PHAIDOON: Ik zal het u zeggen. Ik zat namelijk vlak [Kanttekening:

89B] aan zijn rechterhand naast het bed op een soort schabel, en hij

zat veel hooger dan ik. Hij streelde nu over mijn hoofd en vatte de

haren in mijn nek samen--want hij had, als het er zoo toe leî, de

gewoonte met mijn haren te spelen--en zeide: Morgen dan, o Phaidoon,

zult gij misschien uw schoone haren afscheren.--Waarschijnlijk, zeide

ik, o Sokrates.--Niet, als gij naar mij luistert.--Wat dan? zeî

ik.--Vandaag, zeî hij, zal ik de mijne en gij de uwe afscheren, als ons

betoog gestorven is en wij het niet kunnen doen herleven. En ik, als

ik u was en dat betoog mij [Kanttekening: 89C] ontsnapte, zoû een eed

zweren evenals de Argeiers, dat ik niet eerder lang haar zoû dragen

vóor ik in nieuwen strijd de rede van Simmias en Kebes zoû overwonnen

hebben.--Maar, zeide ik, tegen twee, zegt men, kan zelfs Herakles niet

op.--Doch roep ook mij, zeide hij, als uwen Iolaos te hulp, zoolang het

daglicht is.--Ik roep u dan te hulp, niet als een Herakles zijn Iolaos,

maar als een Iolaos zijn Herakles.--Dat zal geen verschil maken, zeide

hij. Doch laten wij in de eerste plaats ons hoeden, dat éen ding ons

niet overkomt.--Wat dan? vroeg ik.--Dat [Kanttekening: 89D] wij niet,

zeide hij, redenenhaters worden, zooals men menschenhater wordt. Want

daar is geen grooter ramp die iemand zoû kunnen overkomen dan dat hij

redeneering leert haten. Redenenhaat ontstaat op dezelfde wijze als

menschenhaat. Want menschenhaat neemt ons in doordat wij zonder kennis

heftig op iemand vertrouwen en meenen dat die man volkomen waarachtig

is en gezond en betrouwbaar, en hem kort daarna slecht en trouweloos

bevinden, en dan-weêr een tweeden; en wanneer iemand dat vele keeren

ondervindt en vooral van hen die hij wel voor meest [Kanttekening:

