Van Velton was in het onzekere gebleven, want op haar volgende tochten

had Louise, instinctmatig voorzichtig, een huurrijtuig gebruikt. De

eerste dagen was hij een beetje bevreesd geweest, maar hij had het

zich, zooals men ’t noemt, ontgeven, en des Zaterdags toen zij hem

bespied had, was hij zijn partijtje gaan maken met een gerust geweten.

Het ging alles den horizon van Christien Donker te boven. Zij begreep

er alleen van, dat, zoo haar plan was geweest zich door middel van

Lientje te wreken op de wettige dochter van Van der Linden, dit

volkomen was mislukt.

Men hoorde van niets hoegenaamd.

Van geen schandaal, van geen scheiding.

Zij had ook de bedienden van Van Velton uitgehoord, maar die wisten

blijkbaar van niets. Er kwam nooit een heer bij de njonja, nooit! Zoo

’s morgens een paar getrouwde dames uit de buurt, maar dàt was ook

alles.

Gaarne had zij zich nu gewroken op Van Velton, dien zij in haar

straattaal steeds vereerde met den bijnaam van „het oude varken”, maar

er begon zich voor haar een macht te ontwikkelen; ’t was het geld dat

Van Velton gaf.

Niet dat zij het noodig had,—aan wezenlijk, dadelijk realiseerbaar

eigen kapitaal, bezat ze misschien meer dan hij.

Maar hij kon in een maand meer uitgeven dan zij in een half jaar,

zonder dat er sprake was van zijn kapitaal. Van hetgeen hij gaf, konden

zij en Lientje leven, en zoo hield Christien, die liefde koesterde voor

’t geld, dat thans haar eenige genegenheid was, zich liever met Van

Velton op een goeden voet.

In die phase was Hortense uit Europa gekomen.

Zij was alreeds een paar dagen thuis, en er begon een pijnlijke

spanning te heerschen.

’t Meisje moest toch uitgaan, moest in families gebracht worden.

Reeds had menig handelsvriend gezegd dat hij gehoord had, dat zijn

dochter was uitgekomen, en gevraagd wanneer men ’t genoegen zou hebben

haar eens te zien.

Van Velton had ontwijkende antwoorden gegeven: vermoeid van de reis;

nog niet op haar gemak; een beetje koortsig,—allemaal noodleugentjes,

want Hortense was volmaakt wel,—maar nu moest er na een week toch een

eind aan komen.

„Hm!.... Louise....” begon hij op een ochtend.

„Wel, wat wou je?” was het onvriendelijk bescheid.

„Het betreft Hortense. Ze kan niet.... hier in huis blijven zitten....

ze moet voorgesteld worden.”

„Ja, dat vind ik ook.”

„Als je er dus niets tegen hebt....”

Zij ging vlak voor hem staan en keek hem zoo recht in de oogen, dat

hij, niet wetend wat daar volgen zou, zich minder op zijn gemak begon

te gevoelen.

„Het verwondert me,” zei ze, „dat je zoo kortzichtig bent. Wij moeten

Hortense niet alleen in de wereld brengen om harentwil, maar wij, ieder

voor zich, zijn dat aan de wereld verplicht. Heb ik me aan die

verplichting ooit onttrokken?”

„Volstrekt niet....”

„Dat ik je niet lijden mag, ja in den laatsten tijd een hekel aan je

heb, is iets waarvan ik onder ons geen geheim maak.”

„Dankje voor de openhartigheid.... ’t Is heel vleiend....”

„Wees niet jezuïtisch Van Velton. Het is geen nieuws voor je, en ’t kan

je ook niet schelen. Dat weet ik.”

Hij hoorde den klemtoon wel, maar vond het geraden Oost-Indisch doof te

wezen. ’t Voornaamste was in orde, en voor het oogenblik kon men de

rest laten rusten.

„Nu,” zei hij vergoelijkend, „laat ons niet twisten. Het spijt me dat

ik je verkeerd heb begrepen, en ik maak er wel mijn excusen over. Het

is dus afgesproken dat we met Stance visites zullen maken?”

„Ja.”

„Zal ik een lijstje opstellen?”

