Maar toen ik eens iemand uit een boek, zooals hij zeide [Kanttekening:

97C] van Anaxagoras, hoorde voorlezen en zeggen, dat het de geest

is die alles regelt en van alles oorzaak is, was ik blijde met die

verklaring, en het leek mij in zekere richting volkomen helder, dat

de geest van alle dingen oorzaak is, en ik meende dat als dit zoo

is, de geest die alles regelt, ook alles ordenen moet als bést is;

en dat derhalve wanneer iemand de oorzaak wil uitvinden omtrent

ieder ding, hoe het ontstaat of vergaat of bestaat, hij daaromtrent

dìt moet uitvinden: hoe het voor dat ding bést is òf te zijn òf

wat-anders-ook te ondergaan of te doen; en [Kanttekening: 97D] dat

op grond van deze verklaring, een mensch niets anders behoort na te

gaan zoowel betreffende dat bizondere ding als betreffende andere dan

het beste en uitnemendste; en dat noodzakelijk diezelfde mensch ook

het slechtere weet; want dat de kennis omtrent beide éen-en-dezelfde

is. Deze dingen dan bedacht ik met vreugde, en meende van de oorzaak

betreffende het bestaande een onderwijzer gevonden te hebben niet

alleen naar den geest, maar naar mijn eigen hart: Anaxagoras--en ik

meende, dat hij mij eerst wijzen zoû of de aarde vlak is of bol, en

nadat hij dit aangetoond [Kanttekening: 97E] had, achterna de oorzaak

en de noodwendigheid uiteenzetten, besprekend wat best voor haar is en

dat het best voor haar is zóo te zijn; en wanneer hij zoû zeggen, dat

zij in het midden is, dan dacht ik dat hij daarna zoû uiteenzetten dat

het beste was, dat zij in het midden is; en als hij mij deze dingen

zoû verklaren, was ik gereed geen andere soort van oorzaak meer te

begeeren. En ook [Kanttekening: 98A] omtrent zon en maan en de overige

hemellichamen was ik zoo bereid, om mij op dezelfde wijze te laten

onderrichten, omtrent hun onderlinge snelheid en hunne wendingen en

hun overige verschijnsel-gevallen, hoe beschouwd het wel het beste

is, dat zij een elk dat doen en ondergaan wat zij ondergaan. Want ik

meende dat hij, daar hij immers beweerde dat zij door de géest geordend

waren, hun nooit een andere oorzaak zoû kunnen toedragen, dan dat het

[Kanttekening: 98B] beste is, dat zij zóo zijn als zij zijn. Door nu

aan elk ding afzonderlijk en daarna aan alle dingen gezamenlijk hun

oorzaak toe te kennen, zoû hij, meende ik, wat voor elk ding het beste

was, uiteenzetten, en daarna het voor alle dingen gemeene goede. En

voor geen geld zoû ik mijne verwachtingen verkocht hebben, maar met

grooten ijver nam ik zijn boeken ter hand en las die zoo snel ik kon om

zoo snel mogelijk het beste en het slechtere te weten.