89E] eigen en meest bevriend moet houden, haat hij in het eind door

veelvuldigen aanstoot allen en meent dat in niemand éen enkel gezond

ding is. Of hebt gij niet waargenomen dat dit voorkomt?--Maar al te

zeer, zeide ik.--Komt dat nu niet, zeide hij, omdat zoo-iemand op

een leelijke manier en zonder kennis van het menschelijk karakter

onderneemt met menschen om te gaan? Immers, als hij mèt kennis met

hen omging, zoû hij zijn meening gevormd hebben zooals het werkelijk

is, dat de goeden en slechten [Kanttekening: 90A] beiden zeer weinige

zijn, maar die daartusschen de meeste.--Hoe bedoelt gij?--Het gaat

hiermeê als met het zeer kleine en het zeer groote. Meent gij dat

iets zeldzamer is dan een zeer groot of een zeer klein mensch uit te

vinden, of hond, of wat-dan-ook? Of ook zeer snel of langzaam, of

zeer leelijk of schoon, of volkomen blank of zwart? Of hebt gij niet

waargenomen dat van al dergelijke de uiterste uiteinden schaarsch en

weinig zijn, maar de middelsoort overvloedig en talrijk?--Zeker, zeî

ik.--Meent gij nu [Kanttekening: 90B] niet dat, indien er een wedstrijd

in slechtheid uitgeschreven werd, de eersten ook op dat gebied zeer

weinige zouden blijken?--Waarschijnlijk.--Juist. Doch dit is niet het

punt waarin redeneeringen gelijk zijn aan menschen (door u liet ik

mij verleiden met u af te dwalen), maar in dat andere: wanneer iemand

zonder kennis van redeneeringen op eenige redeneering vertrouwt dat die

waar is, en kort daarna haar leugenachtig bevindt, somtijds terwijl zij

dat is, somtijds ook terwijl zij dat niet is, en zoo verder met een

tweede en een derde. En vooral zij die hun [Kanttekening: 90C] tijd

doorbrengen met redeneering-afbrekende redeneeringen, weet-ge, meenen

ten-slotte zeer wijs geworden te zijn en alléen te hebben ingezien

dat noch in eenige zaak, noch in eenige redeneering iets gegronds of

standvastigs is, maar dat al het bestaande volmaakt als in een Euripos

heen-en-weêr wentelt en geen oogenblik op éen plaats blijft.--Gij

spreekt de volle waarheid, zeide ik.--Zoû het nu niet, o Phaidoon,

een jammerlijke ervaring zijn, indien iemand, ondanks het bestaan van

een waarachtige en standvastige levensverklaring en die het mogelijk

is in [Kanttekening: 90D] te zien, door het luisteren naar zoodanige

redeneeringen die hem tegelijk nu-eens waar en dan-weêr niet waar

voorkomen, niet aan zich-zelf en zijn eigen gebrek aan kennis de schuld

zoû geven, maar ten-slotte uit verdrietigheid de schuld verlicht van

zich-zelf op de redeneeringen zoû afkaatsen en dan zijn verder leven

zoû doorbrengen met deze te haten en te beschimpen, terwijl hij zóo van

de waarheid en de kennis van het bestaande verstoken werd?--Voorwaar

bij Zeus, zeide ik, wel jammerlijk.--Laten wij ons derhalve, zeide

hij, in de eerste plaats hier-voor [Kanttekening: 90E] hoeden, en

de gedachte niet tot onze ziel doorlaten, dat in de redeneeringen

mogelijk niets gezonds is, maar veel-eer dat _wij_ nog niet gezond

zijn, maar met mannen-moed ernaar streven moeten zoo te worden, gij

en de anderen ook ter wille van uw geheele volgende leven, en ik om

mijn dood zelf. Want ik-voor-mij loop gevaar op het [Kanttekening:

91A] oogenblik juist omtrent den dood mij niet wijsgeerig te gedragen,

maar twistgierig als de erg onbeschaafden. Dezen toch, wanneer zij

over eenig ding redetwisten, bekommeren zich niet hoe het werkelijk

staat met de dingen waarover de redeneering gaat, maar dat hunne eigen

stellingen door de aanwezigen zullen worden aangenomen, daarvoor doen

zij hun best. En ik, lijkt me, zal bij deze gelegenheid van hen slechts

in deze kleinigheid verschillen, dat ik niet mijn best zal doen, dat

mijne beweringen waar lijken aan de aanwezigen, of het moest zijn als

bijzaak, maar dat zij mij-zelven zooveel mogelijk zullen toeschijnen

zoo te zijn. [Kanttekening: 91B] Want ik redeneer, mijn geliefde

vriend, let eens op hoe baatzuchtig: indien mijn beweringen waar zijn,

dan is het schoon daarin te gelooven; en indien er na den dood niets

is, zal ik tenminste gedurende den tijd zelven vóor den dood minder

kans loopen den aanwezigen door jammerklachten onaangenaam te zijn.

Deze onwetendheid nu zal niet met mij voortduren--want dat zoû een ramp

zijn--, maar binnen korten tijd vergaan. Zóo dan, zeide hij, o Simmias

en Kebes, toegerust, ga ik ter rede. Gij echter, wanneer gij mij

genoegen wilt doen, bekommert [Kanttekening: 91C] u weinig om Sokrates,

maar veel meer om de waarheid, en stemt wanneer ik u voorkom iets waars

te zeggen, daarin toe, maar zoo niet, verzet u met alle rede, opdat ik

niet uit voortvarendheid mij-zelf tegelijk en ulieden bedriege en wegga

als een bij, mijn angel achterlatende.

