staan. Haar wenkbrauwen trokken saam en haar lippen klemden zich stijf
opeen. Ze had die vrouw kunnen vermoorden! Niet alleen dat ze haar het
vaderlijk tehuis had bedorven en haar geldelijk had benadeeld, maar ze
ontstal haar nu den jongen man, op wien ze al haar hoop en liefde had
gevestigd. In gesprek met haar cavalier en eenigszins verscholen achter
een der pilaren, zag ze, o schande! dat Fournier haar stiefmoeder
wederom den arm bood en langzaam in druk gesprek met haar de treden,
die naar den tuin voerden, afging.
Niemand dan zij lette er op. Trouwens, het was bij het voortdurend
va-et-vient dien avond al zoo dikwijls gebeurd, dat er paren zich een
weinig gingen verfrisschen in de koelere atmosfeer van den op het
achtererf aangelegden tuin.
„Herinnert ge u den avond?” vroeg Fournier haast fluisterend.
Zij zuchtte diep.
„Och praat er niet over. Gedane dingen nemen geen keer.”
„Waarom heb je me toen zoo bits afgewezen, Louise? Waarom heb je mij
verworpen om naderhand te trouwen met hem?”
„Ik weet het niet. Praat er niet langer over. Ik was gek, Gérard.”
„Je bent zelf niet gelukkig. En hoe heb je mij het leven voor altijd
verbitterd!”
„Moet je het me nog verwijten? Ben ik niet gelukkig? Groote God, je
kiest wel zachte woorden.”
De sterren schitterden aan de strakke lucht, maar in den tuin was het
zeer donker, en zij waren de eenigen, die er wandelden.
„Ik wist het,” zei hij. „Ik zou, als ik je gelukkig had gezien, in mijn
lot berust hebben. Nu kan ik het niet, Louise.”
„Er is niets aan te doen.”
„Laat me dan ten minste één oogenblik geluk smaken,” zei hij op
gedempten toon, maar zóó hartstochtelijk, als zij nooit had gedacht,
dat hij wezen kon. Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar
herhaaldelijk. Zij verzette zich niet. Zij liet het toe. Het was alsof
een zoete bedwelming over haar kwam; een betoovering, waaraan zij geen
weerstand kon bieden. In zijn armen en tegen hem aangeleund, gaf ze hem
zijn kussen terug, tot plotseling een vreeselijke angst haar overviel.
Zij wist niet hoe het kwam, maar een overstelpend gevoel van afgrijzen
en vrees maakte zich van haar meester, en met een kracht, die hij nooit
had vermoed, zette zij haar beide geganteerde handjes tegen zijn borst
en stiet hem terug, zoodat hij haast omvertuimelde.
Snel nam ze toen zijn arm en trok hem als ’t ware voort naar het huis.
„Louise....” zij hij verward en geheel onder den invloed.
„Zwijg!” antwoordde zij bits.
Het waren alleen de oogen van Hortense, die hen bespiedden, toen ze
terugkeerden. Het meisje zag de vuurroode kleur van Fournier’s gelaat.
Op het donkere ondoorgrondelijke masque van haar stiefmoeder kon ze
niets bijzonders hoegenaamd bespeuren.
Bij het huiswaarts rijden in den landauer sprak Hortense geen woord. Na
het gebeurde in den tuin, was Fournier bij haar gekomen om den dans,
waarop hij aanspraak had. Zij had hem afgewezen.
„Scheelt u iets?” vroeg hij met belangstelling.
„Ja,” zei ze kortaf.
„Ik hoop niet, dat het ernstig is?”
„Och neen, het is niets.”
Wat het was, vernam hij niet, en ’t kon hem eigenlijk minder schelen.
Integendeel, hij was blij, dat hij van de verplichting met haar te
dansen ontslagen was. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn, na
die stormachtige scène, en kon zelf niet begrijpen, hoe hij daartoe
gekomen was.
Louise was hem voor de zooveelste maal een raadselachtig,
onbegrijpelijk wezen, waarvan hij de gevoelens en de bedoelingen niet
begreep.
