L. VAN VELTON-VAN DER LINDEN.
OORSPRONKELIJKE ROMAN.
DOOR
MAURITS.
LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
MEVROUW L. VAN VELTON,
VAN DER LINDEN.
’s Middags tegen vier uren hield zijn rijtuig stil voor ’t woonhuis op
het Koningsplein. Hij stapte langzaam, en met iets vermoeids in zijn
houding en bewegingen, door de marmeren voorgalerij.
„Velton!”
„Ja-a!”
„Kom eens gauw hier.”
„Ja, dadelijk, ik moet even naar mijn kantoor.”
Onder ’t kort en luid gesprek, dat ze te zamen voerden, was hij
voortgegaan in de richting van het lokaal, waar zijn schrijftafel en
zijn boekenkasten stonden.
„Neen, kom eerst hier.”
Gewillig keerde hij om en trad de kamer binnen van zijn vrouw.
Zij had er lief uitgezien als jong meisje,—thans was ze een Indisch
moedertje om te stelen. Zij „hielp” haar kind zelf, op uitdrukkelijk
verlangen van haar vader. Dokter Van der Linden vond, dat een moeder,
als zij het doen kon, daartoe ook verplicht was. Hij had een afschuw
van verdunde koemelk, farine lactée en alle andere surrogaten voor „de
eerste bron.” Zijn kleinzoon mocht daardoor geen maagkwalen beloopen,
meende hij; en Maleische minnen, met haar strootjes rookende
zuigelingen,—neen, maar dáármee moest men den dokter van het lijf
blijven.
Louise, wier grootmoeder tot het verheven corps der nina-bo-zangeressen
had behoord, en onder wier huid nog heel wat Maleisch „bloed door de
aderen vloeide”, was het met haar vader eens.
Van Velton niet. Hij vond het lastig en vervelend in menig opzicht.
Maar hij zou dat nooit hebben gezegd. ’t Waren van die dingen,
waarmede, naar zijn meening, een man zich niet moest inlaten.
Hij boog zich voorover en kuste haar goeden dag.
„Wat is het, vrouwtje?” vroeg hij vriendelijk, en meteen zoende hij den
kleine, die op haar schoot lag.
Welk een verschil! Louise Van der Linden had altijd een bruin gezichtje
gehad, maar of het kwam door ’t gebruik van bedag, dan wat er de reden
van mocht wezen,—het verder gedeelte van haar fraai gevormd wezentje
was nog veel donkerder van kleur. En daar lag nu aan haar borst een
manneke van ’t reinste lelieblank, dat ooit op een Friesche hofstede te
zien was, en met een reeds zeer geprononceerden aanleg voor een
krullebol, even blond en even weelderig, als die van „oopa” in diens
besten tijd.
Zij zei niets, maar richtte den zuigeling op, die over deze stoornis in
zijn vloeibaren maaltijd volstrekt niet gesticht scheen, en met de
parelwitte droppels nog in de hoeken van zijn frissche lipjes,
aanstalten maakte om een bruyant protest tegen zulk een bejegening aan
te teekenen.
Terwijl ze haar jongen suste in den eenen arm en hem rechtop hield, nam
ze een zilveren lepeltje van de tafel, bracht dat in den mond van den
kleine en bewoog het heen en weer.
„Kom nu hier dicht bij met je oor.”
Hij boog zich nog verder, zoodat de onbescheiden lange aanplant, die
zijn gehoorvliezen scheen te beschermen tegen invloeden van de
buitenlucht, de ronde wangetjes bijna raakte.
„Hoor je het?” vroeg zij zegevierend, terwijl ze den steel van het
lepeltje op en neer liet gaan in den mond van den pruilenden kleine.
Hij trok de wenkbrauwen op en glimlachte half verlegen.
„Neen.... eigenlijk hoor ik niks.”
„Och, wat!” riep ze driftig: „luister dan toch goed!”
Hij deed zijn best, maar ’t lukte niet. Doch hij wist natuurlijk wel,
wat de bedoeling was. Mijn hemel, hij had dat werk immers al voor
twintig jaren bijgewoond toen zijn eerste vrouw leefde! Hij hield zich
dus goed, en ofschoon hij volstrekt niets had gehoord, dat eenigszins
geleek op ’t geluid der aanraking tusschen twee harde voorwerpen, zei
hij, met meesterlijk gespeelde verwondering op ’t gezicht:
„Hij heeft, waarachtig, ’n tand!”
„Nou!” riep ze met een blos van vreugde en met glinsterende oogen, en
ze pakte en kuste en molde haar aardige kind, dat in zijn egoïsme zich
om dat alles niet bekommerde, maar wringend en draaiend met de kleine
ledematen en zoekend met hand en mond, slechts één verlangen zeer
duidelijk aan den dag legde: dat om terug te keeren tot zijn diner.
Toen Van Velton eindelijk naar zijn kantoor-kamer kon gaan, gleed er
een pijnlijke trek over zijn gelaat. O, zeker, hij hield veel van ’t
kind, doch.... hij had ook andere kinderen. Reeds twintig jaren was
zijn vaderliefde in Anspruch genomen. Meer kinderen te krijgen bracht
wel die liefde over op meer individuen, maar kon het kapitaal dier
liefde niet vergrooten.
En eerlijk gezegd.... kleine kinderen op zijn leeftijd.... ’t was
minder eigenaardig.
Kort voor de geboorte van dit jongste zoontje, had hem zijn oudste
dochter uit Holland geschreven over haar genegenheid voor zekeren
Weytink, een controleur bij het Binnenlandsch Bestuur met verlof in
Europa. De pretendent schreef ook; de familie, die over de opvoeding
der meisjes waakte, idem; alle informaties waren uitmuntend geweest;
hij had zijn toestemming gegeven, en het huwelijk der jongelui was
gevolgd.
Thuis, tegen zijn eigen jonge vrouw, had hij er zoo weinig mogelijk van
gerept. Als hij sprak van zijn kinderen in Holland, dan kwam er een
onaangename trek op het gezicht van Louise. Zij, de zelf even
twintigjarige, hoorde liefst zoo weinig mogelijk van haar mans dochters
van bijna gelijken leeftijd. Dat ze bestonden, en dat ze haar aandeel
moesten hebben in het vermogen,—soit! Zij gaf niet om ’t geld; zij had
van haar jeugd af geleefd in weelde en overvloed. Dat het eenigszins
luxueuzer was in het huis van haar man dan in dat haars vaders, trof
haar nauwelijks; wat meer marmer, wat kostbaarder bibelots, een grooter
aantal gasvlammen en een iets ruimer huis,—’t waren alle zaken, waarvan
het genot voor haar slechts luttele waarde had.
Maar die „groote meisjes”, die haar „mama” zouden noemen, wellicht met
haar zouden kibbelen, natuurlijk gefêteerd zouden worden en de eerste
viool zouden spelen in huis,—ze moest er niet aan denken; ze wilde er
zoo weinig mogelijk over spreken. Als ze maar stil in Holland bleven,
dan was het haar wèl. Hoe verder uit de buurt hoe liever!
