--Zeg mij dan weêr van-voor-af-aan... en antwoord mij niet met de

woorden van mijn vraag, maar zooals ik u vóor zal doen. Ik waag mij dan

naast dat antwoord dat ik eerst gaf, dat veilige antwoord van straks,

daar ik op grond van het nu beweerde een andere veiligheid zie. Als gij

mij [Kanttekening: 105C] namelijk vragen zoudt, wat er in een lichaam

moet komen, dat het warm zal zijn, dan zal ik u niet dat veilige

ongeleerde antwoord geven: warmte, maar op grond van het nu besprokene

een ingewikkelder antwoord: vuur. En als gij mij vraagt, wat er in een

lichaam moet komen, dat het ziek zal zijn, zal ik niet zeggen: ziekte,

maar: koorts; en wat er bij een getal moet komen, dat het oneven zal

zijn, niet het begrip oneven, maar een eenheid, en zoo voort. Doch zie

of gij reeds voldoende weet wat ik wil.--Zeer voldoende.--Antwoord

dan, wat er in een lichaam moet komen, [Kanttekening: 105D] dat het

levend zal zijn.--Ziel.--Geldt dat voor alle gevallen?--Hoe zoû het

niet?--Aan alles derhalve wat de ziel in-beslag-neemt, brengt zij

steeds leven aan?--Ja, dat doet zij.--Staat er iets aan leven tegenover

of niets?--Ja wel.--Wat?--Dood.--Er is dus geen kans, dat de ziel ooit

het begrip dat tegenover het begrip staat, dat zij zelf aanbrengt,

zal aannemen, zooals op grond van het vorige is overeengekomen?--Neen

volstrekt niet, zeide Kebes.--Wat is dus ook datgene dat het begrip

even niet aanneemt? Hoe noemen wij dit nu?--Oneven, zeî hij.--En

wat het begrip rechtvaardig niet aanneemt, en [Kanttekening: 105E]

wat het begrip muzikaal niet aanneemt?--Onmuzikaal, en het eerste

onrechtvaardig.--Goed zoo. En wat den dood niet aanneemt, hoe

noemen wij dat?--Onsterfelijk.--Neemt niet de ziel den dood niet

aan?--Neen.--Dus is de ziel onsterfelijk.--Ja, onsterfelijk.--Goed.

Moeten wij zeggen, dat dit dan bewezen is, of hoe meent gij?--Volkomen

voldoende bewezen, o Sokrates.--Hoe dan [Kanttekening: 106A] verder,

Kebes? Indien het onevene noodzakelijk onvergankelijk was, zoû dan

niet drie onvergankelijk zijn?--Hoe zoû het niet?--En als het on-warme

noodzakelijk onvergankelijk was, zoû dan niet, wanneer iemand warmte

bij sneeuw bracht, de sneeuw behouden en ongesmolten moeten wijken?

Want dan zoû zij niet kunnen vergaan, en aan-den-anderen-kant zoû zij

ook de warmte niet dulden en aannemen.--Gij spreekt de waarheid.--Juist

zoo, meen ik, zoû, wanneer het on-koude onvergankelijk was, het vuur,

wanneer daar iets kouds bij kwam, nooit uitgebluscht worden of vergaan,

maar behouden wegwijken.--Noodzakelijk, zeî hij.--Moeten wij nu niet

noodzakelijk [Kanttekening: 106B] ook van het onsterfelijke zoo zeggen?

Als het onsterfelijke ook onvergankelijk is, dan is het onmogelijk

voor de ziel, wanneer de dood tot haar komt, te vergaan. Immers op

grond van het vroeger besprokene zal zij den dood niet aannemen en

niet dood kunnen zijn, evenals drie, zeiden wij, niet even zal zijn,

evenmin als het begrip oneven, en evenals vuur niet koud zal zijn,

evenmin als de warmte die er in is. Maar wat verhindert, zal men

zeggen, dat het onevene wel niet even wordt wanneer het begrip even er

toe nadert, zooals overeengekomen is, maar dat het toch [Kanttekening:

106C] zelf te-niet-gaat en inplaats daarvan het evene komt? Tegen

die bewering zouden wij niet kunnen volhouden, dat het onevene niet

vergaat; want het onevene is niet onvergankelijk. Want als dit door ons

overeengekomen was, dan zouden wij gemakkelijk kunnen volhouden dat

bij de nadering van het evene het onevene en het drietal wegwijken.

