Meer vroeg zij niet van hem, en toen hij zich aan dien eisch had

onderworpen; toen hij verder haar baas liet spelen over het gansche

huishouden,—toen verlangde zij ook niet van hem, dat hij op meer

daadwerkelijke wijze toonde de echtgenoot te zijn van mevrouw L. Van

Velton-Van der Linden.

Ook tegenover zijn schoonpapa was hij alweer „de minste” geweest, en

schoon dat dezen verheugde in ’t belang van den huiselijken- en

familievrede,—geruststellen deed het hem niet.

Dokter Van der Linden wantrouwde die overmatige vriendelijkheid, dat

buitengewoon toeschietelijke.

Lientje was niet bij hem teruggeweest; hij had niets meer van de heele

geschiedenis vernomen.

Hij vond dat zeer verdacht.

Wat Louise zich zoo had laten ontvallen, dan wel de hatelijke

zinspelingen, welke zij zich had veroorloofd, golden voor hem niet. Hij

wist hoe relatief de menschelijke eigenschappen waren, en hoe de geur

der rozen personen kan in verrukking brengen, die geen neus hebben voor

reseda.

Maar met al die kennis ontbrak het hem aan den moed om te onderzoeken.

Wie weet! Als het was, zooals hij vreesde, dan zou er misschien toch

nooit iets van aan de groote klok komen. Dan zou ’t misschien even stil

en zonder gerucht afloopen, als die geschiedenis van hemzelven.

Daarom informeerde hij er niet naar.

Na veel bidden was Van Velton er in geslaagd, Louise te bewegen een

feest te geven. Alleen de zakelijke redeneering, dat het niet in ’t

belang der groote firma was zoo stil te leven en zoo bitter weinig

menschen te zien, had haar doen besluiten hem zijn zin te geven.

Anders: zoo’n ganschen avond te recipiëeren en het kind over te laten

aan de baboe, dat was voor haar een straf. En wat zou het slecht slapen

van het leven en de muziek! Als het er maar geen koorts van kreeg,

kasian! Het was toch al niet lekker, want het had weer zoo’n dikte in

het mondje, en het was nu en dan zoo warm.

Doch ze had nu eenmaal toegegeven en ze zou zich in ’s hemels naam maar

executeeren, en er al de soesah van voor haar rekening nemen.

In de dagen, die het feest voorafgingen, was ze weer een beetje de

Louise van vroeger geworden, die in haars vaders huis er zulk een slag

van had, alles voor bals en partijen in orde te maken, zoodat iedereen

haar om strijd roemde.

Haar man zag het met vreugde. Hij wist hoe het hoorde en hij zag met

bewondering, dat zij het nog beter wist. Och, als ze een beetje meer in

dien geest had gehandeld, toen zij die quaesties hadden, het zou geheel

anders zijn geweest dan nu.

Doch er was weinig meer aan te doen.

„Kom,” zei ze, „ga jij nu ’n beetje bij het kind; je ziet, dat ik het

zoo druk heb, en me haast niet met den jongen kan bemoeien.”

En hij ging naar de kamer of achter naar de binnengalerij, en beproefde

den kleine te amuseeren.

Maar dáárvan had hij nu in ’t geheel den slag niet. Dat ging hem

onhandig af. ’t Was of het kind daar besef van had, want als hij

beproefde er zulk een mal gezicht tegen te trekken, als men naar plicht

en geweten tegen kleine kinderen trekken moet, dan begon het luid te

schreeuwen, en drong zich aan tegen de baboe; dan kwam Louise hard

aanloopen en keek ze hem minachtend aan, alsof hij de grootste stumperd

was, die op twee beenen rondliep, en dan sloop hij quasie glimlachend

en gemoedelijk hoofdschuddend naar voren, met stille woede in ’t hart.

Een paar dagen vóór de partij werd er belet gevraagd in den vooravond,

door een heer.

Zij vroeg niet eens, wie het was! Wat kon het haar schelen? Er kwamen

zooveel menschen zulke visites maken. Nieuwe handelslui, ambtenaren,

officieren, oude kennissen van Van Velton, die „doortrekkende” waren.

„Die man komt nu al verschrikkelijk ongelegen.”