Van Velton had spoedig ingezien hoe de jonge stiefmoeder over zijn
kinderen dacht, en hij had zich daarnaar geschikt. In zijn hart vond
hij het erg onaangenaam. En nu te meer, nu er een getrouwd was. Hij was
van een arm een rijk particulier geworden. Noch door zichzelven, noch
door zijn minder bemiddelde bloedverwanten in patria, had hij ooit in
eenige betrekking gestaan tot Regeering of Landsbestuur. Dat zijn
oudste dochter de vrouw was geworden van een controleur, die naar alle
menschelijke berekening voor het minst den gouden pajong in het
verschiet had, deed hem—hij wist zelf niet waarom—aangenaam aan. Sedert
dien tijd voelde hij zich als met een dun draadje aan ’t gezag
verbonden; hij sprak buitenshuis met welbehagen van: „mijn schoonzoon,
den controleur Weytink”, en als er onder zijn kennissen gemopperd werd
over het opvoeren van de belastingen en over de neiging der Regeering
tot overdreven fiscaliteit, dan kreeg hij, die vroeger zeer heftig
daarover kon uitvaren, een gevoel alsof het op zijn weg lag
verzachtende omstandigheden te pleiten; dan was het hem, alsof hij voor
een oogenblik algemeen gemachtigde en procuratie-houder was van „zijn
schoonzoon, den controleur Weytink.”
Dat schoonvader zijn had een soort van bekoring voor hem. Het lag zoo
op zijn weg, en het kwam overeen met zijn leeftijd en antecedenten; met
de waardigheid van zijn burgerlijke positie,—het was in één woord zijn
natuurlijke rol: een père noble, niet te oud om van het leven te
genieten.
Hij verkleedde zich op zijn gemak, liet zich in slaapbroek en kabaja
neder in den luierdstoel op het schabelletje voor zijn kantoor, en
dronk zijn thee.
Uit de groote vierkante binnengalerij drongen luide uitroepen tot hem
door, en een heldere lach. Louise was er met den kleine. Zij had hem
neergelegd op een divan, en, thans verzadigd, nam de kleine despoot er
welwillend genoegen mede, dat zijn mama alle geluiden maakte en alle
manipulatiën uitvoerde, die haar moederlijk instinct haar scheen te
zeggen, dat ZEd. konden amuseeren.
Van Velton vond het leven duur. Het hinderde hem niet of er ’n honderd
gulden of wat in de maand meer of minder werden uitgegeven. De zaken
gingen nog goed genoeg om dat van ondergeschikt belang te doen zijn.
Maar Louise, dacht hij, was toch inderdaad een groot kind. Had ze hem
niet laatst aangetoond, dat, terwijl hij tegenwoordig meer boter
verbruikte dan tijdens zijn weduwnaarschap, er volgens ’t
huishoudboekje eenige vaatjes per maand minder werden betaald dan
vroeger, en had ze daaruit niet de dwaze gevolgtrekking geput, dat hij
nu goedkooper leefde? Hij had er om gelachen, evenals om het
denkbeeldige eerste tandje maarrr....
Wat maakte ze nu een leven met het kind in de binnengalerij! ’t Was of
er wel tien moeders met dozijnen telgen aan het lachen en gieren waren.
„Velton!” riep ze.
„Ja—a!”
„Och God, kom nou reis hier, en zie toch voor de aardigheid eens, wat
hij doet.”
Hij ging naar binnen en zag, dat de kleine een kwast van een
canapé-kussen in den mond had en met ’t hoofdje schudde, alsof het de
kracht van zijn eersten tand er op wilde beproeven. Louise schudde ook,
maar van het lachen, en haar man lachte plichtmatig mee.
„Haal het er uit,” zei hij, om toch iets te zeggen, „’t kon hem in de
keel schieten.”
„Ben je mal?” vroeg Louise verontwaardigd. „’t Kind heeft geen mond als
een staldeur.”
Het was waar! De groote kwast kon met geen mogelijkheid naar binnen,
dat zag hij nu ook.
„Het is mijn bezorgdheid voor hem.”
„’n Mooie bezorgdheid!” riep ze, haar afgodje opnemend. „Kom jij maar
mee met maatje, ja? Papa houdt toch niks van je.”
Mistroostig haalde hij de schouders op en ging weer naar zijn
zitplaats. Zij zou waarachtig eindigen met het zóó ver te brengen. Hij
hield veel van ’t kind, maar hij moest voor zichzelven erkennen, dat
zijn vrouw bezig was hem er mede te vervelen. Zij bemoeide zich juist
genoeg met het huishouden om het een eentonigen sleurgang te doen gaan;
maar overigens: het kind. Dat was, sedert de geboorte, het eenig
onderwerp van ’t gesprek. Buiten het kind bestond er niets voor haar.
’t Was het kind vóór en het kind ná, van ’s morgens tot ’s avonds.
Wilde hij met haar uitgaan, dan bestonden er bezwaren: ’t kind! Wilde
hij een partijtje geven, dan kon dat niet, want: ’t kind! Begon hij
over kunst of literatuur, dan antwoordde zij hem met bezorgdheid, dat
’t kind zoo onrustig was, en dat de dokter moest komen. Was er quaestie
van wat muziek maken, dan sliep het kind en mocht ’t niet gewekt
worden; vond hij dat ’t tijd werd den kleine in slaap te maken, dan
mocht dat niet: ’t kind behoefde geen slaapmuts te worden.
Het was aanvallig, lief en frisch; het was een beeld van ’n
jongske,—maar Heer in Den Haag! altijd en altijd dat kind.... dat was
te veel perdrix.
Daar kwam de coupé van zijn schoonvader het erf op. Met een vroolijk en
vriendelijk gezicht trad de dokter op hem toe.
„Bonjour, bonjour! Hoe is het met den kleine?”
„Goed. Ga u maar binnen. Louise is in haar kamer.”
Die man was ook al veranderd, gelijk ’t blad van een boom. Dat kwam en
vroeg volstrekt niet meer: hoe maak jij het, en zelfs niet: hoe gaat
het Wies,—och neen! Niets en niemand telde meer mee. Van Velton dacht
er ernstig over na: daar moest een einde aan komen. Waartoe kon dat ten
slotte leiden? ’t Maakte hem, anders van een goed humeur, kregel; ’t
bracht saaiheid, sleur en verveling in zijn huis; het maakte zelfs elke
conversatie, elk genoeglijk samenzijn onmogelijk,—tenzij hij verkoos om
eenig en alleen te spreken over het alles overweldigend onderwerp; en
daarvoor bedankte hij.
„Wel!” riep dokter Van der Linden: „jij zoudt me niet eens verteld
hebben, dat zijn eerste tand er door is!”
„Ja. Ik ben er ook nog zoo zeker niet van.”
„Wis en drie! Ik heb ’t zelf gevoeld.”
„Och,” zei Louise, die mee was gekomen, terwijl een baboe den zuigeling
droeg. „Och, pa, u moet hem maar niet spreken over ’t kind. Hij hoort
er liever niets van.”
Van Velton verdedigde zich, en, als altijd, practisch man, recht
afgaande op het doel, toonde hij aan hoe slecht in alle opzichten de
overdrijving was. Vruchteloos, dat zag hij wel. De dokter haalde met
een bezorgd en teleurgesteld gezicht de schouders op; Louise keek zoo
nijdig als een spin.
„U hoort hoe hij er over denkt,” zei ze tot haar vader.