„Och neen! Als ik iets doe, stel ik het zelf vast. Ik zal ’n lijstje

maken.”

„O uitstekend.... het is niet.... Ik dacht niet dat je het gaarne

deedt.”

Zij haalde de schouders op en ging heen. Hoe had ze toch in godsnaam

ooit er in kunnen toestemmen een man te trouwen, die zou afschuwelijk

bête kon zijn. Dat hij slecht was,—ze wist niet beter of dat waren

zoowat alle mannen. Haar eigen vader, immers! Maar dat hij zoo’n mal

figuur kon maken, vond ze onuitstaanbaar.

Hortense vernam het nieuws met Gleichgültigkeit. Ze kleedde zich tegen

halfzeven en liep tegen zeven uren slecht gekapt, maar met een houding

als een koningin, de galerij op en neer.

Van Velton zag het, en het hinderde hem.

Dat was nu een meisje, dat een Europeesche opvoeding had genoten! Ze

wist zich nog niet te kleeden!

„Je coiffure is niet bijzonder geslaagd, kindlief,” zei hij, haar hoofd

door zijn lorgnet beschouwend.

„Och, ’t gaat nogal. Ik zal morgenavond een kapper laten komen.”

„Wel ja, doe dat.”

Toen Louise uit haar kamer kwam, trof het hem hoe onberispelijk zij er

in alle opzichten uit zag.

Gaarne had hij haar een compliment gemaakt, doch niet wetende hoe zij

het zou opnemen, onthield hij zich wijselijk.

Slechts enkele huizen van het hunne reed het rijtuig weer binnen; men

was zoowat begonnen met de naaste buren.

In het rijtuig kneep mevrouw Van Velton-Van der Linden de lippen stijf

opeen, en toen zij er uit werd geholpen, moest ze zich geweld aandoen

om niet te beven.

Men kwam binnen; Hortense werd voorgesteld aan de familie, en nog werd

haar een bezoeker gepresenteerd: Mr. G. Fournier, advocaat.

Van Velton was in zijn kracht. Bij vreemden gevoelde hij zich in den

laatsten tijd veel grooter en gewichtiger, dan bij hem thuis.

Hier was hij de chef van een der machtigste huizen; de man die over

tonnen beschikte, en die het wel en wee van velen in de hand hield. Hij

mocht thuis weinig te vertellen hebben; hij mocht op een clandestiene

wijze aan zekere neigingen voldoen,—in de kringen van Batavia kon hij

zijn persoonlijkheid doen gelden. Daar was hij „meneer Van Velton” for

ever; dáár vond men hem niet bête, maar gold, integendeel, zijn oordeel

als een orakel; dáár kreeg hij zijn woordenrijkdom terug en zijn sang

froid.

Fournier vond de ontmoeting zeer onaangenaam.

Hij begon zich nu juist zoo ’n beetje heen te zetten over het zeer

reëel verdriet, dat hij had gehad, toen Louise weder eens met hem had

gespeeld als de kat met de muis, en ze hem eerst tot haar had getrokken

en hem daarna, door een terughoudendheid, die aan onbeleefdheid

grensde, had terug-gestooten.

Daarom besloot hij zich aan niets te wagen, en, voor zoover de

wellevendheid ’t toeliet, zich van elk gesprek met haar te onthouden.

De beste afleiding was Hortense.

„Hebt u veel genoten van Europa?” vroeg hij haar.

„Och neen! ’s Zomers was het nogal aardig, maar zoodra de herfst kwam

werd ik ziek.”

„U kon niet tegen de kou?”

„Volstrekt niet. Ik voel me hier in Indië veel beter.”

„Hoe is ’t mogelijk! ’t Is bij de meeste menschen juist andersom.”

„Ja, dat is zoo. Als we weer naar Europa gaan, zal ik ’s winters in ’t

zuiden van Frankrijk vertoeven.”

„Hebt u nog gereisd?”

„We zijn in Italië geweest,—te Venetië, te Rome, te Milaan.”