Een ding was hem thans volkomen helder: zij had hem lief. En die
gedachte deed hem bij zichzelven glimlachen van gelukkige
zelfvoldoening. ’t Was reeds één uur en hij kon gevoeglijk in alle
stilte den aftocht blazen. ’t Was het beste, meende hij, wat hij doen
kon.
In het rijtuig, dat de Van Veltons naar huis bracht, volgde ieder zijn
eigen gedachtenloop; althans de dames, want Van Velton, die den heelen
dag op ’t kantoor was geweest in de stad, dutte behaaglijk in.
„Heb je nogal pret gehad?” vroeg Louise, wie de stilzwijgendheid van
Hortense opviel.
„Neen,” antwoordde het meisje zoo hard en brutaal, dat Van Velton er
verschrikt door ontwaakte uit zijn sluimering.
„Hortense!” zei hij op berispenden toon, en in angst voor hetgeen er
komen zou van den kant van zijn vrouw.
Maar er kwam niets.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden beet met haar scherpe tandjes haar
onderlip haast aan bloed, doch zij zweeg omdat zij begreep.
Dat meisje, verliefd op Fournier, had ze geheel vergeten, en dat meisje
had meer gezien dan goed was. Het bleef slechts de vraag of het slechts
een jaloezie was op losse gronden, dan wel of ze betoel had gezien.
Doch dàt was immers onmogelijk. Er was geen mensch in den tuin geweest,
en bovendien had daar een duisternis geheerscht, die elke bespieding
moest hebben belet.
Vruchteloos ging Louise na wat het wezen kon.
Thuis kuste Hortense haar vader goeden nacht en ging toen regelrecht
naar haar kamer, zonder ook maar een blik te slaan op haar stiefmoeder.
Het werd Van Velton akelig te moede, toen hij dien strijdlust opmerkte.
Wat moest daar nu weer uit groeien? Het ging nu alles een gemoedelijk
gangetje. Louise en Hortense verdroegen elkaar totnogtoe boven
verwachting goed, en hij was „lekker als kip” dat er zoo weinig
ongenoegen en standjes voorkwamen in zijn huis. Daar moest zeker iets
gebeurd zijn, dacht hij, tusschen die twee. In elk geval had Hortense
ongelijk, en paste het haar niet zoo onbeleefd te wezen. Van Velton nam
zich ernstig voor, zijn dochter den volgenden ochtend daarover eens à
faire te nemen.
„Adieu! Wel te rusten,” zei hij tegen zijn vrouw en deed een paar
schreden in de richting zijner kamer. Toen hield hij stil en aarzelde:
„.... je moet het haar maar niet te zwaar aanrekenen,” ging hij voort:
„ik zal haar wel onderhouden over haar gedrag.”
Onverschillig haalde zij de schouders op.
„Maak je er niet druk over; het is niets.”
Haar onverschilligheid was geveinsd. Inwendig was ze zeer ongerust.
Haar geweten verweet haar niets. De levenswijze kennende van haar man,
achtte zij zich volkomen gerechtigd tot elke buitensporigheid. Maar
haar trots kwam er tegen op, dat zij, zij, Louise Van der Linden, ook
al zou gerekend worden onder de dames, wier rijtuig men met den vinger
nawees. Daarvoor was ze zoo bang als de dood, en de gedachte dááraan,
de vrees voor een vlekje in de oogen van wien ook op haar zoo
vlekkelooze reputatie, deed haar het angstzweet op het voorhoofd
parelen.
Ze zou niet kunnen slapen. Haar kind lei rustig in zijn bedje,—ze keek
er niet naar om. Verbeeldt je, dat die Hortense het toch eens had
gezien! Gezien, dat zij, mevrouw Van Velton-Van der Linden, in de armen
lag van Fournier en hem kuste!
Voor een oogenblik keerde een zweem terug van de bekoring, die haar te
machtig was geweest. Haar trekken ontspanden zich; de uitdrukking harer
oogen werd zacht en liefelijk; de hoeken van haar fijnbesneden mond
trilden onder een opkomenden glimlach. Het duurde maar een oogenblik.
Toen nam het onaangename gevoel van vrees voor ontdekking, nu reeds na
het begin van den eersten stap, de overhand.