„Ieder verstandig mensch moet me gelijk geven, Louise. Dat verafgoden
van kinderen is een groot kwaad; daaruit komen de meeste mislukte en
ongelukkige menschen voort.”
„Het is nog zoo’n klein kereltje!” zei de dokter vergoelijkend en half
lachend.
„’t Is niet om aan te hooren,” meende Louise. „Ajo, boe, toeroet!”
Zij ging met haar kind naar de andere zijde van de galerij en haar
vader volgde haar.
Van Velton was inwendig zeer boos. Hij had kalm en zakelijk een
verstandig woord gesproken en dat was nu het resultaat! Het scheen wel
dat vader en dochter het verstand hadden verloren. Tegen zulk een
hardnekkigheid was geen kruid gewassen.
Voor het eerst gevoelde hij spijt. Hij had niet moeten trouwen voor de
tweede maal. Verveling en afkeer van het doodend leven, dat celibatairs
en weduwnaars leiden in Indië, als hun positie hen verplicht om een
groot huis te bewonen, hadden hem tot den fameuzen stap gebracht. Eerst
ging alles goed, maar nu had zich dit onaangenaam verschijnsel
voorgedaan, dat de vrede op zeer gevaarlijke wijze dreigde te
verstoren.
Toegeven wilde hij niet; ’t zou met huiselijken zelfmoord gelijk staan.
Geen twist en tweedracht mochten heerschen in zijn woning,—maar een
slavernij voor „het” kind, een afgodendienst, welke ’t zoontje als
voorbeschikte tot een socialen vauxrien,—dat nimmer.
Hoeveel ’t hem kostte, hij zou toch beproeven met zachte hand het
gevaar af te wenden.
„Kom, Louise,” zei hij, zich bij ’t hem ontvluchte drietal voegend,
„laat ons niet kinderachtig wezen.”
„Jij bent het alleen.”
„Je weet heel goed, dat er niets aan is van ’t praatje, dat ik niet
veel zou houden van onzen jongen.”
„Waarom wil je dan niet hebben, dat ik me met ’t kind bemoei en van hem
spreek?.... Kasian,”—dit laatste doelde op den beklagenswaardigen
spruit van den ontaarden vader.
„Wil—wil—je weet wel, dat ik nooit iets wil in huis.”
„Maar je maakt er toch aanmerking op.”
„Volstrekt niet, Wies. Alleen: men kan alles overdrijven, en als je nu
altijd....”
„Zeker,” viel ze hem heftig in de rede: „altijd, altijd, ALTIJD! Het is
MIJN kind; het is ’t eenige wat ik heb; ik verlang ook niet anders op
de wereld; ik wil er me mee bezighouden, en het liefhebben, en het
vertroetelen, en het kan me niks schelen of je het goed vindt, of dat
je er aanmerkingen op verkiest te maken, weet je! Je bent een nare,
nare man. Ik wou, dat ik je nooit had ontmoet.”
Voor de tweede maal verliet Louise het terrein, natuurlijk met het
beminde resultaat dier verfoeide ontmoeting in de armen.
„Het schijnt, dat we beiden op non-activiteit zijn gesteld,” zei Van
Velton met een gedwongen glimlach tot zijn schoonvader. „Wij tellen „op
de wereld” niet meer mee.”
„Nu,” zei de dokter, die volstrekt niet uit de plooi kwam, „dat is maar
bijwijze van spreken. Ze heeft niet zoo heelemaal ongelijk.”
De „nare man” maakte een beweging van ongeduld.
„Ik begrijp niet, dat je me in dit geval geen gelijk geeft. ’t Is
waarachtig al te gek.”
„Je moest blij wezen, Velton, dat ze zooveel van haar kind hield, en je
moest er een eer in stellen, omdat het jou kind is. Er spreekt dan toch
genegenheid voor jou ook uit, en van den anderen kant moest je dat van
zoo’n jong vrouwtje wat waard zijn. Laat haar maar scharrelen met haar
kindje, als ze dat zoo lief en aardig vindt. Zou je misschien liever
hebben, dat ze veel uitging, danste, coquetteerde enzoovoort?”
„Och, dat zou ik zeker wel zoo aardig vinden.”
„En dan haar moederplichten verzuimen?”
„Psst! Overdrijving; allemaal overdrijving! Het een behoeft ’t andere
volstrekt niet uit te sluiten.”
„Daar bestaat anders groot gevaar voor. Er zijn niet veel menschen die
’t juste milieu weten te bewaren tusschen huiselijke plichten en
uithuizige genoegens.”
„Enfin,” zuchtte Van Velton. „Laat ons er vandaag niet verder over
spreken. Blijf asjeblieft hier eten, dan zal, hoop ik, die bui wel
overdrijven. Het is niet aangenaam, als men den geheelen dag op ’t
kantoor heeft gezeten, t’ huis standjes te hebben.
„’t Spijt me, ik zou het graag doen, maar ik moet nog verscheiden
visites maken.”
Hij had ’t best kunnen doen; die visites hadden geen beletsel behoeven
te zijn om bij Van Velton te blijven eten; maar dokter Van der Linden
wilde nu eens geen peacemaker zijn tusschen zijn schoonzoon en zijn
dochter. Zij had geen hulp noodig, en als hij op zijn hoofd kreeg—nu,
meende de dokter, wat er bezijden kwam, was zonde!
„Dan voorzie ik een genoeglijken avond,” zuchtte Van Velton.
„Je moet maar zien, dat je haar weer in haar humeur helpt. Men vangt
meer vliegen met één droppel honig, dan met ’n vat azijn. Bonjour!”
Van der Linden ging zijn dochter groeten.
„Wel, wat zegt u er van, pa?” vroeg ze verontwaardigd.
„Och, kind, laat hem maar praten. Die kooplui zitten veel te laat ’s
middags in de stad. Dat is een dwaze gewoonte, die hen uit hun humeur
helpt.”
„Dan moet hij die gewoonte maar afschaffen.”
„Breng hem dat aan zijn verstand, als je kunt. Dag Wiesje Dag aardig
kereltje,”—besloot hij, zijn kleinzoon zoo innig kussend, als Van
Velton nog nooit had gedaan.
Met een zucht zag Louise hem na. Hij was toch zoo goed, die pa! Wat had
hij haar altijd en in alles haar zin laten doen! En wat zag hij er nog
knap en flink uit! Wel zoo goed als haar man.
Er werd een brief bezorgd. Aan het adres zag ze, dat het van Lucie was,
haar vriendin, die met dien ingenieur bij den Waterstaat getrouwd was,
met wien ze tijdens het engagement altijd zoo vervelend had zitten
vrijen achter de groote bloempotten. Zij, Louise, vond dat destijds
afschuwelijk en nog keurde zij het niet goed. Ze dacht er tegenwoordig
echter veel minder streng over, dan zij vroeger als meisje deed.
