eigen zich snel te ontbinden, maar aan de ziel van-haren-kant
geheel-en-al onontbindbaar te zijn of iets [Kanttekening: 80C] wat
daaraan nabij-komt?--Hoe zoû het niet?--Voor uw oogen nu ziet gij, dat
wanneer de mensch gestorven is, zijn zichtbaar deel en wat tot het
gebied van het zichtbare behoort, wat wij lijk noemen, waaraan het
eigen is zich te ontbinden en uitéen te vallen, niets van deze dingen
oogenblikkelijk ondergaat, maar vrij langen tijd in-stand-blijft,
en wel wanneer iemand sterft met een jong-krachtig lichaam en op
jong-krachtigen leeftijd, zelfs zeer lang. Ja, als het lichaam
leêggehaald wordt en gebalsemd, als de lijken die men in Aigyptos
balsemt, blijft het een oneindig langen tijd zoo goed als in zijn
geheel. En ook wanneer het lichaam verrot, dan zijn er toch enkele
deelen, zooals [Kanttekening: 80D] de beenderen en de zenuwen en alle
dergelijke, die om-zoo-te zeggen onsterfelijk zijn. Of niet?--Ja
zeker.--En de ziel dan, ons onzienlijk deel, die heengaat naar een
dergelijke woonplaats die eveneens edel en rein en onzienlijk is, naar
het huis van den in-waarheid Onzienlijke, van Hades, tot den goeden en
wijzen god, (waarheen, als god wil, zoo-dadelijk ook mijn ziel moet
gaan)--is dan deze ziel die zoodanig is en van zulk een natuurlijken
aard, zoodra zij het lichaam verlaat, terstond uitéen-geblazen en
vergaan, zooals de groote menigte der menschen [Kanttekening: 80E]
beweren? Ver is het daarvandaan, o beminde Kebes en Simmias, maar
veel-eer gaat het zóo. Wanneer zij rein zich afscheidt, zonder iets
van het lichaam met zich mede te sleepen, daar zij in het leven zelf
met-vrijen-wil daarmede geen enkele gemeenschap had, maar het lichaam
ontvluchtte en zich op-zich-zelve samengetrokken hield, aangezien zij
daarvan steeds haar leefoefening maakte--en dit is niets anders dan
de ordelijke wijze van wijsgeerig-zijn en inderdaad de oefening in
het reede sterven. Of [Kanttekening: 81A] zoû dit niet oefening tot
den dood zijn?--Ja, volkomen.--Als zij nu in dien reinen staat is,
gaat zij dan niet heen tot het haar verwante, het onzienlijke, dat is
het goddelijke en onsterfelijke en wijze, waarheen gekomen zij in de
gelegenheid is gelukzalig te zijn, van verbijstering en onverstand en
vreezen en wilde liefden en van de overige menschelijke kwaden verlost,
en terwijl zij, zooals van de ingewijden gezegd wordt, naar-waarheid
haren overigen tijd met de goden doorbrengt? Moeten wij zóo betuigen, o
Kebes, of anders?--Neen, zóo, bij Zeus, zeî Kebes.--Doch [Kanttekening:
81B] wanneer zij, denk ik, bezoedeld en ongereinigd van het lichaam
zich afscheidt, daar zij steeds met het lichaam samen-was en dat diende
en liefhad en onder de bekoring was van het lichaam zelf en zijn
begeerten en lusten, zoodat niets anders haar waarachtig scheen dan
het lichaam-gelijke, dat men kan aanraken en zien en drinken en eten
en aanwenden tot liefdegenot, terwijl zij wat voor de oogen duister is
en onzienlijk, maar zuiver-denkbaar en door de wijsbegeerte te vatten,
gewoon was te haten en te duchten en te ontvluchten,--meent gij, dat
eene ziel in dien toestand [Kanttekening: 81C] louter op-zich-zelf
zich afscheidt?--Neen, volstrekt niet.--Maar zelfs doortrokken, denk
ik, van het lichaam-gelijke dat de dagelijksche omgang en gemeenschap
met het lichaam wegens het voortdurend samenzijn en de lange praktijk
haar als een tweede natuur heeft ingeschapen?--Voorzeker.--Doch voor
nederdrukkend, o mijn vriend, moet men dat houden en voor zwaar en
aard-gelijk en zichtbaar. Door welken last dan ook de zoodanige ziel
wordt bezwaard en teruggetrokken naar haar zichtbaar verblijf, terwijl
zij uit vrees voor het onzienlijke en Hades, [Kanttekening: 81D] naar
verhaald wordt, om de gedenkteekenen en graven blijft ronddolen, in
