Zij maakte een ochtendvisite bij haar vriendin Nedor, zoo familiaartjes

in sarong en kabaja; de twee dames zaten gezellig bij elkaar in de

achtergalerij onder een glaasje stroop met ijs. Een baboe, die bij Van

Velton had gediend en alles had verteld,—dat was een buitenkansje,

waarvan moest geprofiteerd worden!

Wel een uur lang spraken ze er zachtjes over, lachend, hoofdschuddend,

ernstig, afkeurend, alles op zijn beurt.

Des middags kwamen de heeren van ’t kantoor.

„Weet je dat van Van Velton?” vroeg mevrouw Doren haar man.

„Wat dan?”

„Dat hij zoo’n slecht leven leidt met zijn vrouw.”

„Neen, dat wist ik niet.”

„Nu en zij en die Fournier....”

Meneer Van Doren trok een ernstig gezicht en keek zeer bedenkelijk zijn

vrouw aan.

„Och kom,” zei hij. „Dat zijn allemaal van die praatjes, die niet te

vertrouwen zijn. Je moest me een genoegen doen en niet verder over Van

Velton en zijn vrouw spreken. Ik zou niet graag willen, dat jij of ik

de zegslui waren van iets ten hunnen nadeele.”

„O, ik zeg het niet. Ik heb ’t maar gehoord van mevrouw Nedor.”

Toen meneer Nedor thuis kwam, kuste hem zijn hartelijke, goede vrouw.

„Zeg,” zei ze, „nou moet ik je toch eens iets vertellen. Je weet wel,

die nieuwe meid, die voor ’n dag of wat bij me in dienst is

gekomen....”

„Nu ja?”

„Die heeft me een boekje opengedaan over dien Van Velton.”

„Och kom? En wat is het dan?”

„Hij gaat elken avond uit pierewaaien in allerlei soort van

gelegenheden.”

„En zij?”

„Zij weet het met dien Fournier.”

De heer Nedor begon te lachen.

„De meid is gek.”

„Nu, geloof jij het maar niet.”

„Hoor eens, vrouwlief,” zei Nedor. „In jou plaats zou ik over die

geschiedenis niet verder spreken. Het deugt niets, en ’t geeft maar

gebabbel. Ik zou voor geen geld willen, dat Van Velton ooit hoorde, dat

hij van onzen kant over den hekel werd gehaald.”

„Ik zal er met niemand over spreken,” zei ze geraakt, „maar ik mag het

jou toch wel vertellen!”

„Zeker. Doe me echter een genoegen en laat het tusschen ons blijven.”

Meneer Nedor dacht over het geval na, terwijl hij in de badkamer was,

en ernstig nam hij zich voor te zorgen, dat die babbelachtige baboe zoo

spoedig mogelijk weg kwam en tevens, dat hij ’t jonge mooie vrouwtje

van Van Velton in het oog zou houden. Men kon niet weten! La bonne

fortune lag in een klein hoekje!

Den volgenden morgen ontmoetten de heeren Doren en Nedor elkaar in ’t

lokaal eener Vereeniging.

„Zeg,” zei de een, den ander lachend een duw gevend,

„wist jij dat die Van Velton zoo’n ouwe snoeper was?”

„Daar heb ik wel eens meer van gehoord, ja.”

„Hij moet elken avond....” De heeren traden in onbeschrijfelijke

bijzonderheden. Er kwam een andere bekende bij, die ook werd ingewijd.

Men gichelde en lachte. Het was kras voor iemand van Van Velton’s

leeftijd!

Steenen werden er niet op hem geworpen. Integendeel, toen hijzelf ook

arriveerde, groette men hem met meer deferentie, dan gewoonlijk. Het

mocht dan afkeurenswaardig wezen in veel opzichten, maar ’t was niet

zonder kranigheid, dat een man, die zooveel aan het hoofd had en die al

zooveel campagnes had meegemaakt, nog in staat was in zijn vrijen tijd

le jeune homme te spelen en op avontuurtjes uit te gaan.

Goed was het niet,—daarover waren allen het eens. Er was echter zooveel

in deze booze wereld dat niet goed was, maar toch een zachtmoedige

beoordeeling toeliet.

