de magen der passagiers weer tot kalmte waren gekomen, had mevrouw Van
Stralen een apartje met dokter Van der Linden. Zij had haar man, den
kolonel, gezegd, dat ze den dokter wilde wijzen op het gevaar, dat
Louise liep.
„Welk gevaar?” vroeg hij verwonderd.
„Zie je dan niet dat luitenant Van Hoven mevrouw Van Velton op een
haast ongepaste manier het hof maakt?”
„Nou ja!”
„En zie je niet dat ze hem aanmoedigt; dat ze er behagen in schept?”
„Hoor eens, je ziet overal gevaren. Ik vind dat je overdrijft.”
„Dat doe ik niet. Ik wil den ouden heer waarschuwen.”
„Ga je gang. Als je er mij maar buiten laat.”
„Integendeel. Ik wou het hier doen in onze hut en in jouw bijzijn.”
„Dankje feestelijk, hoor! Ontvang jij dien dokter maar alleen; daar
steekt niets in.”
De kolonel was niet te bewegen om ’t gesprek bij te wonen. Vooreerst
vond hij het ongemotiveerd, en ten tweede was hij van oordeel dat de
dokter, wanneer mevrouw Van Stralen hem zoo iets zei, waar hij,
kolonel, bij was, ook verplicht zou zijn om hem, kolonel, uit te dagen.
Toen de dokter zijn partijtje had geschaakt met den commandant, vroeg
mevrouw Van Stralen hem even mee te gaan naar haar hut. Hij volgde
zonder buitengewone nieuwsgierigheid. De scheepsdokter was nog een jong
man en hij dacht dat mevrouw Van Stralen misschien over „iets”—wat dan
ook—liever een bejaarder geneesheer wilde raadplegen. Zoo zijn wel eens
de dames; dat wist hij bij ervaring.
„Er scheelt toch niets aan?” vroeg hij machinaal toen ze het kleine
vertrekje binnentraden.
„Volstrekt niet. Bovendien, ’t betreft niet mijn persoon, dokter.”
„Zoo!” zei de heer Van der Linden. Drommels, zou het den kolonel
betreffen? dacht hij, maar dat zei hij niet.
„Het betreft uw dochter.”
„U zet zoo’n ernstig gezicht. Maak me niet ongerust, asjeblieft.”
„Daarvoor is nog geen reden, maar het kan zoover komen. Zult u mij niet
kwalijk nemen als ik openhartig spreek?”
„Volstrekt niet.”
„Welnu, let dan wat meer op Louise en blijf in haar gezelschap.”
„Zij is haast altijd in het uwe, ik dacht dat ze daar goed was.”
„’t Is onvoldoende. Bovendien, ik wil mijn vrijheid hebben.”
„Ik ook.”
„Spot nu niet, dokter. Wezenlijk, het is waar. Ik acht tusschen Van
Hoven en Louise t’avond of morgen alles mogelijk.”
„De mogelijkheid ontken ik niet; dat zou me leed doen. Wel ontken ik de
waarschijnlijkheid.”
„En ik zeg u dat ook die groot is.”
„Wilt u misschien zeggen dat ze op dat jonge mensch verliefd is?”
„Volstrekt niet, dokter. Als hij morgen van boord gaat en zij ziet hem
nimmer terug, zal ze er geen traan om laten.”
„Welnu, dan zie ik ook niet in....”
„Beste dokter, ik dacht dat ge meer ervaren waart in dat opzicht. Lange
zeereizen zijn voor de deugd van jonge menschen, die den geheelen dag
samen zijn in zoo’n kleine ruimte, zonder ander tijdverdrijf dan eten,
drinken en slapen, ware hinderlagen. Zijn er geen voorbeelden genoeg
van? Ik weet niet wat het is, maar ’t bestaat, en het heeft met de
gewone liefde niets gemeen.”
„’t Is mij al te wijs, mevrouwtjelief,” zei de dokter, die dat alles
reeds jaren op zijn duimpje wist, maar reden had zich van den domme te
houden. „’t Is mij al te wijs. Enfin, ik zal eens toezien, en ik dank
u.”
„En u neemt het me heusch, heusch niet kwalijk, dokter?”
„Wel neen, zeker niet.”
Zij vond het toch wel een beetje gek.