„Lieve Wies! Je begrijpt, dat ik weinig tijd heb om te schrijven,
nu ik voor drie menschen moet zorgen, en niet zooals jij een leger
bedienden kan houden. Wij moeten het kalmpjes aanleggen om met ons
traktement rond te komen, maar het gaat toch. We hebben zoo’n lief
huisje hier te Soerabaia; keurig netjes, maar niet groot. Van
Brakel noemt het zijn klein Paradijs, en ik ben zeker, dat je er om
zoudt lachen, als je zag hoe we ’s avonds, als de kleine slaapt,
samen in de voorgalerij zitten in het donker,—we branden nooit
licht vóór als er geen menschen komen, en dan.... de bedienden
behoeven ’t niet te zien. Hij is nu voor eenige dagen uit. ’t Is
natuurlijk voor den dienst, en dat helpt omdat hij kan declareeren,
weet je! Maar voor mij is het zoo gruwelijk vervelend! ’t Is of het
huis is uitgestorven! Lieve Wies, wat was dat een garderobe, welke
hij meebracht. Je hadt je dood gelachen, als je het gezien hadt.
Eerst maanden na onzen trouwdag, is hij er toe te bewegen geweest
me de sleutels te geven van eenige koffers met goed. Aan alles
mankeerde wat! Nu mag je zijn linnenkast zien, hoor!—Hij is zoo
goed voor me, lieve. Ik kan je niet zeggen, hoe goed. Papa lachte
er laatst om toen ik hem over Van Brakel sprak. Das wird
vorübergehen,” zei hij, en ik ben daar twee dagen boos om geweest.
Wat kunnen oude menschen toch onaangenaam zijn! Onze kleine Wilhelm
groeit als kool. Hij is pas twee maandjes, kasian! Hoe gaat het bij
jullie? Schrijf me eens wat. Ik heb in geen eeuw iets van je
gehoord. Dag Wies-lief! Veel groeten aan je man!
Je oude vriendin
Luus.”
Mevrouw Van Velton—Van der Linden keek nog op den brief, toen ze reeds
wel twintigmaal had kunnen lezen, wat er in stond. Lucie bracht haar
weer geheel terug in het verleden. Wat had die avond toch veel beslist;
die avond toen er een partij was bij dokter Van der Linden, en toen
haar driftig humeur en jaloersche aard haar een dwaasheid hadden doen
begaan. Want dat was het geweest, anders niet! Waarom behoefde zij zich
zoo boos te maken, toen ze zag, dat Lucie zich door dien ingenieur liet
kussen in den tuin? Waarom irriteerde haar dat toen in zóó hooge mate,
dat zij het aanzoek afwees van een man, dien ze liefhad?
Had! Och ja, natuurlijk!.... ’t Was toch een vreemd, een onbegrijpelijk
iets, het leven! Kom, zij zou maar gauw een antwoord schrijven. Wat tot
het verleden behoorde, was de moeite niet meer waard; gedane zaken
namen toch geen keer!
„Lieve Luus! Heel veel pleizier deed me je briefje; ik verheug me
van harte in uw gelukkig lot. Mijn kleine njo heeft vandaag zijn
eersten tand gekregen. Papa en ik hebben het heden onderzocht, en
’t puntje is er terdege door. Het is een kind, Luus, om op te eten,
zoo mollig en rond, en zoo lief voor me! O, hij is heel verstandig,
en wezenlijk hij kan je aanzien met ’n gezichtje, alsof hij
verstaat, wat je zegt. Ik ben zoo gelukkig met mijn kleinen vent,
als ik slechts wenschen kan. ’t Is mijn lust en mijn leven, en ik
doe haast niets anders dan me met hem bezighouden. Over onze
kennissen te Batavia schrijf ik je wel eens; ik moet nu
uitscheiden, want ik hoor hem.
Adieu en omhelsd van je
Louise.”
Geen woord over de wederzijdsche echtgenooten; dat manvolk,—fi donc!
Lucie’s vader, der alte Herr Drütlich, had wel gelijk: ’t zou op zijn
tijd gedaan wezen met die soort van kalverliefde tusschen hen. Dat zat
’s avonds in de voorgalerij in ’t donker! Kon het nog maller, dan deden
ze nog maller! Eigenlijk had ze ’n heel anderen brief moeten schrijven,
want alles bijeengenomen was Lucie ’n mal wicht. Maar soedah! ’t Was nu
eenmaal geschreven, en.... het kind was wakker!
’t Was Van Velton niet gelukt. Hij had den raad van zijn schoonvader
gevolgd à contre-coeur. Aanvankelijk had dit in zoover een goede
uitwerking, dat de booze bui van Louise week, en zij zich weer met hem
verzoende. Doch nu had ze ook verwacht, dat hij haar zou omhelzen en
zich onderwerpen; se soumettre, dacht ze, ou.... Maar dàt deed hij nu
juist niet. Hij had A gezegd, en hij wist wel dat, naar ’t
volksgebruik, iemand, die daartoe is gekomen, onherroepelijk
veroordeeld is ook B te zeggen. Hij schoot in dien plicht te kort om
verschillende redenen, en Louise nam hem dat kwalijk. Bovendien duurde
het geen vier en twintig uren of hij bromde weer over het vertroetelen
van het kind, over het vervelende in huis enzoovoort, wat een heftige
uitbarsting van het lieve klokhennetje ten gevolge had.
Eenige dagen hield hij vol haar ’s morgens, als hij naar ’t kantoor
ging, en ’s middags, als hij thuis kwam, te groeten; maar toen zij in
haar stilzwijgen volhardde en hem geen woord teruggaf, eindigde hij met
er van af te zien. Ook zijn schoonvader zag hij niet meer. Er hadden
vrij hevige standjes tusschen de heeren plaats gehad, bij welke
gelegenheid dokter Van der Linden had uitgevaren op een wijze, die Van
Velton alleronaangenaamst had getroffen, ja, zijn oude vriend, thans
zijn schoonvader, had zich niet ontzien uitdrukkingen te bezigen, die
uit een physisch, zoowel als uit een psychisch oogpunt hem, Van Velton,
ernstig hadden beleedigd. ’t Was ten slotte zóóver gegaan, dat de
wederzijdsche partijen openlijk spijt betoond hadden, dat het ooit was
gekomen tot dien trouwdag, waarop ze beiden zoo aandoenlijk hadden
gespeecht.
Zoo stapte hij dan in zijn rijtuig en reed naar zijn kantoor. Gedurende
den langen weg naar de kali-besar dacht hij minder aan de zaken, die
hem daar wachten, dan aan zijn moeilijke huiselijke omstandigheden.
Welk een toekomst! En als alles nog maar kon blijven in status quo, dan
zou het nog kunnen gaan, zoo goed en kwaad, als het gaan wilde. Maar de
meisjes in Holland hadden in haar laatste brieven geschreven, dat ze
naar Indië wenschten te komen en dat dit zelfs in het belang der
gezondheid van een harer was, die op den duur niet bestand scheen tegen
het koude klimaat, en tegen den aanstaanden winter vreeselijk opzag.
Wat zou dat weer een bron van ellende zijn!
In gemelijke stemming kwam hij in de stad, en ’t werd er niet beter op,
toen de oppasser hem kwam vertellen dat er dames waren om hem te
spreken. Zeker weer zoo’n bedelpartij ten behoeve van een signora of
van een miss, behoorende tot een aan bloedarmoede lijdend
artisten-gezelschap, dat een benefice-voorstelling gaf.
Hij liet den naam vragen en de bediende kwam terug met een
boodschappenleitje, waarop geschreven stond: „Mevrouw de weduwe
Donker.”
Van Velton haalde de schouders op. Donker? Nooit van gehoord!
„Laat binnenkomen.”