De wereld wist zeer veel; meer dan zij, die rechtstreeks betrokken

waren bij het goede en kwade, dat van hen werd verteld. Zij wist dat

Van Velton een groot liefhebber was van buitenpartijtjes, en dat was

hij toch eigenlijk niet; zij wist, dat mevrouw Van Velton het „wist”

met den advocaat Fournier, en dat wisten die twee niet; ten slotte wist

zij, dat Fournier met Hortense geëngageerd was, en dat wisten die twee

ook niet.

Van Velton bemerkte op ’t kantoor, dat zijn compagnon erg koel tegen

hem was.

„Wat scheelt je?” vroeg hij.

„Mij? Niets!”

„Je bent zoo geretireerd.”

„Ik vind dat jij vrij wat geretireerder bent dan ik.”

Lachend zei Van Velton dat dit zeker niet in zijn bedoeling lag, als

het zoo was.

„Waarom vertel je dan niet eens, wat iedereen weet?”

„En dat is?”

„Nu, houd je nu goed!”

„Maar voor den drommel, wat bedoel je dan?”

Zijn compagnon scheen maar half lust te hebben er mee voor den dag te

komen.

„Iedereen,” zei hij eindelijk onwillig, „weet dat je dochter

geëngageerd is.”

„Och, zoo! En de gelukkige is natuurlijk Fournier.”

„Dus is het zoo?”

„Volstrekt niet. Het is niet onmogelijk, maar als het gedecideerd was,

dan zou ik het je immers dadelijk gezegd hebben. De lui zijn altijd

schrikkelijk voorbarig.”

Fournier had op zijn kantoor een andere scène. Terwijl hij druk bezig

was met de behandeling eener lastige wissel-quaestie, kwam zijn associé

binnen, gaf hem de hand en zei:

„Amice, ik feliciteer je, hoor.”

„Ik ben anders niet jarig!”

„Och kom! Ik moet zeggen dat je het netjes hebt geleverd.”

Zijn ongeduld kwam boven, en met een driftige beweging trok hij de

schouders op.

„Zeg het nu maar gauw, want ik begrijp er niets van.”

„Hm, hm! Het wordt toch openlijk verteld, dat je met juffrouw Van

Velton bent geëngageerd.”

„Met Hortense?”

„Ja, met wie anders?”

„Och, maar.... dat is onzin.”

„Ei. Ik vond het anders nogal zinrijk.”

„Er is niets van aan.”

„Enfin, heel Batavia weet het, dàt kan ik je wel zeggen, en iedereen

vindt, dat het niet beter kan. Jullie bent voor elkaar als geknipt.”

Het kostte Fournier verschrikkelijk veel moeite om in zijn studie over

’t wisselrecht den draad van zijn gedachtenloop weder op te vatten.

Toen hij echter kort daarna een briefje ontving van Louise, waarbij ze

hem verzocht om een onderhoud onder vier oogen, geraakte hij de kluts

geheel kwijt, en legde met een zucht de zaken ter zijde.

In de laatste dagen verkeerde hij in den zonderlingen toestand van

iemand, die in strijd is met zichzelven en, aarzelend, niet weet welke

gedragslijn te volgen.

Aan huis op visites aanbad hij Louise in het verborgen, maar was

niettemin tegen Hortense de verpersoonlijkte voorkomendheid.

Wel honderdmalen had hij op het punt gestaan om Louise een billet-doux

te zenden en haar om een rendez-vous te smeeken, maar telkens weer

waren de overblijfselen van een streng zedelijke opvoeding daartegen in

verzet gekomen, en had hij zijn begonnen briefjes in kleine stukken

gescheurd en verwezen naar de snippermand.

En daar zat hij nu met een briefje van haar in den zak!

Natuurlijk zou hij gaan.

Hij mocht dan zelf geaarzeld hebben om den stap te doen,—het bewijs van

meer voortvarendheid, dat zij gaf, vuurde hem aan.

