personen, die een wetenschappelijke opleiding hadden genoten, en hoe
onbegrijpelijker en duisterder ze waren in hun betoogen en gesprekken,
des te knapper en geleerder was hij gaarne bereid hen te vinden.
Hij, Van Velton, behoorde tot de velen, die de studie zoo hoog
plaatsen, dat ze er zelf niet bij kunnen.
„Ja,” zei hij na eenige oogenblikken, „maar de meesten doen er niet
veel aan.”
„’t Is waar, doch dat is hun eigen schuld. Ik geloof dat veel jongelui
hun genoegens op den verkeerden weg zoeken. Lekkere schotels, lekker
bier, café-chantants, Europeesche prostituées,—dat is het zoo ongeveer,
wat hier het meest onder de jongelui wordt gemist, en nu vind ik, dat
het ontbreken van die elementen het leven nog volstrekt niet tot een
hel maakt.”
’t Gesprek beviel Van Velton niet. Hoe kon die Fournier over dat alles
met zekere minachting spreken? Een fijne schotel met een goeden
Europeeschen eetlust, dat was dan toch geen zaak om te verwerpen! Een
glas of wat Beiersch, zooals men dat in de groote bierhuizen te
Amsterdam dronk, was iets om hier in Indië van te watertanden; een
café-chantant.... en de rest,—wèl die Fournier had, vond hij, voor een
jongen man akelige ideeën.
„Zie je wel,” zei hij, „dat ik gelijk had en er iets misanthropisch
komt over hen, die hier als celibatair leven?”
Fournier wilde protesteeren, maar Van Velton liet hem niet aan het
woord. Hij sprak voort over het leven in Indië, en er was veel waarheid
in hetgeen hij zeide, want een jarenlange ondervinding had hem geleerd.
Te midden van zijn lange uitweiding bracht een koeli een briefje voor
Fournier, en deze schrikte toen hij aan het adres de hand herkende van
Louise; ’t was zoo onverwacht en tegenover Van Velton zoo vreemd, dat
hem ’t bloed naar het hoofd steeg.
„Excuseer me een oogenblik,” vroeg hij, waarna hij opstond en naar zijn
lessenaar ging, waar hij ’t briefje opende.
Het had geen bovenschrift. „Ik weet,” stond er, „dat V. bij je is. Hij
is vóór het huwelijk, zeer er voor zelfs, en zal wellicht er op
zinspelen. Neem de gelegenheid te baat en vraag hem de hand van
Hortense. Ik smeek het je, Gérard, doe het! Doe het voor je zelven, doe
het voor mij! Verscheur dit. L.”
Langzaam voldeed hij aan ’t laatste bevel. „Het” huwelijk! Hij streek
zich de hand over het voorhoofd; ’t was alsof het een in principe reeds
uitgemaakte zaak betrof, zoo schreef ze er over.
Onwillekeurig vroeg hij, toen hij in de voorgalerij bij Van Velton
terugkwam, die volstrekt geen haast scheen te hebben:
„Hoe maakt het juffrouw Hortense?”
„Uitmuntend. Zij houdt zich goed; ’t schijnt dat het klimaat voor haar
gestel gunstig is. Vindt je niet, dat zij er beter uitziet, dan toen ze
pas uit Europa kwam?”
„Wel,” antwoordde Fournier beleefd, „zij zag er toen ook goed uit.”
„Ja-a. Maar ’t is voor mijn vrouw en mij wel ’n beetje lastig. Wij
kunnen haar niet zoo thuis laten, als wij zelf graag blijven; voor
getrouwde lui gaat dat, maar ’n meisje op haar leeftijd moet ’n beetje
profiteeren van partijen, en dan dienen wij haar wel te vergezellen.”
„Ik denk niet, dat u daar lang last van zult hebben.”
Met een erg wijzen glimlach op het gezicht keek hem Van Velton aan.
„Och kom? En waarom denk je dat zoo?”
„Wel, er zullen zich spoedig genoeg pretendenten opdoen, om den last
van u met genoegen over te nemen.”
Van Velton lei zijn arm op het marmeren tafelblad en zag hem, zonder te
antwoorden, aan, op een wijze, die voor geen tweeërlei uitlegging
vatbaar was. Zijn heele gezicht zei: „Ga uw gang; ik wacht het vervolg.