Doch op weg! zeide hij. Vooreerst, brengt mij in gedachte wat gij

zeidet, wanneer ik blijk geef het mij niet juist te herinneren. Simmias

namelijk, naar ik meen, is ongeloovig en vreest dat de ziel, al is zij

ook goddelijker [Kanttekening: 91D] en schooner dan het lichaam, eerder

omkomt, daar zij een soort harmonie is. Doch Kebes kwam mij voor,

hierin met mij overeen te stemmen, dat de ziel tenminste duurzamer is

dan het lichaam, doch dat dít voor elk onzeker is: of niet misschien

de ziel na dan ook vele lichamen vele malen versleten te hebben,

nu ten-slotte haar laatste lichaam verlaat en zelf omkomt, en dat

de dood juist dit is: de ondergang der ziel, daar het lichaam niet

ophoudt voortdurend te vergaan. Zijn dit niet, o Simmias en Kebes, de

dingen [Kanttekening: 91E] die wij moeten nabeschouwen?--Zij stemden

beiden toe, dat dit het was.--Neemt gij nu de vorige redeneeringen

gezamenlijk niet aan, of sommige wel, andere niet?--Sommige niet,

andere wel, zeiden zij.--Wat meent gij dan van die redeneering waarin

wij bespraken dat leeren herinnering is, en dat, wanneer dit zoo is,

onze ziel noodzakelijk vroeger ergens anders moet bestaan, vóor zij

in ons lichaam [Kanttekening: 92A] werd ingekluisterd?--Ik, zeide

Kebes, werd zoo-straks wonder-zeer overtuigd en houd mij ook nu aan

deze redeneering als aan geene.--Voorwaar, zeide Simmias, ook met mij

zelf staat het zoo, en ik zoû mij zeer verwonderen, als ik hierover

tenminste ooit een andere meening kreeg.

Maar noodzakelijk moet gij, zeide Sokrates, mijn Thebaansche vriend,

tot een andere opvatting komen, als deze meening stand-houdt, dat de

ziel een soort harmonie is en samengesteld uit datgene wat in het

lichaam als [Kanttekening: 92B] snaren gespannen is. Want gij zult

toch niet, al zegt gij het zelf, aannemen, dat een harmonie, die

samengesteld is, eerder bestaat dan die dingen waaruit zij moest worden

samengesteld? Of wel?--Geenerwijs, o Sokrates.--Voelt gij nu wel, dat

gij dit tòch beweert, wanneer ge zegt dat de ziel bestaat, vóor zij

nog gekomen is in de gestalte en het lichaam eens menschen, en zij

dus samengesteld is uit het nog niet bestaande? Want harmonie is niet

zoodanig als waarmede gij haar vergelijkt, maar éerst ontstaan de lier

en de snaren en de nog ongestemde tonen, en het laatst [Kanttekening:

92C] van alles komt de harmonie tot-stand en vergaat het eerst. Hoe

zal nu deze redeneering ooit met die andere overeenstemmen?--Op geene

wijs, zeide Simmias.--En toch past het aan een redeneering over

harmonie, indien aan eenige andere, met zich-zelf in overeenstemming te

zijn.--Ja, zeg dat wel.--Deze uwe redeneering stemt dus niet overeen.

Doch zie toe: welke der beide redeneeringen kiest gij, die dat leeren

herinneren is, of die dat de ziel een harmonie is?--Veel liever, zeî

hij, de eerste, o Sokrates. Want deze laatste kwam tot-stand zonder

bewijs, met een [Kanttekening: 92D] zekeren schijn van waarheid en

welgepastheid voor zich; waarvandaan zij dan ook door de meerderheid

der menschen aanvaard wordt. Doch ik weet, dat de redeneeringen die

door middel van vergelijkingen willen bewijs leveren, overbluffend

zijn, en wanneer men niet voor haar oppast, zeer licht misleiden

zoowel in geometrie als in al de overige wetenschappen. Maar de

redeneering van herinnering en leeren is op aannemenswaardigen grond

uitgesproken. Want er werd gezegd, geloof ik, dat onze ziel evenzeer

bestaat ook vóor zij binnen ons lichaam gekomen is, als de wezenheid

[Kanttekening: 92E] zelf bestaat die den naam draagt van dat wat is.