„Ja—a!” zei Van Velton.

„Kunnen we hem geen belet geven? Kunnen we niet antwoorden, dat we het

zoo druk hebben, en hem te gelijk maar vragen voor de partij?”

„’t Laatste wèl; maar we dienen hem toch eerst te ontvangen. Hij is een

jong advocaat, die zich pas geassocieerd heeft met den advocaat van

onze firma. We kunnen elkaar dikwijls noodig hebben in zaken. Een

eerste visite kan ik moeilijk afschrijven.”

„In Godsnaam dan!” zei ze met een diepen zucht. „Hoe heet hij?”

„Och je kent hem wel! Hij was vroeger hier te Batavia geplaatst bij de

rechterlijke macht, maar hij is uit den dienst gegaan; hij heet

Fournier.”

Louise had een gevoel, alsof haar een koudwaterstraal langs den rug

liep.

„Gérard Fournier?” vroeg ze met weifelende stem.

„Precies! Er staat althans op het leitje: Mr. G. Fournier.”

„Laat hem maar komen,” zei Louise op denzelfden vreemden, haperenden

toon.

Haar man lette daar niet op.

Hij was al blijde, dat er geen hatelijke woordenwisseling over dit

ongelegen bezoek voorviel, en schreef den advocaat, dat hij hem met

genoegen zou ontvangen.

Louise was zenuwachtig. Het denkbeeld Gérard terug te zien, die ze in

een oogenblik van kwaad humeur, in een booze bui had afgewezen, terwijl

ze hem werkelijk liefhad, bracht haar in verwarring.

Zij vreesde geen oogenblik voor zichzelve. In elk geval zou zij zich

weten te beheerschen; bovendien was zij altijd een meisje geweest van

zeer fatsoenlijke principes, en als vrouw, als gehuwde vrouw en moeder,

scheen haar fatsoen haar dubbel onaantastbaar en gewaarborgd.

Doch wel was ze bang voor haar eigen ontroering. Wat beteekende dat? De

enkele mededeeling van het feit, dat Fournier zou komen, deed haar

beven van ’t hoofd tot de voeten. Wat zou ze ondervinden, als hij daar

voor haar stond, en wat als hij hen dikwijls kwam bezoeken? Zou zij dat

aanmoedigen, of zou ze toonen, dat ze ’t liever niet had? Al die vragen

stelde ze wel, maar ze kon er niet één beantwoorden.

Ze dacht er den volgenden dag wel honderdmaal aan, en toen ze ’s

middags zich kleedde om den nieuwen bezoeker te ontvangen, besteedde

zij een buitengewone zorg aan haar toilet.

Toen ze in de voorgalerij kwam, monsterde Van Velton haar met

zonderlinge gewaarwordingen. Het was toch iets anders een vrouw chic

gekleed te zien op Europeesche wijze, dan dat nonchalante Indische

ochtendtoilet, meende hij.

Ze had er nog sedert hun trouwen zoo goed niet uitgezien. Eenvoudig was

ze gekleed, maar keurig, en alles zat als geschilderd om haar sierlijk

figuurtje. Bepaald, ze had haar beau soir. Ze wierp in ’t voorbijgaan

in elken spiegel een blik vol coquetterie. Was ze maar altijd zóó

geweest! zuchtte Van Velton in stilte.

Een behaagzieke vrouw, die veel werk maakte van haar toilet en van de

wereld, zou hij op de handen hebben gedragen; van kinderen zogende,

altijd in sarong en kabaja loopende huismoeders had hij een geweldigen

afkeer.

Tegen zeven uren hield een rijtuig voor ’t huis stil. Van Velton stond

op; Louise zat te lezen in de courant van den dag, alsof ze die uit ’t

hoofd wilde leeren; of liever ze las niet: ze keek op een stuk, waarvan

ze niets begreep,—zij, die haast nooit anders las dan ’t feuilleton en

de advertentiën. Het was alleen om een houding te hebben tegenover

Fournier. Men zat niet op hem te wachten; men las!

