geëerd werd, meer om haar arbeid, dan om de grondstof, die daarvoor was
gebezigd, herinnerden hem sommige plekjes aan zijns vaders huis.
’t Was daar op kleiner schaal geweest en in bescheidener trant, maar
toch,—er zat zekere verwantschap in.
Hij had, toen hij binnenkwam, even zijn compliment afgestoken bij de
vrouw des huizes, die entouré was van nieuw aangekomen gasten. De vrouw
des huizes! ’t Was haast niet te gelooven, zoo frisch zag ze er uit, ze
had geheel het uiterlijk van een meisje, zoo jong scheen ze en zoo
jeugdig was haar toilet....! Fournier vond, dat het eigenlijk geen
dracht was voor een getrouwde vrouw, op weg een Indische mater familias
te worden.
Maar ’t stond haar goed, dat was waar, en ze zag er verrukkelijk uit.
Hij danste niet, en hij speelde niet. Langzaam liep hij de galerij
door, waar de speeltafeltjes stonden, en sprak hier en daar tegen een
bekende. Men trachtte hem over te halen de vierde man te zijn bij een
whistje, maar hij excuseerde zich.
Hij wist niet wat hem scheelde; hij gevoelde zich hoogst onvoldaan; ’t
verveelde hem nu reeds. Droomerig liep hij rond en keerde ten slotte
terug naar de zaal, waar gedanst werd.
Mevrouw Van Velton kweet zich ijverig van haar plichten als gastvrouw,
en haar man, die ook overal te gelijk was om toe te zien, dat het
niemand aan iets ontbrak en om dezen en genen een vriendelijk woord toe
te voegen, zag met groot genoegen hoe dapper Louise zich weerde.
Toen alles en train was, danste zij eens mee; ze hield er zoo dol veel
van, en al had ze volstrekt niet verlangd naar feesten of partijen,
sedert ze getrouwd was,—nu ze de opwekkende muziek hoorde en de
dansende paren om haar heen zweefden; nu ze in vroolijke en opgewekte
stemming raakte, door de feestvreugde rond haar, kon ze niet nalaten
aan een der vele uitnoodigingen te voldoen.
Fournier wilde heengaan, stilletjes uit de voorgalerij verdwijnen, zijn
rijtuig zoeken uit de menigte wachtende equipages, en onopgemerkt naar
zijn woning terugkeeren.
Terwijl hij, schijnbaar zonder eenige bedoeling, dit plan op sluwe
wijze wilde uitvoeren, en daarbij voortdurend naar Louise keek, die hij
voelde, dat hem elk oogenblik meer in een verzoeking bracht, waaraan
hij weerstand wilde bieden, met al de kracht, die in hem was,—wendde
zij ’t hoofd om en keek hem aan.
Onwillekeurig stond Fournier stil. Zij riep hem.
Niet luid en bij den naam: daarvan was natuurlijk geen sprake.
Maar dat ze hem riep, daaraan viel niet te twijfelen. Haar groote
donkere oogen, haar vriendelijk lachend gezicht, de beweging van haar
waaier,—alles zei hem: Kom hier!
Aan zijn stillen aftocht dacht hij niet meer. ’t Was of hij onder een
magnetischen invloed verkeerde. Hij ging naar haar toe, vóór hij
eigenlijk besefte, dat hij liep.
„Danst u nu nog niet?” vroeg ze hem.
„Als u me de eer wilt aandoen....”
Hij vond zichzelven kinderachtig, verachtelijk; hij had in vollen ernst
bij zichzelven uitgemaakt, dat hij voor zulk een schepsel, dat zich had
weggeworpen aan een ouden weduwnaar, alleen om diens geld, niets
hoegenaamd kon gevoelen; hij was op de partij gekomen, omdat hij
geïnviteerd was door den chef van een huis, waaraan zijn kantoor een
aardigen duit verdiende, maar met het vaste voornemen zoo spoedig
mogelijk weg te gaan, en zich te bepalen tot een kort officiëel praatje
met de gastvrouw, zonder meer; hij had op het punt gestaan dat program
correct uit te voeren.
En één blik had hem naast haar gebracht; en een bedekte zinspeling had
hem haar ten dans doen vragen.