Welke zonderlinge principes moest die oude heer er op na houden! Zij
ging spoedig naar boven om eens te zien wat hij doen zou.
Louise stond op de reeling geleund en keek naar beneden in het water,
terwijl de punt van haar schoentje op het ijzeren vlechtwerk rustte.
Van Hoven, die met uitgestrekten arm een der touwen had gegrepen, lag
half met den rug naar zee gekeerd, ook tegen de reeling naast haar. Hij
was aan het woord; zij glimlachte en keek omlaag.
Van de op het dek zittende en wandelende passagiers schenen zij weinig
notitie te nemen.
De dokter, die van den anderen kant kwam, vond het een aardig gezicht.
Het fijne, donkere vrouwtje, door wier zwarte haren de zeewind speelde,
en de kloeke, blonde zeeman; er was harmonie in het contrast vond hij,
maar toch scheen het hem nu ook toe dat het niet verder moest komen met
die „harmonie”; ’t was wèl zoo.
„Wel meneer Van Hoven, wat sta je daar te philosopheeren?” vroeg de
dokter met zijn onaangenaamste bonhomie.
De luitenant kreeg een kleur.
„O.... niets....” zei hij.
„Meneer vertelde me van al de heerlijkheden van ’t leven bij de
marine,” zei Louise snel, en Van Hoven dankte haar voor ’t à propos met
een blik.
„Och kom? Ja, dat moet heerlijk zijn!”
Van Hoven raapte het hulplijntje, dat hem was toegeworpen, gretig op.
„Zeker,” zei hij met volle overtuiging, „er gaat niets boven het
zeemansleven. Onze kloeke voorvaderen ....”
Hij had de laatste zinsnede met emphase ingezet, en een mooie volzin,
die, met eenige stemmodulatie uitgesproken, uitstekend klinken moest,
lag hem op de lippen; maar de dokter viel hem sans compliments in de
rede.
„Het is een allergezelligste boel, dat is zeker. Vooral in Indië is het
heerlijk.”
De luitenant klemde de lippen opeen en wendde ’t hoofd af.
„Zie je,” ging de dokter voort, „zoo ergens een maand of zes op de ree
te liggen, dat is nu altijd mijn illusie geweest.”
„U steekt er den gek mee!”
„Toch niet. Jongens, meneer Van Hoven, als je zooveel polsen hebt
gevoeld en zooveel geïllustreerde tongen hebt bekeken....”
„Foei, pa!” riep Louise in den hoogsten graad van verontwaardiging.
Maar hij lette niet op haar boos gezichtje.
„.... Dan weet je soms niet aan welk miserabel, ellendig bestaan je
niet de voorkeur zoudt geven boven je eigen baantje. Nu, amuseer je!”
Dokter Van der Linden ging verder en Louise en Van Hoven keken elkaar
even aan. ’t Was hem, na die akelige tongen, niet mogelijk den draad
van hun vorig discours weer op te vatten. Ook was hij inwendig woedend
op den dokter en bovendien eenigszins ongerust. Zij vond, toen ze hem
aankeek, dat er iets doms was gekomen in zijn gezicht, en hij zag iets
minachtends in haar glimlach, dat hem pijnlijk trof.
Had die verwenschte oude heer hem daareven een mal figuur laten maken,
of wàt was het eigenlijk?
„Uw papa scheen niet erg in zijn humeur te zijn.”
„Hoezoo?”
Dat was nu ook een vraag! dacht hij.
„Omdat hij zoo scherp in zijn spot was, dat ik het waarschijnlijk van
niemand anders zou hebben verdragen.”
„Van niemand anders dan van....?”
„Uw vader.”
„Mooi!” riep ze lachend. „Dáár wachtte ik op; dat is nu precies als in
een Franschen roman.”
Ze was geheel hersteld, dat was duidelijk! Ze was weer dezelfde Louise
Van der Linden, wier scherpe afwijzing eens in een ontevreden bui
Gérard Fournier voor altijd van haar had verwijderd; dezelfde, voor
wier woord Van Velton zoo doodelijk benauwd was; dezelfde, die daarmede
de boosaardige Christien Donker overblufte en in bedwang had gehouden.