wier buurt dan ook verscheidene schaduw-gelijke spookselen van zielen
gezien zijn, schijngestalten zooals dergelijke zielen vertoonen, die
zich van het lichaam hebben losgemaakt niet rein, maar deelhebbende
aan het zichtbare; waardoor zij dan ook gezien worden.--Dat klinkt
waarschijnlijk, o Sokrates.--Ja, wel waarschijnlijk, o Kebes. En
ook dat dit volstrekt niet de zielen der goeden zijn, maar die der
slechten, welke gedwongen worden in zulke buurten rond te dwalen,
boete doende voor hare vroegere leefwijze, die eene verkeerde was. En
zoolang dwalen zij, tot zij door het verlangen van het lichaam-gelijke
[Kanttekening: 81E] dat haar nakleeft, weêr opnieuw binnen een
lichaam worden ingekluisterd. En dat worden zij, als waarschijnlijk
is, in lichamen van dergelijke zeden als zij in haar leven mogen
beoefend hebben.--Wat-voor lichamen en zeden bedoelt gij daarmeê,
o Sokrates?--Dat bij-voorbeeld zij die vraatzucht en ontucht en
drankzucht in praktijk hebben gebracht, en wel zonder schaamte of
ontzag, zich waarschijnlijk belichamen in het ras van ezels en
dergelijke beesten. Of denkt gij van-niet?--Ja, zeer [Kanttekening:
82A] waarschijnlijk is wat gij zegt.--En dat zij die onrecht en
heerschzucht en roof hebben bovenaan-gesteld, zich belichamen in
het ras van wolven en haviken en wouwen. Of waarheen anders zeggen
wij dat dergelijke zielen zouden gaan?--Buiten-kijf, zeî Kebes, tot
iets dergelijks.--Ligt dus niet voor-de-hand ook in welke andere
lichamen elk der zielen komen moge volgens haar eigen verwantschap
van leefwijze?--Ja, hoe zoû het niet?--Zijn dus niet ook van hen de
gelukkigsten en gaan niet naar de aangenaamste woonplaats diegenen
welke de staats- en burger-deugd [Kanttekening: 82B] betracht
hebben, die men bezonnenheid en rechtvaardigheid noemt, al was deze
verkregen tengevolge van gewoonte en oefening en buiten wijsbegeerte
en gedachte?--In welk opzicht dan zijn dezen de gelukkigsten?--Omdat
dezen waarschijnlijk terugkeeren in een dergelijk maatschappelijk en
ordelievend ras, als bijen of wespen of mieren, of misschien ook in
hetzelfde, menschelijke geslacht, en dan bezadigde mannen worden.
Doch tot het geslacht der goden is het niet oorbaar, dat iemand
komt die niet wijsgeer geweest is en niet vol-eindig [Kanttekening:
82C] rein van hier weggaat, dus uitsluitend aan den leergierige.
En wel daarom, o vriend Simmias en Kebes, onthouden de ordelijk
wijsgeerigen zich van al de lichamelijke begeerlijkheden en zijn
standvastig en geven zich er niet aan over, volstrekt niet uit vrees
voor vermogensverlies en armoede zooals de groote menigte en de
geldgierigen, en ook weêr niet beducht voor eerverlies en den kwaden
naam van slechtheid als de heerschzuchtigen en eergierigen, onthouden
zij zich ervan.--Ja, want dat zoû hun ook niet passen, o Sokrates, zeî
Kebes.--Neen, voorwaar bij Zeus, [Kanttekening: 82D] zeî de ander.
Daarom dan zeggen diegenen, o Kebes, die zich iets aan hun ziel gelegen
laten en die dus voor iets heel anders leven dan de ontwikkeling van
eenig lichaam, al dien anderen vaarwel en trekken niet denzelfden
weg met hen die immers niet weten waarheen zij gaan, maar in de
meening, dat men de wijsbegeerte en hare verlossing en reiniging niet
mag tegenwerken, gaan zij den anderen kant uit en volgen haar langs
den weg waarop zij voorgaat.--Hoe bedoelt gij, o Sokrates?--Ik zal
het u zeggen. De leergierigen namelijk zien in, dat de wijsbegeerte
[Kanttekening: 82E] hun ziel aantreft vastverbonden in het lichaam en
daaraan vastgekleefd, en gedwongen om als door traliën van een kerker,
door tusschenkomst van dat lichaam en niet door eigen waarneming, het
bestaande te beschouwen, en zich wentelend in volslagen onwetendheid.