Dat alles bedacht hij toen zij, vriendelijk glimlachend, haar arm in
den zijnen legde, als een afdoend bewijs dat zij hem „de eer” wilde
aandoen. Zijn eigen zwakheid ergerde hem. Toch gevoelde hij zich heel
anders dan toen hij zooeven door de zaal ging. Het was of de lichten
helderder brandden en de kleuren scherper uitkwamen; of de gezichten
der menschen levendiger en opgewekter waren, en of de muziek vroolijker
klonk.
Toen hij daar zoo naast haar wandelde, gereed tot den dans, toonde hij
waarlijk niet de minste overeenkomst met iemand, die bezig is zich te
executeeren.
Juist het tegendeel!
„Amuseert ge u nogal?” vroeg ze onder het dansen.
„Neen.”
„Dat is heel openhartig.”
„U hebt me toch nooit anders gekend.”
„Maar het is volstrekt niet vleiend voor mij. Verbeeld je! Daar heb ik
nu alles gedaan om een prettige partij te organiseeren; en u zegt me
maar eenvoudig, dat ge u niet amuseert! ’t Is galant!”
Ze sprak op den toon van lachend verwijt, pruilend zonder boosheid. En
ze was ook volstrekt niet boos. Ze vond hem om te kussen. Wat was hij,
ondanks alles, nog op haar verliefd, die ernstige, min of meer stroeve
jonge man, op wien dozijnen mama’s het oog hadden voor haar dochters.
Zij zouden hem niet krijgen, dat wist ze nu. Nog altijd heerschte zij,
Louise, waar ze had geheerscht als meisje. Ze vond het verrukkelijk en
ze maakte zich diets, dat het van haar kant niets was dan een
gevaarloos spelletje.
„Ik heb niets op uw partij af te dingen. Die is zeer schitterend en
ongetwijfeld hoogst amusant en geanimeerd.”
„’t Is wat moois! En u amuseert u zoo weinig, dat u op mijn vraag
volmondig „neen” zegt!”
„Het ligt niet aan de partij, mevrouw Van Velton.”
„Och wat? ’t Mankeert er nog maar aan dat het aan mij ligt.”
Hij gaf zoo dadelijk geen antwoord.
„Het ligt uitsluitend aan mij,” zei hij eindelijk.
„Kasian! Wat kunnen we dan doen om u op te vroolijken?”
„Ik behoef niet opgevroolijkt te worden. Maar, ik amuseer me niet, in
den zin ten minste, die voor uw andere gasten geldt.”
„Ah zoo! Dus ge amuseert u op ’n bijzondere manier.”
Hij keek haar zoo ernstig aan, dat ze er van schrikte.
„Vindt u ’t toilet van mevrouw Broese niet keurig?”
Ze sprak heel graag over mooie japonnen, maar ditmaal had ze er
hoegenaamd geen gevoel voor. Och, ze had nog zoo graag op het eerste
onderwerp doorgegaan, en ze vond het onaangenaam, dat hij er een eind
aan maakte, door zijn brusquen overgang op de toiletten der dames. ’t
Was immers zoo’n volmaakt „onschuldige” plagerij!
Toen hij haar had teruggebracht naar haar plaats, kwam het denkbeeld om
stil te verdwijnen niet meer bij hem op. Wel nam hij zich ernstig voor
te zorgen, dat hij niet meer zoo dicht in haar nabijheid kwam, want hij
wist nu hoe zwak hij feitelijk in zijn schoenen stond; maar aan
vroegtijdig heengaan dacht hij niet meer.
„Ik dacht dat je niet danste.”
Mr. Droz, met wien Fournier zich had geassociëerd, zei het op een
eigenaardigen toon, dien Fournier niet beviel, al was hij volstrekt
niet van plan er een aanmerking op te maken.
„’t Was met de vrouw des huizes.”
„Je wilt zeggen: men is dat zoo’n beetje verplicht.”
„Nietwaar?”
„Welzeker. Bovendien is het hier waarachtig geen opoffering.”
„Zeker niet.”
„’t Is ’n alleraardigst vrouwtje, hè! Die Van Velton weet ook wel wat
hij doet. ’n Slimme vent!”