En tevens drong zich meer en meer de overtuiging aan haar op, dat ze
zekerheid moest hebben. Het kon zóó niet gaan. Zij kon zich niet laten
afsnauwen en beleedigen door de dochter haars mans, zonder dat ze zelf
den moed had een woord terug te zeggen, uit vrees voor een onbekend
gevaar. Alles liever, dan dat!
Driftig ontkleedde zij zich, terwijl zij de meid, die haar wilde
helpen, met een paar leelijke Maleische woorden verschrikt naar de
bijgebouwen deed vluchten.
Toen een der huisjongens de lichten uitgedraaid en de buitendeuren had
gesloten; toen alles stil was in huis, verliet Louise, in sarong en
kabaja, en op bloote voeten haar kamer, en sloop stil naar die van
Hortense.
Zacht draaide zij de porseleinen kruk open, en trad zonder kloppen de
kamer binnen. Zij deed het zoo vast en toch zoo behoedzaam, dat het in
de stilte van den nacht geen geluid maakte.
Een oogenblik bleef ze onbeweeglijk staan met den deurknop in de hand.
Hortense had het niet gehoord.
Half ontkleed, met niets aan dan haar lijfje en een onderrok, zat ’t
meisje voor haar toilet duchesse. Haar lange, blonde haren hingen in
wanorde half over de rugleuning van den stoel, half over haar
schouders. Zij keek naar haar handen, die gevouwen lagen op het
marmeren blad, en de uitdrukking van haar eenvoudig gezicht was zóó
wanhopig bedroefd, dat Louise er van versteld stond.
Zoo bespiedde zij Hortense eenige oogenblikken, en zij vond haar mooier
dan zij ooit voorondersteld had dat ze wezen zou. Nooit, zoo lang
Hortense daar woonde, was ze door haar stiefmoeder bezocht; nooit had
deze haar stiefdochter anders gezien dan gekleed.
En dat meisje, dat er in haar Europeesch toilet meestal zoo hoekig en
ongracieus uitzag, had in haar voordeel ce qu’on ne voit pas.
Niet alleen was ze lelieblank, maar er lag over haar fijne huid een
gloed van teederheid, een lichte rose tint, die er een groote
bekoorlijkheid aan gaf.
Met opzet deed Louise de deur hard dicht, zoodat Hortense verschrikt
van haar stoel opstond en naar haar peignoir greep.
„Je hoeft niet te schrikken; ik ben het.”
Hortense staarde haar sprakeloos aan, met een uitdrukking van vrees op
’t gelaat. Wat kwam dat gehate schepsel zoo laat doen in haar kamer?
Al de afkeer, die de jaloezie bij haar had opgewekt, kwam boven.
„Ik begrijp niet, wat u hier doen komt.”
„Zoo,” zei mevrouw Van Velton, terwijl ze een stoel nam en ook bij de
toilettafel ging zitten, „zoo, begrijp je dat niet?”
„Neen.”
„Je zult me anders wel willen toegeven dat ik het recht heb rekenschap
te vragen van je meer dan onbeleefd gedrag tegen me, vanavond.”
„Neen, dat geef ik niet toe.”
„Waarom niet?”
„Dat is mijn zaak!”
„Pardon, dat is mijn zaak. Ik ben hier de vrouw des huizes, en ik
verkies niet zoo bejegend te worden. Je papa....”
„Mijn papa!” viel Hortense haar luid in de rede, met een zoo smalende
uitdrukking in haar stem, dat het Louise koud langs den rug liep. „Mijn
papa is een....”
„Nu?”
Maar Hortense durfde niet. Zij zag de naderende uitbarsting van
ontembare drift op het gelaat van Louise, en ze werd er bang voor.
„Ik wil er niet verder over spreken. Laat mij met rust. ’t Is het
eenige, wat ik verzoek.”
„En ik zal aan dat verzoek niet voldoen, voordat ik weet hoe het komt,
dat je vanavond tweemaal zoo onbeschoft tegen me bent geweest.”
Er volgde geen antwoord.
„Het baat niet, of je zwijgt. Als je het niet zegt, dan zeg ik het,”
ging Louise toornig voort.
Zij had het plan gehad bedaard te blijven, maar die koele minachting
was haar te sterk.