Hij dacht niet aan de mogelijkheid, dat men op hem wachtte. Zijn oude

liefde had hij begraven. Toen hij te Soerabaia nog in ’s lands dienst

was, had hij vernomen dat Louise Van der Linden trouwen zou met Van

Velton, en sedert dien dag verachtte hij haar, als een dier

zelfzuchtige, hartelooze schepseltjes, die in het huwelijk niets anders

zien dan een finantiëele onderneming; die niet trouwen met een man,

maar met een dikke portefeuille vol bankbiljetten, bezwaard, helaas!

met het servituut, dat een man er de houder van is, en men het een niet

kan krijgen zonder het andere er bij te nemen.

Het is waar, dat hij, sedert hij naar de balie was overgegaan,

eenigszins andere opvattingen van het leven had gekregen.

De idealist begon uit te slijten.

Hij nam genoegen met veel, dat hij vroeger niet zou hebben aangehoord

zonder protest; hij haalde de schouders op over dingen, die hem vroeger

woedend zouden hebben gemaakt. En hij wist en gevoelde wel, dat hij

toenemende in Indische wereldwijsheid, afnam in moraliteit, maar er was

niets aan te doen. Wie niet verlaten en verstooten wil achterblijven,

dient mee te glijden op de baan, al is het slechts plan-plan.

„Bonjour,” zei Van Velton, hem de hand reikend. „Ik behoef je wel niet

voor te stellen aan mijn vrouw. Je kent elkaar van vroeger.”

Fournier boog.

„Zeker.... En hoe gaat het u, mevrouw?.... ’t Is lang geleden sedert ik

het voorrecht had....”

Hij wist maar half, wat hij zei.

Louise was opgestaan toen hij naar haar toetrad en met de eenvoudige

gratie, die welopgevoede Indische meisjes aan den dag kunnen leggen,

als ze dat willen, had ze hem verwelkomd.

Zij was nu niet meer weifelend of zenuwachtig; althans daarvan was

niets te bespeuren. Op vasten toon leidde ze de conversatie.

„Beviel de ambtenaars-loopbaan u niet langer?”

„Neen.”

„Ik kan het me voorstellen,” lachte Van Velton. „Het is wel zoo goed

een advocaten-kantoor te hebben op een der hoofdplaatsen. Men verdient

’t kapitaal voor zijn eigen pensioen gauwer en beter.”

„Och, wat dat betreft.... Om het geld heb ik het niet gedaan.”

„Waarom dan?” vroeg Louise.

’t Was een eenigszins indiscrete vraag, dat voelde ze.

„Het is misschien wat onbescheiden van me, u dat zóó te vragen.”

„De zaak is, dat ik er moeilijk met een paar woorden op antwoorden

kan.”

„A propos, hebt u pleizier om overmorgen onze gast te zijn? We geven

een danspartij.”

„Met genoegen, meneer Van Velton.”

„Danst u nog?” vroeg Louise.

„Nog, mevrouw?”

„Mijn hemel, ja! De heeren worden tegenwoordig zoo gauw oud, of nemen

er althans den schijn van aan.”

„’t Is waar, dat ik in langen tijd niet heb gedanst.... sedert....”

„Is het zóó lang geleden?” vroeg Van Velton.

„Ja.... inderdaad.... het is de laatste maal geweest bij uw papa aan

huis....”

Het hartje van mevrouw L. Van Velton-Van der Linden klopte sneller. Dat

was geweest op die fameuze partij, waarop Lucie gevraagd was door Van

Brakel, en zij, Louise, door Fournier; die partij, waaruit ’t huwelijk

van ’t eerste paar maar, door haar bitse weigering, niet dat van het

tweede was voortgevloeid.

Had hij sedert niet gedanst? Had het zulk een invloed op hem gehad,

zulk een diepen indruk bij hem achtergelaten? Arme jongen!

„Was er te Soerabaia zoo weinig te doen?”

„Volstrekt niet. Het is een zeer drukke plaats. Maar ik ging weinig

uit.”

Terwijl Van Velton met zijn bezoeker de gewone Indische conversatie

volgde, welke, in den gezelschapstoon gevoerd, toch altijd zaken tot

achtergrond heeft, keek Louise van tijd tot tijd Fournier eens aan.

’t Viel waarlijk niet te ontkennen, dat hij in zijn voordeel was

veranderd. Hij was flinker, manlijker, meer gedecideerd geworden, en

zijn uiterlijk toonde dat aan.