Vrees niets; wat gij vraagt zal u gegeven worden.”
En Fournier begreep niet en heeft nooit begrepen onder welken invloed
hij verkeerde; hij heeft nooit langs den weg der logica het raadsel
kunnen oplossen: wat hem er toe bracht zulk een gewichtigen stap te
doen dien ochtend, of wat hem zenuwachtig en verlegen maakte,—maar
zooveel is zeker, dat hij in het onbewaakte oogenblik met spreken
voortging, en zeide, dat als Van Velton ’t wilde toestaan, hij een dier
pretendenten zou zijn.
Het bericht dat de koffieoogst in Brazilië of de aanplant van
beetwortels in Europa totaliter was mislukt, had Van Velton niet meer
in zijn nopjes kunnen brengen, dan het welslagen dezer
Zondagochtend-expeditie.
Toen hij het erf van zijn woning opreed zag hij Louise in de
voorgalerij staan, juist alsof ze hem opwachtte; maar dááraan dacht hij
niet, want dàt kon natuurlijk niet waar wezen; zij keek hem aan, en aan
zijn gezicht, aan zijn geheele houding zag ze dat het gelukt was.
Ofschoon vol van het groote nieuws trof het hem toch, dat zij er zoo
slecht uitzag; dat haar gelaat was vermagerd en haar oogen zoo diep
lagen.
„Scheelt je iets?” vroeg hij.
„Mij? Volstrekt niet.”
„Je ziet er zoo.... betrokken uit.”
Zij haalde de schouders op....
„Wat komt er dàt op aan!”
„Nu, ik breng goed nieuws mee.”
„Zoo?”
„Ja. Je weet, dat ik bij Fournier ben geweest. Raad eens wat hij me
gevraagd heeft?”
„Ik denk dat hij Hortense ten huwelijk heeft gevraagd.”
„Hoe weet je het?” vroeg hij verbaasd.
„Daar behoef je zoo verwonderd niet over te wezen. Het was voor
iedereen duidelijk genoeg dat hij haar het hof maakte.”
„Dat schijnt zoo. Enfin, ik heb ’t niet direct opgemerkt. Hij was
beleefd, galant, enfin, zooals vele jongelui zijn voor mijn dochter.
Dat spreekt vanzelf.”
„Hortense zou wel aanzoek hebben gekregen ook al was ze de dochter van
een ander.”
„Denk je dat? Vindt je haar mooi?”
„Neen.”
„Vindt je haar chic?”
„Ook niet.”
„Of verstandig, of....?”
„Niets van dat alles, en toch zou ze aanzoek hebben gehad, al was ze
doodarm.”
„Dat is me te hoog.”
„Zij heeft iets, dat niet alle meisjes hebben. Ik weet niet wat; het
doet er ook niets toe of het in woorden is te zeggen.”
Hij lachte.
„Ah zoo! Is dat ’t geheimzinnige „en ik en weet niet wat?” Nu, het doet
me pleizier dat je zoo iets in haar hebt ontdekt. Ik zou het niet licht
gesnapt hebben.”
„Omdat ze je dochter is.”
„Wel mogelijk. Enfin, zij is gevraagd door Fournier en ik heb mijn
toestemming gegeven. Ik zal....”
„Je zult me een genoegen doen door de rest aan mij over te laten. Ook
hadt je mij wel eerst kunnen raadplegen.”
„Ik wist niet dat.... en dan....”
„O, ik begrijp je wel: je wist niet, dat ik er belang in stelde, en
dan: ik liet mij nooit als haar stiefmoeder gelden, nietwaar? Maar je
moet niet vergeten, dat ik mevrouw Van Velton ben, en dat ik tegenover
vreemden in mijn positie als zoodanig gerespecteerd wil worden.”
„Als ik geweten had, dat je daarop waart gesteld, dan verzeker ik
je....”
„Je behoeft me niets te verzekeren. Handel liever zooals het past
tegenover de wereld, en verlies niet uit het oog, wat je me
verschuldigd bent. Je weet wel dat je een brute bent; dat je niet weet
hoe ’t behoort, ondanks al je airs.”