Van wonderlijk hooge verwachting dan, o mijn vriend, stortte ik neêr,

toen ik al voortlezende een man gewaar werd, die den geest volstrekt

niet in toepassing bracht tot [Kanttekening: 98C] het regelen der

dingen, maar licht en aither en water en vele andere wonderlijke

zaken als oorzaken opgaf. En het leek mij dat hij even mal deed, als

wanneer iemand beweren zoû dat Sokrates alles wat hij doet, door den

geest doet, en dan zoû trachten de oorzaken aan te geven van al de

dingen die hij doet, en al dadelijk zeggen zoû dat ik nu hier zit,

dáarom omdat mijn lichaam is samengesteld uit beenderen en pezen,

en dat de beenderen vast zijn en door gewrichten van elkaêr zijn

gescheiden, maar de pezen ingericht [Kanttekening: 98D] om zich te

kunnen spannen en ontspannen, terwijl zij samen met het vleesch en

het vel dat hen samenhoudt, de beenderen omgeven; en dat dus daar

mijne beenderen bewegelijk zijn in hunne gewrichten, mijn pezen door

zich te ontspannen en samen te trekken mij in-staat-stellen op het

oogenblik mijne leden te buigen, en dat ik om die oorzaak samengebogen

hier nederzit. Of ook wanneer iemand andere dergelijke oorzaken zoû

opgeven omtrent ons samenspreken, stem en lucht en gehoor en andere

ontelbare dergelijke als oorzaken noemende, zonder zich de moeite te

[Kanttekening: 98E] geven de waarachtige oorzaken te zeggen, dat, nu

de Atheners beter hebben gevonden mij te veroordeelen, daarom ook ik

op mijn beurt het beter vond hier neder te zitten, en rechtvaardiger

te blijven en de straf te ondergaan, die zij bevolen hebben. Want,

bij den hond, al-lang, naar ik meen, zouden deze pezen en beenderen

in de buurt van Megara [Kanttekening: 99A] of Boiotia zijn, door een

andere opvatting van het beste daarheen gedragen, indien ik het niet

voor rechtvaardiger en schooner hield, in plaats van te vluchten en op

den loop te gaan, aan den staat de boete te betalen, die hij oplegt.

Maar dergelijke dingen oorzaken te noemen is al te dwaas; doch als

iemand zeide, dat buiten het bezit van dergelijke, beenderen en pezen

en al het andere wat ik heb, ik niet in-staat zoû zijn te doen wat

ik goed-vind, zoû hij de waarheid zeggen; dat ik echter (en dat wel

vooropgezet, dat ik handel door den geest) wat ik doe, doe op grond van

deze [Kanttekening: 99B] dingen, en niet door de keuze van het beste,

zoû groote en ver-reikende lichtzinnigheid van redeneeren zijn. Want

dat men niet onderscheiden kan dat de wezenlijke oorzaak iets anders

is dan dat zonder wat de oorzaak nooit de oorzaak zoû kunnen zijn!

Dáarom lijkt het mij dat de meesten, tastende als in duisternis, met

een verkeerden naam dit als oorzaak benoemen. Om die reden dan ook

omgeeft de éen de aarde met een maalstroom en stelt dat zij zoo onder

den hemel blijft, en de ander onderstut haar evenals een [Kanttekening:

99C] vlakke baktrog met de lucht als basis. Maar naar de macht waardoor

de dingen nu zoo geplaatst zijn als het voor hen het best mogelijk was

gesteld te worden, daarnaar doen zij noch onderzoek, noch gelooven,

dat die goddelijke kracht bezit, maar zij meenen eenmaal nog een

Atlas uit te zullen vinden krachtiger dan dit en onsterfelijker en

die meer alles samenhoudt, en zij meenen dat in-waarheid het goede en

noodwendige niets samenbindt en samenhoudt. Ik nu had in een dergelijke

oorzaaksleer, hoe die dan zij, zeer gaarne leerling van-wien-dan-ook

willen worden. Doch toen ik van deze verstoken was en niet in-staat

geweest was òf haar zelf te vinden òf van een ander te leeren,--hoe

ik [Kanttekening: 99D] toen mijn tweede vaart naar de ontdekking der

oorzaak ondernomen heb, wilt gij dat ik u daarvan het relaas zal doen,

o Kebes?--Bovenmate, zeide hij, wil ik dat.

--Ik meende dan daarna, zeide hij, toen ik moede geworden was van naar

de wezenlijke dingen te schouwen, op mijn hoede te moeten zijn, dat

ik niet hetzelfde ondervond als menschen die een zonsverduistering

bijwonen en met het oog volgen. Want het komt wel voor, dat enkelen

hun oogen bederven, als zij niet in het water of iets dergelijks

[Kanttekening: 99E] haar spiegelbeeld beschouwen. Voor iets van dien

aard maakte ook ik mij bezorgd en ik vreesde, dat ik geheel-en-al

verblind zoû worden van ziel door naar de dingen met mijn oogen te

staren en te beproeven hen met elk mijner zintuigen te beroeren. Ik

meende dan tot de verstandelijke redeneeringen toevlucht te moeten

nemen en daarin de waarheid der dingen te moeten beschouwen. Misschien

nu is het geval eenigerwijze niet gelijk aan het beeld [Kanttekening:

100A] waarmeê ik het vergelijk. Want ik geef volstrekt niet toe dat

hij die in de redeneering de dingen beschouwt, hen meer in beelden

ziet dan die hen in de zichtbare dingen beschouwt. Maar dien weg dan

ben ik opgegaan en telkens als grondslag nemende de redeneering die

ik de krachtigste oordeel, stel ik als waar wat mij hiermeê voorkomt

overeen te stemmen, zoowel omtrent oorzaak als omtrent andere dingen,

en wat niet, als niet-waar. Ik wil u nog duidelijker zeggen wat ik

bedoel. Want ik denk, dat gij het niet verstaat.--Neen, bij Zeus, zeide

Kebes, niet erg.--Wel, zeide [Kanttekening: 100B] hij, ik bedoel het

zóo,--niets nieuws, maar wat ik telkens ook bij andere gelegenheden en

ook in het voorbije deel mijner rede niet opgehouden heb te zeggen.

Ik ga dan namelijk beproeven u het soort van oorzaaksverklaring te

beduiden waar ik mij meê bezig heb gehouden, en zal teruggaan tot die

bekende veelbeprate zaken en van haar uitgaan door te onderstellen

dat er een begrip schoon op-zich-zelf bestaat en een begrip goed en

groot en al de andere. Als gij mij deze gewonnen geeft en toestemt dat

deze bestaan, hoop ik u den grond der dingen te verklaren en daaruit

uit te vinden dat de ziel onsterfelijk is.--Voorwaar, [Kanttekening:

100C] zeide Kebes, ge kunt zeker zijn, dat ik u dit gewonnen geef, en

niet vlug genoeg erop doorgaan.--Beschouw dan, zeî hij, wat daarop

volgt, of gij het juist zoo vindt als ik. Mij namelijk komt het voor,

dat wanneer eenig ander ding schoon is, het om geen enkele andere

oorzaak schoon is dan doordat het deel-heeft aan dat begrip schoon.

Ook op alle andere dingen pas ik die redeneering toe. Kunt gij u met

zulk een oorzaaksverklaring vereenigen?--Ja zeker, zeî hij.--Dan,

zeî hij, versta ik andere geleerde gronden niet meer en kan ze niet

begrijpen. Maar wanneer iemand tegen mij beweren wil wáarom eenig

ding schoon is, òf [Kanttekening: 100D] omdat het een bloeiende kleur

heeft òf gestalte òf iets anders van dien aard, laat ik het overige

varen--want in al het overige verwar ik mij--, maar eenvoudig en botweg

en misschien een beetje dom houd ik bij mij zelf dit éene vast, dat

niets anders dat ding schoon maakt, dan hetzij de aanwezigheid van,

hetzij de gemeenschap aan dat andere schoon, hetzij door welk ander

middel of op welke andere wijze het erbij komt. Want verder verzeker

ik daaromtrent niets, behalve dat door het schoone de schoone dingen

schoon worden. Want dat lijkt mij het veiligste antwoord om zoowel

mij-zelf als een ander te geven, en als ik mij [Kanttekening: 100E]

daaraan vast-houd, meen ik nooit te zullen vallen, maar ik denk dat

dit een veilig antwoord is, zoowel aan mij als aan wien-anders-ook,

dat door het schoone de schoone dingen schoon zijn. Of vindt ook

gij dit niet?--Ja.--En dus zijn door grootheid de groote dingen

groot en de grootere, grooter, en door kleinheid de kleinere dingen

kleiner?--Zeker.--Ook gij zoudt dus niet goedkeuren als men zeide, dat

iemand grooter is dan een ander door zijn hoofd, en de [Kanttekening:

101A] kleine door datzelfde kleiner, maar betuigen dat gij geen andere

redeneering aanneemt dan dat alle grootere ding grooter is dan een

ander door niets anders dan door grootheid, en dat dit, de grootheid,

de oorzaak is van zijn grooter-zijn, en dat het kleinere kleiner is

door niets anders dan door kleinheid, en dat dit, de kleinheid, de

oorzaak is van zijn kleiner-zijn, uit vrees, denk ik, dat u, wanneer

gij beweert dat iemand grooter is en ook weêr kleiner door zijn hoofd,

de redeneering zal worden tegengevoerd, in de eerste plaats dat dan het

grootere grooter is door hetzelfde waardoor het kleinere kleiner is, en

verder, dat dan de [Kanttekening: 101B] grootere grooter is door het

hoofd, dat klein is, en dat dit een wonder is, dat iemand groot is door

iets kleins. Of zoudt gij u daar niet bang voor maken?--Zeker zoû ik

dat, zeide Kebes lachend.--Zoudt gij derhalve, zeî hij, niet schromen

te beweren, dat tien meer is dan acht door twee en om die oorzaak acht

overtreft, en niet door veelheid en om oorzaak dáarvan? En dat een

ding, dat twee el groot is, grooter is dan wat éen el groot is, door

zijn helft, en niet door grootheid? Want hier bestaat licht dezelfde

vrees.--Voorzeker, zeide hij.

--En verder. Zoudt gij u niet wachten, wanneer éen aan éen wordt

toegevoegd, de toevoeging, en als éen gesplitst [Kanttekening: 101C]

wordt, de splitsing te noemen als oorzaak van het twee-worden?...

Zelfs luide roepen zoudt gij, dat gij geen enkele andere wijze weet

waarop elk ding iets wordt dan doordat het deel-krijgt aan de bizondere

wezenheid van elk ding waar het deel aan krijgt, en dat gij in deze

gevallen geene andere oorzaak kunt opgeven voor het twee-worden dan

het deel-krijgen aan de tweeheid, en dat daar deel aan krijgen moet

wat twee zal zijn, en aan de eenheid al wat éen zal zijn; maar die

splitsingen en toevoegingen en die overige spitsvondigheden zoudt gij

prijsgeven en om [Kanttekening: 101D] te antwoorden overlaten aan

geleerderen dan gij zelf zijt. Doch gij, uit vrees, als het spreekwoord

zegt, voor uw eigen schaduw, of wel voor uw onervarenheid, zoudt u

vast-houden aan dat veilige in uwe bepaling en zoudt zoo antwoorden.

En als gij vervolgens van die bepaling zelve rekenschap zoudt moeten

geven, zoudt gij die geven op dezelfde wijze, door aan die bepaling

weêr een andere hoogere bepaling te geven, welke u zoû schijnen de

beste te zijn, totdat gij iets afdoends bereikt zoudt hebben. En gij

zoudt niet, evenals [Kanttekening: 101E] de redetwisters, de zaken

dooréen-haspelen door over het grondbeginsel en de dingen die daaruit

zijn voortgevloeid, tegelijk te redeneeren, indien gij tenminste iets

van de waarheid wildet vinden. Want die anderen hebben daaromtrent

misschien geen overleg of zorg; want door hunne geleerdheid zijn

zij bekwaam om alles dooréen te mengen [Kanttekening: 102A] en toch

met zich-zelf ingenomen te kunnen zijn. Doch gij, indien gij tot de

wijsgeerigen behoort, zult, meen ik, doen zooals ik zeg.--Allerwaarst

zijn uwe woorden, zeiden Simmias en Kebes tegelijk.

ECHEKRATES: Bij Zeus, o Phaidoon, dat zeiden zij terecht. Want het komt

mij voor dat hij die zaken, ook voor wie maar weinig verstand heeft,

verwonderlijk duidelijk besprak.

PHAIDOON: Voorzeker, o Echekrates; en zoo oordeelden alle aanwezigen.

ECHEKRATES: Ja, want zelfs ons die er niet bij waren, maar het nu

hooren, dunkt het zoo. Doch wat werd daarna wel gesproken?

