maar dat wordt getemperd door den aard van het volk. Brussel heeft iets
huiselijks, en daar houden wij Hollanders van, ook al zijn we lang in
Indië geweest.”
„Mij is het goed.”
„Erg prettig schijn je het idée niet te vinden.”
„Toch wel. Al ware het alleen om verlost te wezen van onze nare
familie.”
Terwijl zij in Holland deze plannen maakten, zat Van Velton op zijn
kantoor aan de kali-besar te Batavia.
Het was Zondag-ochtend.
In geen jaren was het gebeurd dat hij des Zondags werkte, maar dien
ochtend was het geweest alsof hij werd gejaagd naar zijn kantoor.
Loopende zaken deed hij niet. Één voor één opende hij de kastjes van
zijn lessenaar, haalde er den inhoud uit, keek dien door en scheurde de
grootste helft der brieven en nota’s aan snippers. Na deze soort van
auto-da-fé ging hij weer huiswaarts en deed daar hetzelfde in zijn
kantoor.
Hij was zenuwachtig en gejaagd.
Een hoogst onaangenaam gevoel had zich reeds den geheelen nacht van hem
meestergemaakt. Nu en dan had hij geslapen, maar telkens was hij weer
wakker geworden en gevoelde zich diep ellendig. Hij ging op zijn bed
liggen, sluimerde in, doch werd na een paar minuten weer wakker met
snijdende pijn in de ingewanden.
De kleur van zijn huid was vaal; zijn oogen en zijn geheele lichaam
schenen ingezonken. Toen de dokter kwam en hem aanzag, bespeurde hij in
een oogwenk wat het was. Dadelijk werden er geneesmiddelen gehaald en
was voorloopig aangewend wat dienstig wezen kon.
Ook zond de dokter om Fournier en Hortense, die hun vrees overwonnen en
kwamen.
Van Velton was zich, ondanks de ondraaglijke pijnen en het hevig
verloop der ziekte, volkomen bewust van zijn toestand. Hij verbood
uitdrukkelijk zijn dochter of zijn schoonzoon toe te laten.
Tusschen duim en wijsvinger der rechterhand nam hij de bovenhuid van
zijn linkerhand, kneep die zacht in een plooi en liet toen los. De
plooi bleef staan; alle veerkracht scheen uit de huid verdwenen.
Hij keek den dokter ernstig aan.
„Het is uit, nietwaar?”
„Men kan niet weten.”
„Maak mij niets wijs; het is gedaan.”
In de voorgalerij zat Hortense bitter te weenen. Fournier liep in
zenuwachtige onrust heen en weer; de bedienden slopen rond met
verschrikte gezichten. Niets stoorde de doodelijke stilte in het groote
huis dan nu en dan Hortense’s gesmoord snikken.
De portière voor de binnendeur was dichtgeschoven; ze werd zacht
geopend.
„Meneer Fournier, wil u even hier komen, asjeblieft?”
„Wel?” vroeg de advocaat zeer bleek en ontsteld.
„Hij is dood. Ik condoleer u.”
Fournier boog het hoofd. Het was toch vreeselijk! Dat is de dood op
zoo’n wijze altijd.
Het was voor Louise Van Velton niet noodig lang te tobben over de vraag
of ze al dan niet te Brussel zou gaan wonen. De dokter had het terecht
gezegd: zij hadden tijd en geld; dat was het voornaamste. Het speet de
familie zeer, volgens haar zeggen, en dokter Van der Linden werd
aangezocht, wel niet rechtstreeks, maar toch erg duidelijk zijdelings,
om een afscheidspartij te geven; licht dat men er dat nog van had!
Het was er zeer geanimeerd. Louise was in haar humeur; ’t vooruitzicht
van weg te gaan uit Holland streelde haar.
Te midden van het fijn soupeetje, dat dokter Van der Linden ’s morgens
met een glimlach tegen Louise had doen zeggen dat het ’t galgenmaal was
zijner familieleden, werd hard gescheld, en een oogenblik later kwam er
een telegram van een Amsterdamsch handelshuis aan den dokter.