„Ja, ’t is onbegrijpelijk!”
„Nu, ik vind het zoo onbegrijpelijk niet. Zij is zoo’n charmant....”
„Ik bedoelde ’t juist andersom.”
„Ah zoo! Wel dat vind ik nog duidelijker. Hij is wel ’n groote twintig
jaar ouder op zijn minst, maar hij ziet er flink uit. ’n Knap man,
zoo.... en dan....”
De oudere advocaat maakte met duim en wijsvinger ’n veelbeteekenend
gebaar.
„Daarom behoefde zij het niet te doen.”
„Dat is te zeggen, dokter Van der Linden heeft wel geld, maar dat lijkt
er niet naar. Ik schat Van Velton, alles en alles bijeen, op twee
millioen.”
„Och kom?” riep Fournier ongeloovig.
„Waarachtig. Ik weet waar hij met zijn particulier vermogen zoo wat in
zit. Het is een man in bonus.”
Fournier zweeg.
„Je kent haar van vroeger?” vroeg Mr. Droz.
„Ja, ik kwam er indertijd veel aan huis.” Hij kon ’t niet helpen, maar
hij kreeg een kleur als een schooljongen, die betrapt wordt, en ze werd
er niet beter op, toen de andere zijn verlegenheid opmerkte en er om
lachte.
„Zoo, zoo! Dat had ik niet gedacht, hoor!”
„Wat?”
„Dat je om die oude Bekanntschaft verlegen zoudt behoeven te worden.”
„Er is geen quaestie van, Droz. Je maakt geheel verkeerde
gevolgtrekkingen.”
„Wind je niet op! Geloof me, in zoo’n delicaat geval is het ergste nog
niet eens erg. Nu, ik ga eens zien of het haast mijn beurt is. We
homberen met een uitvaller. Adieu!”
Aan het buffet dronk Fournier een glas Rijnschen wijn, toen dokter Van
der Linden op hem afkwam. Ook bij dezen had hij een bezoek gebracht, en
toen de dokter ’t jonge mensch terugzag, van wien hij wist, dat ’t een
vroegere serieuze aanbidder van Louise was geweest, bekroop hem een
gevoel van spijt.
„Zoo,” riep hij Fournier vroolijk toe: „ben je daar ook? Wel, dat doet
me nu eens genoegen.”
„Ik kon niet nalaten, dokter, van de vriendelijke invitatie van uw
schoonzoon gebruik te maken.”
„Zeker niet. Het is een prachtige partij, nietwaar?”
„Magnifique!”
„En amuseert ge u nogal?”
Wat moest hij zeggen?
„O zeker, heel goed.”
„Komaan, komaan! Weet je wat me eigenlijk in deze buurt brengt?”
„Ik zou denken de dorst, waartegen ’t buffet uitstekende middelen
oplevert.”
„Toch niet! Kijk eens, als ik hier naast het buffet dat trapje afga,
dan kom ik in het sous-terrain; dan ga ik weer ’n ander trapje op en
kom in de logeerkamer.”
„Ei!” zei Fournier, om toch iets te zeggen. Hij begreep er niets van.
’t Was of de dokter al veel te dikwijls in de buurt van het buffet was
geweest.
„Nu, daar slaapt mijn arme, kleine kereltje. Hij heeft ’t veld moeten
ruimen, dat begrijp je, en ik ben bang, dat hij onrustig is. Heb je hem
al eens gezien?”
„Uw kleinkind? Neen, nog niet.”
„Als je er pleizier in hadt, zou ik je hem wel eens willen laten
kijken. Kom eens mee voor de aardigheid.”
En met al den trots van een grootvader op een been, trok de dokter
Fournier mee het trapje af naast het buffet en loodste hem de
logeerkamer binnen.
’t Kind was werkelijk onrustig en kon den slaap niet vatten. Toen het
den dokter zag, stak het de armpjes uit, en zonder vrees voor de
smetteloosheid van het piqué-vest of de zwartheid van zijn pantalon,
nam dokter Van der Linden den kleine op den arm en toonde hem aan
Fournier.
Het trof goed, want Fournier had te huis in Holland kleine broertjes en
zusjes en neefjes en nichtjes gehad, tot een respectabel getal. Hij was
gewoon geweest met kinderen om te gaan; hij hield er veel van.
