ofschoon er op de eerst vertrekkende boot geen plaats was, slaagde hij
er toch in plaats gemaakt te krijgen voor zijn familieleden.
Zijn uiterste best had hij gedaan, en gedurende de dagen, die het
vertrek voorafgingen, was hij zoo extra vriendelijk en dienstvaardig,
dat Louise niet kon nalaten het te appreciëeren, al begreep ze heel
goed uit welke bron dat voortkwam.
Royaal was hij zeker. Zij kon niet spreken van iets, dat ze gaarne mee
zou nemen, of het was er, onverschillig wat het kostte; hij opende haar
een onbeperkt krediet te Amsterdam, wat hij overigens onbezorgd kon
doen, omdat hij wel wist, dat ze er toch nimmer misbruik van zou maken.
Maar het streelde haar toch, dat hij zulk een onbeperkt vertrouwen in
haar stelde. Hij gaf haar een vrij groote som aan sovereigns mee en een
veel grootere aan wissels,—kortom hij hield zich in dit opzicht
bijzonder kranig, zooals dokter Van der Linden, die daardoor weer meer
was toegenaderd, met een soort van bewondering getuigde.
Op den dag der afreis was Van Velton de affabiliteit en de
toeschietelijkheid zelf, en toen hij met de Tjiliwong terugvoer, wuifde
hij nog lang, nadat men daarmede aan boord van den stoomer had
opgehouden, met zijn zakdoek.
Een zucht van verlichting ontsnapte hem toen hij den doek in den zak
stak, zich omkeerde en ging zitten.
Goddank, goddank! Dàt was afgeloopen!
Naast hem zat een bekende, die een jongetje had weggebracht, dat zijn
opvoeding in Europa moest krijgen. Nu en dan veegde hij zich een traan
uit het oog.
„Het is hard, meneer Van Velton, ze te zien vertrekken.”
„Zeg dat wel,” zei deze met een gelegenheidsgezicht.
„Hij is nog zóó jong.”
„Ja, maar zijn moeder en zijn grootvader zijn bij hem.”
„Pardon, hij gaat alleen.”
„Hm?”
„Ik sprak over mijn zoontje.”
„O.... dat verandert. Ik dacht dat u het over mijn kleine had.”
„Ja, het is voor u ook een heele zaak.”
„Welke zaak?”
„Dat mevrouw en ’t kindje zoo naar Europa gaan.”
„O ja! ’t Is verschrikkelijk. Ja, man, dat is erg onaangenaam.”
„Was mevrouw ziek?”
„Ja.”
„Dat kon men haar wel aanzien. Die jongen van me is ’n aardige kerel.
Ziet u, ik had hem graag hier gehouden, maar er gaat niets boven een
opvoeding in Holland.”
„Neen zeker niet.”
„Daarom zei ik tegen mijn vrouw: het moet; het is in zijn eigen belang.
Voor geen geld had ik mijn vrouw mee naar de boot genomen. Het zou een
scène van belang zijn geweest.”
„Zeker, zeker. Neen, dat is heel verstandig van je.”
„Het heeft me ook erg aangegrepen,” ging de geschokte vader voort,
terwijl de tranen hem weer in de oogen kwamen. „Men hecht zoo aan de
kinderen.”
Van Velton was woedend. Hij had het kunnen uitschreeuwen van pret over
het heuglijk feit, dat hij ’t heele zootje zoo netjes en zoo vlug naar
Europa had geëxpediëerd, en daar kwam nu die man hem aan de ooren
leuteren over dien kwajongen!
„Heb je ook nog Mumm in voorraad; van die je laatst hadt?”
„Welzeker. Hoeveel wilt u hebben?”
Van Velton deed een bestelling, welke de ontroerde vader verheugd in
zijn boekje aanteekende; hij kon nog wel wat van „dat goed” gebruiken
voor de schepen, en dan hield dat vervelende mensch zijn mond over zijn
vadersmart.
„Hoe is het toch met die beschadigde factuur, waarvan je me laatst
sprak?”
De afleiding hielp, en zonder verdere aandoenlijkheden, maar sprekende
over zaken, bereikte Van Velton den Boom.