Het was ineens over haar gekomen, toen ze haar vader zoo hatelijk had
hooren zijn. Van Hoven wist niet hoe hij het had; hij begreep niet dat
hij hier stond voor een soort van psychologisch verschijnsel, en dat
het als ’t ware de dokter was, die in de gedaante van Louise, die haars
vaders geest had geërfd, ’t gesprek continueerde.
Van Hoven hield zich goed, hoe onaangenaam ook getroffen.
„Is u zóó boos?” vroeg hij lachend.
„Waarom zou ik ’t zijn?”
„Dat weet ik niet, maar boosaardig was u daareven zeker; en heel erg
ook, en als....”
„Begin nu in ’s hemels naam weer niet uit een roman. Ik weet het wel:
als ik een man was, dan moest je dadelijk met me duelleeren. Nu blijft
je niets over dan je aan mijn voeten te werpen. De uitersten raken
elkaar.”
„Mag ik?”
Hij was een partner, al had hij niet zooveel geest en al kon hij niet
zoo goed met woorden repliceeren; hij had dit vóór, dat hij iets durfde
doen.
„Wat?”
„Mij aan uw voeten werpen.”
Haar gezicht betrok.
„Asjeblieft geen aardigheden, hoor!”
„Ik zal het nalaten onder één voorwaarde.”
Zij zag hem aan. Er viel niet aan te twijfelen. De dolkop zou er toe in
staat wezen.
„Nu dan?”
„Wees niet meer zoo boosaardig tegen me.”
Zij zag hem vriendelijk glimlachend aan.
„Soedah!” zei ze, en beiden wandelden op.
Fournier had een heel lief huisje op Goenoeng Saharie. In een der
paaltjes van den ingang van het voorerf zat een wit marmeren steentje
gemetseld, waarop zijn naam en qualiteit in zwarte letters stonden
gegrift.
Zij leefden als duifjes.
Hortense was vóór haar trouwen tot over de ooren op Fournier verliefd,
maar nu, nu ze eenigen tijd met hem getrouwd was en hem ook in een
ander opzicht had leeren kennen,—nu was haar liefde tot zulk een niveau
gestegen, dat ze zelve er geheel onder verdween.
Hij had inderdaad geleerd van haar te houden. Zij was goed, lief en
aanhalig voor hem, en ze maakte hem het leven zoo gezellig en
pleizierig mogelijk. Toen de eerste weken voorbij waren en hij zijn
gedachtenloop veelzijdiger voelde worden, kwam toch meer dan eens het
beeld van Louise hem voor den geest en deed het hem onrustig worden.
Dan liep hij op ’t kantoor even de deur uit om zich wat afleiding te
verschaffen; thuis leidde hij zich af door zijn vrouw te omhelzen.
Wat hem minder aanstond was dat zijn schoonvader zoo dikwijls bij hen
kwam eten.
Hij wist niet waarom. Zoo hij had kunnen gissen dat Van Velton bij hem
kwam eten en de digestie visite ging maken bij een vrij bedaagde
duegne,—wat zou hij boos zijn geweest.
Bij Christien Donker kwam hij niet meer. Lientje legde zulk een
geprononceerde voorkeur voor bereden wapens aan den dag, dat het te erg
werd. ’t Had hem veel geld gekost, maar hij was er af! Toen was ’t
eerste besluit, dat hij nam, om een meer geregeld leven te gaan leiden;
hij voelde dat hij langzamerhand oud werd en ’t beneden zijn
waardigheid was om aanleiding te geven tot koopjes vanwege het
paardenvolk.
Daarom had hij zich aan het hoofd gesteld van een eerzame duegne, die
buiten ’t bereik was van de listen en lagen der uniform. Het beviel hem
wel. ’t Leven was rustig. Zóó moest het nu maar een tijdlang blijven
voortduren!
Hortense zou het aantal familieleden weldra doen vermeerderen en dat
vond hij aardig.
Hij had dien Van der Linden dikwerf benijd. Grootvader is eerst een
goed baantje! Men heeft dan uitsluitend het genoegen van de kinderen;
de lasten zijn voor den vader en de moeder.
Thans zaten ze alle drie aan tafel in ’t huisje van Fournier.
„Hebt u in lang niets gehoord uit Europa?” vroeg Hortense.
„Neen.... Zij schrijft zelden.”