Onwillekeurig dwaalde haar blik naar Van Velton. Die was ook veranderd,

maar minder in zijn voordeel. Zijn haar was grijzer geworden en zijn

trekken scherper gemarkeerd.

Zijn figuur was ook niet meer zoo rechtop, als toen hij nog weduwnaar

was en met zijn lange, hoog dichtgeknoopte jas, zijn lorgnet en zijn

wit glacé-handschoenen, half uit den borstzak overhangend, een zeer

„gekleed” figuur maakte.

Dàt was nu haar man! Dáármede moest ze nu het leven doormaken, jaar in

jaar uit! Gezond was hij overigens, en de kans om een jonge weduwe te

worden mocht uiterst gering heeten. Die andere had haar man kunnen

zijn, indien ze gewild had. Gedistingeerder dan Van Velton was die

andere niet,—haar man had altijd iets bijzonder gentleman-like,—maar o!

hij had zooveel op hem voor. Louise schrikte eenigszins van haar eigen

gedachtenloop, toen Fournier haar beleefdheidshalve in het gesprek

betrok. Hij gaf haar bij ’t heengaan evenmin de hand, als toen hij was

gekomen; een ceremoniëele buiging, anders niet.

Ze had gaarne wat meer hartelijkheid gezien; ’t stelde haar teleur, dat

hij zoo koeltjes was. Niet dat ze.... o neen; ze kon boos worden op

zichzelve, dat er telkens van die vergoelijkende verzekeringen bij haar

opkwamen.

Mijn hemel, dat had ze immers niet noodig. Nooit zou ze zich ook maar

onschuldige coquetterieën veroorloven tegenover Gérard Fournier,—nooit;

c’était fini,—’t was uit.

Dokter Van der Linden keek vreemd op, toen hij den volgenden ochtend

onder het maken zijner visites even aanwipte bij zijn dochter op het

Koningsplein, en deze hem meedeelde, dat ze van plan was het kind te

spenen.

„Waarom?” vroeg hij ontstemd. „Je kunt het nog best ’n paar maanden

volhouden. ’t Hindert je niets en ’t is zoo goed voor hem!”

„Maar ’t is verschrikkelijk lastig voor mij.”

„Och, wat! Kom, begin maar geen dwaasheden, Louise. Ik dacht dat je

verstandiger waart en meer voor den kleinen vent over hadt.”

Zij zei er niets op. Wat het was, had ze niet kunnen zeggen, maar ze

vond, nu een partij gegeven werd, dat zoo’n kind toch schrikkelijk de

handen bond, vooral als men ’t zelf hielp. Gewoon haar eigen zin te

volgen, meer dan die van papa of van wien ook, stond haar besluit vast:

na de partij moest het maar gebeuren.

Ze vertelde het aan Van Velton toen ze ’s avonds het dessert

gebruikten.

„Daar doe je heel verstandig aan,” zei hij, zorgvuldig zijn

mangistan—volgens hem de eenige fatsoenlijke vrucht—genietend. „Je hadt

er nooit mee moeten beginnen. Dat heb ik altijd gezegd.”

„’t Heeft hem toch goed gedaan.”

„Dat zou wel zijn terecht gekomen.”

„Moet je uit?”

„Ja, hoezoo?”

„O, nergens om. Ik vraag het zoo maar.”

„Ik heb een conferentie van avond.”

„Mon Dieu! je hoeft me niet te vertellen waar je heen gaat.”

„Ik heb overigens niet bepaald haast. Als je misschien wilt rijden....

’t is mooi weer.”

„Geen idée! Ga jij maar gerust naar je conferentie.”

Hij ging. Onderweg beschuldigde hij zichzelven minstens van groote

voorbarigheid. Nu hij vrij geregeld bezoeken aflegde bij de weduwe

Donker, en zij hem alles had verteld, zou hij veel geld hebben willen

geven als hij de relatie met Lientje had kunnen afbreken. Vooreerst

omdat hij er nooit mee zou zijn begonnen, indien hij die verhouding

tegenover zijn schoonvader had geweten. Ten tweede, omdat hij al heel

gauw, als man van de wereld en van rijke ervaring, tot de overtuiging

was gekomen, dat het, wèl beschouwd, niet veel zaaks was, veel minder

dan hij zich had voorgesteld.