„Maar bederf me nu asjeblieft met die standjes den goeden dag niet!”
„’t Is me vrij onverschillig wat ik voor jou bederf.”
Zij liet hem staan en ging het huis binnen.
Woedend smeet Van Velton zijn hoed in zijn kantoor op de schrijftafel.
Wat was dat mensch een helleveeg! Om tot bedaren te komen, dronk hij
een glas Selzerwater, en trachtte weer in zijn humeur te geraken door
te denken aan de geschikte manier, waarop hij zijn tweede dochter
bezorgd zag. Iemand als de advocaat Fournier,—dáár zonk zelfs zijn
schoonzoon de controleur bij in het niet, meende hij.
Louise ging rechtstreeks naar de kamers van Hortense. Zij was niet
boos; ze had alleen dien geheelen ochtend het gevoel gehad van iemand,
die iets op het hart heeft dat er af moet; de bedienden hadden er langs
gehad, maar dàt had haar geen soulage verschaft, want ze wist heel goed
dat de knechts en meiden alles van haar slikten, zonder zich er iets
van aan te trekken, en toch in dienst bleven, omdat het zoo’n royale
familie was, waar zooveel geld viel te verdienen, bij wie het zoo
gemakkelijk ging voorschot te krijgen, en die genoeg personeel had om
ieders werk licht te doen zijn.
Dat ze Van Velton op zijn plaats had gezet, verlichtte haar.
Hortense zat in haar kamer een brief te schrijven aan een
kostschoolvriendin in Holland. Verwonderd keek zij op toen haar
stiefmoeder binnenkwam.
„Stoor ik je?” vroeg deze.
„Volstrekt niet. Ik schrijf maar wat onzin. ’t Is zoo moeilijk aan een
meisje in Holland iets over Indië te schrijven.”
„Wat ik je heb te vertellen is geen onzin.”
„Nu, u maakt me nieuwsgierig! Zeg het maar gauw.”
„Het is, meen ik zeker, zeer aangenaam nieuws voor je. Kunt ge het niet
raden?”
Hortense werd rood, en haar hand, waarin zij nog den pennenhouder
hield, beefde.
Uit het hoekje van een kleine chaise-longue, waarop zij had plaats
genomen, bespiedde Louise het meisje.
Welzeker, dat was het ware! Zij vond het eenigszins vreemd,—maar dat
het de echte, onvervalschte liefde was, die zich bij het melkblanke
meisje op die wijze verried, betwijfelde ze geen oogenblik. Die lui
waren anders, meer demonstratief; maar à fond bleef het toch allemaal
’t zelfde.
„Wel?” vroeg ze met een treurigen glimlach, toen Hortense het raden
naliet.
Maar het meisje raakte ernstig in verlegenheid en zag haar smeeken.
„Er is bij papa aanzoek om je gedaan.”
Nu was Hortense weer bleek geworden; zij stond op, kwam snel naar haar
toe en ging bij haar zitten op een voetenbankje, dat bij de
chaise-longue stond.
„Toe, zeg het nu! Als het een ander is, wil ik toch niet.”
„Het is geen ander, Stance. Fournier heeft je gevraagd.”
Met een kleur als vuur sloeg het meisje, geheel de gewone verhouding
uit het oog verliezend, haar armen om den hals harer stiefmoeder en
kuste haar zoo innig en met zooveel uitdrukking van dankbaarheid op ’t
gelaat, dat Louise haar vol verwondering verstomd aanstaarde. Zonder
terugstootendheid maakte zij zich zacht uit de hartstochtelijke
omhelzing los, streek haar kabaja glad, veegde met haar fijnen zakdoek
over haar voorhoofd en zuchtte.
„Blijf nog een beetje,” vroeg Hortense. „Ik moet iemand hebben om mee
te praten over hem. Het is verschrikkelijk nu alleen te wezen.”
Ofschoon reeds opgestaan om weer te vertrekken, voldeed toch Louise aan
het verzoek. Zij begreep het meisje niet; dàt begreep ze.