De wijsbegeerte nu merkt op, dat de geweldigheid van den kerker hierin
bestaat dat hij gevormd wordt door de begeerten van den gevangene,
zoodat deze zelf meest tot zijn gevangenschap [Kanttekening: 83A]
meê zal werken; en wanneer zij een ziel in dezen toestand aantreft,
begint zij (en dit zien, zooals ik zeg, de leergierigen in) haar
zachtmoediglijk op te beuren en onderneemt haar te verlossen. Daartoe
toont zij aan, dat van bedrog vol is de aanschouwing door middel
der oogen, en van bedrog vol de waarneming door middel der ooren en
der overige zintuigen, en overreedt de ziel (voor-zoo-ver zij niet
noodzakelijk daarvan moet gebruik maken), zich daarvan af te zonderen,
en spoort haar aan zich op-zich-zelf saam te trekken en te vergaderen,
en op niets anders te vertrouwen dan op-zich-zelf, op al wat van het
[Kanttekening: 83B] bestaande afzonderlijk zij zelf afzonderlijk
ziet met de gedachte, maar om al wat zij door andere middelen in
verschillende dingen verschillend aanschouwt, volstrekt onwaar te
achten; en dat de dingen der laatste soort zinlijk-waarneembaar
en zichtbaar zijn, terwijl wat zij zelf ziet, zuiver-denkbaar en
onzienlijk is. Omdat dan de ziel van den waarachtig wijsgeerige meent
dat zij zich niet tegen deze verlossing mag verzetten, onthoudt zij
zich van de lusten en begeerten en smarten en vreezen zooveel zij
kan, berekenende dat, wanneer iemand zich heftig verheugt of vreest
of begeert, hij tengevolge daarvan volstrekt niet een zoo klein kwaad
ondervindt als men zoû meenen, bij-voorbeeld [Kanttekening: 83C] dat
hij ziek zoû worden of geld uitgeven wegens zijne begeerten, maar dat
hij het allergrootste en alleruiterste kwaad daarvan ondervindt en
het niet berekent.--Wat is dat, o Sokrates? vroeg Kebes.--Dat de ziel
van iederen mensch, wanneer zij zich heftig verheugt of bedroeft over
iets, tegelijk gedwongen wordt te meenen dat datgene waaromtrent zij
dat meest ondervindt, het meest klaarblijkelijke en meest waarachtige
is, zonder dat het dat is. En dat zijn juist de zichtbare dingen.
Of niet?--Zeker.--Wordt nu niet de ziel in deze levenservaring zeer
sterk door het lichaam gekluisterd?--Hoe dan?--Doordat [Kanttekening:
83D] iedere lust en smart als een nagel heeft waarmeê zij haar aan
het lichaam vastnagelt en vasthecht en haar lichaam-gelijk maakt,
zoodat zij meenen gaat dat die dingen waarachtig zijn, welke ook het
lichaam zoo noemt. Want door dezelfde opvattingen te hebben als het
lichaam en zich in dezelfde dingen te verblijden wordt zij, denk ik,
gedwongen daarmeê éen te worden in levensrichting en voeding en geaard
om nooit rein naar Hades te komen, doch uit te gaan voor-altijd besmet
met het lichaam, zoodat zij weldra terugvalt in een ander lichaam
en als gezaaid daarin vastgroeit, en tengevolge hiervan verstoken
[Kanttekening: 83E] blijft van het samenzijn met het goddelijke en
reine en éenvormige.--Zeer waar spreekt gij, o Sokrates, zeî Kebes.
--Ter wille van deze dingen dan, o Kebes, zijn de eerlijk leergierigen
bezadigd en manmoedig, niet om de redenen die de groote menigte
daarvoor opgeeft. Of denkt gij van-wel?--Neen, zeker niet.--Het is ook
zoo niet; doch [Kanttekening: 84A] de ziel van een wijsgeerig man zal
redeneeren als ik boven deed, en meenen dat het niet behoorlijk is,
dat de wijsbegeerte haar verlossen wil, maar dat zij zelve ondanks
die verlossing zich weêr opnieuw aan de lusten en smarten ter binding
overgeeft en zoo maakt, dat het werk nooit afkomt, waardoor zij een
weefsel als van Penelope, maar in omgekeerden zin, ter hand zoû
nemen. Doch zoolang zij leeft, meent zij zóo te moeten leven dat zij
windstilte schaft van die hartstochten, de zuivere redeneering volgt en
altijd daarin is, het waarachtige en het goddelijke en [Kanttekening:
84B] het van meeningen onafhankelijke aanschouwt en daardoor gevoed
wordt. En wanneer zij gestorven zal zijn, meent zij te zullen komen tot
het zoodanige en het haar verwante, en zoo van de menschelijke kwaden
verlost te zullen zijn. Bij zulk eene voeding bestaat er geen gevaar
voor vrees, o Simmias en Kebes, dat de ziel in de afscheiding van het
lichaam verspreid zal worden, en door de winden uitéen-geblazen en
alzijds verwaaid verdwijnen zal, en nergens en niets meer zal zijn.