Hij ging dien dag niet naar het kantoor. Het stond vooreerst niet, met
het oog op de verplichte droefheid, en dan, hij wilde genieten van zijn
heerlijk verlaten huis.
Hij liet champagne en havana’s vóórbrengen en liep daarbij op en neer,
alsof hij zijn achterstand in vertoon als baas en meester ineens wilde
bijwerken.
Hortense was niet aan boord geweest; zij was ziek, en er deden zich bij
haar verschijnselen voor, die Van Velton deden vreezen, dat hij spoedig
een gelid verder achteruit zou gaan in de rijen der menschheid.
Fournier was „voor zaken” op reis; bezoek viel er van dien kant dus
niet te verwachten. Gelukkig! Hij wilde dien heelen dag alleen zijn.
Alleen met zijn groot, prachtig gemeubeld huis, waarin hij nu weer den
staf kon zwaaien; waarin hij geen kindergeschreeuw meer zou hooren, en
niet langer zou blootstaan aan verwoede hatelijkheden en nijdige
gezichten; waar hij weer den moed zou hebben om te doen en te laten wat
hij verkoos.
Toen Louise het gezicht van haar man niet meer kon zien, loosde zij een
zucht van verlichting. Eindelijk zou ze dan van hem ontslagen raken!
Eindelijk zou ze niet langer genoodzaakt zijn die gehate valsche tronie
elken dag te zien!
Zij had niet meegedaan aan de comedie, die bij het afscheid nemen was
gespeeld door Van Velton en den dokter, al had haar vader er ook op
aangedrongen, dat ze, om de wereld te bedriegen, zich minder
onverschillig zou toonen.
Toen hij van boord vertrok, had ze „bonjour!” gezegd op een toon, zóó
minachtend, dat het Van Velton, hoe gewoon aan haar manier van spreken,
en hoe daartegen ook gepantserd, door merg en been was gegaan, en de
dokter een kleur had gekregen, wat wel een buitengewone beschaamdheid
te kennen gaf.
Doch Van der Linden wilde haar den eersten indruk niet bederven aan
boord.
„Zit je daar goed, Wies?” vroeg hij. „Is het daar niet winderig?”
„Neen pa, ik zit hier goed. Ik zou hier nu goed zitten al was het op
naalden, pa. Nooit, nooit heb ik begrepen welk een afschuw ik heb van
dien leelijken kerel!”
„Sst, Louise! Spreek toch zoo hard niet. ’t Is hier zoo gehoorig!”
„’t Kan me niet schelen; ik ben er zóó bosèn van!”
De reis ging voorspoedig en oefende op de jonge vrouw een gunstigen
invloed uit.
’t Gezelschap der reisgenooten was minder aangenaam. Heeren, die van
den ochtend tot den avond speelden; zieken, die, altijd knorrend, hun
levers lieten repatriëeren; dames, lijdende aan bloedarmoede en
zeeziekte; woelige ondeugende kinderen, waartegen dokter Van der Linden
zijn kleinzoon herhaaldelijk moest beschermen,—dat waren met eenige
officieren, een suikerfabrikant en een paar Engelsche reizigers voor
machinen-fabrieken zoowat de medepassagiers van Louise.
Maar de heerlijke, zuivere zeelucht deed haar goed. De koorts verdween,
en soms had ze een gevoel, alsof ’t leven opnieuw voor haar aanving.
Dan schenen haar de wolkjes zoo mooi, die aan den blauwen hemel dreven,
de golfjes zoo helder, die spelend uiteenspatten tegen den wand van ’t
schip; dan klonk het klapperen der zeilen haar zoo vroolijk in de
ooren, dan voelde ze dat haar krachtig gestel de overhand nam en haar
gezondheid terugkeerde.
Zij werd aan boord bejegend met een voorkomendheid, die veel dames
ergerde. „Zij betaalden toch net zoo goed haar passage,” als die dame
van ’t Koningsplein te Batavia, maar tegen deze was de commandant
altijd het voorkomendst, en de administrateur ook, en de hofmeester en
de bedienden vlogen voor haar.