„Volgens telegrammen uit Indië is heer Van Velton eergisteren
plotseling overleden. Firma verzocht u te seinen.”
De oude heer verbleekte en zag zwijgend in het rond. Natuurlijk waren
aller oogen op hem gevestigd. Zoo’n telegram was een évènement.
„Wat is het?” vroeg Louise.
Hij bedacht zich een oogenblik.
„Niets. ’t Heeft niets te beduiden,” zei hij geruststellend, en vouwde
langzaam het telegram dicht, waarna hij het in den zak stak.
Toen ’s avonds laat de gasten naar huis waren, vroeg Louise, die wel
gezien had dat er iets niet in den haak was:
„Vertel me eens pa, wat stond er in het telegram?”
„Hm! Als Van Velton iets overkwam, zou je het je dan erg aantrekken?”
„Iets overkwam? Wat kan hem overkomen?”
„Wel, drommels, hij is geen buitengewoon schepsel, en staat ook bloot
aan allerlei; aan ziekte.... enzoovoort.”
„Ziekte....” Een oogenblik keek ze weifelend en in afwachting van wat
er volgen zou, rond.
„Is hij dood?”
„Ja.”
„Goddank!”
De dokter fronste de wenkbrauwen. Hij was nog eenigszins een man van
vormen en vond dat Louise, al meende zij het zoo, het niet zóó had
moeten zeggen. Het was hem te kras.
„Foei,” zei hij streng. „Je moest je schamen.”
„Waarover?”
„Je moest begrijpen, dat je een verlies lijdt. Al hieldt ge niet van
Van Velton,—hij was toch je wettige man....”
„Tot mijn leedwezen a peu près?”
„Hè?”
„Hij keek nooit om naar ’t kind; hij haatte het. Wat beduidt zoo’n
vader?”
„Veel. Een vader beduidt altijd veel, omdat hij de natuurlijke
beschermer is zijner kinderen en hun een positie geeft in de
maatschappij.”
Zij barstte in een zenuwachtig lachen los, dat lang aanhield en den
dokter eenigszins ongerust maakte.
Daarna richtte ze zich fier op en nog met tranen van het lachen in de
groote zwarte oogen, zei ze op haar stelligsten toon:
„Een vader kan veel zijn voor een kind, maar ook letterlijk niets, en
zelfs minder. Ik lach wat om die „natuurlijke bescherming.” In dat
opzicht kan geen vader een moeder evenaren als zij de vrije hand heeft.
Een vrouw laat alles na om haar kind en offert er alles voor op. Het
scheelt een man wat of hij kinderen heeft of niet! O, ik zeg dat niet
voor hen die moeten zwoegen en werken voor hun huisgezin, maar daarvan
is geen quaestie bij ons. Ik heb zelf geld en ik zou mijn kind
opvoeding en positie beiden kunnen geven, ook al had het geen duit van
vaders zijde.”
„Niet waar, Louise; ’t is niet waar! Doch ik wil er niet verder over
twisten. Ik ben ook blij dat ge van dien hatelijken band ontslagen
zijt; maar voor de wereld moeten we het decorum bewaren. Ik zal een
advertentie opmaken.”
„Waarschijnlijk met: „mijn geliefde echtgenoot” er in, en mijn kind,
„dat te jong is om zijn verlies te beseffen.... Ik waarschuw u, papa,
doe het niet.”
„Wieslief, het behoort zoo. Wees nu eens kalm en verstandig.”
„Ik wil zoo verstandig niet wezen, pa. Als u het durft te doen, dan
plaats ik een contra-annonce.”
„Dus zou je schandaal maken?”
„Neen, dat zoudt u met zoo’n gemeen huichelachtig ding. Ik moet er niet
van hooren, pa. Wilt u ook misschien een zwarten band om uw hoed gaan
dragen? Zullen we niet rouwen, pa? Zullen we niet voor kleinen njo ’n
zwart pakje laten komen en dan met ons drieën gaan paradeeren langs den
weg als de treurende familie, die asjeblieft de aandacht vraagt van het
publiek voor haar uitgemonsterde smart? Zullen we niet....”