Hoe drommel was hij daar toch zoo ingeloopen?

En Lientje Donker vroeg zich hetzelfde af. Toen hij de eerste maal in

haar huis kwam en zich de vrijheid veroorloofde haar onder de kin te

strijken, was Van Velton zoo zenuwachtig geweest, dat ze moeite had

gehad om zich goed te houden en hem niet in zijn gezicht uit te lachen.

Hij was heengegaan met de overtuiging, dat hij een mal figuur gemaakt

had. Dat had hem erg gehinderd en zijn eigenliefde zeer gekwetst; hij

was teruggekomen een paar dagen later, ten einde de waarde zijner

persoonlijkheid te releveeren en zij, Lientje, had hem niet de deur

gewezen, omdat ze nieuwsgierig was.

Naar dokter Van der Linden durfde ze nu niet meer gaan.

Zoo continueerden zij de kennismaking zonder vreugde, en alleen uit

vrees, hij voor Christien Donker, de welgestelde weduwe, die hij nu

wist dat een immoreele helleveeg was,—zij uit een aangeboren

indolentie, die zonder veel omslag berustte in haar eigen noodlot.

Zoolang het leven in huis hem zoo gruwelijk onaangenaam was, ging het

nog. Maar nu werd het beter. Louise was eenigszins veranderd. Zij sprak

niet meer zoo bits, ze viel hem niet altijd lastig met het kind, en

deze nu afgeloopen dag had tot de aangename behoord.

Als dat nu zoo eens doorging en zijn dochter Hortense kwam uit Holland

naar huis, dan had het een genoeglijk leven kunnen worden.

Wie weet wat hem nu te wachten stond!

Zoo pikirend trad hij de ’s avonds nimmer verlichte voorgalerij van de

weduwe Donker binnen, die naar gewoonte op een wipstoel zat te

schommelen bij den ingang.

„Goeden avond.”

’t Scheen, dat de toon, waarop hij sprak, haar niet beviel, want ze

keek even naar hem op, en zei allesbehalve vriendelijk:

„Ook goeden avond!”

Van Velton wilde naar binnen gaan.

„Ze is niet thuis.”

„Zoo.”

Snel stond ze op.

„Ik heb haar uitgestuurd, Van Velton, naar een weduwe van mijn kennis

hier in de buurt. Ik heb haar expres weggezonden.”

„Wel vriendelijk.”

„Ga daar zitten, asjeblieft. Ik moet eens ’n appeltje met je schillen,

hoor! Dat gaat een gangetje, dat me niks aanstaat.”

„Zoo, vindt ge dat?”

„Het is schandelijk! Maar als je denkt op zoo’n gemakkelijke manier van

me af te komen, dan heb je het mis!”

„Och kom!”

„Ik zeg nog eens....”

Van Velton was niet in een stemming om de standjes van Christien Donker

af te wachten, wier spel hij vrij wel doorzag, al kon hij den waren

motor niet raden, en al vergiste hij zich door dien alleen te zoeken in

een aanslag op zijn beurs.

Hij besloot een afdoenden maatregel te beramen. In elk geval wilde hij

weten, waaraan hij toe was, en welke veeren hij bij moeder en dochter

zou laten zitten. Iets minder norsch en uit de hoogte, viel hij haar in

de rede:

„Zeg maar niets. Het beste is niet veel woorden noodeloos te

verspillen. De waarheid is, dat de relatie me erg tegenvalt.”

„Ei?” riep ze op schamperen toon. „Ei? Ik had anders gedacht dat mijn

Lien waarachtig nog veel te goed was voor zoo’n ingebeelden ouden

kwast.”

Dat hij vuurrood werd en haar wel had kunnen slaan, begreep ze, maar in

de duisternis kon ze het niet zien.

’t Duurde maar een oogenblik. Wat deerde hem de booze tong van dat

wijf? Zijn practische geest kwam boven. Nu, na die woorden was het geen

zaak om met haar te onderhandelen over het afbreken der relatie en over

den prijs, waartegen dat kon gedaan worden. Zij zou overdreven eischen

stellen en die volhouden naarmate hij beslister pogingen deed om aan de

zaak een einde te maken.