Hij hield haar aan den praat over Europa, en zij vond het aardig, naar

het scheen. Dat ze hem niet altijd kon volgen, was duidelijk, en het

ontbrak haar ook aan dien grooten tact van converseeren, waarin Louise,

als ze wilde, uitmuntte,—maar niettemin vlotte het gesprek, nu en dan

onderbroken door de familie, die men bezocht, doch dan telkens weer

door Fournier met ijver hervat.

Het hinderde Louise geweldig; ze kon het niet langer uithouden.

„En we zien u zoo in ’t geheel niet meer, meneer Fournier,” zei ze

plotseling op haar liefsten, meest melodieuzen toon.

„Mevrouw....” zei hij eenigszins stamelend. „Ik ga weinig uit. Het is

voor ons een drukke tijd, en u weet: werken is zalig.”

„Vooral, wanneer de finantiëele resultaten zoo goed zijn, als bij de

heeren advocaten, wanneer ze het druk hebben,” mengde zich Van Velton

in het gesprek.

„Wel,” antwoordde Fournier op denzelfden toon, „dat is bij ons nog

slechts kinderspel, vergeleken bij den groothandel. Maar dat bedoelde

ik niet zoozeer. Arbeid geeft verstrooiing.”

„Er wordt hier in Indië over het algemeen veel gewerkt,” meende de heer

des huizes. „Vrij wat meer dan in Europa.”

’t Gesprek ging in die algemeene, banale richting door. Men sprak over

de warmte, de huizen, de koorts en al wat verder tot de ingrediënten

behoort van een gewoon Indisch discours, tot het tegen acht uren liep

en de Van Veltons opstonden om huiswaarts te gaan.

Louise reikte Fournier de hand, en toen hij de drukking voelde van haar

vingers, was het hem vreemd te moede.

„Zien we u eens gauw?” vroeg ze.

Hij had bij zichzelven gezworen er nooit weer aan huis te komen.

„Ik hoop spoedig ’t genoegen te hebben,” zei hij.

Aan tafel maakte Hortense de opmerking, dat als alle heeren in Indië

waren, zooals die jonge advocaat, ze in den omgang draaglijk genoeg

waren.

„Zij zijn niet allen zóó,” antwoordde haar stiefmoeder kortaf.

„Neen, zeker niet,” stemde Van Velton toe. „Hij is een beschaafd en

ontwikkeld man. Het doet me genoegen, dat je hem hebt gevraagd, ons nu

en dan eens te bezoeken.”

„Wel, mij ook,” erkende Hortense openhartig.

Louise at zwijgend voort; zij wilde dàt gesprek niet voortzetten.

Reeds drie maanden kwam Hortense in de wereld, en die viel haar niet

tegen. Ze was er op vooruitgegaan. De omgang met Indische jonge dames

uit den ontwikkelden stand had althans ’t voorrecht gehad, dat zekere

onbevallige stijfheid uit haar manieren was verdwenen.

Fournier kwam er veel aan huis tegenwoordig.

Hij had aan de invitatie van Louise voldaan, en zij was zeer

vriendelijk geweest. Maar nog vriendelijker was Hortense.

De ondervinding had haar reeds zóóveel geleerd, dat volstrekt niet alle

heeren in Indië waren als hij. Integendeel, zij vond dat hij ver boven

allen uitmuntte.

Ze stak dat onder stoelen noch banken, en daar men er thuis juist zoo

over dacht als zij, viel het niet in ’t oog.

Maar op een avond ging Louise een licht op. Hortense was verliefd!

Verliefd op Fournier! Met gesloten lippen, en ’t gezicht half achter

haar waaier verscholen, zat ze in een wipstoel heen en weer te

schommelen, terwijl Hortense een fraai, nieuw plaatwerk, dat Van Velton

dien dag had meegebracht, aan Fournier liet zien.

Zij bespiedde het gezicht van ’t meisje; zij las in haar trekken; zij

zag in haar oogen,—daar was geen twijfelen aan: dàt was het, en die

uitdrukking gaf het ordinaire gezichtje van Hortense een bijzondere

schoonheid.

„Hortense,” zei mevrouw Van Velton—Van der Linden, toen het bezoek weg

was en ’t meisje naar bed wilde gaan, „kom je even in mijn kamer?”