„Louise, maak je toch niet zoo verschrikkelijk zenuwachtig.”
„Ha, ha! Ik ben vrij, paatje, hoe heerlijk. Ik had er nooit aan
gedacht, dat hij zou gestorven zijn. Het is maar goed ook dat ik in
Indië er nooit aan heb gedacht.”
Haar vader liet haar alleen. Er was niets aan te doen; ’t was niet
mogelijk haar tot kalmte te krijgen.
„Naar Indië, naar Indië!”
’t Was het eerste denkbeeld, dat haar als ’t ware betooverd hield.
Zij stond midden in haar kamer toen haar vader wegging om den storm te
laten bedaren.
Vrij! Een slavenketen kon niet met grooter zielsgenoegen worden
afgeschud.
Onbeweeglijk bleef ze staan als altijd, wanneer haar veel gedachten
door het hoofd kruisten; naarmate haar geest werkzamer was, scheen haar
lichaam meer onder een biologeerenden invloed te komen.
Welk een plotselinge verandering! Die man, Van Velton, aan wien ze nog
’s morgens niet zonder haat en afschuw kon denken, maar aan wien ze
zich door een geweldigen, onverbreekbaren band voelde verbonden, was nu
weg; verdwenen.... voor goed.... voor altijd!
En onmiddellijk naast dat gevoel van vrijheid daagde een ander op van
diepe ellende. Het was de gedachte aan Fournier, nu gehuwd mèt
Hortense.
Gehuwd, door haar drijven!
Verloren, door haar eigen schuld!
Wild streek ze met haar fraai gevormd bruine handje de krullende haren
weg, die naast en op haar voorhoofd dartelden.
Ze zou teruggaan naar Batavia, als haar vader wilde, met hem,—zoo niet,
dan zonder hem. Maar teruggaan zou ze. Hortense kon immers ook sterven!
Wie weet!
Dokter Van der Linden was kalm naar zijn kamer gegaan en had daar een
tien minuten zitten pikiren. Toen had een glimlach ’t eureka! geteekend
op zijn gezicht. Hij nam twee velletjes papier en schreef op het een:
„Overleden te Batavia de heer J. F. C. Van Velton.
Eenige en algemeene kennisgeving.”
En op het andere:
„Tot mijn diepe droefheid ontving ik uit Batavia de treurige
tijding, dat mijn hartelijk geliefde echtgenoot, de heer J. F. C.
Van Velton, na een kortstondig, doch hevig lijden, is overleden.
Allen, die den overledene hebben gekend, zullen beseffen wat door
mij en de kinderen aan hem wordt verloren.
Mevr. de Wed. L. VAN VELTON,
V. d. LINDEN.”
Met deze twee aankondigingen ging de dokter den volgenden ochtend naar
het huis van een der mede-eigenaren van het plaatselijk nieuwsblad, en
na gemeen overleg bleek de typographische en expeditieve mogelijkheid
om de eerste annonce op te nemen in één enkel nommer der oplage van
dien dag, welk exemplaar dan zou gezonden worden aan de weduwe; in de
overige oplaag zou de tweede advertentie worden geplaatst.
’s Avonds, na het eten, werd de courant gebracht. De slimme trek
verscheen weer op ’t gezicht van den dokter, maar week daarvan toen hij
de geweldige verandering zag op Louise’s gelaat, toen ze de courant had
ingezien.
Was het nu nog niet goed?
Doch ten spijt van ’s dokters berekeningen omtrent de typographische en
expeditieve mogelijkheid, had een domme rondbrenger ’t verkeerde
exemplaar afgegeven.
Dokter Van der Linden begreep dat wel niet direct, maar hij durfde toch
niets vragen.
Zonder een woord te spreken stond zij op en ging naar haar kamer. Toen
keek hij ’t blad in en stond verstomd. Een kleur van woede en ergernis
kwam op zijn gezicht; hij greep zijn hoed en liep de straat op.
Onderweg ontmoette hij een „bloedverwant.”