Zoo kwam het, dat hij die zekere manier had om tegen kleine kinderen te
praten en hen te streelen, die ze dadelijk tot zijn goede vrienden
maakte, en zoo kwam het, dat, toen mevrouw Van Velton—Van der Linden
ook eens naar den kleine kwam zien, zij haar vader en Mr. Gérard
Fournier op stoelen aan de tafel zag zitten, zich amuseerende met haar
jongske, dat het uitkraaide van de pret.
Ze schrikte er van, en stond een oogenblik verstomd.
„Je neemt het toch niet kwalijk, Wies?” vroeg de dokter een beetje
verlegen, want hij voelde nu, dat hij een dwaasheid had begaan. „Ik wou
Fournier zoo graag ons kind eens laten kijken.”
„Volstrekt niet, pa,” antwoordde ze zenuwachtig. „Volstrekt niet.”
„Mooi! Nu, dan laten we hem verder nu maar aan jou over. Ziedaar,” zei
hij, den kleine kussend. „Ziedaar, en geef nou je nieuwen sobat ook
maar een zoen.”
De dokter stak den jongen man ’t kind toe.
Toen ze weg waren, streek Louise met een zucht de hand over haar
voorhoofd.
„Die pa, die pa! Hoe kon de man toch zóó wezen? Te erg!”
Meer om zich afleiding te verschaffen en zich aan zijn eigen eenigszins
verwarden gedachtenloop te onttrekken, ging Fournier weer naar de
balzaal, en danste een paar maal met andere dames. Dan het was of ’t
noodlot hem vervolgde; in een quadrille kreeg hij onverwacht Louise tot
vis-à-vis met een overste van de artillerie, die, naar de booze wereld
zei, meer pijlen op vrouwenharten had afgeschoten, dan kanonskogels in
vijandelijke bentengs.
Eerst hield Fournier zich teruggetrokken, maar haar vriendelijk gezicht
bracht hem al heel gauw uit de plooi.
„Er is niets aan te doen,” dacht hij onder het naar huis rijden. „Ik
kan en mag er niet meer aan huis komen.”
Toch had hij het beloofd.
„Je moet maar dikwijls bij ons komen praten,” had zij bij het afscheid
nemen gezegd, en hij had er op geantwoord dat hij van de vergunning
gaarne zou gebruik maken.
Drie dagen hield hij zijn goede voornemens vol.
Den vierden op ’t kantoor zei zijn associé:
„Ik ga vanavond naar de Veltons. Ga je mee?”
Hij bedacht zich een oogenblik en lachend vervolgde de andere:
„Heb je het zóó bont gemaakt, dat ge er geen bezoek kunt brengen?”
Fournier haalde met een ongeduldig gebaar de schouders op.
„Praat toch zulke nonsens niet.”
Maar Mr. Droz had het er op gezet zijn jongeren collega te plagen.
„Ja, ja! Je wilt er niets van weten. Nu, ik kan daarin komen. ’t Is ’n
verduiveld aardig vrouwtje, dat is zeker.”
„Droz,” zei Fournier, zoo ernstig als hij dat doen kon, „wees zoo goed
en laat alle aardigheden op mijn verhouding tegenover mevrouw Van
Velton achterwege.”
„Poeh!! Je bent een rare vent, hoor!”
. . . . . . . . . . . . . .
„Een ander zou zijn goed gesternte danken voor zoo’n buitenkansje.”
„Ze was zoo lief tegen je, dat jullie onder het dansen veel had van een
pas geëngageerd paar.”
. . . . . . . . . . . . . .
Het was niet mogelijk een woord meer uit Fournier te krijgen. Gelukkig
kwam er een Chinees, die „een zaak” had: zijn bezoek maakte een eind
aan een plagerij, die Fournier meer pijn had gedaan, dan hij gaarne zou
hebben bekend.
Toch ging hij ’s avonds met Droz mee.
Mevrouw L. Van Velton-Van der Linden was zeer teruggetrokken en stil.