Ze was al oud, en ze droeg een stemmige zwarte matinée; haar grijzend
haar was op Indische manier achterovergekamd en opgenomen in een kondé;
ze trad ’t kantoor binnen met een ernstig gezicht en zeker gevoel van
eigenwaarde. Er was geen sprake van een bedelpartij, dàt zag Van Velton
dadelijk.
Hij stond op en bood haar een stoel, terwijl hij naar de deur keek om
te zien, waar nummer twee bleef. „Dames” had de oppasser gezegd.
Waarschijnlijk verkeerd verstaan.
Zonder te wachten tot gevraagd werd wat er van haar dienst was, ving ze
aan met een zakelijk exposé. Zij wilde voor dertig mille een aandeel
koopen in een land, maar daar zij wist dat de firma kapitaal had
voorgeschoten aan de eigenaren om naar behooren te exploiteeren, was ze
zoo vrij eens te informeeren, of de inlichtingen haar verstrekt door
den medeëigenaar, die ’t aandeel verkoopen wilde, juist waren. Meneer
Van Velton zou ’t wel niet kwalijk nemen; zij deed zulke zaakjes altijd
graag persoonlijk af; een weduwe, die met moeite haar gering fortuintje
heeft bijeengespaard, moet zoo weinig mogelijk aan anderen overlaten.
Meneer Van Velton nam het volstrekt niet kwalijk. Hij zette zijn
pince-nez op en beschouwde de weduwe Donker met zakelijke
belangstelling. Drommels, zoo’n arme vrouw, die haar boeltje bijeen
wist te houden,—daar moest men altijd respect voor hebben; die moest
men altijd helpen. Hij liet den boekhouder roepen, en binnen tien
minuten had de bezoekster de inlichtingen, die zij verlangde. Met een
eenvoudige dankbetuiging stond ze op.
„Geen dank, geen dank! ’t Doet me pleizier, dat ik u heb kunnen
helpen.”
„Het is heel vriendelijk van u, zooveel moeite te doen. Ik ben maar een
vrouw en heb weinig verstand van zaken. Als de heeren mij met hun
raad....”
„Welzeker. Als u iets hebt, kom dan maar gerust hier.”
Hij geleidde haar tot aan de deur. Daar zag hij nummer twee, die op den
corridor stond te wachten; de oppas had dan toch gelijk gehad! Van
Velton keek zijn oogen uit: Diantre, wat ’n aardig kind!
„Mijn dochter Lientje,” zei de weduwe Donker in antwoord op zijn
vragenden blik.
Lientje kwam naderbij.
„Ik maak u mijn compliment, mevrouw!” zei hij.
„Ja, ja!” antwoordde mama met een zonderlingen glimlach: „dat is wel
eens meer gezegd. Maar ze hoeft het zich niet aan te trekken. ’t Is
maar bij manier van spreken.”
„Inderdaad niet....”
Hij sprak niet door, zoo stond hij verwonderd. Lientje Donker was
volstrekt niet verlegen; zij keek hem met haar heldere, blauwe oogen
vlak in het gezicht, met een uitdrukking in haar wezen, die hij niet
wist hoe uit te leggen, maar die in geen geval van afschuw of
terughoudendheid getuigde. Was het naïviteit of onbeschaamdheid?
„U hadt hier immers niet in de gang behoeven te wachten!”
„Och, het is niet de moeite waard. ’t Heeft ook niet lang geduurd.”
„Hebt u nog meer kinderen?” vroeg hij aan de weduwe.
Zuchtend antwoordde ze, dat Lientje haar eenig kind was.
„Het is een treurige geschiedenis, die u geen belang zal inboezemen.”
„Integendeel,” antwoordde hij zonder nadenken, terwijl hij zijn oogen
van het lieve, vriendelijke kopje niet kon afhouden.
„Integendeel, ik houd me toch aanbevolen.”
De weduwe Donker vertrok met haar dochter, maar vóórdat Van Velton de
deur achter zich had gesloten, keerde zij nog even terug: ze had nog
verzuimd een kleine informatie te nemen omtrent dat bewuste land.
„Ik zal het laten nazien,” zei Van Velton, glimlachend tegen Lientje,
die in de verte stond toe te zien. „Er zal wel ’n minuut of tien mee
verloopen .... zal ik het u met ’n briefje zenden!”
Het was, meende zij, àl te goed, maar ze gaf hem toch haar adres ergens
te Weltevreden. ’t Verheugde hem, zonder dat hij wist waarom. Welk een
charmant kind! En wat een bekend gezichtje! Hij had er op durven
zweren, dat hij het meer had gezien. Waar drommel herinnerden hem toch
die oogen aan?
De zaken veroorloofden hem niet verder te denken over Lientje Donker en
haar oogen; maar wel tienmalen kwamen ze hem dien dag voor den geest.
Welk een lief, blank deerntje! Wat had ze hem vriendelijk en
vertrouwelijk aangekeken.
’s Middags, toen hij naar huis reed, pikirde hij er nog over. Op zijn
voorerf zag hij dat Louise in de galerij zat met het kind; toen het
rijtuig stilhield, stond ze op en ging naar achter.
Zoo’n prettige ontvangst! Hij vond het wèl.
Hij had de inlichting, die de weduwe Donker vroeg, nog niet verstrekt.
’t Stond genoteerd in zijn boekje, maar hij had geen tijd gehad, want
het was maildag geweest en die verwenschte correspondentie met Europa
nam als het ware met den dag grooter proportiën aan. Eigenaardig, dat
hij daar nu juist aan dacht! In elk geval: hij zou haar nog schrijven
dien avond, en toen hij opstond van het diner, dat gekruid werd door
het ontevreden gezicht van Louise en opgevroolijkt door een onverbroken
wederzijdsch stilzwijgen, ging hij zuchtend zijn kantoor-kamer binnen.
Och, hij zou dat dingetje nog even afdoen, ofschoon het niet aangenaam
was te schrijven des avonds na het eten.
’t Was mooi weer; over de uitgestrekte vlakte van het Koningsplein
wierp de heldere maan haar rijke, fantastische lichtstroomen; door de
harde bladeren der klapperboomen ruischte een lekker koeltje. Van
Velton dacht niet aan een wandeling. Een enkele maal als zijn digestie
gestoord was, ja, dan liep hij ’s morgens vroeg een paar erven ver
langs den weg en terug. Maar loopen in Indië.... hij had er respect
voor.
Een toertje rijden, dat was iets anders. Zoo in den maneschijn was dat
wel aardig. Zou hij ’t nog eens probeeren? Waarom niet! Hij ging naar
achteren. In een hoek der galerij, half liggend, half zittend, bekeek
Louise de prentjes van geïllustreerde tijdschriften. Hij liep een
oogenblik op en neer, bleef toen bij de tafel staan, en zei op een toon
van vriendelijke toenadering:
„Heb je er ook pleizier in ’n eindje te toeren, Wies?”
„Dank je wel. Toer jij maar alleen.”
„Kom, wees nu niet zoo onaangenaam.”
Geen antwoord.
Haast een kwartier besteedde hij om haar te bepraten, maar vruchteloos.
Toen liet hij inspannen, stak een havana op en ging alleen.