„Mal wicht!” voer ze uit: „je bent JALOERSCH!”
Zij had een sortie verwacht van Hortense, die ze wist, dat ook niet op
haar mondje was gevallen, maar het meisje bleef hardnekkig zwijgen.
„Je moest je schamen, Hortense.”
Dat was te veel.
„Moest ik me schamen, ik? Ben ik niet vrij in mijn keus? Ben ik een
getrouwde vrouw?”
„Zie je wel, dat ik gelijk had, dat je jaloersch bent? Als er reden
voor was, als er werkelijk iets bestond tusschen Fournier en mij, dan
zou zelfs ik me niet behoeven te schamen.”
Verbaasd en verschrikt keek Hortense haar aan.
„Je behoeft me zoo vreemd niet aan te staren. Nu het zoover is, dat je
me van zulke dingen verdenkt, wil ik je iets anders zeggen; zoo slim
ben je wel, om opgemerkt te hebben, dat er niets meer bestaat tusschen
je papa en mij. Begrijp je daar de reden van?”
Hortense kon niet antwoorden; ’t was of haar een bal in de keel zat.
Groote God, wat zou ze hooren? Wat zouden dat voor ongevraagde
confidenties wezen?
Zij schudde met het hoofd van neen.
„Je papa heeft een liaison met een Europeesch meisje.”
„’t Is een leugen!” riep Hortense gloeiend van verontwaardiging.
„Ik spreek nooit onwaarheid. Het is, zooals ik je zeg. Was het een
inlandsche meid, dan zou ik er met minachting de schouders over
ophalen. Wat geeft men dààrom! Maar het is een Europeesch meisje, zoo
blank als jij. Ik heb het zelf gezien.”
’t Was voor Hortense verschrikkelijk om aan te hooren, maar aan de
waarheid twijfelde zij niet meer.
„Ik,” ging Louise voort, „heb mijzelve niets te verwijten. Fournier is
nooit mijn amant geweest, en hij zal het nimmer worden; je moogt hem
hebben, als je hem krijgen kunt. Ik wilde je dat alleen zeggen, opdat
je weten zoudt, tegen wie je voortaan zulke dwaze airs zult kunnen
aannemen. Verder wensch ik je wel te rusten.”
Even stil, als ze gekomen was, verdween ze.
In haar kamer dronk ze haastig een paar glazen water. Het had haar
ontzettend veel gekost, maar ’t was zóó goed. Zij kon nu rustig slapen,
en dat deed ze ook.
Van Velton vond het een aangename verrassing, dat ’s morgens aan het
ontbijt de dreigende onweersbui, die den vorigen avond tusschen de
dames hing, overgedreven bleek te zijn. Daarentegen bevreemdde het hem
uitermate, dat Hortense hem nurksch en onaangenaam bejegende.
’t Meisje, dacht hij, had tinka’s en al verdroeg hij die in zijn jonge
vrouw, over wie hij hoegenaamd niets te zeggen had, van zijn dochter,
wier plicht het was hem met onderscheiding te bejegenen, wilde hij het
niet verdragen.
Hortense had haar stiefmoeder geloofd. Och, ’t was ook heerlijk te
denken, dat zij zich had vergist! Zij had het eene en dus ook het
andere als waar aangenomen, en nu kon ze onmogelijk haar vader met
goede oogen aanzien. Zij vond hem gemeen en slecht, en haar stiefmoeder
mocht een lastig mensch wezen met een scherpe tong en vaak
terugstootende manieren,—als jonge vrouw was ze dan toch nog veel te
goed voor zoo’n ouden viveur. Geen zweem van een vermoeden was ooit bij
haar opgekomen, dat zoo iets mogelijk was. Haar papa, die altijd zoo
den mond vol had van fatsoen en decorum! ’t Was walgelijk!
Toen hij ’s middags uit de stad kwam, achtte Van Velton het oirbaar
zijn dochter te laten roepen om haar onder vier oogen eens de les te
lezen over baar wispelturig gedrag.