Het was waar. Maar ofschoon zij haar passage evengoed betaalden, hadden
die dames geen echtgenooten, die elk jaar duizenden pikols suiker en
koffie met booten der Maatschappij lieten afschepen.
En iedereen moet toch zorgen dat hij in de eerste plaats zijn beste
klanten tot vriend houdt, en dat deden die dames ook, wanneer ze
bijzonder beleefd en gedienstig waren voor de echtgenooten van heeren,
die hooger stonden op de maatschappelijke ladder, dan haar eigen
mannen; maar dat begrepen ze niet.
Er heerschte een groote naijver onder de dames. Louise had dat
opgemerkt, en daarom trok zij zich meer terug. Wat raakten haar die
menschen?
Slechts met een paar families ging ze geregeld om: die van den
gepensioneerden kolonel Van Stralen en van den suikerfabrikant Beynen.
Een jong marine-officier, ook als passagier aan boord, maakte haar
regelmatig het hof, en zóó was ze niet, of ze liet zich dat met gratie
welgevallen.
Ze was immers een mooi vrouwtje; ze wist, dat ze het was, en ze nam de
hulde aan haar persoonlijkheid als iets, dat haar rechtmatig toekwam.
Zóó zaten ze in een kring op en bij de kap van de kajuit hun kopje
chocolade te slorpen.
„Nu ziet u eens, mevrouw Van Velton,” zei de luitenant ter zee Van
Hoven, „hoe heilzaam de zee is. Den eersten dag aan boord zag u er
bepaald slecht uit, en nu....”
„Slecht uit, meneer!” riep de kolonel lachend: „dat is wat moois! Ik
vind, dat mevrouw Van Velton er nooit slecht uitzag.”
„Laat den kolonel maar praten, meneer Van Hoven,” zei mevrouw Beynen.
„Hij is vanochtend weer op zijn plaagstoel; hij heeft mij ook al het
hoofd warm gemaakt.”
„Ik wou, dat ik daartoe nog in staat was; maar mijn baard is te grijs,
mevrouwtje.”
„Mevrouw Van Velton weet wel, dat ik „slecht” bedoel in den zin van
ziek,” meende de luitenant.
„Jawel, jawel! De jongelui weten er altijd wel wat op te vinden. Nu, ik
liet het er niet bij, dokter, als ik u was.”
Dokter Van der Linden, behaaglijk in een rotanstoel uitgestrekt, zei,
dat hij ’t hen maar samen liet uitvechten, terwijl hijzelf met een
kijker naar een schip in de verte tuurde, en met Beynen disputeerde
over de gewichtige vraag of het een mee- dan wel een tegenlegger was.
Nieuws had men elkaar niet meer te vertellen. Iedereen had zijn
voorraad geestigheid in de weken, die men tusschen de reelings bijeen
was, uitgeput, ’t Was meest bitjara-kosong, wat men nu ten beste gaf,
en de kleinigheden, die men waarnam, boezemden levendige belangstelling
in.
„Ik heb al driemaal de reis gemaakt,” zei de kolonel, „en altijd heb ik
me voorgenomen mijn tijd nuttig te besteden door een werk te schrijven
over de bewapening van het leger; het is er nooit van gekomen, en ik
zie niet, dat er ook nu iets van komt.”
„Precies zoo ging het mij; ik heb een brochure in het hoofd over de
titrage van suiker en ik had me voorgesteld, die aan boord uit te
werken. Er staat nog geen letter op ’t papier.”
„En,” voegde mevrouw Beynen er bij, „er zal wel niets van komen, vent.”
Ook de dames verkeerden in ’t zelfde geval, met werkjes, die zij
gedurende de reis van plan waren geweest uit te voeren.
„Brieven schrijven,” meende mevrouw Van Stralen, „dat gaat nog. U
schrijft ook elken dag?” vroeg ze den marine-officier.
„Ja, mevrouw, maar geen brieven.”
„Een boek?” vroeg de kolonel belangstellend.
„Betrekkelijk. Ik houd mijn dagboek bij.”
Dat vond men interessant; iedereen speet het, dat hij of zij het ook
niet deed. Als men dien luitenant zag, dacht men onwillekeurig aan dat
dagboek, en had iedereen wel eens gaarne willen weten, wat zoo’n jonge
man daar toch wel inschreef.