Ook van vuur en warmte en van de overige dingen zouden wij dat dan

kunnen volhouden. Of niet?--Zeer zeker.--Ook nu derhalve, als wij

omtrent onsterfelijk overeenkwamen dat het ook onvergankelijk is,

dan zal de ziel behalve onsterfelijk, ook onvergankelijk zijn. Maar

zoo niet, dan [Kanttekening: 106D] zal er een nieuwe bewijsvoering

noodig zijn.--Maar dat is volstrekt niet noodig, zeî Kebes, als het

daarvan afhangt. Want daar zal niet-licht iets anders kunnen zijn,

dat het verderf niet aanneemt, als het onsterfelijke, dat dus eeuwig

is, wel verderf zal aannemen.--Van de godheid tenminste, denk ik,

zeide Sokrates, en van het begrip zelf des levens en indien eenig

ander ding onsterfelijk is, zal wel door allen worden toegestemd,

dat zij nimmer vergaan.--Door alle menschen zeker, voorwaar bij

Zeus, zeide hij, en nog eer, naar ik meen, door de goden.--Wanneer

[Kanttekening: 106E] dan het onsterfelijke ook onverderfelijk is, zal

dan niet de ziel indien zij onsterfelijk is, tevens onvergankelijk

zijn?--Hoogst noodzakelijk.--Wanneer dus de dood op den mensch

afkomt, sterft, naar het schijnt, zijn sterfelijk deel, maar het

onsterfelijke wijkt voor den dood en gaat behouden en onverdorven van

hem heen.--Dat blijkt.--Meer dan alle ding derhalve, zeide hij, o

Kebes, [Kanttekening: 107A] is de ziel onsterfelijk en onvergankelijk,

en inderdaad zullen onze zielen in den Hades bestaan.--Ik-voor-mij, o

Sokrates, zeide hij, kan daar niets tegen inbrengen en in geen opzicht

aan uw redeneering geloof weigeren. Doch indien Simmias of iemand

anders er iets tegen aan kan voeren, is het wèl dat niet te verzwijgen.

Want ik weet niet tot welke andere gelegenheid dan die van nu iemand

die omtrent de dingen van dezen aard iets wil zeggen of hooren, het

zoude kunnen uitstellen.--Voorwaar, zeide Simmias, ook ik zelf kan

in geen opzicht twijfelen aan het gesprokene. Toch, door het groote

gewicht der zaken [Kanttekening: 107B] waarover onze gesprekken gaan,

en uit geringschatting der menschelijke zwakheid, word ik gedwongen

nog twijfel te hebben bij mij-zelven omtrent het besprokene.--Dat

niet alleen, o Simmias, zeide Sokrates, maar behalve deze uwe juiste

opmerking moeten ook de eerste veronderstellingen, ook al zijn zij ons

geloofwaardig, toch nog nauwkeuriger onderzocht worden. En wanneer

gijlieden deze voldoende zult hebben doorzocht, dan zult gij, naar ik

meen, mijn betoog kunnen volgen voor-zoo-ver dat een mensch mogelijk is

te doen. En wanneer het betoogde zelf zekerheid zal geworden zijn, zult

gij niets verder zoeken.--Waarheid, zeî hij, spreekt gij.