Hij prepareerde zich, trok een gelegenheidsgezicht, nam een pose aan
bij zijn bureau-ministre, en keek met ’t hoofd een weinig achterover
naar de deur, waardoor Hortense moest binnenkomen. Doch zijn eenigszins
geveinsde boosheid ging in welgemeende over, toen zij binnentrad met
haar koninklijke houding en een gezicht, vond hij, zoo brutaal als „de
deur van ’t rasphuis.”
„Zeg eens,” zei hij driftig, „wat beteekent dat?”
„Wat?”
„Dat weet je heel goed. Je heele manier van doen is hoogst ongepast.
Gisteravond heb je mevrouw Van Velton op een wijze bejegend, die....”
„Dat was een misverstand,” viel ze hem in de rede.
„.... En hedenochtend en nu weer permitteer je je tegenover mij....”
„Dat is geen misverstand.”
Voor de tweede maal was zij hem in de rede gevallen, en dat maakte hem
woedend. Zou dan iedereen in huis hem op den kop zitten? Dat mocht de
drommel! Zijn bedaardheid en vormelijkheid bezweken er onder; hij begon
te schelden.
„Je bent een brutale feeks. Ik beloof je, dat ik maatregelen tegenover
jou zal nemen. Van heden af kom je geen voet meer de deur uit.”
Zij zag hem met minachting aan.
„’t Was vrij wat beter, papa, als u maatregelen nam tegen uzelven.”
Van Velton ontstelde.
„Wat zeg je daar?”
„Ik zeg dat het beter was dat uzelf minder voeten buiten de deur
zette.”
Een oogenblik zweeg hij stil. Zijn gezicht werd rood als vuur en zijn
handen begonnen zenuwachtig te beven. Dreigend trad hij op haar toe.
„Je zult me zeggen, wat die praatjes te beduiden hebben,” riep hij op
schorren toon.
„Het behoeft niet. Ik zie heel goed dat u me begrijpt. Wie zou ook
zinspelingen op zulk een jammerlijk gedrag beter begrijpen dan u?”
„Hortense, je gaat te ver,” hijgde hij buiten zichzelven. „Je vergeet
den eerbied, dien je me schuldig bent. Geen woord meer of ik ben in
staat....”
Werktuiglijk hief hij de hand op. Al het decorum was verdwenen. Het
laagje vernis was geheel weg.
De man uit het volk kwam er onder uit. Zooals hij daar stond, geleek
hij niets op den kalmen, deftigen Van Velton, op den man van vormen en
voornaam optreden, die hij was in de wereld.
Zij week geen stap terug; zij vreesde zijn toorn volstrekt niet.
Hij greep haar bij den arm, maar met een driftige beweging trok zij
zich los.
„Je zult me zeggen wie je ten mijnen opzichte nonsens-praatjes op de
mouw heeft gespeld.”
„Dat wil ik wel, maar praatjes zijn het niet; het is de waarheid, die
ik vernomen heb van uw eigen vrouw.”
Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was dus waar, wat hij reeds lang
vermoedde: Louise wist er alles van!
„Ga naar je kamer” zei hij ruw.
„Het was beter geweest als u me daar had gelaten.”
Hortense verliet het vertrek met dezelfde houding, waarmee ze was
binnengetreden, terwijl haar vader opgewonden aan zijn bureau ging
zitten en zijn woede koelde door de onschuldige paperassen van den
eenen kant naar den anderen te smijten.
Het was, vond hij, schandelijk van zijn vrouw, om over zulke zaken te
spreken met zijn dochter. Indien ze hem zelf met verwijten had
overstelpt, dan zou hij het natuurlijk gevonden en verdragen hebben;
maar het meisje er in te halen, dat was archi-gemeen; dat was weer echt
Indisch!
Toch bekroop hem geen oogenblik de lust om Louise daarover te gaan
„onderhouden”; hij had meer dan genoeg van dat eene onderhoud en
verlangde volstrekt niet naar een ander, dat voor hem waarschijnlijk
nog minder roemvol zou afloopen.
Maar gemeen was het, dat stond bij hem vast, en hij vond nu op zijn
beurt, dat hij alle reden had om zich ten zeerste verongelijkt te
achten.