Stilte nu ontstond na deze woorden van Sokrates over [Kanttekening:
84C] langen tijd, en zooals duidelijk te zien was, verdiepte zoowel
Sokrates zelf als de meesten van ons zich in het gesprokene. Maar Kebes
en Simmias praatten zachtjes onder elkander. En Sokrates zag dit van
hen en vraagde: Wat is er? Komt u bij-geval het gesprokene gebrekkig
voor? Immers, er zijn nog vele tegenwerpingen mogelijk, als men deze
dingen toereikend wil doorvorschen. Als gij derhalve iets anders
bespreekt, heb ik niets gezegd. Maar als gij omtrent het gesprokene
met eenig ding verlegen zijt, laat dan niet uit schroom na om zoowel
zelf het te bespreken [Kanttekening: 84D] en uiteen te zetten, als het
u voorkomt dat het op eenige wijze beter zoû kunnen besproken worden,
als ook om mijne hulp in te roepen, als gij denkt samen met mij meer
te zullen opschieten.--En Simmias sprak: Welnu, o Sokrates, ik zal u
de waarheid zeggen. Elk van ons, moet gij weten, heeft een bezwaar, en
dringt al-lang den ander naar voren en spoort hem aan u te vragen; want
wij verlangen uw antwoord te hooren, maar schromen tevens lastig te
zijn uit vrees dat het u onaangenaam moge wezen om het ongeluk waarin
gij zijt.--Toen Sokrates dit gehoord had, lachte hij kalm en zeide:
Gij verbaast [Kanttekening: 84E] mij, o Simmias. Voorwaar, ik zal
wel moeilijk de overige menschen kunnen overtuigen, dat ik het geval
waarin ik ben, niet voor een ongeluk houd, daar ik immers zelfs ulieden
daarvan niet overtuigen kan, doch gij vreest, dat ik nu eenigszins
gemelijker zoû zijn dan in mijn vroeger leven. En, naar het lijkt, kom
ik u voor een slechter profeet te zijn dan de zwanen, die wanneer zij
voelen, dat zij moeten sterven, al zingen zij ook in den tijd voordien,
[Kanttekening: 85A] dàn het langst en bij-voorkeur zingen, verheugd
dat zij op het punt staan heen te gaan naar den god wiens dienaren zij
zijn. Maar omdat zij zelven voor den dood zich bang maken, vertellen
de menschen leugens ook van de zwanen en zeggen dat zij weeklagen
over hun sterven en dus uit smart zich dood zingen, en zij bedenken
niet dat geen enkele vogel zingt wanneer hij honger heeft of koude of
eenige andere smart, ook zelfs de nachtegaal niet en de zwaluw en de
hop van welke men beweert dat zij uit smart klaagliederen zingen. Doch
evenmin als deze uit smart zingen, komt het mij voor dat de zwanen
dit zouden doen, [Kanttekening: 85B] maar als de vogelen van Apolloon
zijn zij waarzeggend, en daar zij dus de goede dingen in Hades vooruit
weten, zingen zij en verheugen zij zich dien dag bizonderlijk, meer
dan in den vroegeren tijd. En ik ook zelf meen een mede-slaaf te zijn
der zwanen en gewijd aan denzelfden god, en denk dat ik geen mindere
zienersgave dan zij gekregen heb van mijn heer, en niet mismoediger
dan zij uit het leven wegga. Doch daarom behoort gij te zeggen en te
vragen wat gij gaarne wilt, zoolang de elfmannen der Atheners het
toelaten.--Schoon spreekt gij, zeî Simmias. En zoowel ik zal u zeggen,
waartegen ik bezwaar heb, als [Kanttekening: 85C] ook Kebes hier op
zijn beurt, in welk punt hij met het gesprokene niet kan instemmen. Ik
namelijk, o Sokrates, heb over dergelijke dingen een meening, misschien
dezelfde als gij, dat al is zeker-weten in ons tegenwoordig leven òf
onmogelijk òf iets zeer moeilijks, toch aan-den-anderen-kant alleen een