„Het verwondert me dat meneer Van der Linden niet schrijft,” meende
Fournier. „Hij was altijd nogal doende.”
„Volgens den laatsten brief waren ze te Weenen. Ze hebben een reisje
gemaakt door Italië.”
„Ja, dat hebt u me al verteld.”
„Het plan was eerst naar Amsterdam te gaan en van daar de reis voort te
zetten naar Parijs.”
„Zeker willen ze er zijn vóór den winter.”
„Vermoedelijk.”
„En amuseeren ze zich nogal?”
„Daarvan schrijft ze geen woord.”
Men zweeg.
’t Gesprek kon op die manier moeilijk vlotten. Zij hadden alle drie
zulke verschillende inzichten ten aanzien dezer verhouding. Natuurlijk
had Hortense haar man precies verteld hoe de heer en mevrouw Van Velton
leefden of liever niet leefden. Het was voor Fournier weer een
herinnering, die hem noopte ernstig naar afleiding te zoeken.
„Het schijnt dat die vader en dochter niet gemakkelijk tot rust zullen
komen,” mopperde Van Velton. „Ze reizen en trekken met dat kind geheel
Europa door.”
Het was waar, maar „genoegen” gaf al dat reizen en trekken niet.
Dokter Van der Linden had na de waarschuwing van mevrouw Van Stralen
aan boord en na zijn eerste optreden als „sta in den weg”, met zijn
dochter een lang gesprek, dat niet naar zijn zin afliep.
Zij was zoowat doende aan haar toilet toen haar vader de hut binnentrad
met njootje op den arm.
„Je zult wel hebben bespeurd,” zei hij, „dat ik tegenover dien meneer
Van Hoven minder aangenaam was gestemd.”
Zij keek hem heel onnoozel aan en dus wist hij dat ze hem voor den gek
hield.
„Och neen. Ik heb er niets van opgemerkt.”
„Ja, zoo dom ben je.”
Ze antwoordde niet; ze kon haar lachen niet houden.
„We moeten eens een ernstig woord spreken, Wies. ’t Gaat zoo niet.”
„Hoe niet?”
„Spaar me die domme vragen en dat spelen van de onnoozele. Dat is heel
aardig tegenover andere menschen, maar met mij kon je het wel laten.”
Dat was volkomen ernst, zooals zij bij ervaring wist. Wanneer papa zich
niet wilde laten foppen, dan meende hij het betoel, maar dan was er van
haar kant ook geen sprake van gekscheren.
„Ik meen te weten, papa, wat u bedoelt.”
„Juist. Nu, zorg dan dat daar een eind aan komt. Ik ben niet bang....”
„Bent u niet bang?”
„Natuurlijk niet.”
„Nu, ik ben het wèl. Ik weet niet wat het is....”
„Komaan!” zei dokter Van der Linden met een kluchtig vertoon van
wanhoop: „dat is nu een openhartigheid, die.... ik zou haast zeggen aan
het onbeschaamde grenst.”
„Het is wel aardig, pa. Ik heb nooit iets gedaan, waarover ik me zou
behoeven te schamen. En nu ik aan u vertel, dat ik vrees, dat zoo iets
me zou kunnen overkomen, nu noemt u me onbeschaamd.... Hoe denkt u over
uzelven, pa?”
De oude heer maakte onwillekeurig een beweging alsof hij haar met zijn
kleinkind om de ooren wilde slaan.
„Maak u niet boos, pa, omdat ik de waarheid zeg. Ik heb opgemerkt hoe
de mannen over het algemeen zijn. A fond zijn het cynische wezens, die
hun lusten zonder veel omslag den teugel vieren. Reeds jong zit er in
de meesten een neiging tot allerlei; ze gebruiken bij voorkeur onder
elkaar leelijke woorden: ze hunkeren naar tabak rooken en sterken drank
drinken, en ze vervallen tot....”
„Wel zoo! Ha! die vind ik superbe! Het is waarachtig jammer, Wies, dat
je zelf geen man bent; een boetpredikersbaantje zou uitstekend voor je
wezen. Spaar me asjeblieft de ondeugden van mijn geslacht, ik zal ook
over die van het jouwe niet spreken. Ik ben niets gestemd om veel te
hooren over algemeene theorieën. Je zei, dat je bang waart. Nu, dat
vind ik verschrikkelijk.”
