de deur harer kamer stond hij stil en luisterde. Ze was nog

wakker, dat hoorde hij wel.

Zacht klopte hij op de deur.

„Apa?” klonk het aan den anderen kant.

„Ik ben het.”

„Wat wil je?”

„Doe open, Louise. Laat me even in je kamer komen, ja?”

„En dan?”

„Ik wou je spreken over.... den vlinder....”

Hij hoorde haar lachen.

„Mon cher.... het gaat niet.... Vooreerst is de bekoring verbroken, en

dan.... het beestje is al dood.”

„Dat kan niet, Louise. Wees niet zoo wreed; ’t is een leugen.”

„’t Is heusch waar, Gérard: dood en begraven. Ga nu gauw slapen en

droom prettig. Wel te rusten!”

Hij ging naar achteren en dronk een glas ijswater. Een kwartier later,

toen hij genoegzaam bedaard was, liet hij ’t huis sluiten en de lichten

uit doen door een bediende, en trad zijn slaapkamer binnen. Hortense

sliep; ze haalde zwaar adem en snorkte zelfs een weinig; ’t was

onuitstaanbaar, vond hij.

Louise had een zenuwachtige lachbui toen het voorbij was; een lachbui,

waarbij haar meer tranen in de oogen kwamen, dan men gewoonlijk door ’t

lachen laat vloeien. Toen het over was, zuchtte ze diep.

Ze wist nu zeker dat het voor de laatste maal was geweest, en hoezeer

haar dat geruststelde,—gelukkig gevoelde zij zich niet.

Nooit had ze hem vergeven dat hij er in had toegestemd Hortense te

trouwen. Ze had zich nu dubbel en dwars gewroken.

Maar toch dacht ze toen ze zich ter ruste lei: „’t Is gelukkig dat we

aan den vasten wal zijn en niet aan boord van zoo’n fataal schip!”

L. Van Velton-Van der Linden · 第 13 / 13 段