„Ik ging juist naar u toe om u te condoleeren.”
„Zoo; ik heb geen tijd.”
„Tevens wilde ik u zeggen dat ik de annonce....”
„Nu?”
„Ziet u, wij zijn hier in Holland niet gewoon zulke advertenties te
plaatsen, wanneer het iemand betreft, die ons zoo na bestaat.”
„Ah zoo.... Hebt u de courant bij u?”
„Neen, hoe zoo?”
„Ligt die bij u thuis; kan ik ze krijgen?”
„Welzeker, maar....”
„Och, doe me een genoegen en laat ons geen tijd verliezen, geef me uw
courant.”
„Met pleizier.”
Een kwartier later was de dokter weer thuis; hij tikte aan de kamer van
Louise, die open deed.
„Kom,” zei hij vroolijk, „’t was maar gekheid, Wies. Ik heb je wat
willen plagen, maar je bent tegenwoordig zoo akelig serieus. Hier heb
je de ware advertentie. Kijk die eens in!”
Ze glimlachte.
„Je bent een echte plaaggeest, pa. Maar in dit geval was het toch te
erg. Weet je wat, we moesten maar weer naar Batavia gaan.”
„Naar Indië!.... Ik in der eeuwigheid niet, hoor. Ik begin hier pas ’n
beetje te gewennen.”
„Dus wilt u in Europa blijven?”
„Natuurlijk.”
„Soedah! Maar ik ga terug.”
’t Was een slag voor hem. Wat was dat nu weer voor een mal idée. Wat in
’s hemels naam moest ze in Indië doen?
„Louise,” zei hij ernstig, „laat ons er nu nog niet zoo gedecideerd
over spreken. Onze koffers staan gepakt voor Brussel, waar ik reeds
alles heb besteld. Als we nu eerst dáárheen gaan, dan zijn we hier uit
den rommel en kunnen op ons gemak bespreken al wat we verder zullen
doen en laten.”
Zij haalde de schouders op.
„’t Is mij wel, pa. Een maand vroeger of later is voor mij de quaestie
niet; maar we gaan naar Indië, dat verzeker ik u.”
Mistroostig ging hij heen. ’t Was waar dat Europa hem nu juist niet
meeviel; ’t was er vaak kil en ongezellig. Toch had hij er zoo zijn
„draai” gekregen.
De kleeding, het eten, de levenswijze, de talrijke openbare
vermakelijkheden,—dat alles was niet zonder invloed op hem gebleven;
hij begon zich in de Europeesche Schwung langzamerhand weer thuis te
gevoelen.
En Brussel vooral trok hem aan; die lieve stad voor menschen van elken
leeftijd, maar bovenal voor bejaarde heeren, die op geen pièce de vingt
francs behoeven te zien!
Neen, het was ronduit gezegd absurde nu weer naar het warme Oosten
terug te keeren, en wat er ook mocht gebeuren, zooveel was wel zeker,
dat hij nooit weer daartoe komen zou.
Het was Van der Linden voorloopig alleen te doen om uitstel van
executie. Twee dingen stonden bij hem vast: naar Indië kon noch wilde
hij teruggaan, en van zijn kleinzoon wilde noch kon hij scheiden.
Met geweld viel tegen Louise niets te doen; een scène hielp niet en
viel bovendien maar zelden in zijn voordeel uit.
Tijd winnen—dat was alles!
„Paatje,” zei Louise in den sneltrein van Antwerpen, „hoelang zullen
wij te Brussel blijven?”
„Wel....een maand of zoo.”
„Hoelang is: of zoo?”
„Dat hangt er immers van af in hoever het ons bevalt.”
„Ik wilde u alleen maar zeggen, dat ik vóór den West-moesson te Batavia
wensch te zijn. U kunt het overigens inrichten zooals u wilt.”