--Doch dit tenminste, zeide hij, o mannen, is recht te [Kanttekening:

107C] bedenken, dat, indien de ziel onsterfelijk is, zij verzorging

behoeft niet voor dezen tijd alleen, waarin duurt wat wij leven noemen,

maar voor den ganschen tijd, en het gevaar zoû nu dan ook geducht

schijnen als iemand haar in ’t vervolg verwaarloost. Want indien de

dood losgemaakt-worden-van-alles was, zoû het voor de boozen een vondst

zijn om na hun dood van hun lichaam en tegelijk, met hun ziel, van hun

eigen boosheid verlost te worden; maar nu, daar de ziel onsterfelijk

blijkt te zijn, is er voor haar geen andere [Kanttekening: 107D]

ontkomst mogelijk aan het kwade en geene redding dan om zoo goed en

verstandig mogelijk te worden. Want in ’t bezit van niets anders gaat

de ziel naar Hades’ huis dan haar ontwikkeling en opvoeding; welke dan

ook, zegt men, den gestorvene grootelijkst helpen of schaden dadelijk

bij den aanvang van zijn afreis daarheen. En de overlevering is zóo:

dat eenen teder na zijn dood een ieders daimoon die hem bij zijn leven

onder zijn toezicht gekregen had, halen komt naar een zeker oord

waarheen zij zich moeten verzamelen om door rechtspraak geschift te

worden en naar Hades af te reizen onder geleide van dien [Kanttekening:

107E] gids aan wien het opgedragen is de menschen vanhier daarheen te

voeren. Wanneer zij daarginds verkregen hebben wat zij verdienen te

krijgen en daar getoefd hebben zoo langen tijd als dat past, brengt

een andere gids hen hierheen terug na vele lange tijdronden. Dus is de

reis niet zooals de Telephos van Aischylos vertelt. Deze toch zegt,

[Kanttekening: 108A] dat een enkelvoudige gang voert naar de woning van

Hades, maar zij schijnt mij noch enkelvoudig, noch éene enkele te zijn.

Want anders zouden er ook geen gidsen noodig zijn; want niemand kan

ergensheen den weg missen, als er maar éen weg is. Maar nu schijnt het,

dat de weg vele sprongen en omwegen heeft. (Uit de hier heerschende

gewijde gebruiken tegenover de schimmen maak ik op wat ik verhaal.)

De matige en verstandige ziel dan gaat willig mede en vindt zich als

voorbereid terecht in haar toestand, maar de ziel wier begeerte aan het

lichaam hangt, waart, [Kanttekening: 108B] wat ik al in het voorgaande

zeide, langen tijd daarom en om haar zichtbare woonplaats heen, en

wordt na veel tegen-streven en veel vernederingen met geweld en moeite

door den daarmeê belasten daimoon weggevoerd. Wanneer nu op dezelfde

plaats als de overige aangekomen is de ziel die niet gereinigd is en

iets dergelijks bedreven heeft, hetzij dat zij zich bevlekt heeft

met onrechtvaardig vergoten bloed of eenige andere dergelijke daden

gedaan heeft, welke daarmeê verwant zijn of de werken zijn van verwante

zielen, dan ontvlucht elk die ziel en gaat haar uit den weg, en niemand

wil haar tochtgenoot of gids zijn, [Kanttekening: 108C] maar zij

doolt op-zich-zelf in volslagen hulpeloosheid totdat bepaalde tijden

verstreken zijn, waarna zij door de noodzakelijkheid gevoerd wordt naar

de haar passende woonplaats. Maar de ziel die rein en gematigd haar

leven heeft doorgemaakt, treft als tochtgenooten en gidsen goden, en

gaat wonen elk in de haar passende plaats. En er zijn vele wonderlijk

schoone verblijven op aarde, en de aarde zelf is noch van dien aard,

noch van die grootte als verondersteld wordt door hen die gewoon

zijn over haar vertoogen te houden, gelijk ik door zeker iemand ben

overtuigd geworden.

[Kanttekening: 108D] En Simmias zeide: Hoe bedoelt gij dat, o Sokrates?