PHAIDOON: Nadat hem dit was toegegeven, en men overeenkwam,

[Kanttekening: 102B] dat elk der _ideeën_ afzonderlijk bestaat,

en de overige dingen door daaraan deel te krijgen aan deze zelve

hun benoeming ontleenen, daarna, als ik mij wel herinner, vroeg

hij: Als gij dan toegeeft dat dit zoo is, en wanneer gij zegt dat

Simmias grooter is dan Sokrates, maar kleiner dan Phaidoon, beweert

gij dan niet dat in Simmias beide zijn, zoowel grootheid als

kleinheid?--Ja.--Doch, niet-waar, gij geeft toe, dat bij de bewering:

‚Simmias is grooter dan Sokrates’, de waarheid niet zoo is als door

de woorden wordt uitgedrukt? Immers, Simmias is wel niet grooter

door [Kanttekening: 102C] het feit dat hij Simmias is, maar door de

grootheid die hij in dat geval heeft? En grooter dan Sokrates weêr

is hij ook niet, omdat Sokrates, Sokrates is, maar omdat Sokrates

kleinheid heeft in vergelijking van zíjne grootheid?--Dat is de

waarheid.--En aan-den-anderen-kant is ook Phaidoon niet grooter dan hij

door het feit dat Phaidoon, Phaidoon is, maar omdat Phaidoon grootheid

heeft in vergelijking van Simmias’ kleinheid?--Zoo is het.--Als dus

Simmias den naam heeft van groot en klein tegelijk te zijn, bedoelt

dit, dat hij zich tusschen beiden in het midden [Kanttekening: 102D]

bevindt en naast de grootheid van den éenen de vereischte kleinheid

stelt ter overtreffing, en naast den ander de vereischte grootheid

die diens kleinheid te-boven-gaat.--En al glimlachend zeide hij: Het

lijkt of ik een contract ga opstellen, maar toch is het wel zooals

ik zeg.--De ander stemde toe.--Ik spreek zoo daarom omdat ik de

bedoeling heb, dat gij het werkelijk met mij eens zult zijn. Want mij

schijnt het, dat niet alleen het begrip grootheid nooit groot en klein

tegelijk wil zijn, maar dat ook de grootheid die in ons is, nooit de

kleinheid wil aannemen noch zich wil laten te-boven-gaan, maar éen

van [Kanttekening: 102E] twee: òf vlucht en plaats-ruimt wanneer zijn

tegendeel, het kleine, ertoe naderen wil, òf wanneer het er toch toe

genaderd is, te-niet-gaat. Maar de kleinheid afwachten en aannemen

en zoo-doende iets anders zijn dan het was, dat wil het niet. Ik

persoonlijk, bij-voorbeeld, neem wel de kleinheid aan en wacht haar af,

en terwijl ik dezelfde blijf, ben ik tevens daarnaast klein. Maar dat

andere, dat groot was, heeft niet van zich kunnen verkrijgen klein te

zijn. En zoo ook wil het kleine dat in ons is, nimmer groot worden of

zijn; en ook geen ander der tegengestelde dingen wil zoolang als het is

wat het was, zijn tegengestelde worden [Kanttekening: 103A] of zijn,

maar òf het wijkt weg òf het vergaat in dit proces.--Volkomen, zeide

Kebes, schijnt het mij zoo.

En op het hooren hiervan sprak een der aanwezigen (doch wie het was,

herinner ik mij niet juist): Bij de goden, werd in onze vroegere

redeneeringen niet juist het tegendeel overeengekomen van wat nu

beweerd wordt, dat namelijk het grootere uit het kleinere ontstond en

het kleinere uit het grootere, en dat dit uitsluitend de wording was

voor de tegendeelen: uit hunne tegendeelen? Maar nu, komt mij voor,

wordt gezegd, dat dit nimmer zoû kunnen gebeuren.--En Sokrates die

met vooruitgestoken hoofd geluisterd [Kanttekening: 103B] had, zeide:

Flink van u, dat gij ons daaraan herinnerd hebt! Gij vat evenwel niet

het verschil tusschen wat nu en wat daar-straks gezegd werd. Want tóen

werd gezegd, dat uit een tegenovergesteld ding het tegenovergestelde

ding wordt, maar nú dat een tegengesteld begrip nooit aan zich-zelf

tegengesteld zoû kunnen worden, noch in ons, noch in de natuur. Want

toen, mijn vriend, spraken wij over de dingen die de tegengestelde

begrippen bevatten, hen benoemend met den naam dier begrippen, maar nu

over die begrippen zelve die daarin zijn, en met wier naam de dingen

genoemd worden. En van die begrippen zeggen wij dat zij nooit wording

tot elkander willen aannemen.--En [Kanttekening: 103C] terwijl hij

naar Kebes keek, zeide hij: Heeft misschien ook u, o Kebes, een der

bedenkingen die deze uitgesproken heeft, verontrust?--Dezen keer niet,

zeî Kebes; toch zeg ik volstrekt niet, dat er niet vele dingen zijn

die mij verontrusten.--Wij zijn derhalve, zeide hij, kort-en-goed

dit overeengekomen, dat een tegengesteld begrip nooit zijn eigen

tegengestelde kan zijn.--Volkomen, zeide de ander.

--Ga dan ook nog eens het volgende na, of gij het daarin met mij eens

zult zijn. Is er iets dat ge koud en iets dat gij warm noemt?--Ja.--Is

dat hetzelfde als [Kanttekening: 103D] sneeuw en vuur?--Neen, bij

Zeus!--Maar het warme iets anders dan vuur en het koude iets anders dan

sneeuw?--Ja.--Doch dit tenminste, denk ik, zult gij meenen, dat sneeuw,

zoolang zij sneeuw is, nimmer warmte zal aannemen en, evenals wij

reeds in onze vroegere redeneeringen zeiden, nog zijn zal wat zij was,

dus sneeuw en warm tegelijk, maar dat zij, wanneer de warmte tot haar

nadert òf daarvoor plaats-ruimen zal, òf zal vergaan.--Voorzeker.--En

dat het vuur van-zijn-kant, wanneer koude ertoe nadert, òf daarvoor

wijken zal, òf vergaan, nimmer evenwel gedoogen zal de koude aan te

nemen en nog te [Kanttekening: 103E] zijn wat het was, dus vuur en koud

tegelijk.--Gij zegt de waarheid.--Zoo staat het dus met sommige van

diergelijke dingen, dat niet alleen het begrip zelf in der eeuwigheid

de waarde behoudt van zijn eigen naam, maar ook een ander ding, dat

niet dat begrip is, maar dat altijd wanneer het bestaat, den vorm van

dat begrip heeft. En nog duidelijker misschien zal in de volgende

gevallen zijn wat ik bedoel. Het begrip oneven toch moet wel altijd

dien naam krijgen dien wij er nu aan geven. Of niet?--Zeker.--Is het

hierin eenig, of (want dit is juist de vraag die ik [Kanttekening:

104A] stel) bestaat er nog een ander ding, dat niet hetzelfde is als

het begrip oneven, maar waaraan men toch naast zijn eigen naam altijd

ook den naam oneven moet geven om het feit dat het van-nature zóo

is, dat het zich nooit van het begrip oneven verwijdert? Ik bedoel

bij-voorbeeld het drietal, en ook met vele andere gaat het zoo.

Doch sta een oogenblik stil bij het drietal. Dunkt u niet, dat dit

behalve met zijn eigen naam, ook altijd met dien van het begrip oneven

behoort benoemd te worden, hoewel dit begrip niet hetzelfde is als het

drietal? Maar toch zijn van-nature zoowel het drietal als het vijftal

en geheel de halve reeks der getallen zóo, dat zij niet hetzelfde

zijn als het begrip [Kanttekening: 104B] oneven, maar toch elk van

hen steeds oneven is. En aan-den-anderen-kant zijn twee en vier en de

geheele andere reeks der getallen, hoewel zij niet hetzelfde zijn als

het begrip even, toch elk afzonderlijk steeds even. Geeft gij dit toe

of niet?--Hoe zoû ik niet?--Let nu op, wat ik wil duidelijk maken.