Haar vader drukte de lippen opéén en keek mismoedig uit het
portierraampje naar de dwergachtige pereboompjes, die den spoorweg
omzoomden. Was ze maar arm! Hij had zijn drie ton solide belegd, en hij
verteerde toch persoonlijk de rente niet van dat geld. Waaraan zou hij
het uitgeven? Konden ze daar niet ruimschoots van leven? Wat zou het
heerlijk zijn geweest, dacht hij, als ze finantiëel van hem afhankelijk
was geweest en hij de man was, die de opvoeding van het kind mocht
bekostigen.
Hij zou haar dan die aardigheden wel hebben afgeleerd, al was ze nog
zoo lastig van humeur.
Maar wat kon hij tegen de rijke weduwe, die naast hem zat en wel
tweemaal zooveel fortuin bezat als hij?
’t Was niet netjes, dat voelde hij, maar toch had hij iets willen geven
als die firma van Van Velton eens onverwacht over den kop was gegaan.
„Waaraan denkt u?” vroeg ze.
„Aan jou, Louise. Ik wou dat je arm waart.”
„Heel vriendelijk.”
„Ik heb genoeg voor ons en voor ’t kind.”
„Geld is een goed ding, paatje. Wij hebben nu meer dan genoeg, ’t Is
zoo gemakkelijk.”
„Ja, voor mij is dat al heel aangenaam! Ik kan op mijn leeftijd niet
meer naar Indië gaan, en jij wilt me het verdriet aandoen om me alleen
achter te laten.”
„Is het u ernst, pa? Blijft u betoel in Europa?”
Hij maakte een gebaar met hoofd en handen zóó duidelijk en zóó
wanhopig, dat het Louise een glimlach afdwong.
„Nu, dan zult u niet alleen achterblijven.”
Vol blijde verrassing zag hij haar aan.
„Neen, als u denkt dat ik blijf, dan hebt u het mis. Ik laat u....
kleinen njo, en.... ik ga alleen naar Indië terug.”
Zij zag dat hem deze nieuwe wending pijnlijk aandeed.
„Ik begrijp je niet,” zei hij aarzelend.
„Dat is ook niet noodig, pa. Ik heb mijn plan. Ik kan het uitvoeren als
u ook meegaat, maar als ik alleen met het kind ga, dan wordt het me
zeer moeilijk.”
„Wies, Wies, kan je het kind verlaten?”
Zij zag hem aan met een kouden, donkeren blik.
„Het kind laat ik bij zijn grootpa achter, die het liefheeft en er voor
zal zorgen. Ik zou mijn kind niet achterlaten bij een slecht wijf, dat
er van maakte wat ze er alleen van maken kon: een zoo bedorven schepsel
als ze zelve was.”
Onder het verwijt boog hij het hoofd.
„Het was bij haar moeder.”
Driftig haalde Louise de schouders op.
„Zooals mijn hond de moeder is van haar jongen, en.... minder zelfs.”
Dat ze heenging als ze hem ’t kind achterliet, was voor den dokter nu
zoo’n groot verdriet niet. Het zou hem ontheffen van de plak, waaronder
hij zoo geducht zat, zóó dat hij nooit van „la reine, ma fille” iets
gedaan kon krijgen, zooals hij het wilde, of het moest door list en
foppage geschieden.
Doch hij vreesde voor dat plan!
Bij haar aard en wijze van handelen vreesde hij dat ze allicht tot
daden kon komen, die hem minder geschikt schenen en het ergste deden
verwachten.
Intusschen viel er niets aan te veranderen.
Het eenige wat hem nog overbleef, was de hoop dat Brussel haar zou
binden. Hij nam zich voor zijn best te doen, veel met haar uit te gaan
en kennissen te maken. Zij zou een drom van aanbidders hebben, dat
mooie, rijke, oostersche weeuwtje. En hij zou aanmoedigen. Wie weet
welke sinistere dingen ze van plan was in Indië uit te voeren. Kon ze
te Brussel een behoorlijk huwelijk doen, dan was het des te beter.
Maar de tijd verstreek.
Ze leefden prachtig; ze hadden kennissen onder den besten stand; Louise
had minstens tien pikols oude en jonge harten veroverd; ze kwamen
overal en gingen veel uit.