Want omtrent de aarde heb ik ook zelf vele dingen gehoord, niet

evenwel wat uwe overtuiging is. Gaarne zoû ik die dus hooren.--Wel,

Simmias, het lijkt mij waarlijk niet een kunst als die van Glaukos,

te verhalen welke die is; te bewijzen evenwel dat zij de ware is,

komt mij moeilijk voor, boven de kunst van Glaukos. En zoude ik

misschien daartoe niet eens in-staat zijn, zeker is tevens, al

verstond ik het, mijn leven, o Simmias, dunkt mij, voor de lengte van

het betoog niet toereikend. De gedaante [Kanttekening: 108E] echter

der aarde, hoedanig die naar mijn overtuiging is, en hare streken,

verhindert niets mij te beschrijven.--Maar ook dat, zeî Simmias, is

voldoende.--Mijn overtuiging dan is het, dat in de eerste plaats,

wanneer de aarde rond is en zich in het midden van den hemel bevindt,

zij [Kanttekening: 109A] noch de lucht noodig heeft om niet te vallen,

noch eenigen anderen noodzakelijken steun, maar dat toereikend is

om haar op te houden de alzijdsche zelf-evenredigheid van den hemel

en de evenwicht-stand der aarde zelve. Want een zaak in evenwicht

geplaatst in het midden van iets evenredigs zal noch meer, noch minder

zich ergensheen kunnen bewegen, maar in gelijkmatigen stand zijn en

onbewogen blijven. In de eerste plaats dan, zeî hij, is dit mijn

overtuiging.--En terecht, sprak Simmias.--Verder dan, zeî hij, is zij

algroot, en wij, van de Phasis tot aan de zuilen van [Kanttekening:

109B] Herakles, wonen in een zeer klein gedeelte rondom onze zee als

mieren of kikkers om een moeras, en vele anderen wonen elders in vele

dergelijke plaatsen. Want aan alle zijden om de aarde heen zijn er

vele holen en allerhande, zoowel in gedaante als in grootte, naar

welke water en lucht samenvloeien. Maar de aarde zelf ligt rein in

een reinen hemel, waarin de sterren zijn en welken aither noemen de

meesten van hen die gewoon zijn over [Kanttekening: 109C] zoodanige

dingen te verhandelen. Van dezen aither vormen die lucht en dat water

de onderlaag, en zij vloeien voortdurend samen naar de holen der aarde.

Wij nu bemerken niet, dat wij in haar holen wonen, maar meenen boven op

de aarde te wonen, evenals iemand midden op den bodem der zee wonende

zoû meenen aan haar oppervlakte te wonen, en door het water heen de

zon en de overige sterren ziende, [Kanttekening: 109D] zoû meenen,

dat de zee de hemel was, terwijl hij uit traagheid en krachteloosheid

nooit de oppervlakte der zee zoû bereikt hebben en nooit opgedoken

en met zijn hoofd boven de zee hier rond-gekeken zoû hebben in dit

verblijf hier, hoeveel reiner en schooner het is dan bij hem, en het

ook niet van een ander zoû hebben gehoord. Dat-zelfde dan is ook met

ons het geval; want wij wonen in een soort holte der aarde en meenen,

dat wij bovenop haar wonen, en wij noemen de lucht hemel, omdat wij

door haar heen de sterren [Kanttekening: 109E] zien wandelen. Verder

zijn wij uit krachteloosheid en traagheid niet in-staat ons op te

werken naar de oppervlakte der lucht. Want indien iemand den spiegel

daarvan bereiken kon of vleugels kreeg en daarheen opvloog, dan zoû

hij, bovengekomen, evenals hier de visschen die opduiken boven de zee,

de dingen hier zien, zoo ook de dingen daar gewaar-worden, en indien

zijn natuur dien aanblik kon [Kanttekening: 110A] verdragen, inzien

dat dat de ware hemel en het ware licht en de ware aarde is. Want deze

aarde en hare steenen en de geheele streek hier zijn, evenals de dingen

in de zee door het zeewater, verdorven en ingevreten, en evenals er

in de zee niets noemenwaards groeit en daar om-zoo-te-zeggen niets

volkomen is, maar enkel kuilen en zand en onoverkomelijk veel modder en

slijk, overal waar grond is, en niets wat maar eenigszins vergelijking

verdient met de schoone dingen bij ons, zoo zouden de dingen daarginds

nog veel meer de dingen hier bij ons schijnen te overtreffen.