In een dergelijk geval zou zij, Louise, bij voorkeur alleen, stil in
een hoekje onbeweeglijk hebben neergezeten, en elk woord dat luid werd
gesproken, zou haar ruw en onaangenaam in de ooren hebben geklonken als
in disharmonie met haar droom van geluk. Bij Hortense daarentegen was
het één en al drukte en luidruchtigheid. Ze dacht hardop, en ze had
behoefte aan iemand die het hoorde, en die nu en dan, al was het ook
maar met een enkel woord, repliek gaf. En zoo zat mevrouw Van
Velton-Van der Linden de gansche intieme geschiedenis aan te hooren.
„Den eersten avond, weet u nog wel, toen ik voor het eerst kennis met
hem maakte?”
Ze knikte van ja. Of ze het wist!
„Nu, toen voelde ik het. Wat is dat toch vreemd. Ik had het dikwijls
gelezen in romans, maar ik geloofde er niets van, niets hoegenaamd.
Toch is het waar. Ik weet het nu bij ondervinding. Zou hij toen ook
zoo’n gevoel hebben gehad?”
„Ik weet het niet. De mannen zijn zoo anders.”
„Het moet toch ééns in hem zijn ontwaakt, dunkt me. Ik zal ’t hem
vragen. Het is toch vreemd dat hij me nooit rechtstreeks over iets
heeft gesproken.”
„Hij zal het niet kiesch hebben gevonden, zoolang hij niet zeker was
van de toestemming van papa.”
„Gekheid. Ik had een stille verklaring vóór het officiëele aanzoek wel
heerlijk gevonden.”
Louise schudde het hoofd.
„Ben je nu nog niet tevreden?”
„Tevreden? Ik ben gelukkig. Ik had hem gekozen boven allen, en als hij
mij had gevraagd en papa had geweigerd....”
„Wat dan?”
„Dan had ik hem toch genomen.”
„Dat kan niet zoolang je minderjarig bent, en zelfs daarna kost het
moeite.”
„Ik zou met hem gevlucht zijn.”
Met haar groote zwarte oogen zag Louise verschrikt het meisje aan.
„Het is goed dat ik alleen zulke dingen hoor, Hortense.”
„’t Kan mij niet schelen. Sedert ik Fournier ken, ken ik maar één
verlangen. De rest van de wereld is me onverschillig.”
Het was, vond Louise, om niet te gelooven. Dat was dan het resultaat
van de strenge, uiterst ingetogen en fatsoenlijke opvoeding, die ze in
Holland had gehad!
„Hortense, je weet niet wat je zegt.”
„Dat weet ik heel goed, en ik zeg niets dan de waarachtige waarheid.
Als ge zelf ooit hebt bemind met geheel uw hart, dan moet u me ook
begrijpen.”
Het zonderlinge lachje, dat iedereen trof, die het zag, maar dat
niemand kon verklaren, plooide weder Louise’s lippen.
„Laat het wezen zooals het wil,” zei ze, „in elk geval mag je zoo tegen
niemand spreken. Je hebt het nu tegen mij gedaan, en dat kan geen
kwaad. Doe het nooit tegen iemand anders.... zelfs niet tegen
Fournier.”
Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend. Evenals bij dat, tusschen Van
Velton en Louise indertijd, was onder hen, die bij de plechtigheid
tegenwoordig waren, slechts een enkele, die, zooals men het noemde, aan
religie „deed.”
Iedereen leefde het leven „zoo maar.” Men was het er over eens, dat er
een godsdienst moest zijn, en als er een dominee of een pastoor kwam
met een inteekenlijst voor een weeshuis of eenig ander liefdadig doel,
of zelfs voor verbeteringen in een kerkgebouw, dan teekende men in met
genoegen en soms voor aanzienlijke bedragen. Maar overigens hield men
er zich niet mee op. Doch bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen
voelde men aan de godsdienstige instellingen groote behoefte. Van
Velton zou ’t niet kerkelijk inzegenen van een huwelijk in zijn familie
ploertig gevonden hebben; het had op hem denzelfden indruk gemaakt als
iemand, die in zijn hemdsmouwen een receptie bezocht. Thuis werd er
nooit van godsdienst gesproken, en hij wist niet eens of zijn kinderen
in Holland hun belijdenis hadden gedaan, wat hem ook volstrekt niet
interesseerde,—maar gedoopt waren ze, en ook zijn jongste kind. Al had
hij het water in stopflesschen uit Nova Zembla moeten laten
komen,—gedoopt zou er zijn geworden. Een heiden, foei! En een
begrafenis zou er, onverschillig van welk gehalte de doode was, ook
nimmer in zijn familie zijn gehouden, zonder dat aan het geopend graf
een stichtelijk woord was gesproken. Dat was adat.