Zij sprak zeer weinig en dan nog bij uitsluiting tegen Droz. Van Velton
bemerkte het ook, en eenigszins verlegen over de onaangename
bejegening, die den jongen advocaat van den kant zijner vrouw ten deel
viel, deed hij zijn uiterste best om een opgewekt en vroolijk discours
met Fournier gaande te houden.
Tegen acht uren gingen de bezoekers heen. Louise groette zoo stijf en
vormelijk als slechts denkbaar was, tot groote ergernis van haar man,
die vond dat haar houding grensde aan onbeleefdheid, en daarvan was hij
een vijand.
Fournier, geheel uit het veld geslagen, rookte in het rijtuig zwijgend
zijn sigaar. Droz zat stil te pikiren. Dat er meer achter stak was hem
thans duidelijk. Een vrouw is zóó niet tegen een man, als er niets
hoegenaamd tusschen hen bestaat; dat had hem zijn veeljarige
ondervinding geleerd, en dat zei hem zijn menschenkennis.
„Je waart niet bijzonder in je humeur vanavond,” waagde Van Velton te
zeggen.
„In mijn humeur?” vroeg ze bits. „Ik had ’n beetje hoofdpijn en die heb
ik nog. ’t Conveniëerde me niet zoo druk te praten.”
’t Had haar moeite gekost!
Na dien avond van het bal, had ze ernstig nagedacht en toen was het
haar duidelijk dat ze gevaar liep. Ze schrikte er voor terug. Zij wist
nu hoe roestvrij haar oude liefde voor Fournier was gebleven. In de
eerste weken na haar huwelijk had ze hem vergeten, wat toen heel
natuurlijk was. Later in afwachting der geboorte van haar eersteling,
had ze zooveel te denken gehad aan de gewichtige aanstaande
gebeurtenis, dat ook toen geen andere dan vluchtige herinneringen aan
Fournier bij haar waren opgekomen. Toen het gebeurd was, had ze zulk
een nieuwen schat gevonden in haar kleine, dat ze feitelijk in haar
moederliefde opging. Zelfs de minder aangename verhouding tot Van
Velton had weinig of geen invloed gehad. Het feit, dat ze als het ware
gescheiden was van haar man, had toen nog geen noemenswaardig verlangen
bij haar opgewekt. Ze had liefde voor en van haar kind, en ze had haar
vader. Al dien tijd had ze niets anders verlangd. Maar dat feest en de
tegenwoordigheid van Fournier hadden voor haar de wereld weder
plotseling een ander aanzien gegeven. Er waren sluimerende begeerten
wakker geworden; er had zich een gevoel van verlatenheid van haar
meestergemaakt; zij gevoelde thans behoefte aan die liefde, die door
niets kan worden vervangen, en de man, wiens hart ze eens en naar het
scheen voorgoed veroverd had; dien ze zelf zoo had liefgehad, dat ze
heete tranen schreide toen ze hem door haar tinka’s en haar humeur van
haar stootte,—ze voelde dat die man gevaarlijk was, want ze twijfelde
of zij sterk zou wezen, indien hij eens zwak was.
En, fatsoenlijk en kuisch als haar leven altijd was geweest, mocht
daarop geen smet worden geworpen. Men zou haar, mevrouw Van Velton-Van
der Linden, niet nawijzen met den vinger, als.... neen, nooit, nooit!
Daarom had ze zoo’n kloek besluit genomen; daarom deed zij hem op de
duidelijkste wijze gevoelen dat hij voortaan moest wegblijven. Haar
houding was in het oogloopend geweest,—nu, soedah! het kon niet anders.
Maar alleen in haar kamer met haar voorgewende hoofdpijn, overviel haar
een gevoel, alsof zij dien avond het doodvonnis van haar levensgeluk
had geveld; alsof ze al wat de toekomst aan liefelijkheid en charme kon
opleveren, gedood had en begraven.
’t Kind sliep rustig en de baboe, die voor ’t bedje lag, ronkte als....
een baboe. In het halve licht der laag gedraaide gasvlam, nog getemperd
door den met donkere groepjes fraai beschilderden porseleinen ballon,
schenen haar de mahoniehouten meubelen en bruin damasten gordijnen en
portières van het somberste zwart. Stil en gedrukt zat ze aan haar
werktafeltje met de armen leunend op het paarlemoeren blad. Hij zou
niet meer terugkomen, dat was zeker! Ze had het gezien aan zijn
gezicht, toen ze hem zoo afgemeten goeden avond zei bij zijn
binnentreden; ze had het gehoord aan den klank zijner stem toen hij
sprak met Van Velton; zijn groet bij het heengaan was een
afscheidsgroet geweest.