zeer flauwmoedig man het laten kan de dingen die erover gezegd worden,
op alle manieren op de proef te stellen en niet daarvan af te laten
vóor hij moede geworden is ze van alle kanten te beschouwen. Want men
moet, meen ik, daaromtrent éen van deze dingen bereiken, òf leeren of
zelf vinden hoe het ermeê staat, òf [Kanttekening: 85D] anders, als
dit niet mogelijk is, de uitnemendste en moeilijkst-weêrlegbare der
menschelijke redeneeringen nemen en daarop varende als op een vlot
de vaart door het leven wagen, als men niet in-staat is veiliger en
met minder gevaar die reis op een hechter vaartuig, eenige goddelijke
openbaring, te doen. En ook nu zal ik mij niet schamen mijn vraag
te stellen, daar ook gij daartoe aanmoedigt, en ik zal mij-zelf in
lateren tijd niet te beschuldigen hebben, dat ik nu niet gezegd heb
wat ik denk. Mij namelijk, o Sokrates, nu ik zoowel bij mij-zelf als
met Kebes hier het [Kanttekening: 85E] gesprokene naga, komt het
niet erg toereikend voor.--En Sokrates zeide: Ja, misschien schijnt
het u terecht zoo. Doch zeg mij in welk opzicht gij het ontoereikend
vindt.--In-zoo-verre, zeî de ander, als men ook omtrent een harmonie
en omtrent lier en snaren diezelfde redeneering zoû kunnen houden, dat
de harmonie iets onzichtbaars en onlichamelijks en iets alschoons en
goddelijks is in de gestemde [Kanttekening: 86A] lier, maar de lier
zelf en de snaren lichamen zijn en lichaam-gelijk en samengesteld en
aard-gelijk en met het sterfelijke verwant. Wanneer men nu de lier
stuk slaat of de snaren doorsnijdt of verbreekt, zoû men volgens
dezelfde redeneering als gij kunnen volhouden, dat noodzakelijk die
harmonie, nog bestaat en niet vergaan is. Want er bestaat geen kans,
zoû men kunnen redeneeren, dat, terwijl de lier na het verbreken der
snaren nog bestaat en de snaren zelf die van sterfelijken aard zijn,
de harmonie vergaan is, die van dezelfde natuur is als het goddelijke
[Kanttekening: 86B] en het onsterfelijke en daarmeê verwant, en die dan
eerder dan het sterfelijke zoû vergaan zijn. Maar noodzakelijk, kon
men zeggen, bestaat nog ergens de harmonie zelf voort, en eerder zal
het hout van de lier en de snaren verrotten vóor _zij_ eenig letsel
ondervindt... Immers, ik meen dat ook gij zelf, o Sokrates, wel eens de
gedachte moet gehad hebben, dat wij menschen ons het liefst zulk een
onderstelling van de ziel vormen, als was ons lichaam gestemd en werd
het samengehouden door warm en koud, droog en vochtig, en dergelijke,
zoodat dus de ziel uit de [Kanttekening: 86C] menging en de harmonie
van die dingen zelve bestaat, wanneer zij op schoone wijze en in juiste
verhouding tot elkander gemengd zijn. Als dus de ziel een-of-andere
harmonie is, dan is het duidelijk dat, wanneer ons lichaam boven-mate
verslapt of gespannen wordt door ziekten en andere kwaden, de ziel
noodzakelijk dadelijk vergaan is, al is zij nog zoo goddelijk, evenals
ook de overige harmonieën in de muziekinstrumenten en in al de werken
der kunstenaars, terwijl de overblijfselen van ieder lichaam nog langen
tijd hier bij ons blijven, totdat zij verbrand [Kanttekening: 86D] zijn
of verrot. Zie derhalve wat wij tegen die redeneering zullen zeggen,
wanneer iemand beweert, dat de ziel de menging is van de elementen des
lichaams en dus in den zoogenaamden dood het eerst omkomt.