„Je bent vanavond zóó vriendelijk,” zei hij opstaande, „dat ik de eer

heb je te groeten.”

Zij hield hem vast bij de mouw van zijn jas.

„Luister nog even. We moeten bedaard spreken. Als je denkt dat ik er op

uit ben je ’t vel over de ooren te trekken, dan heb je het mis. Beloof

me één ding. Ga nog ’n maand voort op de gewone manier, en dan kan je

mijnentwege wegblijven om nooit weer terug te komen.”

Hij zag weer een gaatje om door te sluipen.

„Waarom nog een maand? Kom, laat ons er nu maar ’n eind aan maken. We

zijn nu zoover, dat we geen van drieën op elkaar zijn gesteld. Een kort

en goed besluit....”

Maar ze schudde heftig van neen.

„’t Gaat niet, Van Velton! Voor geen wereldsch goed laat ik je nu reeds

schieten. ’n Maand moet het nog duren; geen dag gaat daaraf.”

„Nonsens!”

„’t Kan me niet schelen hoe je het noemt, maar ik zeg je, dat het zoo

zijn moet. En ik waarschuw je, Van Velton, probeer niet weg te blijven,

want ik haal je uit je huis en ik haal je van ’t kantoor op ’n manier,

die je heugen zal, hoor!”

Het denkbeeld deed hem rillen. Hij wist, dat ze tot alles in staat was

en zich voor niets zou ontzien, als het op wraak aankwam. Waar was hij

toch ingeloopen, waar was hij toch ingeloopen!

„Ik groet je,” zei hij nogmaals en ging zijns weegs.

’t Was Christien Donker nu duidelijk: er moest gehandeld worden, en

spoedig ook, anders zou alle moeite tevergeefs zijn geweest. Bah, welk

een man! Nog had ze macht over hem, maar ze voelde dat het niet lang

meer zou duren. Ze ging weer op haar wipstoel zitten schommelen en

pikirde. Het zou eigenlijk wèl zoo verstandig wezen twee vliegen te

slaan in één klap. Waarom zou ze het geld aan haar haat- en wraakzucht

opofferen? Het diende nergens toe. Zij kon heel goed het één hebben en

niettemin aan ’t andere voldoen.

Toen Van Velton t’huis kwam, vond hij Louise nog op, en nog bezig met

’t voorbereiden der groote partij. Kasian, wat gaf ze zich dáárvoor een

moeite!

„Zoo,” zei hij, „ben je nog niet gaan slapen?”

„Neen, er valt nog heel wat te doen. Het buffet is nog volstrekt niet

in orde.”

„Ik zou dat maar aan den banketbakker overlaten. De man heeft op zich

genomen er voor te zorgen.”

„Dank je! Ik weet te goed, wat dat is. Dan zorgt hij misschien heel

aardig voor zijn beurs, en de gasten krijgen niet wat ze verlangen.”

„Kan ik je ook helpen?”

Er was geen sprake van! Toch wilde hij niet naar bed gaan, maar stak

een versche sigaar op en terwijl zij nog bevelen gaf aan de bedienden,

en nazag, en opschreef, praatte hij gezellig nog een uurtje met haar,

zonder dat een van beiden dacht aan de veelvuldige onaangenaamheden,

die ze gehad hadden, noch aan de eigenaardige verhouding tot elkaar,

waarin ze reeds zoo lang leefden.

Er ging toch, dacht Van Velton, niets boven een gezellig tehuis. Zijn

hart was dien avond goed genoeg om een poging te doen tot meer intieme

toenadering. Maar hij had den moed niet. Drommels, als het eens

tegenviel! En daarop bestond alle kans, want ze was zoo moe, zei

ze,—doodmoe! Neen, als hij dat beproefde, dan moest hij zoo’n beetje

zeker wezen van zijn zaak, en dàt was hij in ’t geheel niet.

Louise kon gelukkig gaan slapen toen ze in haar kamer kwam, want ’t

kind sliep. Ze was wezenlijk moe. Dat den ganschen dag op de been zijn,

en door zoo’n groot huis dribbelen matte geweldig af; en ze was ook

niet geheel koortsvrij; dat voelde ze aan haar hoofd.