Veel heeren en dames woonden de plechtigheid bij.
Hortense zag er uit als een gelukkige bruid, dus dubbel schoon, en aan
Fournier was niets bijzonders op te merken.
De waarheid was, dat hij de flair had gekregen van het „iets”, waarop
Louise doelde, en dat ze niet onder woorden kon brengen, toen ze Van
Velton zeide, dat het voldoende was om Hortense voor een zuur-bier
toekomst te vrijwaren. Inderdaad schaamde hij zich half en half voor
zichzelven om de soort van genegenheid, welke hij het meisje toedroeg.
Het was zoo volkomen in strijd met zijn begrippen. Maar ’t scheen wel,
dat alles wat hem in eenige verhouding deed staan tot die familie,
lijnrecht in tegenspraak moest wezen met zijn opvoeding en zijn
denkbeelden.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in het zwart gekleed zonder eenig
sieraad.
Het was, vonden de aanwezige dames, een eenvoud om van te schrikken.
„’t Is alsof ze in den rouw is,” meende de een.
„Ze heeft niets aan,” zei een ander, altijd doelende op de sieraden.
„Het is alleen ijdelheid.”
„Ze ziet er slecht uit.”
„Nietwaar? En dat voor zoo’n jong vrouwtje. Hoe oud schat je haar?”
„Och oud! Ik heb haar nog gekend met haar schooljurkje aan! Ze kan
hoogstens twee, drie en twintig jaren wezen.”
„Ze kon best voor tien jaren ouder doorgaan.”
„Op zijn minst. Toen het dochtertje van Van Velton hier pas kwam, stak
ze heel ongunstig af bij haar mooie stiefmoeder.”
„Nu, dat is thans heel anders.”
„Ja. ’t Is wezenlijk een ander meisje geworden, hè? Het witte satijn en
de paarlen staan haar prachtig.”
De dominee sprak en de fluisterende gesprekken werden gestaakt. De
getrouwde dames raakten onder den invloed. Zij herdachten haar eigen
trouwdag; de herinnering kwam sterker en idealiseerde. Haar vervlogen
jeugd en haar verdwenen charmes daagden op voor haar geest. En dan het
vertrouwen, waarmee ze toen een toekomst ingingen, die in de
werkelijkheid niet altijd aan de verwachtingen had beantwoord!
Er waren oogen, die zich vulden met tranen. Het was niet om de woorden
van den geestelijke, noch om het bruidje in ’t wit satijn, noch om den
bruigom in zwarten rok,—’t waren weemoedige herinneringen aan eigen
liefs en eigen schoons, aan eigen jongen levenslust en levenskracht; ’t
was een stille hulde aan ’t beeld van vervlogen illusiën en genoten
zaligheid, dat nog zoo heerlijk schoon bleef, al was het opgegaan en
verdwenen in de nevelen van den tijd.
Louise trok haast nog meer de aandacht dan de bruid zelve. Iedereen
viel het op, dat zij er zoo slecht uitzag en zoo verouderd was.
De dames constateerden het niet zonder Schadenfreude: de heeren
vervielen in beschouwingen over de physische gevolgen van huwelijken
tusschen personen van zeer verschillenden leeftijd.
Van al de personen, die de trouwplechtigheid bijwoonden, was—Louise
niet medegerekend—dokter Van der Linden zeker daar ’t minst voor zijn
genoegen.
Na het gesprek met zijn dochter, waarin zij hem het onbehoorlijk gedrag
van haar man had bekendgemaakt, kwam hij uiterst zelden ten huize van
Van Velton.