[Kanttekening: 110B] Want als ik u ook een sproke mag vertellen, is het

der moeite waard te hooren, o Simmias, hoe de dingen op de aarde onder

den hemel er uitzien.--Voorwaar, sprak Simmias, o Sokrates, wij zullen

met vreugde naar die sproke hooren.

--Er wordt dan verhaald, zeide hij, o mijn vriend, in de eerste

plaats dat de aarde zelf, wanneer men haar van-boven-af beschouwt,

zoodanig is om aan te zien, als de uit twaalf huidrepen vervaardigde

ballen, bont en met kleuren onderscheiden, van welke de kleuren hier,

die onze [Kanttekening: 110C] schilders gebruiken, als stalen zijn.

Doch daarginds is de geheele aarde uit zoodanige samengesteld, en

uit kleuren nog veel schitterender en zuiverder dan deze. Want éen

deel is purperrood en wonderlijk schoon, een tweede goud-vervig, het

derde wit, maar witter dan gips of sneeuw, en zoo is zij éenerwijs

samengesteld uit de overige kleuren en uit nog meerdere en schoonere

dan wij gezien hebben. Want juist die holten der aarde vol water

en lucht geven, [Kanttekening: 110D] stralende in de bontheid der

overige kleuren, een weêr-schijn van kleur, zóo, dat zij over haar

éen aanéen-gesloten bonten schijn spiegelen. Op die zoodanige aarde

groeien de kruiden overeenkomstig, boomen en bloemen en vruchten.

En ook de bergen éenerwijs, en de steenen hebben naar dezelfde

overeenkomst gladheid en doorschijnendheid en kleuren schooner. Daarvan

zijn ook die zoo geschatte steenen hier brokjes, sardion en iaspis

en smaragd en dergelijke. Doch dáar is niets dat niet zoodanig is of

nog [Kanttekening: 110E] schooner dan deze. De reden daarvan is, dat

die steenen daar zuiver zijn en niet ingevreten en verdorven als de

steenen hier zijn door rotting en vuil, door het bezinksel dat hier

samenstroomt, en dat steenen zoowel als aarde en den levenden wezens

en planten mismaaktheid en ziekte toebrengt. De aarde zelf nu is

behalve met al deze dingen, verder nog gesierd met goud en zilver en

de overige dergelijke. [Kanttekening: 111A] Want die zijn daar open

en bloot, veel in menigte en groot en op vele plaatsen op de aarde,

zoodat haar te zien een schouwspel is voor gelukzalige toeschouwers.

En zoowel vele andere levende wezen zijn op haar als ook menschen,

sommigen in het binnenland wonend, anderen om de lucht heen, zooals

wij om de zee, anderen weêr op eilanden, welke de lucht omvloeit,

vlak bij het vasteland, en in-éen-woord, wat bij ons het water en de

zee is voor onze behoeften, dat is daar de lucht, en wat voor ons

de [Kanttekening: 111B] lucht is, is voor hen de aither. En hare

getijden zijn zoo getemperd, dat die-daar zonder ziekten zijn en veel

langeren tijd leven dan de menschen hier, en in gezicht en gehoor

en reuk en alle dergelijke zijn zij van ons verscheiden in dezelfde

mate als lucht van water en aither van lucht in reinheid verschilt.