Dokter Van der Linden vond het heerlijk. Nog nergens had hij zich zóó
thuis gevoeld. Hij dacht niet meer aan dat gaan naar Indië, en met
vreugde bespeurde hij dat zijn dochter daaraan ook niet meer dacht,
althans er niet verder van sprak.
Maar op een goeden ochtend vroeg ze geheel onverwacht: „Hebt u al
passage voor me genomen?”
Kort na den dood van haar vader was Hortense bevallen van een meisje.
Het was geen bijzonder groote vreugde, want zij had gerekend op een
jongen en gaf onverholen haar spijt er over te kennen. Fournier, die in
stilte denzelfden wensch had gekoesterd, bezwoer hardop dat ’t hem
volkomen hetzelfde was. Maar dat alles ware niets geweest als het een
mooi en gezond kind geweest was en niet zulk een chétif en ziekelijk
wormpje met zoo’n oudachtig gezichtje; daarbij kwam dat het niet alleen
den zeer geprononceerden neus had der Van Velton’s, maar zelfs sprekend
op wijlen Van Velton geleek.
De indruk, zoowel op Hortense als op Fournier, was die van dankbaar,
maar onvoldaan.
Zeer langzaam herstelde Hortense.
Niet dat ze het zoo zwaar had gehad, maar zij was inwendig van zwakke
constitutie. Zij leed aan bloedarmoede en toen ze beantwoord had aan de
natuurlijke bestemming der vrouw, bleek dat haar weerstandsvermogen
gering was en haar gestel uiterst langzaam werkte.
Toen ze heelemaal beter was, bleef ze erg zwak. Om haar bij krachten te
doen komen, huurde Fournier een optrekje, dat een uur of wat van
Batavia was gelegen, vrij hoog en nogal moeilijk bereikbaar, maar
frisch en lekker.
Zij ging er heen met haar kindje, en hij kwam twee-, driemalen in de
week naar haar toe, somtijds te paard.
Hij was er, wat zijn physiek betreft, op vooruitgegaan. Vroeger een
beetje bleek en zonder eenig merkbaar idéetje van vetvorming, had hij
nu een gezonde tint en was hij gezetter geworden, wat hem verheugde, in
zoover het op de cliënteele meer een indruk maakte van soliditeit.
De mail uit Holland bracht hem op ’t kantoor een brief voor zijn vrouw.
Toen hij zag dat het de hand van Louise Van Velton was, kleurde hij. ’t
Was geen gewoonte tusschen hen elkaars brieven open te maken. Voor
zulke onhebbelijkheden waren ze te wèl opgevoed. Doch ditmaal was de
verzoeking sterk.
Sedert den dood van Van Velton had ze nog niet geschreven. Wat zou er
in dien brief staan?
Hij stak hem in den zak, maar den geheelen dag was het alsof hij hem
voelde zitten.
Thuis bezweek hij en scheurde het couvert open.
„Lieve Hortense!
„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij
hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier
in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag.
Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook
doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.
„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten
minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het
Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families.
De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn
meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen
en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping; il va
sans dire, dat de over jou hart regeerende vorst op dezen regel een
uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet
ik zeker dat je boos zoudt wezen.
„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet,
maar ik ga ditmaal niet met een Hollandsche. De Indische lui in
Holland kijken je gek aan wanneer je, als menschen van stand, zegt,
dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.
„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op de Nederland,
maar ik ga niettemin met de Messageries.
„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een
goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik
ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.
„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn
geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in
mijn boekje genoteerd.
„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees
omhelsd van
je
Louise.”
Geen groet aan hem! Met geen woord was in dien luchthartigen,
opgewekten brief van hem sprake. Ja, toch; op schamperen toon werd als
het ware een loopje genomen met zijn uiterlijk. Overigens werd hij
precies genegeerd als wijlen Van Velton.
Een onaangename trek kwam op zijn gezicht.
„Egoïste,” dacht hij.