En als hij kwam, was het nog slechts, wanneer hij wist dat er menschen
waren. Dan ging hij zijn kleinzoon bezoeken, hield hem in de
achtergalerij een half uurtje op den schoot, verrukte ’t kind door
fraaie stukjes speelgoed en doosjes met lekkernijen,—maar zorgde, dat
hij het niet te lang maakte en hij onder een of ander voorwendsel
vertrok voor de andere gasten heengingen.
Hij had een hekel aan Van Velton gekregen en hij was bang geworden voor
Louise.
’t Frappeerde hem ook dat zij er zoo vervallen uitzag.
Als hij alles goed overwoog, dan was het toch eeuwig jammer dat zij
niet getrouwd was met dien Fournier!
Aan het schitterend diner hield Van Velton een korte, droge speech.
Hortense hoorde het aan zonder eenig spoor van aandoening of van
sympathie op haar gelaat. Zij zou God danken als het was afgeloopen,
want ze was doodmoe van het staan op de receptie en van de drukte der
laatste dagen; zij had slechts één verlangen alleen te zijn.... dat wil
zeggen: alleen met hem.
Ze zag daar in het minst niet tegen op. Waarom zou ze ook? Hij was
immers de man harer keuze.
En die man zag daar wel tegen op. Hij had niets tegen Hortense wat haar
persoonlijkheid betrof, maar het denkbeeld, dat er in zijn verhouding
tegenover haar een valschheid schuilde van zijn kant, wilde hem niet
verlaten, en elk der woorden, dien dag gesproken en doelende op die
wederzijdsche genegenheid, welke alle levensstormen tart, hinderde hem;
hij wist te goed dat hij niet geven kon wat van hem werd verwacht,
omdat hij het niet bezat.
Geen woord, geen blik was tusschen hem en Louise gewisseld. Zij was
naar het jonge paar toegekomen en had Hortense met bijzonder groote
innigheid gekust; toen had ze hem de hand gereikt, haar groote oogen
hadden hem een oogenblik aangezien zonder glans of uitdrukking, en met
overigens vriendelijk gezicht had ze hem toegeknikt. Eenigszins verward
had hij haar hand gedrukt,—en dat was alles geweest.
Voorzichtig klopte Van Velton een paar weken later aan de deur van
Louise’s kamer.
„Mag ik binnenkomen?”
„Jawel!”
Zij lag te bed. Ze had in den laatsten tijd erg aan koortsen gesukkeld
en dat had haar schromelijk doen vermageren.
Vóór het bed speelde de kleine, die er gezond en frisch uitzag, maar
bij het binnenkomen van den oorsprong zijns bestaans al even weinig
vreugde betoonde als deze zelf.
„Hoe gaat het?”
„Zoo.”
„De dokter is bij me geweest; hij vindt het noodig dat je voor een
maand of wat naar boven gaat.”
„Hij heeft het me ook gezegd, maar ik heb er weinig lust in.”
„’t Is toch zoo heilzaam.”
„Voor andere gestellen misschien, maar voor het mijne niet. Ik kan heel
goed tegen de kou in Europa, maar niet tegen de kille berglucht hier op
Java; daar krijg ik buikziekte door.”
Een idée vloog hem door het hoofd, dat hem wonderlijk bekoorde. Europa!
Zij keek hem aan, en hij had een gevoel, alsof ze zijn gedachten las op
zijn gezicht.
„Ik wil wèl,” ging ze voort, „voor een of twee jaren naar Holland gaan.
Dat zal goed zijn voor mij en voor ’t kind ook.”
„Wel.... ik heb er niets tegen. Ik zal het den dokter.....”
„’t Is niet noodig, want ik heb hem er al over gesproken. Hij vond het
goed, maar niet noodzakelijk, en raadde het niet aan, omdat hij meende
dat het zoo’n derangement voor ons zou zijn.”
„En wanneer zou je dan willen gaan?”
„Hoe eer hoe liever.”
Van Velton kreeg nog een idée.
„Als je papa eens meeging?”
„Dank-je.”
Hij drong er niet op aan, maar schreef een kort briefje aan zijn
schoonvader met de mededeeling van het plan en een bedekte zinspeling
op de wenschelijkheid, dat ze onder geleide reisde. Geen uur later zat
dokter Van der Linden bij zijn dochter.