„Ja.... ik ook.... maar het is toch zoo.”
Hij haalde de schouders op en hoe hij zich ergerde kon men duidelijk
zien aan zijn gezicht.
„’t Is schande, Wies; ’t is meer dan erg. Wat naar jou idée van een man
mag gedacht en gezegd worden, laat ik in het midden; maar wat je dáár
zegt, is beneden de waarde eener fatsoenlijke vrouw.”
„Pa, ik wil geen ruzie met u maken; ik heb er, ronduit gezegd, geen
lust toe, en u bent het ook niet waard.”
„Maar dat is een grofheid, die....”
„Neen, pa, dat is het niet; het is eenvoudig waar. Ik heb een
moeilijken tijd doorgebracht. Ik heb gestreden tegen mijzelve en ik heb
overwonnen. Je weet, dat ik Fournier liefhad, als meisje reeds....”
„Dat is te zeggen, ik dacht niet dat het ernstig was.”
„Soedah, het was ernstig.”
„Je hebt hem toch zelve afgewezen. Lucie heeft het me destijds verteld
en het speet me toen.”
Zij zweeg, en de dokter, denkende aan zijn schoonzoon, voegde er bij:
„Het spijt me nog.”
„Spijten doet het me niet, pa; dat is er geen woord voor. Het heeft me
doodelijk bedroefd; het heeft m’n hart gebroken; m’n levensgeluk
vernietigd, en het heeft me haast ’t leven zelf gekost. Het heeft zoo
weinig gescheeld....”
„Wat?”
„’t Scheelde weinig of hij had Van Velton heel iets anders gemaakt dan
een schoonvader.”
„Maar hoe komt dan dat huwelijk tot stand?”
„Dat heb ik gedaan. Zij was dol op hem en voor mij was hij toch
verloren, tenzij ik hem gaf wat ik meende niet te mogen geven. Nu is
zij ten minste gelukkig.”
Dokter Van der linden wischte zich het zweet van het voorhoofd. Welk
een confidenties! Brrr! Hij hield daar nu niets van.
„U kunt begrijpen dat het niet gegaan is zonder zelfstrijd! Wat dat is,
weet u niet, pa. Ik verwijt het u niet; ik geloof dat haast alle mannen
zoo zijn. Zelfs Fournier zou ’t niet gedaan hebben. Gijlieden leeft
maar voort, nemende wat gij krijgen kunt, als ge er lust in hebt. Voor
wat gij niet wilt of niet kunt krijgen, doet ge als de vos in de
fabel.”
„We dwalen af, Wies. Laat je fraaie beschouwingen over den man maar
rusten; ik weet wel wat dat is. Ik heb weleens meer zulke
pessimistische praatjes over den man gehoord. Een arme drommel mag zich
weleens verdiepen in het ongezonde van lekker eten. Laat dat zijn. Je
hebt gestreden tegen je genegenheid voor Fournier, en, zooals je zei,
je hebt overwonnen. Waar ben je dan nu bang voor?”
Zij streek peinzend haar golvend haar weg.
„Ik weet het niet, pa, maar het is zoo. Zwijg er over, pa, asjeblieft,
ja?”
„Niets liever.”
Van dien dag speelde dokter Van der Linden niet langer voor de baboe
van zijn kleinkind; ook schaakte hij niet meer met den commandant. Hij
verliet Louise niet meer. Geen vijf minuten kon ze ergens wezen, of hij
was er ook. Van Hoven zag het dadelijk in. Bovendien had mevrouw Van
Stralen hem duidelijke wenken gegeven, en ook zag de kolonel hem soms
misnoegd aan.
Daarom betoomde hij zijn ijver.
Wel volgden zijn oogen het mooie vrouwtje ’t grootste deel van den dag,
maar hijzelf stond niet meer zoo vaak met haar te praten en hij hield
zich zelfs van de geheele club verwijderd.
De „club” zag het, en ’t was een geschikt onderwerp voor fluisterend
uitgesproken praatjes, die weldra ook de andere passagiers bereikten.
En wat die daarin een genoegen smaakten!
’t Was immers een onderwerp van gesprek, en men begon daar, nu de reis
ten einde liep, bitter verlegen om te raken.