Ik heb deze laatste, naar mijn duurzame overtuiging, op voldoende

en juiste gronden aangenomen. Het is daarom dus, naar het schijnt,

noodzakelijk voor mij, noch van mij-zelf, noch op andermans beweren

aan te nemen, dat de ziel een harmonie is.--Maar hoe denkt gij, zeî

de ander, o Simmias, over het volgende? Dunkt u, dat een harmonie of

eenige andere samenstelling eenigszins anders vermag te zijn dan die

[Kanttekening: 93A] dingen waaruit zij is samengesteld?--Geenszins.--En

ook vermag zij, naar ik meen, niets anders te doen en niets te

ondergaan in strijd met wat die dingen doen of ondergaan.--Dat gaf hij

toe.--Dus kan een harmonie die dingen waaruit zij is samengesteld,

niet leiden, maar moet hen volgen.--Dat vond hij ook.--Verre dus is

het ervandaan, dat een harmonie een beweging maakt of een klank geeft

strijdig met hare eigen deelen of in eenig ander ding daartegen in

verzet komt.--Ja, verre.--Verder. Is niet elke harmonie van zulk een

natuur als zij gestemd is?--Dat begrijp ik niet, zeide hij.--Zal niet,

wanneer een harmonie meer gestemd is en over meer [Kanttekening:

93B] tonen, indien daartoe mogelijkheid bestaat, die harmonie meer

harmonie zijn en een breedere, en indien zij minder en over weiniger

tonen gestemd is, minder harmonie en een meer beperkte?--Zeker.--Gaat

dat nu door voor de ziel, zoodat ook-maar-in-’t-minst de éene ziel

meer dan de andere in breedere maat en meer, of in beperktere maat

en minder juist dit, ziel, is?--Volstrekt niet, zeî hij.--Welaan

dan, bij Zeus! Men zegt, dat de éene ziel verstand heeft en deugd en

dat zij goed is, maar dat de andere onverstand heeft en slechtheid

en dat zij boos is. [Kanttekening: 93C] Wordt ook dit naar-waarheid

beweerd?--Ja, naar-waarheid.--Wat zal nu iemand van hen die stellen dat

de ziel een harmonie is, zeggen dat deze dingen in de ziel aanwezig,

deugd en boosheid, zijn? Soms dat dit weêr een andere harmonie is

en disharmonie? En dat de éene, de goede, gestemd is, en, zelf een

harmonie, in zich weêr een andere harmonie heeft, maar de slechte zelf

ongestemd is en ook geen andere harmonie in zich heeft?--Ik kan dat

niet uitmaken, zeide Simmias, maar het is duidelijk, dat iemand die

die onderstelling maakt, ongeveer zóo zou moeten [Kanttekening: 93D]