Ook hebben zij tempelhoven en heiligdommen der goden, in welke in

werkelijkheid de goden inwoners zijn, en stemmen en waarzeggingen en

[Kanttekening: 111C] verschijningen der goden en zoodanigen omgang

met hen, van aangezicht tot aangezicht. En de zon en de maan en de

sterren worden door hen gezien zooals zij werkelijk zijn, en hun

verdere gelukzaligheid is daarbij aansluitend. Met de aarde als geheel

dan nu en de dingen die om haar zijn, staat het zoo geschapen. Doch

de streken in haar naar hare uithollingen zijn vele in een kring om

haar heen, sommige dieper en uitgestrekter dan die waarin wij wonen,

andere zijn dieper, maar hebben smallere gaping, [Kanttekening: 111D]

andere ook zijn korter van diepte dan deze hier en vlakker. Deze alle

zijn in vele richtingen onder de aarde met elkander verbonden langs

engere en wijdere kanalen, en hebben verlaten waardoor veel water

stroomt van de éene in de andere als in mengvaten, en onmetelijk groote

eeuwigstroomende rivieren onder de aarde van warm en van koud water, en

veel vuur en groote vuurrivieren, en vele stroomen van vloeibaar slijk

met kleiner en grooter [Kanttekening: 111E] moddergehalte, evenals in

Sikelia de modderrivieren vóor de uitbarsting en de uitbarsting zelf.

Dat alles wordt op-en-neêr bewogen door een soort schommelwerking die

zich in de aarde bevindt, en deze schommelbeweging heeft plaats door

de volgende natuurlijke oorzaak. Eén der holen in de aarde is zoowel

overigens het grootste als ook door de geheele aarde heen geboord, dat

waarvan Homeros spreekt, [Kanttekening: 112A] als hij zegt:

Zeer ver weg waar diep onder de aard de geweldigste kloof is;

dat ook elders zoowel hij als vele andere der dichters den Tartaros

noemen. Naar deze holte namelijk stroomen al de rivieren samen en weêr

daaruit weg. En alle nemen de geaardheid aan van de grondlaag waardoor

zij stroomen. De reden nu, dat daar uit- en invloeien al de stroomen,

is [Kanttekening: 112B] dat dat vochtige geen bodem of grondslag

heeft. Het zweeft dan en golft op-en-neêr, en de lucht en de adem die

er omheen is, doet hetzelfde. Want die gaat mede, zoowel wanneer het

naar gene als naar deze zijde van de aarde zich beweegt, en evenals

bij ademhalenden voortdurend de adem blazend uit- en opgesnoven wordt,

zoo veroorzaakt ook daar de adem die met het vochtige medevaart,

verschrikkelijke en geweldige stormen bij zijn in- en uitgaan. Wanneer

nu het water naar de zoogenaamde beneden-gelegen plaats terugwijkt,

vloeit het door de aarde binnen langs de genoemde beddingen en vult die

als met pompen. En wanneer het weêr vandaar wegloopt en hierheen trekt,

vult het weêr het stroomgebied hier, en als [Kanttekening: 112C] dat

vol is, stroomt het uit door de kanalen en door de aarde en wanneer elk

der stroomen bereikt de bepaalde plaats waarheen zij reizen, vormen zij

zeeën en meren en rivieren en bronnen. En vanhier duiken zij weêr onder

de aarde, [Kanttekening: 112D] deels langs langere en meerdere omwegen,

deels langs weinigere en kortere, en storten zich weêr in den Tartaros,

deels veel lager dan zij zijn uitgepompt, deels weinig lager. Maar alle

stroomen lager in dan de plaats van uitvloeiing. En sommige stroomen

vlak tegenover de plaats waar zij binnen uitgestroomd waren, en andere

omtrent hetzelfde gedeelte. Enkele ook gaan geheel rond in een kring,

hetzij éens, hetzij meermalen zich kronkelend om de aarde als de

slangen en vallen zooveel mogelijk naar onder afgedaald [Kanttekening:

112E] binnen. En mogelijk is het van weêrskanten te dalen tot het

middelpunt, maar verder niet. Want verder wordt voor beiderlei stroomen

het aan weêrskanten gelegen deel weder opgaand.