In plaats van zich naar haar kamer te begeven, zooals haar vader had
gelast, ging Hortense, wier zenuwen zeer geschokt waren, hoewel ze zich
kalm had gehouden, regelrecht naar haar stiefmoeder, en vertelde haar
met bevende lippen wat er was voorgevallen.
Mevrouw Van Velton zat haar verbaasd aan te kijken. Dat Hortense geen
lammeren-natuur had, wist ze bij ondervinding, maar ze had haar niet in
staat geacht om haar vader zulk een scène te maken.
Zelf van een heftigen aard, genoot zij in stilte van het verhaal, en
liet nog eens woordelijk herhalen wat „hij” had gezegd en wat „zij.”
„Maak je maar niet ongerust,” zei ze kalmeerend, toen ze er genoeg van
gehoord had: „je papa zal je niet opeten. Ik ben er ook nog.”
Een half uur lang zat ze met de hand aan het voorhoofd en den elleboog
op tafel, toen ’t meisje weg was naar haar kamer.
Wederom had ze een besluit genomen. Neen, zij wilde niet ondergaan in
den strijd; zij wilde en zou niet. Zij was dien dag weer bijzonder lief
geweest voor haar jongske, dat in den laatsten tijd waarlijk geen
overvloedige bewijzen van moederlijke liefde had genoten en meer
genoegen beleefde van zijn baboe, dan van zijn maatje.
Maar dien dag had ze weer haar toevlucht gezocht tot haar kind, dat ze
voortdurend bij zich had gehouden, waar ze ook ging of stond. Het was
haar eenig wapen en haar schild. Zij stond overigens moederziel alleen
in den strijd tegen haar oude liefde, die, door er aan toe te geven, in
den laatsten tijd zulk een hartstochtelijk karakter had gekregen, dat
ze er voor terugschrikte. Toen ze dien bewusten avond een oogenblik van
onberadenheid had, en plotseling daartegen in verzet was gekomen, kwam
dat vooral door een geluid, dat haar had herinnerd aan haar kind. Wat
het geweest was wist ze niet en ze had ook niet getracht het te weten
te komen; maar niet geheel vrij van bijgeloof, had het haar met een
angst en schrik geslagen, waartegen niets bestand was.
Aan het diner verscheen Hortense niet. Alleen Van Velton kwam. Hij zag
er zeer ontstemd uit, verschoof zijn stoel driftiger dan hij ooit deed,
en sprak geen woord.
„Waar is Hortense?” vroeg mevrouw Van Velton.
„In haar kamer, denk ik,” gaf hij norsch en kortaf ten antwoord.
„Je kunt wel fatsoenlijker antwoorden, als ik je wat vraag.”
De moed zonk hem in de schoenen. Hij was feitelijk vreeselijk bang voor
dat kleine mondje, dat zoo reusachtig groot was als het openging.
„Nu.... nu....” stotterde hij zoowat.
„Pangil nonna!” gelastte zij een bediende.
De Maleier wilde nog iets tegenzeggen; waarschijnlijk had Hortense hem
gezegd, dat ze niet aan tafel kwam.
„Bilang sama nonna goewa pangil!” herhaalde ze op den korten
commando-toon, die bij het personeel bekend was.
Een oogenblik later verscheen Hortense met roode oogen. Haar zenuwen
hadden nagewerkt, en dan: zulke onzedelijke dingen deden haar, die in
Holland in een stijven aartsfatsoenlijken kring was opgevoed,
allertreurigst aan.
„Kom, Stance,” zei Louise allervriendelijkst,—’t was de eerste maal,
dat ze haar bij den verhuiselijkten doopnaam noemde: „de soep wordt
koud.”
Wat kon die vrouw lief wezen, als ze wilde! Hortense glimlachte tegen
haar, en toch waren ze volstrekt geen vriendinnen, ja ’t meisje had
haar nog kort geleden gehaat met een doodelijken haat.
’t Was voor Van Velton een ware marteling. Louise, eenmaal en train,
overstelpte het meisje met attenties; zij was vroolijk en geestig, en
met beide handen wroetend in haar eigen leed, begon ze haar lachende en
volstrekt niet op hatelijke wijze te plagen met Fournier.