Louise zag genoeg om te bespeuren dat zij besproken werd.
„U moest me wat minder met uw aandacht vereeren,” zei ze tot haar
vader. „Het loopt zoo in het oog en de menschen spreken er over.”
Hij wilde verwondering veinzen, maar bedacht zich.
„Ben je dan niet meer bang?”
Zij lachte.
„Neen, pa. Ik begreep wel dat het dat was. Ga maar gerust een partijtje
schaken met den commandant. Het is komiek. Ik heb u nog nooit in zoo’n
zorgvolle rol gezien als de laatste dagen.”
„Spot maar niet,” bromde de dokter. „Je hebt me ongerust gemaakt met je
praatjes.”
Ze gaf hem een kus, met tranen in haar oogen, en daarna een zachten
klap op zijn gezicht.
„Je bent erg mal, pa.”
Met dat al dankte dokter Van der Linden den hemel toen ze te Napels
waren. Hij roerde het onderwerp niet meer aan, maar zeker van zijn zaak
was hij niet.
Och, het was geen zedigheid die hem beheerschte. Volstrekt niet. Hij
had geen vooroordeelen en was goedhartig genoeg om aan elk mensch te
gunnen, wat, menschelijker wijze gesproken, hem of haar toekwam.
Het eenige was: de wereld. Die moest men ontzien; dan hield men zijn
fatsoen. Nadat hij zijn bewaking van Louise had gestaakt, was er weer
toenadering geweest tusschen de jonge vrouw en den zee-officier, en....
„die blikskatersche zeelui,” dacht de dokter, „vertrouw ik niet verder
dan ik ze zie.”
Hoe dan ook, hij voedde twijfel. Er waren briefjes gewisseld, dat wist
hij vrij zeker, en het kon heel goed zijn dat er meer was gebeurd,
zonder dat hij ’t wist.
Goddank, daar was Napels!
Als men maar eenmaal voet aan wal had, dan was alles gedaan, meende
hij, en dan kon hij geruster zijn.
Daar strekte zich het prachtig donker groen omlijst panorama uit. De
passagiers waren verrukt, voor zoover ze gezond waren. Iedereen had het
druk met pakken; iedereen sprak over de schoone vroolijke stad, die
zoovelen verrukte, maar nog nooit iemand er toe had gebracht het „Voir
Naples et puis mourir” in de practijk toe te passen.
„Waar gaan we logeeren?” vroeg Louise.
Haar vader keek haar wantrouwend aan.
„Dat weet ik nog niet.”
Dezelfde vraag werd hem gedaan door den kolonel en anderen, maar de
dokter antwoordde ontwijkend, en toen Van Hoven het vroeg werd hij
nurksch.
Dokter Van der Linden had zijn plan, dat hij in alle stilte wilde
doorvoeren.
Aan den wal nam hij een gids en sprak zacht met hem. Hun koffers werden
op een impériale geladen en men reed weg. In plaats van voor een hotel,
hield men stil voor een spoorwegstation.
Louise stapte uit en keek verbaasd rond.
„Wat beteekent dat?” vroeg ze bleek en met vast opeengedrukte lippen.
„Niets. We moeten een klein eindje sporen om aan ons hotel te komen.”
„Zijn er dan dichtbij geen goede hotels?”
„Neen.”
Een half uur verliep.
„Ik vraag u nog eens, pa,” fluisterde zij hem woedend in het oor, „wat
moet dat beduiden?”
„Alleen, dat we op weg zijn naar Rome. ’t Is nog zoowat zes uren
sporens.”
„Dat is schandelijk, dat is gemeen.”
„Hm?”
„Ik ga dadelijk terug.”
„Dat doe je niet, Louise. Napels kan je altijd nog zien. We hebben tijd
en geld genoeg om er desverkiezende drie maanden te vertoeven.”
„Maar ik begrijp volstrekt niet, pa, waarom u zoo’n willekeurigen en
onaangenamen maatregel hebt genomen. Het komt niet te pas. Ik ben geen
kind dat men meeneemt, waarheen men wil. Het lijkt wel of we van boord
zijn gevlucht!”
„Dat zijn we ook.”
„Zijn we gevlucht?”
„Ik ten minste.”
„Maar waarom?”
„Louise,” zei hij met deftigen ernst: „ik was bang.”