Terwijl nu de overige stroomen vele en groote en allerhande zijn,

bevinden zich onder die vele voornamelijk vier, van welke de grootste

en die ’t meest aan den buitenkant in een kring rond-stroomt, de

zoogenaamde Okeanos is; en daar vlak tegenover is in tegengestelde

richting stroomende [Kanttekening: 113A] de Acheroon, welke zoowel door

andere woeste streken stroomt als ook onder de aarde vloeiende uitloopt

in het Acheroesische meer, waarheen de zielen der meeste afgestorvenen

komen en daar zekere gezette tijden, de éene langer, de andere korter,

verblijven, en dan weder uitgezonden worden tot de geboorten der

levende wezens. Tusschen deze twee in ontspringt de derde en stort zich

dicht bij zijn oorsprong in een uitgestrekt gebied, dat van veel vuur

brandt, en vormt daar een meer grooter dan bij ons de zee, ziedend van

water en slijk; vandaar loopt [Kanttekening: 113B] hij rond in een

kring, troebel en modderig, en zich kronkelend om de aarde, komt hij

onder meer ook langs de zoomen van het Acheroesische meer, doch zonder

zich met het water daarvan te vermengen; en na zich vele malen onder de

aarde te hebben rondgewenteld, ontlast hij zich in de diepere deelen

van den Tartaros. Deze is het, dien zij den Pyriflegethoon noemen, uit

welken ook de lava-uitbarstingen overal waar zij op aarde voorkomen,

fragmenten omhoog spuwen. Aan dezen tegenover ontspringt de vierde,

eerst in een verschrikkelijke en woeste streek, zooals verhaald wordt,

en die geheel de kleur heeft van [Kanttekening: 113C] kyaansteen, welke

men de Stygische heet, en het meer, dat de rivier vormt door er zich in

uit te storten, de Styx. Na zich hierin gestort te hebben en geweldige

kracht in het water verkregen te hebben, duikt de rivier onder de aarde

en loopt kronkelend tegenovergesteld aan den Pyriflegethoon en ontmoet

dien van tegenover bij het Acheroesische meer; doch ook haar water

vermengt zich niet met eenig ander, maar ook zij gaat in een kring om

en loopt uit in den Tartaros tegenover den Pyriflegethoon. En haar naam

is, zooals de dichters zeggen, Kokytos.