Toch zag hij er eenigszins tegen op. Zoo stil op het kantoor, achter

den rustigen lessenaar en bij de drukke bezigheden, die hij plichtmatig

doen moest en waartoe hij zich had verbonden, kwam hem een liaison met

Louise voor als iets, dat met zijn geheele leven onvereenigbaar was en

het omver zou werpen. Zijn associé, een cynisch egoïst, die de

wereldsche zaken tilde alsof het dons was, had het kunnen doen zonder

dat iemand ter wereld er in zijn gewone doen en laten iets van zou

hebben bespeurd. Hem, Fournier, zou het geheel en onverdeeld in beslag

nemen. Hij kende zichzelven maar al te goed. Als het tot een liaison

kwam met Louise, dan zou op een goeden dag zijn lessenaar ongerept

blijven, het huis van Van Velton een bewoonster minder tellen, en een

boot naar Singapore daarentegen twee passagiers meer.

Hij kon zich dat niet anders voorstellen, en die zekerheid vervulde hem

met schrik; zijn strenge ouders, zijn geheele hoogst gedistingeerde

familie in Nederland,—en dan hij in Indië aan den haal met de vrouw van

een ander....

Hij sloot zijn lessenaar; ’t was hem onmogelijk langer te werken.

„Ik ben niet lekker,” zei hij, „en ga naar huis. Laat de oppasser mij

de stukken maar brengen. Misschien kan ik den boel vanavond afdoen.”

„Wat scheelt er aan?”

„Dat weet ik eigenlijk zelf niet.”

„Zoo. Nu, beterschap!”

’t Was een zenuwachtige dag, die er voor hem volgde. Zijn verbeelding

had nog nooit zoo krachtig gewerkt, meende hij. Het scheen, dat er twee

machten in hem streden: de natuur en de leer. De laatste deed hem

redeneeren en toonde hem langs den weg van logischen gedachtengang, hoe

verkeerd het zou zijn, indien hij zich liet leiden door zijn liefde

voor Louise, en welk een zee van ellende daaruit voor allen zou

voortspruiten.

De eerste kwam daar telkens brutaal en onbescheiden tusschen. Te midden

van zijn gedachtenloop drong zij zich op en maalde voor zijn geest de

liefelijkste tafereelen. Daarna betrapte hij zich als ’t ware weer op

die afdwalingen van zijn verstand, alsof hij ze zich een oogenblik te

voren niet bewust was, en hij sloot dan onverwijld zijn geest weder in

de banden van het conventioneel goede. Het hielp.... voor een

oogenblik; voor een vijf, tien minuten,—een kwartier misschien, maar

dan verzwakte onopgemerkt de band, en draaide hij weer terug naar den

vicieuzen cirkel, waaraan hij zoo gaarne wilde ontkomen.

De siësta wilde hem niet gelukken. Ongeduldig keerde hij zich van den

eenen kant op den anderen; stond op, trachtte te schrijven, maar

vruchteloos. Altijd kwam hij weer terug op hetzelfde onderwerp, met het

dualistisch bestaan, dat daaraan dien dag was verbonden.

Tegen den avond werd het er niet beter op. Te tien uren moest hij bij

haar komen. Hij at niet. Reeds tegen negen uren wandelde hij kalm, maar

innerlijk zeer onrustig op het Koningsplein. Hij zag Van Velton en

Louise in de voorgalerij, daarna ook Hortense; hij zag het rijtuig

vóórkomen en Van Velton met zijn dochter wegrijden; hij begreep het: de

familie was ergens geïnviteerd, maar mevrouw had zich laten excuseeren.

Daar zat ze, alleen. Wie haar bespied had, zou niets anders bespeurd

hebben dan een Indische dame, die in kalmte van geest zat te wippen in

een schommelstoel. Geen zweem van onrust of zenuwachtigheid, en toen

Fournier met een glimlach om den mond en iets familiaars in de

uitdrukking van zijn gezicht binnenkwam, stond ze op en trad hem een

paar schreden te gemoet, wat ze anders nooit deed.

„Dag meneer Fournier!” zei ze luid. „Komt u ons nog eens bezoeken? Wel,

dat vind ik goed.”

Verrast keek hij rond. Er stond, ja, een huisjongen naast een pilaar en

die keek droomerig recht voor zich uit. Anders was er niemand dan hij

en zij. Waarom sprak ze dan zoo hard en noemde zij hem meneer? Hij ging

zitten.

„En hoe gaat het je?” vroeg ze vriendelijk.

Hij trok de wenkbrauwen op en boog bedenkelijk het hoofd ter zijde.