spreken.--Maar vroeger is overeengekomen, dat niets meer of minder de

éene ziel dan de andere ziel, ziel is. Dat toe te geven beteekent dan

dat de éene harmonie niets meer en niet in breedere maat, en niets

minder en niet in beperktere maat dan de andere harmonie, harmonie zoû

zijn, niet-waar?--Zeker.--En dat de harmonie die niets meer of minder

harmonie is dan een andere, niet meer of minder gestemd is dan de

andere? Is dat zoo?--Zoo is het.--En heeft de harmonie die noch meer

noch minder gestemd is dan een andere, mogelijk meer of minder deel

aan harmonie dan een andere, of evenveel?--Evenveel.--Derhalve is de

ziel, aangezien de éene ziel niets [Kanttekening: 93E] meer of minder

dan de andere juist dit, ziel, is, ook niet meer en niet minder gestemd

dan een andere?--Zoo is het.--Maar als dat waar is, zal zij niet meer

dan een andere deel kunnen hebben aan disharmonie of harmonie.--Neen

immers.--En als dat weêr waar is, zal dan de éene ziel iets meer dan

de andere deel kunnen hebben aan boosheid of deugd, indien tenminste

boosheid disharmonie en deugd harmonie is?--Neen, niets.--Of liever

misschien, [Kanttekening: 94A] o Simmias, zal, juist geredeneerd,

geen enkele ziel deel-hebben aan boosheid, indien zij tenminste een

harmonie is. Want natuurlijk zal een harmonie die in allen deele juist

dit, harmonie, is, nooit deel kunnen hebben aan disharmonie.--Neen

voorwaar.--En zoo ook natuurlijk een ziel die in allen deele ziel is,

niet aan boosheid.--Hoe zoû dat kunnen na het besprokene?--Als gevolg

dus van deze redeneering vinden wij, dat alle zielen van alle wezens

gelijkelijk goed zijn, als tenminste de zielen van-nature gelijkelijk

juist dit, zielen, zijn.--Mij komt het zoo voor, o Sokrates.--En

komt het u ook voor, dat dit terecht zoo beweerd wordt, zeide hij,

en dat onze redeneering daarop [Kanttekening: 94B] uitgeloopen zoû

zijn, indien de veronderstelling juist was, dat de ziel een harmonie

is?--Neen, volstrekt niet.--En verder. Beweert gij dat van alle dingen

die in een mensch zijn, wel iets anders heerschappij voert dan de

ziel, vooral als zij verstandig is?--Neen.--Door toe te geven aan de

lichamelijk begeerten, of ook door zich daartegen te verzetten? Ik

bedoel, bij-voorbeeld, dat zij wanneer hitte in het lichaam is en

dorst, het lichaam naar het tegenovergestelde doet, niet te drinken,

trekt, en wanneer [Kanttekening: 94C] er honger in is, naar het

niet-eten, en in ontelbare andere zaken wel zien wij, dat de ziel zich

verzet tegen de lichamelijke begeerten. Of niet?--Voorzeker.--Zijn wij

daarentegen niet in onze vroegere redeneeringen overeengekomen dat zij,

wanneer zij tenminste een harmonie is, nooit een toon zoû kunnen geven

in strijd met datgene waardoor gespannen en ontspannen en getokkeld

worden en wat-dan-ook ondergaan die dingen waaruit zij tot-stand-komt,

maar dat zij die volgt en ze nooit zoû kunnen leiden?--Dat zijn wij

overeengekomen, zeker.--Hoe nu? Blijkt ons nu niet, dat zij al het

tegenovergestelde werkt, door al die dingen waaruit men beweert dat zij

tot-stand-komt, te [Kanttekening: 94D] leiden, en bijna in alles zich

het geheele leven door daartegen te verzetten en erover te heerschen op

alle wijzen, deels door strenger en pijnlijk, inzake lichaamsoefening

en geneeskunst, deels door zachter te straffen, en dat zij deels

dreigend, deels waarschuwend, met de begeerten en driften en vreezen

als een vreemd wezen met een vreemd ding gesprek-voert? Zooals ook wel

Homeros in de Odysseia bedoeld heeft te dichten, waar hij van Odysseus

zegt:

Sloeg op zijn borst zich de held en beknorde zijn hart met de woorden:

[Kanttekening: 94E] Hart, houd uit; al andere hondschere dingen

verdroegt gij.

Meent gij, dat Homerus dit gedicht heeft, als ware de ziel een harmonie

en geaard zich door de indrukken van het lichaam te laten leiden, en

niet in de vaste gedachte dat zij geaard is deze te leiden en erover te

heerschen, en dat zij een veel goddelijker iets is dan een harmonie of

zoo?--Bij Zeus, o Sokrates, ik denk van-wel.--Derhalve, o mijn beste,

is het in geen enkel opzicht schoon voor ons, van de ziel te zeggen dat

zij een soort harmonie is. Want zóo zouden wij, naar ’t schijnt, noch

met Homeros [Kanttekening: 95A] den goddelijken dichter overeenstemmen,

noch met onszelven.--Zoo is het, zeide hij.