Eerst dacht hij enkel ’t Koningsplein om te rijden, maar hij bedacht
zich, en gaf andere prentahs aan zijn koetsier. Hij wilde eens langs de
woning van die weduwe Donker gaan. Niet om het een of ander, maar
alleen om eens te zien, hoe en waar ze woonde. Doch in de aangewezen
gang waren slechts weinig huizen verlicht.
Hij keek oplettend links en rechts, maar zonder eenig resultaat, en zoo
keerde hij even wijs terug naar huis. Inwendig speet het hem.
Zij had hem wel gezien. Toen de beloofde inlichtingen niet schriftelijk
kwamen, had ze gedacht dat hij ze persoonlijk zou komen brengen. Toch
had ze geen plan hem te ontvangen. Het zou geen houding hebben als die
fraaie equipage bij haar voor de deur stond, en men dien handelsvorst
zag zitten bij haar en bij haar dochter.
Want zij was nu fatsoenlijk, althans zij ging daarvoor door bij de
weinige menschen, die haar kenden in deze buurt!
In de duisternis zat ze in haar voorgalerij, en zij zag de reusachtige
schaduwen, welke de dromedarissen van Sydneyers wierpen in het
maanlicht, en ze zag ook hoe ijverig Van Velton links en rechts keek.
Zachtjes aan, zachtjes aan!
De wraak, zij wist het bij ervaring, is een artikel, dat men koud moet
gebruiken, als men er genoegen van wil beleven.
Zij had altijd den wensch gekoesterd naar een oogenblik als dit, naar
zulk een goed begin van uitvoering.
Maar zij had het er met vreugde aan gegeven, indien het haar gelukt was
voor Lientje een man te vinden, die zijn groot-ambtenaarsexamen had
gedaan. Die droom was niet verwezenlijkt.
Haar bedorven leven vervolgde haar.
Eens had zij zich weggeworpen, door de huishoudster te worden van
dokter Van der Linden, toen die nog jong officier van gezondheid was.
Lang was ze hem trouw gebleven, en had ze hem bij zijn talrijke
overplaatsingen nagereisd, tot hij eindelijk met een ander trouwde.
Zelfs toen, toen hij weer tot haar terugkeerde, zooals ze van het begin
af had voorspeld, had ze haar woning voor hem geopend.
En nu?
Jarenlang had hij, die zooveel geld verdiende en maar één wettige
dochter had, haar en Lientje een kleine maandelijksche toelage
gegeven,—’t was haast de moeite niet waard geweest. Ten slotte verstiet
hij haar geheel. O, als zij eens niet zoo pinter was geweest!
Als zij eens niet geweten had, welke inlandsche grooten grof geld
betalen voor te Batavia en elders gestolen brillanten en diamanten! Dan
zou ze nu een warong kunnen houden of kabaja’s kunnen naaien en haar
oogen bederven.
Zij was wijzer geweest. Geheeld, nu ja, dat had ze, en gewoekerd had ze
ook. Wat zou het? Was ze minder dan zoovelen, die grooten geur maakten
en wier zaken het licht soms niet konden verdragen? Op een goeden dag
kon ze haar plannen voor de toekomst van Lientje verwezenlijken. Het
meisje was mooi opgegroeid, en al had ze heel veel last veroorzaakt en
heel leelijke streken uitgehaald,—soedah! men kon het haar niet
aanzien!
Uit haar kampong was ze toen vertrokken met haar papieren, haar geld en
haar dochter. ’t Was gegaan met stille trom. Dáár kende men haar
volstrekt niet als de „weduwe” Donker; men wist niet beter of ze was
„njonjah Kerstien.” Goed op de hoogte, als ze was, had ze een geschikte
woonplaats uitgekozen in den Oosthoek.
Zoo’n lief, klein plaatsje, waar zij een net huis huurde, zich zeer
goed inrichtte voor haar doen, en optrad als mevrouw de weduwe Donker.
Maar het vlotte niet.
’t Was of het kleine, min of meer verspreide publiek bij intuïtie
begreep, dat er een luchtje aan was.
En wat alles bedierf, was het ergerlijk gedrag van Lientje, die weldra
met een paar officieren van het garnizoen op zulk een vertrouwelijken
voet verkeerde, dat spoedig alle kans om voor haar een man te vinden,
die zijn groot-ambtenaarsexamen had gedaan, totaal was verkeken.
Met Lientje was niets aan te vangen. Zij lachte om vermaningen en
bedreigingen, en beantwoordde scheldwoorden met schimpscheuten; alles
had ze beproefd, maar jawel! Zelfs een geregeld pak slaag had geen
andere uitwerking, dan een kort lamenteeren. Overigens ging alles zijn
gang.
De weduwe Donker zag in, dat dit slechts kon uitloopen op een publiek
schandaal, wat zij tot elken prijs wilde vermijden.
De trouwplannen voor Lien en den idealen schoonzoon had ze voorgoed
opgegeven. Een gewone klerk zou nu het meisje niet meer begeerd hebben
als vrouw, tenzij hij het deed om ’t lieve geld.
Een kort lied was spoedig gezongen: ze moest weg uit het plaatsje. Zoo
gauw mogelijk weg! En liefst terug naar Batavia, waar men, als men dat
wilde, zich gemakkelijk ergens kan afzonderen, wat overal elders
onmogelijk is.
Te gelijk met dat besluit, kwam haar oude, gloeiende haat boven, tegen
„dat nest”, dat bruine creatuur, dat haar zoo vinnig en uit de hoogte
had bejegend; dat haar zoo diep had beleedigd, toen ze, terwijl de
dokter uit was, daar aan huis was gekomen om Louise Van der Linden te
vertellen, dat ze een zuster had, die, al mocht ze den naam van Van der
Linden niet voeren, toch haar zuster was.
„Dat nest” was nu getrouwd, en woonde in grootheid en rijkdom op ’t
Koningsplein; zij zou haar wel krijgen, zoo waar ze Christien Donker
heette! En wat Lien betrof,—och, die was toch goed voor niets
bijzonders; ze kon zonder verder te bederven haar moeders wraakzucht
helpen bevredigen. Dan had ze ten minste iets gedaan voor het geld, dat
ze van haar moeder zou erven!
Lientje zat naast haar in de voorgalerij toen Van Velton voorbijreed en
zoo onderzoekend links en rechts keek.
„Daar gaat-ie,” fluisterde haar moeder met blijde verrassing.
’t Meisje rekte zich geeuwend uit. Wat kon haar die kakeh schelen? Haar
moeder leek wel gek! Toen zij zich amuseerde met een stuk of wat
officieren, flinke, jonge menschen, kreeg ze niets dan zure gezichten,
standjes en slaag; nu ze den heelen dag hier rustig en stil thuis was,
zanikte haar moeder haar over dien bejaarden man, die bovendien
getrouwd was.
Och, ze wist wel waarom! Maar wat kon haar, Lientje, dat schelen? Ze
had hem op ’t kantoor op haar manier heel vriendelijk aangekeken,
vooreerst omdat ook hij zoo beleefd en vriendelijk was, en dan wijl ze
heel goed wist, dat als ze het niet deed, thuis de duivel los zou zijn
geweest.
Doch tot ver strekkende doeleinden zou zij zich niet leenen; dàt had ze
zich vast voorgenomen.
Zij zou het alles vertellen aan den dokter.
Waarom kwam hij niet?