Zij wendde het hoofd af en keek zwijgend naar de schrale boomgaarden en
slecht onderhouden groentetuinen, die ze voorbijstoomden. Haar boezem
zwoegde heftig onder het eenvoudig grijzen reiskleedje dat ze droeg.
Njootje sliep op den schoot van de baboe, die in haar schoenen, welke
ze voor het eerst droeg, zat te transpireeren van de pijn.
Dokter Van der Linden las ijverig in een Baedeker, dien hij zich voor
zijn vertrek uit Indië had aangeschaft.
Na een half uurtje vroeg hij uiterst vriendelijk zijn dochter of ze
niets wilde gebruiken. Zij schudde van neen met het hoofd.
Een beetje later werd de kleine jongen wakker en begon dadelijk te
dwingen om bij den dokter te komen, maar deze weerde het kind voor ’t
eerst van zijn leven en met een bloedend hart vrij ruw af.
Louise keek op alsof ze uit een droom ontwaakte en nam ’t kind op haar
schoot.
Wat scheelde haar vader? Was hij gek geworden? Zij wilde hem nu niets
vragen, maar te Rome was zij het die de conversatie begon, met de
opmerking, dat dit smerige spelonk onmogelijk de „stad der steden”
wezen kon.
„Je kunt er nog niets van zeggen, Louise. Ik heb Rome vroeger gezien,
en bij den eersten aanblik dacht ik er net over als jij. Later werd dat
beter en leerde ik het schoone waardeeren.”
„Het is mogelijk,” antwoordde ze verstrooid. „Ik zal blij wezen als we
onder dak zijn.”
Een half uur later strekten ze hun vermoeide leden met welgevallen uit
in een ruim bed, dat op vasten bodem stond. Och, dat is voor landrotten
zoo’n zaligheid na een lange zeereis!
Zij bereisden Italië. Dokter Van der Linden zag met vreugde dat zijn
dochter de Koninklijke Nederlandsche Marine uit haar hoofd had gezet en
zijn critische, geoefende blik bespeurde geen verschijnselen van
gestoorde gemoedsrust. Van Hoven zelf was na twee dagen toevens en
vruchteloos informeerend naar het verblijf van mevrouw Van Velton,
teroes door naar Holland gespoord; zijn geld was op; c’est tout dire.
Te Weenen amuseerde men zich uitstekend, en ze zouden er langer zijn
gebleven, als de menschen, waarmee ze kennis maakten, er niet zoo
bijzonder lief waren geweest; zóó lief, dat zelfs de K. N. M. er niet
bij kon vergeleken worden, en dat maakte den dokter weer bevreesd.
Daarom gingen zij op zijn voorstel naar Parijs, dat voor Louise veel
aantrekkelijks had, doch aan haar hoog gespannen verwachtingen niet
geheel beantwoordde.
Zij vond het al te druk en de dokter was dat volkomen met haar eens.
In Holland beviel het hun ook niet. De weinige bloedverwanten der Van
der Linden’s waren stijve, saaie lieden in hun oogen, en daarbij
bekrompen en krenterig. Maar zij kwamen heel dikwijls te visite en
dronken gaarne des dokters lekkere sherry, rookten met genoegen zijn
havana’s, accepteerden zeer gaarne de cadeautjes van Louise, ook voor
hun vrouwen en kinderen; maar nooit dacht een hunner er aan de familie
uit Indië eenige andere attentie te bewijzen dan door van haar voor
onbepaalden tijd geld te leenen.
Dit harteloos egoïsme stuitte vooral Louise tegen de borst. Zij had wel
een geschenk van duizend gulden willen geven aan hem of haar, die uit
vrije beweging haar kind een pop van een rijksdaalder had geschonken.
Maar dat gebeurde niet; de „goede” lieden dachten er niet aan. Indië
mocht niets kosten. Integendeel. Zóó luidt de Nederlandsche traditie,
en dat besef is volkomen ingevleescht.
Van der Linden waagde een onderstelling.
„Als we eens te Brussel gingen wonen?”
„Is het daar aardig?”
„Zeker. Trouwens je bent er zelf geweest.”
„Een dag, doortrekkende. Dat is niet genoeg om te oordeelen. Ik bedoel
’t voortdurend verblijf.”