’t Was verbazend, en ook Van Velton wist niet, wat hij hoorde. Sedert

Hortense uit Europa was, had ze dat gedeelte van het huis niet meer dan

ééns betreden, en Van Velton wist in het geheel niet meer, hoe de

kamers van zijn vrouw er uit zagen.

„Ik wou je alleen maar zeggen,” zei Louise op drogen, koelen toon, „dat

je ’n beetje voorzichtiger moet wezen.”

„Voorzichtig? Hoe zoo?”

„In je wijze van spreken en in je houding tegenover heeren.”

„Mevrouw!” riep ’t meisje rood van toorn en met de groote airs, die ze

van haar vader had geërfd.

„Je behoeft je niet op te winden, kind. Het is een goede raad, dien ik

je geef en dien ik me verplicht zie je te geven.”

„Ik begrijp niet....”

„Het is sedert je hier bent de eerste maal, dat ik me die vrijheid

veroorloof. Ik doe het niet voor mijn genoegen.”

„Maar wat meent u dan toch?”

„Het schijnt dat je minder vatbaar bent om te verstaan, dan om te

kennen te geven.”

Hortense begreep zeer goed, want zij gevoelde zich niet vrij van

schuld; reeds vóór eenigen tijd wist ze, dat Fournier een plaats in

haar leven had ingenomen, die totnogtoe geheel onbezet was geweest.

Toch kon ze dat niet zeggen, en ze deed wat haar vrouwelijk instinct

haar ingaf: zij hield zich van den domme.

Zij haalde met een onverschillig gezicht de schouders op en zei:

„Als u niet anders dan in raadsels verkiest te spreken, mevrouw, zal ik

maar naar mijn kamer gaan, want ik heb te veel slaap om ze op te

lossen.”

„Het is jammer, dat meneer Fournier niet nog wat is gebleven; dat zou

je wakker hebben gehouden. Geloof me, kind,” ging Louise voort op een

toon, dien ze wist dat Hortense meer hinderde, dan de scherpste

hatelijkheid: „geloof me, het is van een meisje zeer verkeerd ’n

jongmensch het hof te maken.”

„’n Jong mensch?” vroeg Hortense met een nijdig lachje: „zou het niet

erger zijn een bejaarden man ’t hof te maken?”

„Je praat onzin, kind. En dat staat je te leelijker, omdat je weet, dat

je onzin praat. Iedereen ziet wel graag, dat een meisje ’n beetje

coquetteert, als ze ten minste den tact heeft het gracieus en met

bevalligheid te doen. De plompe manier, waarop je Fournier te verstaan

schijnt te willen geven, dat je slechts wacht op het eerste sein om je

aan zijn voeten te werpen,—geloof me, kind, die is niet alleen

ganjesachtig, ’t is ongepast.”

Hortense liep kwaad weg. Ze was, wat men noemt bij de hand genoeg, maar

tegen zooveel venijnigheid en koude minachting was ze niet opgewassen.

Wat in ’s hemels naam kon dat mensch toch bewegen zoo ondeugend en zoo

kwetsend te zijn? Wat had ze daar een beeld geschetst van haar,

Hortense, de ongenaakbare Hortense Van Velton met de vorstelijke

houding!

In haar kamer huilde ze. Nu ja, het was waar: ze was verliefd op

Fournier. Maar wat ging het dat mensch aan en waarom moest ze haar

dáárom zoo grieven?

Voor Louise was het duidelijk, dat zij zich niet had vergist. Die

Hortense, dat schaap, permitteerde zich.... Het was meer dan

bespottelijk!

Zij had zich kalm gehouden tegenover dat meisje, omdat haar positie en

haar waardigheid dat eischten, doch nu zij alleen was, vierde zij haar

toorn en verontwaardiging den teugel.

Doch zij was te zeer een Indisch meisje uit den fatsoenlijken stand om

dat te doen met levendigheid en op demonstratieve wijze.