Het was voorbij. ’t Gewone leven der laatste maanden ving weer aan. Zij
zag er tegen op als tegen een zwaren last. Een bitter lachje zweefde om
haar mond. Zóó te leven!
Maar het moest! Ze riep haar plichtgevoel te hulp en haar gevoel van
eer. Het kon niet anders. Was haar leven vreugdeloos,—welnu, ze zou
alles wezen voor haar kind. Die poëzie des levens bleef haar over, en
dat plantje zou ze kweeken in haar hart; dat zou ze verzorgen en
koesteren tot het een boom werd, die heerlijke vruchten voor haar
droeg.
Ze stond op en stak ’t hoofd tusschen de klamboe van ’t kinderbedje.
Wat sliep hij heerlijk! Hij zou haar al het andere vergoeden; al het
andere, dat het leven haar scheen te onthouden.
Zacht maar hartstochtelijk kuste ze haar jongske, en ze hoorde niet,
dat er te gelijk werd geklopt op de kamerdeur.
Eerst toen ze weer kalmer en tevredener was gaan zitten en het kloppen
werd herhaald, lette ze er op en deed de deur open. Een bediende bracht
een brief.
Wat zou het zijn? Een brief van hem? Ofschoon bevend van ontroering,
hield ze zich uiterlijk kalm.
„Is meneer thuis?” vroeg ze den inlander.
„Neen. Meneer is na het eten uitgegaan.”
„’t Is goed!” en langzaam deed ze de deur weer dicht. Zenuwachtig en
driftig, nu, draaide ze het licht hooger op en bekeek het adres.
Neen, ’t was niet de hand van Fournier, wiens schrift zij kende. Waarom
overviel haar bij die ontdekking een gevoel van teleurstelling? Ze had
toch niet gehoopt op zoo iets,—zij die zooeven vrede had gesloten met
haar hart, en zoo berustend zich geschikt had in wat noodzakelijk was.
Waarom interesseerde haar die brief nu in ’t geheel niet meer, zoodat
ze hem in de hand hield zonder hem te openen, verdiept in haar eigen
gedachten?
Onverschillig bekeek ze het adres: ’t was een vrouwenhand, slordig en
niet correct. Ze opende de enveloppe met een ivoren vouwbeentje, en
terwijl ze dat deed, begon het kind te schreien. Daarom lei ze dadelijk
neer wat ze in de hand had, en nam den kleine uit zijn bedje, en
schopte te gelijk tegen de baboe aan, die nooit op een andere manier
wakker was te krijgen.
Hij keek een oogenblik met slaperige oogjes rond, terwijl Louise hem in
de armen hield; na een paar minuten dommelde hij weer in, en zoo
zachtjes als alleen een moeder dat kan, lei ze hem weer in zijn bedje.
„Mevrouw!
Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de
week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang...., die daar
alleen woont met een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt
u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.
Een vriendin.”
Het zou moeilijk zijn te zeggen geweest, welke gewaarwording bij Louise
de overhand hield, die van verbazing of van verontwaardiging. Wat was
dat nu? Zij dacht aan laster; ’t kon immers niet waar zijn, meende ze;
maar als.... Haar doortastende aard kwam boven. Zij hield zich niet op
met aan haar bedienden te vragen, wie het briefje had gebracht, want ze
wist wel, dat dit toch tot niets kon leiden.
Ze liet eenvoudig den coupé inspannen, beval de baboe goed wakker te
blijven en op te passen, en was in tien minuten op weg naar het
aangewezen adres. En ze was er kalm onder; zeer bedaard. Ze wilde weten
wat er te weten was voor haar, maar in het ergste geval, dat was dus
als het waar bleek te zijn, dan kon het haar nog niets hoegenaamd
schelen.
Ze reed langs het aangewezen huis: ’t was waar; het rijtuig van Van
Velton stond tegen de pagger aan den overkant. Daarop reed ze naar haar
vader.