In den namiddag wandelde Louise met mevrouw Van Stralen op het dek heen
en weer, terwijl mevrouw Beynen zat te praten met den kolonel.
Dat laatste zag men nogal eens. Wel had de kolonel gezegd dat hij door
zijn grijzen baard volmaakt onschadelijk was, maar dat meende hij niet,
en, voor zoover dat tegenover zijn eigen vrouw kon geschieden, maakte
hij werk van de vrouw van den suikerlord, die er niets van merkte en
wien het ook trouwens niet schelen kon, zoodat hij er minder op lette.
Intusschen keek de kolonel steeds met vriendelijke blikken naar den
gevulden hals en de mollige armen der suiker-lady, en waagde de oude
krijgsman zich in gedachten telkens op zeer glad ijs.
„Ik zou toch wel eens willen weten,” zei mevrouw Van Stralen, „wat die
Van Hoven alzoo in zijn dagboek schrijft.”
„Is u daar zoo nieuwsgierig naar?”
„Ronduit gezegd, ja.”
„Waarom? Het zal, dunkt me, juist zoowat zijn als andere dagboeken.”
„Heb je er wel eens een gelezen?”
„Nooit anders dan in boeken.”
„Nu, zie je wel? Dat zijn de ware niet; die maken de romanschrijvers
maar zelf.”
„Ze zullen het, zou ik zeggen, nog mooier doen, dan iemand die geen
schrijver is.”
„Mooier misschien; maar een wezenlijk dagboek is waar, en daarom is het
me te doen. En ik vind dien Van Hoven nu juist iemand om ’n echt
dagboek te schrijven.”
„O, hij is een zeer ontwikkeld mensch.”
„Juist. En me dunkt, hij heeft zoo’n goed oordeel.”
„Maar wat woudt u dan toch eigenlijk weten?”
„Wat ik weten wil? Wel,” zei mevrouw Van Stralen zacht aan haar oor,
„ik wil weten wat hij van ons schrijft en van de anderen in de „club.””
„Club” was de naam, die de andere passagiers hadden gegeven aan het
gezelschap, waartoe Louise behoorde en dat zich weinig met de anderen
inliet.
Zij kleurde even. Het interesseerde haar ook zeer. Daar kwam hij aan,
met zijn frisch en opgewekt gezicht, zijn goedgebouwde figuur en zijn
vlugge bewegingen. Een knappe jongen was hij.
„Mag ik meewandelen, dames?”
„Welzeker.”
„Dan kunt u in uw dagboek zetten: Hedennamiddag, zóóveel glazen in de
wacht, op en neer geloopen met twee dames.”
Men lachte.
„Dat schijnt u toch maar erg te interesseeren,” zei hij in antwoord op
de ondeugende scherts van mevrouw Van Stralen.
„Heer neen! ’t Kan me hoegenaamd niets schelen. Wat zegt u, mevrouw Van
Velton?”
„Dat hangt van den inhoud van ’t boek af. Misschien wil meneer Van
Hoven ’t ons wel eens laten lezen.”
Hij kreeg een kleur en zei een beetje verlegen:
„Neen, dat kan ik niet, mevrouw. In zijn dagboek....”
„Nu?” vroeg mevrouw Van Stralen erg nieuwsgierig.... „Ga verder.”
.... „moet men zoo goed als biechten, en dat kan men
maar zelden tegen anderen.”
Naast Louise gaande, trachtte hij het gesprek op een anderen boeg te
wenden, maar mevrouw Van Stralen liet hem niet los.
Zij riep haar man, zij riep Beynen en diens vrouw, dokter Van der
Linden en de geheele club, om hen voor te stellen een jong officier,
die bepaald zonder zonde was, omdat hij elken avond biechtte.
Men schertste en had een pleizier van belang, en Van Hoven nam handig
zijn partij en maakte grappen mee.