„Wat zal ik er op antwoorden?”

„Wel,” zei ze lachend, „de waarheid. Ik vraag immers niets anders.”

„De waarheid is niet in twee woorden te zeggen.”

„Gebruik er dan maar wat meer. Ik heb den tijd om van je aangenaam

discours te profiteeren.”

Het was zoo vreemd, dat hij aan de echtheid van het briefje begon te

twijfelen. Zij sprak wel een half uur, en hij, eenigszins verstrooid en

verlegen, gaf slechts onbestemde antwoorden.

„Ik kan niet zeggen,” zei ze eindelijk, „dat je vanavond erg gezellig

bent. Je hebt wel eens vroolijker buien gehad.”

’t Was hem te veel.

„Wel, ik moet je de waarheid zeggen, Louise. Is dat briefje....” Hij

tastte tegelijk in den zak om het te voorschijn te halen, maar zij

hield hem tegen met een gebaar.

„Het is van mij,” zei ze. „Ik moet je spreken, Fournier, en....”

Hij zag dat zij zeer ontroerd was. Niet aan haar gezicht, maar aan het

op en neer gaan van haar boezem.

„En?” vroeg hij.

„Niets, het is niets. Ik wilde alleen maar zeggen.... dat ik het nog

tien minuten wil uitstellen. Ik houd anders niet van uitstellen. Praat

maar wat, dan heb ik een oogenblik afleiding.”

’t Was gemakkelijker gezegd dan gedaan; hij deed het dan ook niet, maar

stond op, haalde een album uit de binnengalerij en bladerde in de

teekeningen en portretten, zonder een woord te zeggen. Nooit had hij

haar zóó gezien, nooit haar op dien toon hooren spreken.

„Kijk eens,” zei hij eindelijk op een crayon wijzend, dat een Indisch

landschapje voorstelde, „wat is dat knap gedaan! Er staat geen naam

bij. Van wien is het?”

Zij had hem zitten aankijken, terwijl hij met het album bezig was. Geen

oog had ze van hem afgewend, en dat deed ze ook nú niet. ’t Sumatrasche

landschap verwaardigde zij met geen blik.

„Ik moet je spreken, Fournier,” herhaalde zij met denzelfden vreemden

klank in haar stem. „Ik moet je spreken. Kom even met me mee.”

Zij ging hem voor het huis binnen en in een der zijkamers. Hij lette er

op, dat ze hem niet bracht in haar eigen vertrekken. Het licht brandde

helder en de deur stond open.

’t Was waar, dat zijn voornemens goed waren en hij zich plechtig had

voorgenomen om met alle kracht, die in hem was, de leer te laten

zegevieren, maar toch overviel hem een gevoel van teleurstelling.

Hoe weinig geheimzinnig was dat alles! Niet ’t geringste waasje van

poëzie lag over ’t decoratief van dit rendez-vous!

Ofschoon hij voor iemand van zijn leeftijd tact en menschenkennis

genoeg bezat, ontbrak Fournier geheel een zekere donjuansche

handigheid. Hij was het ook niet gewoon. De uitingen zijner liefde

waren, evenals op dien avond in den tuin, Europeesch hartstochtelijk,

en minder geschikt voor het Indisch klimaat, dat zich wel eigent voor

diepe gronden, doch met stille wateren.

Zooals het nu ging, begreep hij er niets van. Nog eenigszins bezield

met zijn goede voornemens, schoof hij zijn stoel wat dichter bij den

haren. Hij wilde er toch wat meer van weten.

Zij bleef hem aankijken, en hij schrikte van de doodelijke uitdrukking,

die haar gezicht aannam.

„Wat is het toch, Louise,” vroeg hij dringend. „Zal ik ’n glas water

halen?”

Ze glimlachte even en schudde met het hoofd.

„Is het,” ging hij voort, „dan zoo verschrikkelijk een oogenblik met me

alleen te zijn? Je weet, Louise, hoe lief ik je altijd heb gehad, en

als een ellendig misverstand mijn geest niet had beneveld, zou je al

lang mijn lief vrouwtje zijn geweest Kom,”—vol goede voornemens vatte

hij haar hand—„kom, wees nu niet zoo geagiteerd en kijk me met je mooie

oogen niet zoo droevig aan! Heb je er dan zoo’n spijt van dat ik ben

gekomen om een oogenblik ongestoord met je samen te zijn?”