Misschien lag in het laatste de reden, dat ze ondanks haar vermoeienis

niet dadelijk den slaap kon vatten en zich rusteloos om en om wendde.

Het waren eigenlijk geen gedachten die haar bezig hielden,—’t was alsof

een serie tableaux voor haar geest heentrok. Nú was het zus en dàn weer

zóó: het souper met al de gasten aan tafel, waaronder ze ook Fournier

opmerkte; de groote zaal, waarin gedanst zou worden, en waarin ze ook

Fournier zag dansen met haarzelve; gesprekken op divans,

whistpartijtjes aan mahoniehouten speeltafeltjes, ongelukjes,

tegenvallers, mislukte schotels, en bij en tusschen dat alles door een

onbestemde vrees voor allerlei stoornissen, die zouden kunnen gebeuren,

maar waarvoor nog geen enkele feitelijke aanleiding bestond.

En nauwelijks was ze ingeslapen of daar kwam de baboe haar wekken,

want.... ’t kind. God, God, wat was dat lastig! Met moeite richtte zij

zich op. Toen ze elken avond te halftien naar bed ging, och! toen was

ze er al uit als de kleine slechts kikte. Maar nu ze zooveel had te

doen gehad tot laat in den avond voor dat feest,—neen, het was toch ’n

slavernij dat zelf helpen van de kinderen!

Ze dommelde in en waggelde heen en weer tot groot leedwezen van haar

jongske, dat er hoogst kwaadaardig zijn verontwaardiging over te kennen

gaf, en haar dan deed opschrikken uit haar sluimering.

Och, als men den heelen dag bijna niets deed, dan kon het, maar was er

ook maar ’t geringste vermoeiende werk te doen, dan viel het zoo zwaar!

Nu, herhaalde ze bij zichzelve, halfrood van vaak, na de partij zou ’t

gauw uit wezen!

Het feest begon. ’t Was allesbehalve een gemengd gezelschap. De fine

fleur van ’t Bataviaansch publiek was present. Hooggeplaatste

ambtenaren, die in hun fort intérieur niets ophadden met den

koopmansstand, waren er velen; de gouden uitmonstering der uniformen

van hoofdofficieren schitterde in het licht; indien er enkele jongelui

aanwezig waren, die nog op de lagere sporten stonden, dan hadden zij

hun invitaties te danken aan geld, familie-relatiën, een klinkenden

naam of dansbeenen.

Menig oog liet vol afgunst den blik gaan langs de wanden en door de

zaal; menig damesmondje werd krampachtig dichtgeknepen op het zien van

de toiletten-weelde der dames uit de handelswereld. Men zag er aan den

anderen kant, die gekleed waren met een eenvoud, haast beleedigend voor

het gezelschap, maar over het algemeen had iedereen gedaan wat in zijn

of haar vermogen was, ja meer, veel meer dan dàt.

Dan wat velen dachten, werd door niemand gezegd. Slechts hier en daar

tusschen vrienden en vriendinnen een fluisterend gesproken woord of een

blik en een hoofdknikje, die elkaar schenen te begrijpen.

Behalve de galerijen stonden de ruime vertrekken voor de gasten open.

Overal was het even rijk en smaakvol. De kostbare Europeesche

ameublementen, de marmeren en bronzen beelden, de imitaties van oude

bas-reliefs in koper, de zeldzaam fijne gravures, het met zilver

gemonteerd antiek-porselein, de artistieke vazen van Sèvres en het

deftige Saksisch,—’t was alles met smaak verdeeld, zoodat er eenige

harmonie heerschte in het garnituur van elk vertrek. Maar zeer weinigen

letten daarop; men taxeerde meer; men berekende bij zichzelf wat dat

moest gekost hebben, en wat de vendutie van zulk een inboedel eventueel

wel zou opbrengen.

Tot de weinigen, die meer aandacht schonken aan den goeden smaak en de

artistieke opvatting, die uit het arrangement spraken, behoorde

Fournier.

L. Van Velton-Van der Linden · 第 2 / 13 段