Omstreeks middernacht ontwaakte Louise Van der Linden door een zacht
kloppen aan de deur harer hut. Het was stil aan boord, de passagiers
sliepen; slechts door de ventilatie-openingen boven aan den wand der
hutten drong hier en daar het geluid door van een slaper, die
onbescheiden ronkte; nu en dan verhief zich ’t gekrijsch van een
zuigeling, spoedig vervangen door het tijdelijk neuriën van een
meereizende baboe; daarna bepaalde zich alles weer tot de bekende
geluiden van den stoomer.
Verschrikt en wantrouwend rees Louise op van de couchette.
„Wie is daar?”
„Ik,” zei een zachte stem. „Doe open.”
„Wie is het dan?”
„Ik.... mevrouw Van Stralen.”
Voorzichtig deed ze open en tegelijk schoof de vrouw van den kolonel
naar binnen. Ze was een beetje bleek en zenuwachtig. Van onder haar
kabaja haalde ze een in zwart linnen gebonden boek te voorschijn, van
het formaat en het aanzien van een gewoon koopmansboek.
„Ik heb het!”
Louise keek haar verwonderd aan.
„Wat bedoelt u?”
„Wel, het dagboek van Van Hoven.”
„Heeft hij het u toch gegeven?”
„Wel neen, ik heb ’t laten wegnemen.”
„Mijn God, mevrouw, hebt ge het laten wegnemen?”
„Wel ja. Er steekt immers geen kwaad in. Ik heb zijn kamerjongen een
fooitje gegeven; die heeft het stilletjes uit zijn hut gehaald en zal
het er straks weer inleggen. Maar ik wil toch weten wat die
marine-luitenant wel van ons in dat boek schrijft.”
„Maar is het niet verschrikkelijk indiscreet?”
„Gekheid, ’t Is immers met geen kwade bedoeling; een aardigheid, anders
niet. En hij zal er niets van te weten komen.”
Omdat zij met haar kind reisde, genoot Louise des nachts van een licht,
dat in een hoek van den wand bevestigd en door een lantaarn beveiligd,
alle waarborgen opleverde tegen brand.
Samen in sarong en kabaja zaten ze naast elkaar op den rand der
couchette. Mevrouw Van Stralen hield het dagboek geopend op haar knieën
en las bij het flauwe schijnsel van het licht.
Vlug bladerde mevrouw Van Stralen het boek door. Daar had ze het!....
De datum van afvaart uit Indië; de rest interesseerde haar niets
hoegenaamd.
Februari 16.
Vroeg aan boord gekomen met de sloep van het wachtschip. Het gezelschap
voor de reis is niet veel bijzonders. Meestal verschrikkelijke poenen.
Een oude plebejer bracht een allerliefst jong vrouwtje aan boord; ik
geloof, dat het haar man is, ten minste haar vader kan het niet zijn,
want die doet ook de reis mee.
De algemeene voorstelling heeft plaats gehad, ’t Mooie vrouwtje heeft
geen concurrentie onder de dames-passagieressen; zij is in haar hut
gegaan en den heelen dag niet te voorschijn gekomen. De commandant van
de boot is, voor zooveel mogelijk, een gentleman, en geen oude schipper
naast God. Onder de poenen bevinden zich allerlei lui. Uitzonderingen
maken een paar bejaarde heeren met fatsoenlijke gezichten. Er is een
kolonel bij; zijn naam kon ik niet goed hooren, toen ik hem werd
voorgesteld; ik moet daar morgen dadelijk naar informeeren. Ik was
vandaag erg flauw van het afscheid nemen, den heelen nacht niet
geslapen en altijd maar hijschen! Zware dienst. We vertrokken met mooi
weer.
Februari 18.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De kolonel heet Van Stralen en is een jolly old fellow, dien ik ondanks
zijn vijftig jaren in staat acht om in Europa alle dienstmeisjes na te
loopen. Zijn vrouw is een lieve vrouw, als ze niet al te veel praat. Ik
heb me zoowat bij de familie opgeschoten, benevens een onsmakelijken
suikerboer met een aardig wijfje, op wier zwellende vormen mijn kolonel
zich de oogen blind kijkt....
Mevrouw Van Stralen hield een oogenblik op en keek Louise aan met een
vragenden blik.
„’t Is onbeschaamd.”
„Hij schrijft van u geen kwaad.”