Het hielp niet; het had geen gunstige uitwerking op haar; ze werd

bleeker en de hand, die hij in de zijne hield, kouder. Wat hij nog

verder zou zeggen wist hij niet; het was voor hem erg unheimisch.

Plotseling stond ze op, lei haar beide handen op zijn schouders en zag

hem strak in het gezicht.

„Gérard, je moet trouwen met Hortense.”

„Hè?” vroeg hij één en al ontnuchtering en verbazing.

„Je moet het doen, Gérard,” ging ze snel en zenuwachtig voort. „Ik zeg

je moet. Ga nu heen. Ik zal je later nog wel spreken. Maar doe het,

Gérard! In godsnaam, doe het asjeblieft; trouw haar!”

Zij had al sprekende zijn beide handen gegrepen en die met kracht

gedrukt; haar gezicht was vlak bij het zijne geweest, en toen zij na

haar laatste woorden was weggeloopen en hem alleen had gelaten in de

zijkamer, zag hij nog een paar seconden haar gelaat voor zich met die

zonderlinge, wilde uitdrukking in haar trekken en dien starenden blik.

Meester Gérard Fournier was volkomen au bout de son latin, hoe vlijtig

hij ook indertijd ’t gymnasium had bezocht en later de pandecten had

bestudeerd. Zooals hij daar stond, met den ledigen stoel, waarop ze had

gezeten, vóór zich en te midden van al de luxe van ’t fraai gemeubeld

vertrek, scheen het hem een dwaze droom; hij wist zelfs niet wat hem te

doen stond: of hij heen zou gaan of blijven. Hij moest Hortense trouwen

had ze gezegd, en dat klopte precies met het praatje van Droz dien

ochtend. Welk een idée!

’t Was waar, dat nu dáárop het rendez-vous uitdraaide, waarom hij den

geheelen dag in zoo’n abnormale stemming had verkeerd, de leer al heel

gemakkelijk had gezegevierd; dat hem die victorie aangenaam was, had

hij ondanks de beste voornemens waarlijk niet kunnen zeggen.

Een minuut of tien liep hij, erg uit zijn humeur, de kamer op en neer,

in de stille hoop, dat ze nog zou terugkomen.

Maar ze kwam niet.

Toen nam hij zijn hoed en verwijderde zich zacht, voor zichzelven min

of meer met zijn figuur verlegen. Hij liep en liep het Koningsplein om,

tot hij weer het huis van Van Velton voorbijkwam. De gaslampen waren

uitgedraaid en er brandde slechts een bescheiden pitje om vader en

dochter voor te lichten als ze thuis kwamen.

’t Was alles van de meest eenvoudige proza; zoo zuiver realistisch

mogelijk. Wellicht sliep ze al. Misschien lachte ze hem uit in haar

kamer. Maar dat denkbeeld, hoezeer het zich aan zijn teleurgestelden

geest opdrong, verwierp hij toch, toen hem haar groote ontsteltenis

weer voor den geest kwam.

Peinzend over wat Louise toch bij mogelijkheid kon bedoelen met haar

zonderling verlangen, dat hij Hortense zou trouwen, ging hij naar huis.

Het meisje zelf, dat reeds met veel Bataviasche families bekend was

geraakt en in den laatsten tijd op een bijzonder goeden voet stond met

haar stiefmoeder, bracht een éclatant nieuwtje mee van ’t partijtje,

dat ze bezocht had met haar vader, met wien de jongste standjes

stilzwijgend waren bijgelegd.

Zij klopte zacht op de deur van Louise’s slaapkamer, om te hooren of ze

nog wakker was. Het dadelijk antwoord toonde aan, dat van slapen geen

quaestie was. Zij vond haar stiefmoeder op een divan in den donkersten

hoek van het zacht verlichte vertrek.

„Wat zit u daar ongezellig.”

„Was het nogal aardig vanavond?” vroeg Louise, alsof zij de opmerking

niet had gehoord.

„Vreeselijk saai; maar ik heb iets vernomen, dat ik u nog even wilde

vertellen.”