Van hem hield ze. Ze wist wel, dat ze al jaren lang heel ondeugend was
geweest, maar toch hield ze in haar hart innig veel van.... haar vader.
Dat hij haar moeder links liet liggen, begreep en billijkte ze
volkomen. Maar waarom was hij, die vroeger altijd zoo lief en
vriendelijk voor haar was, en die altijd zulke lekkere bonbons voor
haar meebracht, nu ineens zóó onverschillig, dat hij volstrekt niet
meer naar haar omzag?
Zij had haar moeder gevraagd of ze hem niet eens mocht gaan opzoeken,
maar dat was haar op vinnige manier verboden.
Welnu, ze zou het tòch doen, bij de eerste gelegenheid de beste.
Den volgenden ochtend reeds deed zich die gelegenheid voor.
„Je moet je kleeden, Lien,” zei haar moeder aan het ontbijt, en toen
zij verwonderd opkeek, liet ze er op volgen: „Straks moet je een brief
voor me brengen aan meneer Van Velton.”
„Kan baboe ’t niet doen?”
„Neen.”
„Nu, ik wil niet.”
Zij zag aan ’t gezicht van haar moeder, dat haar weigering een pak
slaag zou kosten.
„Wat, beest! wil je niet? Ik zal je....”
„Maak zoo’n kabaal niet. Ik zal wel gaan.”
„’t Is je maar geraden. Je hebt me genoeg getergd. Pas op, hoor! dat je
doet wat ik wil, of ik zal je vernielen.”
Ofschoon ze voor de bedreiging met mishandeling was bezweken, toonde
Lientje zich voor dat „vernielen” niet bevreesd. Terwijl ze met haar
vingers de rijst uit een blad zat te eten, plaagde zij haar moeder
voortdurend, door op Van Velton te schelden, en was ze ontzettend
langzaam in het kleeden.
’t Speet Van Velton razend, dat het kantoor volstrekt niet ingericht
was voor dames-bezoeken. Hij ontving Lientje met groote voorkomendheid,
en hij trachtte zich een zeker air van jeugdigheid te geven, waarover
zij het wel had willen uitschateren van ’t lachen.
„Mijn excuses aan mama! ’t Is me gisteren geheel door ’t hoofd gegaan.
Ik zal nu dadelijk antwoord meegeven.”
„Heel graag.”
„En woon je daar zoo alleen met maatje?”
„Ja.”
„Ik zou graag eens over die zaak komen spreken. Hier gaat dat zoo
moeilijk.”
„Komt u dan maar.”
„Ja-a! Zie je”—hij kon zich die kleine familiariteit zoo nu en dan toch
wel permitteeren!—„....als ik wist dat het niet ongelegen kwam.”
De hoeken van haar aardig mondje trokken spottend omlaag. Zij vond hem
zoo gek! ’t Tenteerde haar. Waarom zou ze ook niet eens een grap
hebben? ’t Leven was tegenwoordig zoo saai, en kwade bedoelingen had ze
immers niet.
„Het zal volstrekt niet ongelegen komen. Ma zal blij wezen u te zien.”
„Mag ik dan vanavond zoo vrij zijn?”
„Wij zijn altijd thuis.”
„Ik weet niet precies waar het huis is.”
„Neen, dat zagen we gisteravond.”
Verrast keek hij haar in de heldere, brutale oogen. Wie, drommel! had
die ook weer precies eender?
„Hebt ge me dan gezien?”
„Zeker, we zaten voor. Maar we konden u toch niet ontvangen.”
„Waarom niet?”
„Wel.... iemand met zoo’n rijtuig en zulke paarden....”
„Zoo! Hm, hm! Nu, dat is goed.”
Van Velton zag dat zijn compagnon telkens van den eenen hoek der kamer
naar den anderen liep, en dan verdacht glimlachend naar hem gluurde.
Hij schreef gauw het briefje voor de weduwe Donker en zond er Lientje
mee weg.
„Aardige visite krijg jij,” merkte zijn compagnon op.
„’t Meisje kwam voor haar moeder om ’n informatie.”
„Hm! ’n Verduiveld aardig kind! Weet je ook waar ze woont?”
„Waar ze woont? Neen volstrekt niet. Wat kan ’t mij schelen!”
„Ze ziet wel blank, maar ’t is toch geloof ik een nonnaatje, hé?”
„Ik weet het waarlijk niet.”
Des avonds ging hij er heen met een gewonen huurwagen.
Christien Donker was heel lief geweest tegen Lientje; als zij alles had
geweten, zou ze haar hebben vermoord.
Lientje was dien morgen, na haar bezoek aan ’t kantoor, bij dokter Van
der Linden geweest. Hoezeer deze wist van welk gehalte ’t meisje was,
en hij, blijde eenmaal van Christien Donker voorgoed af te zijn, liever
niets met haar te maken wilde hebben, kon hij zekere ontroering niet
bedwingen, toen Lientje zoo plotseling voor hem stond. Behalve de
natuurlijke verschillen tusschen een oud man en een jong meisje, geleek
zij sprekend op hem, zóó dat ’t hem zelf, die haar in twee jaren niet
gezien had, trof.
Hij behoefde zich nu niet te geneeren, want hij woonde, sedert Louise
getrouwd was, alleen. Toch aarzelde hij haar met goedheid te ontvangen.
Die oude, oude relatie,—hij was zoo blij, dat hij er af was!
„Wat kom je doen?” vroeg hij niet erg vriendelijk.
„Wel, ik kom eens zien hoe ’t met u gaat. Waarom komt u in het geheel
niet meer bij ons?”
’t Was moeielijk op die vraag een geschikt antwoord te vinden.
„Och, je weet ’t wel. Ik kom niet meer bij je moeder.”
„U kon toch wel naar mij komen!”
„Niet zonder naar je moeder te gaan.”
„Wat doet het er toe? Vroeger kwam u ook wel dikwijls bij me, zonder
dat u tegen moeder sprak.”
„Stuurt je moeder je?”
„Neen, zij weet er niets van. Als ze ’t hoort krijg ik vast ’n pak
slaag.”
„Waarom ben je dan gekomen?”
„Ik weet ’t niet; ik zou in elk geval toch zijn gekomen; ik wou u graag
eens zien.”
Er was iets in haar stem, dat hem pijnlijk trof. Hij was een goedhartig
man van nature, en hij had Lientje wel willen omhelzen; ze was toch ook
zijn kind, al was ze het niet voor de wet, en al was ze, dat wist hij,
verdronken vóórdat ze, zooals men ’t noemt, water had gezien.
Hij hield zich terug, maar gaf haar toch een stoel, ging naast haar
zitten en zei veel minder stroef:
„Dan doet het me genoegen, Lien, dat je bent gekomen. Als je ten minste
niet jokt.”
„Ik lieg niet. Waarom zou ik? Wij hebben u niet noodig. Moeder heeft
veel geld.”
„Mijn hemel!” riep Van der Linden plotseling: „hoe is ze toch aan dat
geld gekomen?”
„Dat heeft ze gestolen,” zei Lientje doodbedaard.
Verschrikt rees hij van zijn stoel op, zoo bleek als een doek.
„Wat? Wat zeg je daar?”