„Neen, maar wat hij van den kolonel durft schrijven.... Een luitenant!”
Louise lachte.
„En als nu eens een andere kolonel het had geschreven, kwam het er dan
niet op aan?”
„Kind,” zei mevrouw Van Stralen, „dat zou een hoofdofficier nooit
doen.”
„En wat denkt u te doen?”
„Ik? Wel niets,” zei mevrouw Van Stralen glimlachend. „Ik heb geen
vrees voor mijn veteraan. Laat hem maar gerust het hof maken aan
mevrouw Beynen en laat hem mijnentwege al de neepjeskapjes te Amsterdam
naloopen....”
„Is er dan geen goede verhouding bij u.... Ik dacht toch....”
„Wel de verhouding, kind, is opperbest. Ik ken mijn man al zooveel
jaren. Hij maakt, ’t is waar, alle dames het hof en daarom is er geen
kwaad bij.”
Toen Louise haar ongeloovig aankeek, vervolgde zij:
„Het is wezenlijk waar. Ik heb er, toen ik pas met hem getrouwd was,
dikwerf ernstige onaangenaamheden over gehad. Hij kan het niet nalaten.
Als er een dame in het gezelschap komt, dan stelt hij zich in postuur,
glimlacht, is vol attenties,—en doet zóó dat het iedereen in het oog
loopt. Het is gewoonte, anders niet, en hij komt nooit verder. Ik weet
zeker, kind, dat hij nooit tot daden zal komen. Elk mensch heeft zijn
Rubicon en dien heeft mijn oudje ook.”
Zij lachten samen op gesmoorden toon.
Februari 20.
Zij heet van den kant des plebejers Van Velton en van zichzelve Louise
Van der Linden. Vandaag is zij voor het eerst boven geweest; ik heb een
uur met haar zitten praten. Het is geen vrouw, al heeft ze haar kindje
bij zich, of liever al speelt de oude dokter voor de baboe van haar
kind; al heeft ze dien meneer Van Velton tot man; neen, zij is geen
vrouw, ze is een meisje. Ze maakt niet den indruk van een getrouwd
wezen. Alles aan haar schijnt rein en maagdelijk. Zij heeft de
prachtigste oogen ter wereld. Tusschen het zeil door viel er terzijde
een straaltje in van de ondergaande zon, en het tooverde een
donkergouden gloed, onbeschrijfelijk schoon....
„Loh!” riep mevrouw Van Stralen luid en op komieken toon de Indische
spreekwijze nabootsende. „Hij perliep met jou.” Louise lachte ook, maar
niet van harte. Al die vleiende loftuitingen over haar schoonheid deden
haar oogen glinsteren en ontroerden haar zeer.
Mevrouw Van Stralen zat weer in het dagboek verdiept. Zij las echter
niet meer luid, maar doorliep vluchtig de bladzijden en sloot het boek.
„Er staat niets meer in.”
„Laat me eens zien!”
„Neen. Het is niet goed voor je. Ik wil je wel zeggen dat het vol staat
met opgeschroefde volzinnen over je handen, je tanden en nog veel
meer.... Als getrouwde vrouw zal je zulk een adoratie van een jonkman,
die niets anders te doen heeft, zeker niet interesseeren.”
„Och.... zoo....!”
„Nu, het is beter dat je die dwaasheden niet aan het hoofd worden
geleuterd. Er staat nog iets in over Van Stralen en mevrouw Beynen. Ik
zal toch voor alle zekerheid mijn veteraan in het oog houden; als hij
soms den Rubicon mocht willen overtrekken.... Adieu, ik ga ’t boek weer
op zijn plaats laten leggen.”
De luitenant had blijkbaar niets bespeurd van de groote indiscretie der
nieuwsgierige dames. Hij sliep in zijn kooi, met de deur van zijn hut
open, en alleen het groene gordijntje voor de deuropening dicht
geschoven.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden kon den slaap niet vatten.
Het was alsof zij in een andere wereld leefde.
Zij had als meisje haar aanbidders gehad en ook als vrouw was menig
compliment aan haar besteed. Maar die onbewimpelde hulde aan haar
schoonheid, die ze zoo had hooren voorlezen, had haar meer getroffen
dan ze ooit zou hebben voorondersteld.