Hortense ging ook op den divan zitten en ontlastte haar gemoed van het

Bataviasch familie-nieuwtje. Intusschen gewenden haar oogen aan het

flauwe licht, en toen zag ze dat die van haar stiefmoeder erg rood

waren en gezwollen.

De nacht bracht kalmte.

Hij kalmeerde Louise, die zich den vorigen avond erger had opgewonden

dan ze had laten blijken, en hij deed Fournier tot bezinning komen.

Het denkbeeld van een huwelijk met Hortense scheen hem ’s morgens niet

meer zoo volkomen onmogelijk als den vorigen dag.

Louise kon hij toch niet trouwen, en het viel niet te ontkennen dat het

jongelui’s leven hem in den laatsten tijd erg verveelde. In elk geval

was hij er dan zeker van, dat hij een vrouw kreeg, die hem liefhad en

die hem niet nam om zijn maatschappelijke positie, of om zijn geld, of

wel om „getrouwd” te wezen, maar eenig en alleen om zijn persoon.

Natuurlijk had dit alles zich niet zoo ineens aan zijn geest

opgedrongen, maar terwijl hij ’s morgens zijn koffie dronk, in alle

kalmte, was het eene voor, het andere na bij hem opgekomen.

Hij droeg nu reeds een paar jaren zijn liefde zonder resultaat met zich

om en was er aan gewoon geraakt het object te zien zonder het te kunnen

grijpen.

’t Was Zondag-ochtend en hij behoefde niet naar ’t kantoor te gaan.

Langs de kali te Noordwijk, waar hij tegenwoordig zijn kamers had, was

het stiller dan gewoonlijk; de toko’s waren gesloten, en de

dagelijksche bedrijvigheid haast geheel verdwenen. Zoo rustig zat hij

in zijn galerijtje een sigaar te rooken, doelloos starende naar den

hoogen rooden kaaimuur en het grijsachtig altijd vlietend water, waarin

het bruine volkje met welbehagen rondspartelde. Tusschen het donker

bladgroen en de krachtige sierplanten staken scherp de witte muren af

der Europeesche huizen aan den overkant. Traag rolden de ledige

dos-à-dos over den weg, terwijl de vriendelijke koetsiers half liggende

de plaatsen warm hielden, waarop de eventueele passagiers zouden gaan

zitten. Nu en dan vloog de equipage van een enkelen kerkganger over den

weg, of rolde een karretje voorbij, met een paar min of meer aardige

nonnaatjes er in, die, in sarong en kabaja, uitgingen, misschien om bij

vriendinnen of verwanten zich ter eere van den Zondag op ’n lekkere

portie roedjaq te vergasten. Groepjes Europeesche kinderen, de meisjes

in veelkleurige Zondagsche jurkjes, de jongens als miniatuurmannetjes

in zwarte jasjes en met witte pantalons aan, liepen over het trottoir,

nu en dan stilstaand en koempoelan makend om te overleggen hoe ze ’t

best en ’t spoedigst door hun weekgeld zouden komen, en welken tekst ze

zouden opgeven thuis, als er soms gevraagd werd waarover dominee of

pastoor hadden gepreekt. En alles ging kalm en zonder veel gedruisch;

men had er bij kunnen indommelen.

Nu, dat gebeurde Fournier wel niet, maar toch werkte het rustige

ochtenduur mede, om hem tot een gemoedelijke wereldwijsheid te stemmen,

die in een huwelijk met Hortense Van Velton zoo’n absurditeit niet zag.

Vroeger zou hij nooit zoover zijn gekomen. Hij vond toen huwelijken,

die niet van weerszijden uit liefde waren gesloten, afschuwelijk, en

sprak een streng oordeel uit over alle mariages de convenance of de

raison.

Doch nu hij wat ouder werd en de praktijken der samenleving hem, vooral

sedert hij advocaat was, getoond hadden hoe weinig verband er bestond

tusschen ideaal en werkelijkheid, had zich zijn geest geplooid, en

zonder dat hij ooit bepaald onrecht zou vergoelijken, had hij voor

veel, wat in het leven voorkwam, gewonnen aan elasticiteit van geweten.