[Kanttekening: 113D] Met deze dan staat het zoo geschapen; en wanneer

nu de afgestorvenen de plaats bereikt hebben waarheen elk zijn daimoon

brengt, worden eerst bij rechtspraak geschift zij die op schoone en

heilige wijze geleefd, en zij die dat niet hebben. En die bevonden

worden middelsoortig geleefd te hebben, trekken naar den Acheroon en

bestijgen daar de vaartuigen die voor hen bestemd zijn, en bereiken

daarop het meer, en daar wonen zij en door zich te heiligen en voor

hun misslagen straffen te ondergaan, reinigen zij zich van wat een

ieder heeft misdreven, en voor hun goede daden behalen zij loon,

elk naar zijn verdiensten. [Kanttekening: 113E] Maar die geoordeeld

worden ongeneeslijk te zijn door de grootte hunner misdrijven, hetzij

zij vele groote tempel-rooven of vele ongerechtigde wettenschennende

moorden hebben gepleegd of zooveel andere dergelijke misdaden er

zijn, dezen werpt het hun toekomend lot in den Tartaros, waar zij

nooit meer uitkomen. Doch die geoordeeld worden wel geneeselijke,

maar toch groote misdaden begaan te hebben, doordat zij bij-voorbeeld

geweld gepleegd hebben in drift tegen vader of moeder, en daar in hun

verder [Kanttekening: 114A] leven berouw over hebben gehad, of die op

eenige andere zoodanige wijze doodslagers zijn geworden, die moeten

wel noodzakelijk in den Tartaros geworpen worden, doch wanneer zij

daar eenmaal ingeworpen zijn en daar een jaar geweest zijn, werpt de

stroom hen weêr uit, de doodslagers langs den Kokytos, en die zich aan

vader of moeder vergrepen hebben, langs den Pyriflegethoon. Wanneer

zij nu drijvende gekomen zijn op de hoogte van het Acheroesische meer,

roepen zij daar luide, de éenen hen die zij gedood, en de anderen hen

aan wie zij geweld gepleegd hebben; en als zij hen tot zich hebben

geroepen, bidden en [Kanttekening: 114B] smeeken zij hun, dat zij hun

toelaten uit te stijgen in het meer en hen opnemen. En wanneer zij hen

overreden, stijgen zij uit en komen van hun ellende af. Doch zooniet,

dan worden zij weêr teruggevoerd naar den Tartaros en vandaar weêr in

de rivieren en zij houden niet eerder op dit te ondergaan, vóor zij

overreed hebben hen die zij hebben verongelijkt. Want deze straf is hun

door de rechters opgelegd. Doch die geoordeeld worden bizonder heilig

te hebben geleefd, dat zijn degenen, die uit deze plaatsen in de aarde

bevrijd en verlost worden als uit gevangenissen, [Kanttekening: 114C]

en die boven hunne reine woning bereiken en zich boven op de aarde

vestigen. En onder dezen-zelven leven zij die zich door wijsbegeerte

genoegzaam gereinigd hebben, voor heel den toekomenden tijd zonder

lichamen, en zij komen in nog schoonere woningen dan die der anderen,

welke het noch gemakkelijk is te beschrijven, noch is de tijd voor

’t oogenblik toereikend. Doch op grond van de zaken die wij samen

besproken hebben, o Simmias, behooren wij alles in te spannen om aan

deugd en verstandelijk inzicht in ons leven deel te krijgen. Want

schoon is de prijs en de verwachting groot.

[Kanttekening: 114D] Om nu van deze dingen te willen volhouden, dat

zij juist zoo zijn, als ik heb uiteengezet, past een verstandig man

niet; dat evenwel òf deze dingen de waarheid zijn òf iets dergelijks

met betrekking tot onze zielen en hare woonplaatsen, aangezien de ziel

onsterfelijk blijkt te zijn, dàt te verzekeren lijkt mij wel passend

en de moeite waard voor iemand die meent dat het zoo is, het erop te

wagen; want schoon is de kans. En men behoort zich-zelf deze dingen

als een bezwering toe te zingen; waarom ik dan ook al-lang de sproke

rek. Maar op deze gronden behoort goedsmoeds te zijn betreffende zijn

eigen ziel een man die in zijn leven [Kanttekening: 114E] de overige

lusten die met het lichaam te maken hebben, en den tooi van dat lichaam

heeft laten varen als hem vreemd, en in de meening dat die meer kwaad

dan goed doen, maar met de lusten die uitgaan naar kennis, ernst heeft

gemaakt en zijn ziel heeft getooid niet met vreemden, maar met den

haar eigen tooi, bezadigdheid en rechtvaardigheid en manmoedigheid en

vrijheid en waarheid, en die [Kanttekening: 115A] zoo de reis naar

Hades afwacht, gereed die te aanvaarden wanneer het noodlot roept.

Gijlieden nu, zeide hij, o Simmias en Kebes en gij overigen, zult een

ander keer elk op den bepaalden tijd die reis ondernemen; doch mij

roept nu reeds, zoû een tragedie-dichter zeggen, het noodlot, en het is

vrij-wel tijd voor mij om tot het bad over te gaan; want het dunkt mij

beter een bad te nemen vóor ik het gif drink, en den vrouwen niet den

last te bezorgen een lijk te wasschen.

Platoons Phaidoon · 第 6 / 7 段