Welke gedachten haar door het hoofd vlogen.... ze zou voor alle
schatten der aarde die niet in woorden hebben uitgesproken.
Kolonel Van Stralen was wakker geworden toen zijn vrouw binnenkwam; zij
was aan ’t praten geraakt, en terwijl hij stil als een muis in de
couchette lag, die aan zijn breedgebouwde persoonlijkheid nauwelijks
een plaatsje bood, meende hij half dommelend, dat hij uit de couchette
aan den overkant zoo iets als een gemoedelijk bedsermoen te hooren
kreeg.
De wind stak op, geheel onverwacht, en de zee, eerst zoo effen, dat het
was alsof de stoomer er doorschoof, werd onstuimig.
De boot slingerde en stampte; een glas, dat los was blijven staan op
het buffet, viel in de kajuit aan scherven. Hier en daar in de hutten
der passagiers raakten haarborstels, boeken, handkoffertjes en andere
losse voorwerpen in beweging.
Luitenant Van Hoven had een jasje aangeschoten en was naar boven
gegaan, aan dek. Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in haar
eenigszins amoureuze overpeinzingen op hoogst onaangename wijze
gestoord door een naar en zeer onpoëtisch gevoel van zeeziekte. Weg
illusies! ’t Kind schreeuwde en de baboe steunde dat ze zoo sakit keras
was. Alle kinderen in de hutten verhieven hun stemmen. Onvoorzichtige
passagiers, die slaapplaatsen hadden onder patrijspoortjes, die ze open
hadden laten staan, sprongen vloekend er uit, kletsnat door een puts
binnengolvend zeewater. De kolonel sliep er lekker doorheen, droomend
van al de mooie vrouwen, die hij in gedachten had veroverd; het
bedsermoen hield op en werd vervangen door een akelig zuchten, dat
weldra in heviger geluiden overging.
Van de equipage bemoeide zich niemand in dit moment met de passagiers.
Alleen werd alles zooveel mogelijk gesloten. ’t Was zwaar weer
geworden, heel onverwacht; van gevaar was echter geen quaestie,
ofschoon van de reizigers velen zich in stilte bevreesd maakten dat hun
laatste uur was geslagen.
Wel was het mooi weer den volgenden ochtend; wel was de hevige wind
overgegaan in een lekker koeltje, maar het natte element was nog niet
tot rust gekomen, en de bewegingen van het schip waren er nog niet op
verminderd.
Aan de lunch waren geen dames. Hier en daar zag men een draaierige
inlandsche vrouw met een njootje of een nonnaatje in de slendang, dat
lusteloos het bleeke kopje op haar schouder heen en weer liet bengelen.
Verscheiden heeren, die zich zeer dapper hielden, bestreden de
zeeziekte met droog brood of beschuit, maar ontstelden plotseling en
werden erg bleek op het zien,—maar vooral bij het ruiken van gebraden
varkenslapjes, die hen werden voorgediend. Het scheen dat die lapjes
hun moed den genadeslag gaven, want met een half verlegen blik en een
pijnlijken trek op ’t gezicht, die een glimlach moest verbeelden,
retireerden zij naar hun hutten. Enkelen hielden nog vol, tot ze
eindelijk, toen ’t varkensvleesch reeds lang gepasseerd was, toch voor
den biologeerenden invloed der lapjes moesten zwichten, en gesteund
door een stijf tegen den mond gedrukt servet, den aftocht bliezen.
Des middags ging het een beetje beter. De dames vertoonden zich en
luitenant Van Hoven haalde de dames Van Stralen en Van Velton, die erg
bleek zagen, uit de kajuit naar boven, om op de kampanje wat frissche
lucht te scheppen.
Ook daar waren mannelijke strijders tegen den invloed van Neptunus. Zij
liepen met versnelden pas, alsof ze groote haast hadden, van voor naar
achter en vice-versa.
Mevrouw Beynen lag sprakeloos in een stoel, en de kolonel, die nu
niemand had om het hof te maken, staarde mistroostig over de reeling
naar het rusteloos spel der golven.