Na het ontbijt hervatte hij het werk, dat hij den vorigen dag had laten

liggen, en langzamerhand kwam hij geheel in „zijn zaken”, zóó zelfs dat

hij schrikte, toen een oprijdend voertuig de grind op ’t voorerf deed

knarsen.

’t Was de coupé van Van Velton,—dat zag hij dadelijk aan het span.

Haastig schoot hij een zwart jasje aan over zijn kabaja, en liep naar

voren, ’t Was Van Velton zelf!

Teleurgesteld reikte Fournier hem de hand.

Waarom hij was teleurgesteld begreep hijzelf niet recht. Het was toch

duidelijk dat Louise hem niet op klaarlichten dag visites zou maken op

zijn kamers.

„Hoe gaat het, hoe gaat het?” zei Van Velton opgeruimd. „Ik kom maar

eens hier, want gisteren zocht ik je vruchteloos op je kantoor. Droz

zei dat je ziek waart.”

„Ziek is het woord niet. Een beetje onlekker.”

„Komaan, dat is gelukkig. Och, ik had ’n paar kleine zaakjes, waarover

ik je spreken wilde. Conveniëert het je?”

„Welzeker; met genoegen.”

Toen de bespreking der kleine zaakjes, die, dacht Fournier, zulk een

haast niet hadden, was afgeloopen, stonden zij op en Van Velton, geen

mimes makende om weg te gaan, nam kalm plaats op een der twee

luierdstoelen, die een marmeren tafeltje in de voorgalerij flankeerden.

„Je woont hier wel aardig.”

„Ja, dat gaat nogal.”

„’t Ziet er hier netjes uit. En zoo gezellig!”

„’t Kan anders wel eens vervelend wezen, zoo alleen.”

„Ja, dat is de keerzijde van het jongelui’s leven. Er gaat bij slot van

rekening niets boven een eigen tehuis en een eigen familie.”

Fournier kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het

gelukkig leven en het prettig eigen tehuis van Van Velton. Hij wist van

hem, wat iedereen wist, met het verschil, dat hij, Fournier, de

waarheid kende, zonder overdrijving. Maar toch was die waarheid ruim

voldoende! En dan zag hij onwillekeurig in Van Velton nog iets anders.

Het was waar dat er tusschen hem en Louise nooit dat voorviel, wat door

de wereld als het criterium wordt beschouwd, maar niettemin was het hem

alsof hij de hoorntjes door het fijne grijze haar van Van Velton zag

steken.

Hij wilde toch wel eens zien hoever deze zou gaan.

„Ja,” antwoordde hij, „dat kan ik begrijpen. Als men een lieve vrouw

heeft en in vrede een gelukkig leven leidt, dan moet het huwelijk een

zegen zijn!”

Van Velton keek hem onderzoekend aan, maar Fournier tikte de asch van

zijn sigaar met het onschuldigste gezicht.

„Zeker,” zei hij gerustgesteld, „dat is het ook. ’t Leven en garçon in

Indië,—praat er niet van! Het is om een menschenhater te worden.”

„Zoo erg vind ik het nu niet. Het is zeker vervelend en eentonig, en ik

vind dat het philosophische buien verwekt; maar tot misanthropie....

neen, dat heb ik nog niet bespeurd.”

„Toch is het zoo! Wat heeft hier een ongetrouwd man, ’t zij jongmensch

of weduwnaar? Ja, hij kan naar de sociëteit gaan. Ook kan hij „visites”

maken en cadeautjes koopen voor de kindertjes van zijn getrouwde

vrienden. Hij kan eten, drinken, rooken en verder.... zich gruwelijk

vervelen.”

„Hm!” zei Fournier. „Er is nog wel iets waarmee veel jongelui zich uren

achtereen kostelijk kunnen vermaken! Bovendien hebben zij hun lectuur

en hun studie.”

Dat laatste was iets waartegen Van Velton niets kon inbrengen. Het

andere „iets”.... ja daarover had hij veel kunnen zeggen, want zijn

wijsheid en ervaring waren groot op dat gebied. „Lectuur,”—dat ging ook

nog, voor zoover het dagbladen, brochures, Fransche romans en

marktberichten aanging,—maar „studie” was een woord, dat uit zijn

dictionnaire was geschrapt.

L. Van Velton-Van der Linden · 第 7 / 13 段