Als een beeld zat ze op haar stoel en keek strak voor zich uit. Maar

een storm woedde in haar binnenste. Zij had in den laatsten tijd

toegegeven aan haar liefde voor Fournier. Als Hortense zich niet zoo

druk had gemaakt om hem,—wel zij zou de kracht gehad hebben, meende ze,

over haar gevoel haar verstand te doen zegevieren. Maar die liefheid

van ’t meisje tegen hem, en die oplettendheden en die vriendelijkheid

van hem tegen Hortense.... Nu, als het zoo zijn moest, dan zou het ook

zoo wezen! Als die verwenschte Van Veltons haar in alles den voet dwars

wilden zetten, moesten ze maar hebben wat er opstond. Zij gaf er den

brui van langer zulk een leven te leiden; zij zou doen als zooveel

anderen deden, die niettemin overal geëerd en gevierd werden, en voor

wie niemand de deur sloot of den neus optrok, al wist ook de halve

wereld dat ze meermalen een loopje hadden genomen met ’t geen ze den

ambtenaar van den burgerlijken stand hadden beloofd.

De baboe stoorde haar. Er waren jurkjes thuis gekomen voor het kind.

Zij snauwde de meid af, zooals Indische dames dat kunnen. Dat gezanik

ook!

En er zou een feest wezen. Heel goed! Zij zou er heen gaan, en dat

houten schepsel, die asperge, zooals zij in gedachten haar stiefdochter

betitelde,—die ging ook mee. Nu, men zou eens zien! Zij, Louise Van der

Linden,—’t Van Velton vergat ze!—zou eens werk maken van Fournier; op

haar manier, op de Indische, speciaal de Bataviasche manier, dat is te

zeggen onweerstaanbaar en toch zóó, dat de domme totoks er niets van

snapten. Zij zou dat wicht dood tergen. Fournier behoorde haar, en al

had ze van hem vrijwillig afstand willen doen,—nu daar een andere in

het spel was, zou zij haar rechten doen gelden.

De avond van het feest volgde spoedig.

Vóór dien tijd was Louise bepaald vriendelijk geweest tegen Hortense,

die er eerst niets van begreep, maar naderhand tot de meening kwam, dat

haar jonge stiefmoeder berouw gevoelde over haar hardheid en

onaangename bejegening.

Het meisje had ditmaal de uiterste zorg besteed aan haar toilet, en

ofschoon het werkelijk fraai en keurig net mocht heeten, beving haar

toch een gevoel van moedeloosheid, toen ze haar eigen beeld vergeleek

bij dat van de vrouw haars vaders. Hoe fraai waren de lijnen van dat

figuurtje! Overal dezelfde zachte ronding; geen hoeken en holten,—’t

was alles even harmonisch en sierlijk.

Van Velton zag het ook en zuchtte.

Toch trokken, ondanks het verschil, beide dames de aandacht op het bal.

De stiefmoeder, omdat zij het altijd deed,—de stiefdochter, omdat men

van haar gereusseerd toilet eenigszins vreemd opkeek.

Wie kon vermoeden, dat beiden hun best zoo hadden gedaan met één en

hetzelfde doel?

Slechts één der talrijke aanwezigen, en die één was Mr. Gérard

Fournier.

Een groot jaar geleden nog slechts zou die wetenschap hem voldoende

geweest zijn zoo niet om zich te verbergen, dan toch zeker om zich

zooveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar sedert hij in de

praktijk was, was hij nogal veranderd. De dagelijksche omgang met een

associé, die indertijd een echte viveur was, en nog, bij gelegenheid,

zich niet onbetuigd liet, had grooten invloed op hem uitgeoefend.

Dat Louise hem aanmoedigde in den laatsten tijd, was hem zoo klaar als

de dag; hoe hij casu quo zich daartegenover houden zou, wist hij niet

precies; hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat hij voor zijn

oude liefde zijn beginselen overboord zou gooien.

En dat Hortense werk van hem maakte, deed hem glimlachen. Een goed

meisje, een lief meisje, waarschijnlijk nog een hoogst onschuldig

meisje, en zeer zeker een goede partij, maarrr.... Neen, dàt was

onmogelijk.

Hij drong naar voren—want het was zeer vol—toen hij ’t rijtuig der Van

Veltons bespeurde, en hielp de dames uitstijgen.

Een bejaard heer gaf den arm aan Louise, Fournier bracht Hortense

binnen, die van vreugde hem wel had willen kussen.