Dokter Van der Linden, die gaarne in zijn vak bijbleef, had juist met
de mail zijn medische tijdschriften ontvangen. Hij zat in de
achtergalerij in slaapbroek en kabaja geheel verdiept in de studie van
wat er op geneeskundig gebied voor nieuws was aan de groote
inrichtingen in Europa en Amerika.
Hij hoorde een korten, snellen tred door de binnengalerij naar achter
komen, en wist toen dat het zijn dochter Louise was.
Een angstig voorgevoel beving hem.
Zou zijn vermoeden zekerheid zijn, en zou het niet zoo goed zijn
afgeloopen, als hij had gedacht? Wat was er bij de heftigheid van haar
karakter dan te wachten?
„Wel, kind, hoe kom jij hier nog zoo laat, en alleen?”
„Wilt u dit eens inzien?”
Hij hield den brief onder ’t licht, terwijl zij plaats nam op een
divan.
Daar hadt je het gaande! Dat was het werk van Christien Donker. Al had
hij haar slordig, slecht schrift niet met een oogopslag herkend, dan
zou hij het toch dadelijk hebben begrepen.
Tot zulke gemeene streken was zij alleen in staat.
Tegenover Louise moest hij zich goed houden, en met een gezicht, waarop
de nieuwsgierigheid te lezen stond, doorliep hij ’t korte briefje.
Toen, vol ernstige verontwaardiging en met de houding van een
onvervalschten père noble, vouwde de dokter het in tweeën, met een
beweging alsof hij ’t wilde verscheuren. Doch de bestudeerde
bedaardheid in zijn bewegingen deed hem ’t doel voorbijstreven. Vóór
hij ’t kon verscheuren was Louise snel opgesprongen, had het hem uit de
hand gerukt en in haar zak gestoken.
„Je lijkt wel dwaas, pa!”
„Zou je dan zoo’n gemeen, lasterlijk epistel nog een oogenblik willen
bewaren?”
„Wie zegt, dat het laster is?”
„Ik.”
„En hoe weet u dat, als ik vragen mag?”
„Hoe ik dat weet? Vooreerst omdat zulk anoniem geschrijf altijd leugen
en laster is; in de tweede plaats omdat Van Velton een veel te
fatsoenlijk....”
Zij lachte hem uit in zijn gezicht.
„Zal ik u wat zeggen, pa?”
„Nu?” vroeg hij angstig.
„Het is waar.”
„Och kom, hoe kan je dat beweren?”
„Wel doodeenvoudig: ik heb het gezien.”
Zij had het gezien! ’t Klamme zweet parelde dokter Van der Linden op
het voorhoofd. Groote goden, wat moest dat beteekenen? Zij had het
gezien!
„Hoe bedoel je dat?” vroeg hij met onvaste stem. „Je bent daar, hoop
ik, toch niet in huis gegaan?”
Zij hief het hoofd op met een uitdrukking vol minachting op het
gezicht.
„Dat zou ver beneden me zijn. Denkt u, dat ik in zoo’n huis zou komen?
Toch.... ik weet het niet.... misschien.... als het een man betrof,
dien ik liefhad. Maar om hem.... Bah!”
„Sst! sst! kindlief, zoo mag je niet spreken. Dus, je bent er niet
geweest,” vervolgde hij met een zucht van verlichting, „en je weet dus
niet....”
„Paatje,” viel ze hem wederom in de rede, „praat nu geen mallepraat.
Zijn rijtuig stond op de aangewezen plaats en het is waar; ik zeg u dat
het waar is.”
„En ik houd vol dat het een leugen is. Dat zijn rijtuig daar stond
bewijst niets.”
Zij haalde de schouders op.
„’t Is vruchteloos te trachten hem te verdedigen. Ik ben er over
verwonderd, pa. Ik had gedacht dat u boos zoudt zijn op Van Velton en
verontwaardigd over zijn gedrag. In plaats daarvan verdedigt ge hem, en
neemt mij naar ’t schijnt eenigszins kwalijk, dat ik onderzocht heb
naar hetgeen in dien brief wordt geschreven. Het is vreemd.”