Verrast keek Van Velton op. Drommels! dat zou een kolfje naar zijn hand
wezen. Een dochter getrouwd met een controleur, die gauw
assistent-resident moest worden, en een ander met een gefortuneerd
advocaat. Het ontdooide hem geheel. Hij vergat zijn grieven.
Die Hortense moest zoo spoedig mogelijk aan den man, en Fournier was
een goede partij, dat had hij ook reeds lang gedacht. Maar dat er iets
gaande was, had hij nog niet gesnapt, hetgeen Louise volstrekt niet
bevreemdde.
Daar moest hij het zijne toe doen, dacht hij, en met een gezicht vol
welwillende belangstelling luisterde hij toe, in de stille hoop, door
een woord of een blik van zijn vrouw tot deelneming aan het gesprek te
worden uitgenoodigd.
Maar ofschoon hij daarvan geen last had, bracht de loop van zaken hem
toch in een beter humeur, zóó goed zelfs, dat hij niet kon nalaten dien
avond een extrabezoek te brengen aan Lientje Donker.
Gewoonte is zoo’n tweede natuur!
Maar Lientje, die dien avond niet op hem had gerekend, was niet thuis.
„Waar is ze?” vroeg hij haar moeder.
„Bij een vriendin in de buurt.”
„Kan je haar niet laten zeggen, dat ik er ben?”
„Och ja.”
Christien Donker ging het huis binnen en deed alsof ze een meid wegzond
met een boodschap aan haar dochter.
In het altijd duistere voorgalerijtje sprak Van Velton met haar over
koetjes en kalfjes, maar noch Lientje, noch de meid kwam terug, totdat
hij eindelijk, het wachten moede, maar besloot heen te gaan.
’t Was toch eigenlijk, dacht hij, geen existentie op die wijze; maar
wat moest hij doen?
’t Was nu eenmaal zoo. De relatie af te breken en geheel zonder te
blijven,—dat wilde hij volstrekt niet. En een andere, een nieuwe aan te
knoopen kwam evenmin met zijn bedoelingen overeen.
Hij had zijn rijtuig op een grooten afstand laten wachten, zooals hij
in den laatsten tijd steeds deed. Terwijl hij er langzaam naar
terugwandelde, passeerde hem een dos-à-dos, waarin hij hoorde lachen.
Precies een lach als die van Lien. Hij keek om en zag een lange
dragondersabel, die achter uit het voertuig stak. Stil liep hij door;
hij zou zich zeker hebben vergist! Maar met dat al vond hij het een
hoogst onaangename ontmoeting, en dubbel teleurgesteld keerde hij
huiswaarts.
Wat hem ’t meest bezig hield, was die schoonzoon in spe. Die Fournier
was er als het ware voor geknipt, meende hij.
Doch Louise moedigde hem niet aan, ze deed alsof hij ter wereld niet
bestond, wat hem overigens weinig kon schelen, maar in dit bijzonder
geval zeer speet.
Hij toefde thuis nog een weinig, in de hoop dat Hortense zou heengaan,
maar Louise, die zijn toeleg doorgrondde, werkte het tegen en hield het
meisje gezellig aan den praat. Half onwillig ging hij ten slotte heen.
Wat kon ze toch onaangenaam zijn! Maar Fournier tot schoonzoon,—dàt was
een uitmuntend idée.
„Hebt u gehoord, mevrouw, dat Hortense Van Velton met Fournier is
geëngageerd?”
„Zoowat ja. Ik vind het nogal gek.”
„Hoezoo?”
„Wel, ik herinner me heel goed, dat diezelfde Fournier indertijd druk
aan huis kwam bij dokter Van der Linden, toen Louise nog ongetrouwd
was.”
„Zoo-o.”
„Hij maakte haar toen in het oog loopend het hof.”
„Och wat?.... Maar hebt u niets opgemerkt?”
„In den laatsten tijd? Zeer zeker.”
„Nu, dat meende ik ook.”
„Moeder en dochter; ’t is mooi!”
„Ja, dat komt van die dwaze huwelijken.”
„Het moet een raar huishouden wezen. Mijn baboe heeft bij haar gediend
en me er alles van verteld.”
Mevrouw Doren schoof haar stoel naderbij.