Van Velton volgde, zooals een man volgt, bij zulke gelegenheden.

Ondanks de groote menigte gasten en ’t feit, dat de balzaal bijna te

klein was voor de talrijke dansende paren, hield Fournier voortdurend

de dames Van Velton in het oog.

Hij had reeds zijn dansen met haar besproken. Voor de polonaise had hij

Hortense. Er was natuurlijk geen quaestie van dat een jong advocaat de

polonaise zou wandelen met mevrouw Van Velton! Een der deftigsten en

hoogstgeplaatsten uit de ambtelijke wereld had de jonge vrouw van den

invloedrijken handelsvorst daartoe genoodigd.

Onder de jongelieden werden reeds commentaren gemaakt. Mr. Fournier had

juffrouw Van Velton binnengebracht, en nu maakte hij de polonaise met

haar,—daar moest natuurlijk een engagement van komen!

Hortense lette op de glimlachjes en de hoofdknikjes van de jonge dames,

met wie ze reeds had kennis gemaakt en die haar op de wandeling door de

zaal passeerden. Zij begreep volkomen, wat ze wilden zeggen. En ze

ergerde er zich in het minst niet aan. Integendeel, ze vond het

heerlijk.

„Het is een prachtig feest,” zei ze tegen Fournier. „Ik heb in Holland

zulke schitterende partijen nooit bijgewoond.”

„Men heeft er anders in Holland ook den slag van partijen te

organiseeren, die magnifique zijn.”

„Ik geloof het wel. Maar de familie, waar wij bij woonden, leefde

stil.”

„Nu, dan moogt ge uw hart ophalen. Is uw boekje al vol?” Hij sprak tot

haar met dat zeker sans gêne van den man, die weet, dat elk zijner

woorden toch in de goede aarde valt van een hart vol liefde. Hij deed

zijn best niet om geestig of piquant te wezen, gelijk vroeger met

Louise Van der Linden.

„Er hebben mij meer dansers gevraagd dan er plaats was.”

„Goed dat ik mijn naam er al vroeger op heb ingevuld.”

„U hebt behalve de polonaise nog één wals.”

’t Was of er teleurstelling sprak uit die woorden en hij, gevoelloos en

ondeugend als alle mannen, die een verovering maakten, zonder den

minsten strijd, vroeg:

„Zou er nog niet een heel klein plaatsje meer voor me zijn?”

„Er is er geen. Waarom heb je het niet eer gevraagd?”

„Ik durfde niet onbescheiden zijn.”

Zij zei niets, maar keek voor zich. Och, het was teleurstelling, die nu

op haar gezicht te lezen stond. Fournier behoefde er geen oogenblik

langer aan te twijfelen.

Poor thing, dacht hij; ’t veinzen had ze zeker niet geleerd.

Ook van mevrouw Van Velton had hij twee dansen; ze had hem toen hij ’t

vroeg, haar boekje gegeven met een onverschillig gezicht en het

teruggenomen zonder het in te zien. Hij kende dat van haar. Vroeger zou

het hem op een dwaalspoor gebracht hebben. Nu niet meer.

Toen hij haar afhaalde uit den chiquen dameskring, waarvan zij deel

uitmaakte, wierp hij en passant een blik in een der groote spiegels.

Welk een prachtige verschijning was ze toch! Hij bewonderde haar weer

opnieuw, zooals hij het al honderden malen had gedaan; het fijn

besneden profiel, de fraai gevormde mond met paarlwitte tanden, het

rijke, golvende, blauwzwarte haar, dat haar ovaal gezichtje omlijstte,

de groote drijvende zwarte oogen, die zoo zacht uitkwamen op de matgele

teint—’t bracht hem in verrukking; het deed hem duizelen van

hartstochtelijke liefde.

Met haar was hij niet onverschillig; tegenover haar was geen sprake van

een zeker sans gêne; wat uit Hortense’s wezen had gesproken, toen ze

met hem danste, dat sprak thans duidelijk uit zijn trekken. Hij danste,

en hij zou gedanst hebben in een soort van verrukking tot hij er bij

neerviel, als Louise ’t niet betamelijk had geacht op te houden en wat

te wandelen.