„En daar heb je me gisteren niets van verteld?”
Hij behandelde haar niet, maar kwam toch elken dag eens naar haar
kijken.
„Het is vanochtend pas opgekomen.”
„Ik heb een plan.”
„En dat is?”
„Ik ga mee.”
„Dank u. Ik ga alleen.”
„Dus,” zei haar vader zeer geraakt, „je wilt van mijn gezelschap niet
gediend zijn?”
„Neen. Ik heb volstrekt geen reden om daarop gesteld te wezen, pa. Daar
hebt u me niet naar behandeld.”
Hij drukte de lippen samen; het deed hem erger aan dan hij wel wilde
bekennen. Om zijn aandoening te verbergen, liep hij met de handen op
den rug ’t vertrek op en neer. Hij had veel willen zeggen, veel
verklaren en toelichten, maar hij was er niet toe in staat. Daarom nam
hij zijn hoed en zei norsch:
„Ik zal morgen wel eens terugkomen om met je te spreken.”
Zijn ontroering had haar getroffen, vooral omdat hij niets had gezegd
wat hem kon verschoonen of dat verwijtend was voor haar.
Hij was toch haar vader, en afgescheiden van die leelijke geschiedenis,
was hij altijd goed voor haar geweest.
Toen ze nog samen woonden en zij nog een meisje was, had hij haar
altijd in alles haar zin gegeven en haar volkomen meesteres gelaten
over huis en goed, zonder ooit rekenschap te vragen van wat ze deed.
Nooit had hij haar iets geweigerd; nooit haar iets opgedrongen, dat
haar onaangenaam was.
Den volgenden dag, toen hij met een ernstig gezicht naast haar kwam
zitten en met zekere plechtigheid begon te zeggen:
„Louise, je hebt me gisteren....” viel zij hem met een driftig gebaar
in de rede.
„Soedah, papa, het was niet goed van me. Ik weet wat u wilt zeggen.
Zwijg er maar over. We gaan samen naar Holland.”
Hij keek haar onderzoekend aan.
Welk een vreemd schepseltje was zij toch!
„Het is goed, Wies. We zullen samen gaan. We hebben thuis samen altijd
een rustig en aangenaam leven geleid. Dat zullen we ginder ook wel, nu
met ons drieën.”
Hij verweet haar niets. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Zeker,
ze had een goed en gezellig home gehad bij hem!
Haar zwakheid, na die koortsen, maakte dat de ontroering haar te sterk
werd. Ze lei haar vermagerd gezicht tegen zijn schouder, zooals ze
dikwijls bij hem had gezeten ’s avonds in de achtergalerij, toen ze nog
een kind was, en in stilte vloeiden haar tranen.
Dokter Van der Linden kon niets zeggen om haar te troosten, vanwege het
iets dat hem in de keel zat; alleen streelde hij haar rijke,
blauwzwarte haren en drukte haar bemoedigend de hand.
„Kom, Wies,” zei hij, toen hij zijn eigen zenuwen weer meester was,
„kom, je moet nu niet daaraan toegeven.”
Met een zucht richtte zij zich op.
„Ach paatje, ik ben zoo ongelukkig!”
„Dat zal wel beter worden. Als je weer geheel hersteld bent en we hier
uit dat vervloekte mooie huis zijn, dan komt alles terecht. Dan gaan we
een heerlijke zeereis maken. Te Napels aan den wal, ’n reisje door
Italië, niet vliegend, maar op ons gemak. Midden in den zomer komen we
in Holland; we blijven er tot den winter. Dan eens naar Parijs....
Allons, het leven is op die manier nog zoo kwaad niet; dat zal je
meevallen.”
Het fleurde haar wezenlijk op. Glimlachend hoorde ze haar vader over al
’t genot spreken, dat die reis hun kon verschaffen.
Hij had ’t kind op de knie genomen en liet het paardje rijden, zoodat
het gilde van pret.
„En dan gaan we ’s middags toeren met dit jonge mensch,” lachte hij
tusschen de exercitie door, „en dan kleeden we hem keurig netjes
aan.... en dan gaan we buiten met hem in het gras rollen.... dan krijgt
hij ’n kleur als ’n perzik....”