--Goed dan, zeî Sokrates. Harmonia de Thebaansche is ons, naar ’t

schijnt, vrij-wel genadig geworden; maar hoe staat het met Kadmos, o

Kebes? Hoe en met welke redeneering zullen wij hem verzoenen?--Gij,

denk ik, zult dat wel uitvinden, zeide Kebes. Dat betoog tenminste

van zoo-even tegen Harmonia hebt gij wonderlijk boven verwachting

gesproken. Want toen Simmias zeide wat zijn bezwaar was, waren wij

zeer benieuwd of iemand zijn rede [Kanttekening: 95B] zoû kunnen te

lijf komen. Dus kwam het mij zeer vreemd voor, dat zij al dadelijk

den eersten aanval van uwe rede niet afwachtte. Het zoû mij dan ook

niet verwonderen als Kadmos’ betoog hetzelfde ondervond.--Mijn goede

vriend, zeide Sokrates, spreek niet groot, opdat geen booze invloed

onze komende redeneering overhoop werpe. Maar dit zal der godheid

zorg zijn, doch laten wij, als Homerische helden nadertredende, de

proef nemen of gij iets standhoudends beweert. De hoofdzaak dan van

uw onderzoek bestaat hierin: gij verlangt dat van onze ziel bewezen

worde [Kanttekening: 95C] dat zij onvergankelijk en onsterfelijk is,

indien een wijsgeer die op het punt van te sterven goedsmoeds is en

meent dat hij na zijn dood daarginds onderscheidenlijk beter zal varen

dan wanneer hij na een leven in een andere richting eindigde, niet

met een onverstandige en dwaze gerustheid gerust zal zijn. Maar het

bewijs, dat de ziel sterk is en godgelijkend en dat zij reeds vroeger

bestond vóor wij mensch geworden zijn,--niets verhindert, zegt gij,

dat dit alles niet aanduidt: onsterfelijkheid, doch alleen dat de ziel

langdurig is en vroeger licht een onmetelijk [Kanttekening: 95D] langen

tijd bestond en vele dingen wist en deed. Toch was zij daarom niets

meer onsterfelijk, maar juist haar komst in een menschelijk lichaam

was voor haar het begin van den ondergang als eene ziekte. En lijdende

zoû zij dan dit leven doormaken en ten-laatste in den zoogenaamden

dood te-gronde-gaan. Het maakt dan, zegt gij, geen verschil of zij

éenmaal of meermalen in een lichaam komt, voor de vraag of een ieder

van ons zich bevreesd behoeft te maken. Want zich bevreesd maken

behoort, indien hij niet onverstandig is, ieder die niet weet en

niet verantwoorden [Kanttekening: 95E] kan, dat de ziel onsterfelijk

is. Dat vrij-wel is, meen ik, o Kebes, wat gij beweert. En met opzet

haal ik het vele malen op, opdat geen enkel ding ons ontsnappe, en

opdat gij, indien gij wilt, er nog iets aan toe kunt voegen of ervan

afnemen.--Kebes zeide: Voorshands behoef ìk er niets van af te nemen of

eraan toe te voegen. Doch dit is werkelijk wat ik beweer.

Sokrates nu wachtte een geruimen tijd en overwoog iets bij zich-zelven.

Toen sprak hij: Geen geringe zaak, o Kebes, verlangt gij; want

door-en-door moeten wij omtrent wording en verderf de oorzaak

doorzoeken. Ik nu [Kanttekening: 96A] zal, als gij dat goed-vindt,

mijne eigene levenservaringen daaromtrent voor u doorloopen, dan kunt

gij als iets van wat ik zeg, u bruikbaar voorkomt, dat aanwenden

tot een grootere zekerheid betreffende de dingen waarvan gij

spreekt.--Voorwaar, zeide Kebes, dat wil ik graag.--Hoor dan toe;

want ik begin. Ik namelijk, o Kebes, verlangde, toen ik jong was,

wonderlijk-hoe-zeer naar die wijsheid die men natuurkunde noemt. Want

zij kwam mij voor overheerlijk te zijn, te weten de oorzaken van

elk ding, waarom elk ding ontstaat en waarom te-niet-gaat en waarom

bestaat. En vele malen tobde ik mij af met zoodanige [Kanttekening:

96B] beschouwingen: of, wanneer het warme en het koude een zekere

gisting aanneemt, dan, zooals sommigen beweren, de levende wezens

zich voeden, en of het het bloed is waarmeê wij denken, of de lucht

of het vuur of wel geen van deze, maar dat het de hersenen zijn die

de zinlijke waarnemingen verschaffen van hooren en zien en ruiken,

en dat uit deze ontstaat herinnering en meening, en uit herinnering

en meening, wanneer die tot rust gekomen zijn, op dezelfde wijze

weêr wetenschap. En een anderen keer onderzocht ik de oorzaken van

vernietiging van [Kanttekening: 96C] deze dingen, en de verschijnselen

in den hemel en op de aarde, en ik kwam mij ten-laatste voor tot dat

onderzoek zoo van-nature ongeschikt te zijn als geen ander ding ter

wereld. Een toereikend bewijs zal ik u zeggen. Immers, zelfs wat ik

vroeger zeker wist, zooals het tenminste mij-zelf en den anderen

voorkwam, daarin werd ik door dat onderzoek zoo zeer verblind, dat ik

verleerde óok wat ik voordien meende te weten, zoowel omtrent vele

andere dingen als ook bij-voorbeeld waardoor een mensch groeit. Want

hiervan meende ik voordien dat het een ieder duidelijk was, dat dat

komt door eten en drinken; want dat [Kanttekening: 96D] wanneer uit

de spijzen aan het vleesch, vleesch is toegevoegd, en aan het been,

been, en zoo op dezelfde wijze ook aan elk der overige dingen wat

daarbij behoort, dan daarna de omvang van klein groot geworden is, en

dat zoo een mensch van klein groot wordt. Zoo meende ik toen. Vindt

gij niet, vrij-wel terecht?--Ik wel, zeide Kebes.--Ga dan ook nog eens

het volgende na. Ik meende namelijk tevreden te kunnen zijn met mijn

inzicht, wanneer een groote mensch naast een kleinen kwam te staan en

hij mij door zijn hoofd grooter leek te zijn dan [Kanttekening: 96E]

de andere, en een paard dan een ander paard. En wat nog duidelijker

is, tien kwam mij voor, meer te zijn dan acht, doordat men er twee

aan heeft toegevoegd, en wat twee el lang is leek mij grooter te zijn

dan iets van éen el, doordat het er half boven uitstak.--Wat denkt

gij daar nu van? vraagde Kebes.--Dat ik heel ver, bij Zeus, van de

meening ben omtrent éen van deze dingen de oorzaak te weten, ik die

bij mij-zelf niet uitmaken kan, dat, wanneer men een ding bij een

ander ding voegt, òf dat waarbij gevoegd is, òf dat wat toegevoegd

is, twee geworden [Kanttekening: 97A] is, òf dat zij beide tezamen

door de samenvoeging bij elkander twee geworden zijn. Want ik vind het

onbegrijpelijk, dat, toen elk van beide van elkander afgezonderd was,

elk van beide éen enkel ding was en zij toen niet twee waren, maar dat,

nadat zij tot elkander genaderd zijn, dit, de vereeniging door het bij

elkander gevoegd worden, oorzaak voor hen wordt om twee te worden.

En ook wanneer men een enkel ding splitst, kan ik niet gelooven dat

dit, de splitsing, oorzaak is geweest van het twee-geworden-zijn. Want

nu is de oorzaak van het twee-worden de tegengestelde [Kanttekening:

97B] van daar-straks. Want daar-straks bestond die daarin dat zij bij

elkander werden samengebracht en aan elkander toegevoegd, maar nu

dat zij van elkander worden verwijderd en gescheiden. En ook kan ik

mezelf niet meer overtuigen dat ik weet waarom eenig ding éen wordt,

of in-éen-woord van iets anders waarom iets ontstaat of vergaat of

bestaat, als ik deze richting van methode volg, maar in een andere

richting broddel ik zelf op eigen gelegenheid, en die eerste methode

laat ik volstrekt niet tot mij toe.

Platoons Phaidoon · 第 4 / 7 段