„Je houdt je als danser uitstekend,” zei ze met een van die zonderlinge

glimlachjes, die hij nooit thuis wist te brengen.

„’t Is een compliment,—maar betrekkelijk.”

„Men moet met weinig tevreden zijn.”

„Tevreden? Zoo ik het al niet ben, doe ik toch mijn best het te

schijnen.”

„Als je het niet bent, à qui la faute?”

„Wees niet hard voor me, Lou... mevrouw!”

„Och, hoe flauw!”

Zij lachte en keek hem aan.

„Dat is nu zoo’n echte advocaten-aardigheid. Je versprak je volstrekt

niet, toen je Louise tegen me wilde zeggen.”

„Mag ik?”

„Hm.... Soms.”

„Mag ik nu?”

„Neen, zeker niet. Foei, meneer Fournier!”

„Maar zeg me dan toch, wanneer ik wèl mag. Begrijp je dan niet, welk

een tantalisatie ’t voor me is?”

Ditmaal lachte zij niet, en keek voor zich, met iets in haar

ondoorgrondelijk wezen, dat herinnerde aan Hortense in de polonaise.

„Ik heb je gezegd,” zei ze zacht, „dat je tevreden moet wezen. Je bent

immers de eenige niet?”

Zacht drukte hij haar arm tegen zich aan en ze wandelden zwijgend door

de zaal, tot zij weder vond dat het zaak was, den dans voort te zetten.

Slechts één had iets vermoed van den aard van het gesprek. Hortense had

naar Fournier gekeken; naar wie zou ze anders kijken? ’t Was geweest of

er een dolk in haar hart werd gestoken; zij was zoo bleek geworden als

de dood, en met het intuïtie-vermogen der liefde had ze ineens

begrepen.

De vreugde en opgewektheid van Hortense waren verkeerd in doffe

treurigheid. Zij kon niet twijfelen, en ze durfde niet gelooven.

„Amuseer je je nogal, Stance?” vroeg onverwacht haar vader, die haar

later, zoo onbeweeglijk als een beeld, zag zitten op een der divans in

de breede passage tusschen de binnen- en de achtergalerij.

Ze schrikte er van.

„Het gaat nogal,” antwoordde ze werktuiglijk.

„Je zit daar zoo geïsoleerd!”

„Ik heb ’n beetje hoofdpijn,” zei ze met een droevig lachje.

’t Was niet waar, maar ze moest toch iets zeggen.

„Kom, kom! zulke jonge meisjes moeten op een partij haar hoofdpijn maar

vergeten.”

„’t Is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”

Hij kon ’t gesprek niet langer voortzetten met zijn dochter, want een

der dansers kwam haar afhalen.

Toen wandelde hij verder op naar Louise.

Hij zat achter zijn partijtje te maken, en kwam slechts welstaanshalve

even naar zijn dames kijken.

Het was dezelfde stereotype vraag.

„Amuseer je je nogal?”

Maar het antwoord verschilde.

„Uitstekend! Ik heb in lang zoo’n geanimeerde partij niet bijgewoond.”

„Komaan, dat doet me genoegen.”

Van Velton vervolgde zijn tocht, sprak met enkele dames, die hij dien

avond nog niet had gezien, en blies zoo spoedig hij kon den aftocht

naar zijn hombertafeltje.

Al dansende verloor Hortense haar stiefmoeder en Fournier niet uit het

oog. Zij zag hoe hij, dadelijk nadat haar vader was weggegaan, de

plaats van mevrouw Van Velton naderde en met haar ging staan praten.

Zij zag Louise opstaan, hem den arm geven en naar de achtergalerij

gaan, waar het buffet was. Ze had alles willen geven om hen na te gaan.

„Zullen we niet even wandelen?” vroeg ze haar danser.

„Met genoegen,” zei hij, ofschoon hij het jammer vond, want de dans was

nauwelijks aan den gang.

„Ik zou heel graag een glas ijswater hebben.”

De galante cavalier wilde heenvliegen om het te halen, maar Hortense

gaf er de voorkeur aan het aan ’t buffet te gaan gebruiken.

L. Van Velton-Van der Linden · 第 5 / 13 段