„Neen, eigenlijk niet gestolen; maar het was toch.... ziet u, ze kocht
goud en zilver en steenen van allerlei volk en dan gingen we op reis.”
„Nu, en dan?”
„En dan verkocht ze het weer.”
„Wel, God bewaar me!”
Hij riep het in de volheid zijner verbazing. Dat waren dan de redenen,
waarom ze van tijd tot tijd in vroeger jaren naar haar familie ging.
Wat had hij door dat wijf toch gevaren geloopen! Als ze betrapt was,
zou hij onvermijdelijk als getuige hebben moeten opkomen.
„Herinner je je nog dat gestolen goed van ons?”
„Jawel. Dat is ook alles op dezelfde manier door haar handen gegaan.”
De dokter vloekte, hij, die anders nooit vloekte.
„Laat maar,” zei Lientje fatalistisch. „Er is toch niets aan te doen.”
„Neen, dat is er niet. Men hoort het kwade altijd vroeg genoeg.”
Zij lachte.
„Niet altijd. Ik kom hier om u te waarschuwen. Moeder heeft iets met
hem voor, dat u niet graag zult hebben.”
„Met hem?.... met wien bedoel je?”
„Uw schoonzoon, die meneer van ’t Koningsplein, Van Velton.”
„Hè?.... Van Velton?.... wat hebt jullie met hem te maken?”
Zij vertelde alles. Hij hoorde het aan met verslagenheid. Welk een
gemeene intrige! En, dat wist hij zoo goed: hij stond er volkomen
machteloos tegenover. Als Lientje hem hielp, dan kon hij het beletten.
Maar anders kon hij niets hoegenaamd uitrichten.
„Ik ben er immers voor hier gekomen,” zei ze, toen hij vroeg of hij op
haar kon rekenen.
„Dan is het goed. Maar als hij nu eens ’n jong en knap man was geweest,
zou je me dan ook hebben gewaarschuwd?”
Zij stonden recht tegenover elkaar, en hij las haar gedachten op haar
gezicht, toen hij in.... zijn eigen oogen keek.
„Misschien,” zei ze lachend.
De dokter schudde het hoofd. ’t Was zijn eigen bloed, dàt viel niet te
loochenen. Hij wist zoo goed aan welken kant hij zijn gansche leven
mank had gegaan!
Toen ze weg was, bleef hij er over nadenken. Inderdaad: wat moest hij
doen? Er Van Velton, met wien hij gebrouilleerd was, over spreken—neen,
dat ging niet. Louise,—dat was nog onmogelijker.
Afwachten dus.
Maar dat vond hij juist het onaangename, want hij kon Lientje niet
vertrouwen. Dat ze in haar komen bij en praten met hem volkomen te
goeder trouw was geweest, geloofde hij. Dan, welke waarborgen leverde
haar heden op voor den dag van morgen? En wat zou er intusschen van ’t
gezin van Louise moeten komen, als die gemeene intrige van Christien
Donker gelukte?
Zijn ongerustheid dreef hem naar ’t Koningsplein; hij vond Louise
alleen thuis, zich vermakend met haar kindje.
„Hoe is het nu tusschen jou en Van Velton?” vroeg hij onverwacht.
Onverschillig haalde zij de schouders op.
„Hoe zou het wezen?”
„Spreek jullie weer met elkaar?”
„Wel neen! Waarvoor zou het dienen?”
„Kindlief, ik zou het je toch aanraden.”
„En u hebt zelf standjes met hem gemaakt.”
„Het is waar; maar zulke onaangename verhoudingen kunnen niet eeuwig
duren. Ik vind het dringend noodzakelijk dat er een eind aan komt.”
Verbaasd keek zij hem aan.
„Ik zie die noodzakelijkheid niet in, pa. Het gaat heel goed zoo.”
„Dat is niet waar, Wies; ’t gaat in het geheel niet. Het is de manier
om je huishouden ten gronde te richten.”
„Komaan!”
„Zeker. ’t Is een toestand, die de ergste gevolgen kan hebben. Zulk een
slechte verhouding tusschen man en vrouw levert allertreurigste dingen
op. In de eerste plaats werkt het verderfelijk en nadeelig op de
kinderen.”
Fier richtte zij ’t donkere kopje omhoog, en keek hem uitdagend aan.
„Volstrekt niet. Ik ben best in staat mijn kind alleen op te voeden.”
„Onzin, Wies! Dat kan je niet, en dat kan geen vrouw ter wereld.
Kinderen hebben een opvoeding noodig door ouders. Niet door een vader
of een moeder alleen. Als het niet anders kan, soedah! Maar hier kan
het wèl zijn, zooals de natuur het aanwijst.”
„Waarom ziet hij dat niet in? Waarom wil hij de minste niet wezen? Hij
heeft ongelijk. Ik niet.”
„Wie gelijk of ongelijk heeft, laat ik in ’t midden. De minste is hij
al telkens en telkens geweest. Een man kan dat niet altijd zijn.”
„Het schijnt,” zei Louise met verbazing, „dat u zijn partij neemt tegen
mij.”
„Volstrekt niet. Ik spreek in aller belang. Vooral in dat van jou en
van den kleinen jongen. Wat moet er uit dezen toestand voortkomen?”
„Ik heb u al gezegd pa: ’t gaat heel goed zoo.”
„En ik herhaal: dat doet het niet,” riep hij zoo hard en norsch, als
hij in zijn kwade oogenblikken wezen kon.
„Wat bent u onaangenaam,” zei Louise, wie het huilen nader stond dan
het lachen. „Ik geloof, dat ge hier zijt gekomen om ruzie met me te
maken.”
„Hoe kan je dat denken,” haastte hij zich op zachten toon te zeggen,
want hij was voor Louise’s zenuwen zeer bevreesd. „Geloof me toch, als
ik je zeg, dat ik alleen spreek in ons aller belang. Zulk een gespannen
toestand kan alleen slechte gevolgen hebben. Velton zal ten slotte van
zijn huisgezin vervreemden.”
’t Was aan haar gezicht te zien, dat zij het gevaarlijke daarvan niet
kon vatten.
„Hij zal elders zoeken,” vervolgde de dokter, „wat hij thuis niet kan
vinden.”
„Wel, wat dan?”
„Drommels, wat ben je traag van begrip vandaag!”
„O.... bedoelt u dat?”
„Natuurlijk.”
„Och maar.... neen maar, die is komiek.... Die pa!” Zij schaterde van
het lachen. Dokter Van der Linden keek haar verstomd aan. Hij wilde een
nadere uitlegging van haar woorden, maar die gaf ze niet. Zij lachte
luid, schoon het niet van harte klonk, maar den dokter één langen
dissonant toescheen. Nu en dan riep ze er tusschen:
„Die pa!” of: „Daar behoeft u nu volstrekt niet bang voor te zijn.”
Ten einde raad, stond hij op, en nam zuchtend afscheid van zijn dochter
en zijn kleinkind. Het was soms lastig een man te zijn, zelfs als men
een geneesheer was!
Een maand later was de vrede hersteld.
Van Velton was weer „de minste” geweest; Van Velton was de beleefdheid
en de voorkomendheid zelf; Van Velton kon het velen, dat Louise van
nooit iets anders sprak dan van het kind en de ontwikkeling zijner
carnivorische eigenschappen, welke met de gewone verschijnselen gepaard
ging.