Het is dit, dat blijkbaar niet alleen die tegengestelde begrippen

elkander niet aannemen, maar dat ook alle dingen die wel niet aan

elkander tegenovergesteld zijn, maar steeds de tegengestelde begrippen

bevatten, evenmin lijken aan te nemen het begrip dat tegenovergesteld

is aan het begrip dat in hen is, maar wanneer dat tot [Kanttekening:

104C] hen nadert, òf te-gronde-gaan òf daarvoor plaats-ruimen.

Of zullen wij niet toegeven dat drie eerder zal te-niet-gaan en

wat-anders-ook ondergaan, eer het dulden kan om, zoolang het drie

is, even te worden?--Voorzeker, zeî Kebes.--Maar toch is het tweetal

niet het tegengestelde van het drietal.--Neen, zeker niet.--Derhalve

zijn het niet alleen de tegenovergestelde begrippen, die elkanders

nadering niet dulden, maar die begrippen hebben ook verscheidene

andere dingen naast zich, die de nadering der tegengestelde begrippen

evenmin dulden.--Zeer waar wat gij zegt.--Wilt gij dus dat wij, als

dit mogelijk is, bepalen wat-voor [Kanttekening: 104D] dingen dat

zijn?--Zeer gaarne.--Zouden dat dan misschien, o Kebes, die dingen

zijn, die al wat zij in-beslag-nemen, dwingen niet alleen hun eigen

begrip te bevatten, maar ook steeds daarnaast een begrip dat een

tegengestelde heeft?--Hoe bedoelt gij?--Zooals daareven. Natuurlijk

weet gij toch, dat voor al wat het begrip drie in-beslag-neemt, het

noodzakelijk is niet alleen drie te zijn, maar ook oneven.--Zeer

zeker.--Tot zoodanig iets dan, zal het begrip dat tegenovergesteld is

aan het begrip dat dit uitwerkt, nooit kunnen komen.--Neen, dat kan

niet.--Werkte hier niet het begrip oneven?--Ja.--En daar [Kanttekening:

104E] staat het begrip even tegenover?--Ja.--Tot drie derhalve zal

het begrip even nooit komen?--Bepaald niet.--Dus heeft drie geen deel

aan het begrip even?--Neen.--Dus is het drietal onevenbaar?--Ja.--Wat

ik dan zeide te willen bepalen: wat-voor dingen een begrip, dat een

tegengestelde heeft, niet willen aannemen, hoewel zij daar zelf niet

het tegenovergestelde van zijn, zooals nu het drietal, dat niet het

tegenovergestelde is van het begrip even, dat begrip desniettemin niet

aanvaardt; want altijd brengt het drietal het begrip aan, dat tegenover

het begrip even staat, en het tweetal het begrip dat tegenover het

begrip oneven staat, en het vuur het begrip dat tegenover het begrip

koud [Kanttekening: 105A] staat, en zoo zijn er zeer vele andere,...

doch zie dan toe, of dit een afdoende bepaling is, dat niet alleen een

tegengesteld begrip door zijn tegengestelde niet wordt aangenomen, maar

dat ook door datgene dat een daaraantegen-gesteld begrip aanbrengt

overal waarheen het komt, dat door dat aanbrengende, zeg ik, ook nimmer

het tegengestelde begrip van het aangebrachte aangenomen wordt. En laat

ik u nog eens herinneren; want het kan geen kwaad het vele malen te

hooren. Vijf zal het begrip even niet aannemen, en tien, zijn dubbel,

het begrip oneven niet. Hoewel tien nu zelf niet het tegengestelde

van een ander ding is, zal het toch het begrip oneven niet aannemen.

En anderhalf en de overige getallen die op een half eindigen,

[Kanttekening: 105B] zullen het begrip geheel niet aannemen, en ook een

derde niet en vele dergelijke... als gij mij tenminste volgt en het met

mij eens zijt.--Ik volg u zeer wel en ben het volkomen met u eens.

Platoons Phaidoon · 第 5 / 7 段