Fournier besloot om den brief niet aan zijn vrouw te geven. Hij vond
het niet noodig dat Hortense zulke dwaze brieven las: hijzelf las het
epistel wel driemaal over, telkens heel verontwaardigd en bedenkelijk
het hoofd schuddend, maar inwendig genoot hij, al wilde hij het
zichzelven niet bekennen. Uit het alles en niets dat in dien brief te
lezen stond, sprak het je ne sais quoi tot hem, dat van Louise Van der
Linden uitging en hem altijd zoo ontzaglijk had aangetrokken.
Het was zijn gewone dag om naar buiten te gaan.
In de verte zag hij Hortense reeds staan, die hem in de kleine galerij
van het optrekje afwachtte.
Hij kuste haar en vroeg:
„Hoe gaat het?”
„Och, niet best Gérard. Ik heb zoo’n hoofdpijn en zoo’n pijn in den
rug; ik voel me altijd zoo verschrikkelijk moe.”
„Hoe is het met den eetlust?”
„Ik heb nergens trek in.”
„En hoe maakt het ons baby-tje?”
„Kasian, ze heeft het weer zoo hard gehad! Ze heeft koorts gehad
gisteren. Ik heb haar ingewreven met quinine. Ze ziet er slecht uit.”
De baboe kwam met het kind, dat nog magerder en bleeker was dan
gewoonlijk. Hij kuste het herhaaldelijk en zuchtte.
Het was om ontmoedigd te worden. Altijd was het wat; ’t was pijn hier
en pijn daar; afmatting en zwakte; koorts en quinine. Wel, hij
beklaagde Hortense van harte en hij had medelijden met ’t arme schaap.
Ze konden er niets aan doen en het was haar schuld niet meer dan de
zijne.
Maar dat eeuwige sukkelen begon hem verschrikkelijk zwaar te drukken en
maakte hem down.
Als meisje was ze nog wat geweest,—als vrouw had ze het afgelegd, en,
na korten strijd er, waarschijnlijk voor altijd, gezondheid en krachten
bij ingeboet. Wanneer hij dat alles overdacht en daarbij naging, hoewel
’t hem ging naar den vleeze, dan schaamde hij zich, want ’t kwam hem
voor dat hij een roofdier was en dat zijn leven haar leven had
opgegeten.
Hoezeer hem dat noopte tot geduld en vriendelijkheid,—aangenaam vond
hij den toestand niet, en wat hem ’t meest hinderde was de geringe kans
op verbetering.
Onwillekeurig drong zich een vergelijking aan hem op. Hij zag de
heldere oogen van Louise, die zwarte kijkers, welker donkere kleur
blauw reflecteerden in ’t wit, en daarnaast het fletse grijs van
Hortense’s oogen; hij herinnerde zich de ronde, krachtige vormen van de
eene en stelde die naast de schrale, hoekige figuur van de andere; de
frissche roode lippen naast den bleeken mond; de levendige, opwekkende
geest naast het zachtzinnige, maar lijdende wezen zijner vrouw.
Zoo’n avondje met haar in het kleine huisje woog hem zwaar. Hortense
noch het kind konden iets verdragen. Geen luid gesprek, geen harde
schreden; het was fluisteren en sluipen; ’t was onuitstaanbaar!
En te negen uren naar bed!
„Het is vreemd dat we niets hooren van papa’s weduwe.”
Hij keek haar verrast aan. Was het toeval?
„Ja,” zei hij: „ze schrijft niet druk.”
„Het is onbegrijpelijk!”
„Heb jij haar geschreven?”
„Ja, maar dáárop kan ik nog geen antwoord hebben; ’t is nauwelijks zes
weken geleden.”
Hij ontkleedde zich en ging slapen.
Des morgens vroeg, toen hij wakker werd, zat Hortense met een bleek,
strak en ernstig gezicht voor zijn bed. Zij las den brief van Louise,
dien hij in verstrooidheid weder in zijn jaszak had gestoken; Hortense,
die zeer zindelijk was, had ’s morgens vroeg de jas van het schutsel
genomen om haar te laten afborstelen, en.... had den brief gevonden.
Het was een gek geval en Fournier wist niet recht welk mal figuur hij
maakte.
„Wat beteekent dat, Gérard?”