Sokrates nu sloeg, zooals hij meest placht te doen, zijn oogen wijd
op en glimlachte en sprak: Inderdaad, Simmias maakt een gegronde
opmerking. Als derhalve iemand van ulieden gerechtvaardiger is dan
ik, waarom heeft hij hem niet reeds geantwoord? Want hij lijkt een
die onze redeneering duchtig aanpakt. Toch, dunkt mij, dat wij vóor
[Kanttekening: 86E] ons antwoord eerst nog van Kebes behooren te
vernemen, wat hij-van-zijn-kant op de redeneering heeft aan te merken,
opdat wij tijd winnen om te overwegen wat wij zullen zeggen. Later,
na ook hem gehoord te hebben, zullen wij, wanneer zij ons voorkomen
eenigszins wijsvast te zingen, dat toegeven, doch zoo niet, dan
eens-voor-goed onze rede verdedigen. Welaan dan, zeide hij, o Kebes,
wat was het, dat u verontrust?--Ik ga het dan zeggen, zeî Kebes.
Mij namelijk lijkt het, dat de redeneering nog in dezelfde stelling
is, en, wat wij vroeger beweerden, hetzelfde zwakke [Kanttekening:
87A] punt heeft. Want dat onze ziel bestond ook vóordat zij in deze
gestalte gekomen was, daartegen verzet ik mij niet, dat dit niet op
zeer behoorlijke en, als het niet onbescheiden is dat zoo te zeggen, op
zeer voldoende wijze aangetoond is; doch dat zij ook ná onzen dood nog
ergens zijn zal, lijkt mij zóo niet bewezen. Dat de ziel niet sterker
en duurzamer is dan het lichaam, geef ik aan Simmias’ tegenwerping
niet toe; want zij lijkt mij in al deze punten het lichaam zeer ver te
overtreffen. Waarom dan, zoû de redeneering kunnen zeggen, zijt gij nog
ongeloovig, daar gij ziet dat na den dood van den mensch het zwakkere
deel [Kanttekening: 87B] nog bestaat? Vindt gij niet dat het duurzamere
noodzakelijk nog behouden moet blijven in dien tijd? Beschouw met het
oog daarop het volgende, of ik daarmeê iets beweer. Ook ik natuurlijk,
naar ’t schijnt, evenals Simmias, heb eene vergelijking noodig. Deze
redeneering komt mij dan voor van dezelfde kracht te zijn als wanneer
men van een in hoogen ouderdom gestorven wever deze bewering zoû doen,
dat de mensch niet omgekomen is, maar ergens behouden voortbestaat, en
als bewijs zoû aannemen dat het kleed, dat de man zelf geweven had en
placht aan te hebben, behouden is en niet teloor-gegaan; en wanneer
iemand [Kanttekening: 87C] ongeloovig was, vragen zou wat duurzamer
is van-aard, een mensch of een kleed dat in gebruik is en gedragen
wordt, en op het antwoord dat de mensch veel duurzamer is van-aard,
het bewezen zoû meenen dat dus de mensch boven allen twijfel behouden
is, aangezien toch het minder duurzame niet omgekomen is. Dit, meen
ik, o Simmias, is niet zoo. (Want ook gij ga na wat ik zeg.) Ieder
toch zoû denken, dat de man die dit beweerde, een dwaasheid zeide.
Want die wever die vele dergelijke kleederen geweven en versleten had,
is wel na al die vele gestorven, [Kanttekening: 87D] maar eerder,
meen ik, dan zijn laatste kleed, en toch is daarom de mensch niets
minderwaardiger en zwakker dan een kleed. Diezelfde vergelijking, denk
ik, zoû der verhouding van ziel tot lichaam passen, en iemand die
dezelfde dingen omtrent hen zeide, zoû den schijn hebben verstandige
dingen te spreken, dat de ziel wel duurzamer is en het lichaam zwakker
en korter van duur, ja zelfs dat elke der zielen vele lichamen
verslijt vooral wanneer zij vele jaren leeft (want dat, wanneer nog
bij het leven van den mensch het lichaam verzwakt en vergaat, de ziel
voortdurend [Kanttekening: 87E] het verslijtende bijweeft); maar dat
toch noodzakelijk wanneer de ziel vergaat, zij haar laatste weefsel
omheeft en eerder vergaat dan dit éene, en dat pas na het vergaan
van de ziel het lichaam zijn natuurlijke zwakheid toont en snel door
verrotting uitéen-valt. Zoodat het nog niet aan te raden is op die
vroegere redeneering te vertrouwen en te gelooven dat, wanneer wij
gestorven zijn, [Kanttekening: 88A] onze ziel nog ergens bestaat. Want
als eens iemand aan den verkondiger uwer stellingen zelfs nog meer
gewonnen gaf en toestemde, dat niet alleen in den tijd vóordat wij
geboren waren, onze zielen bestaan, maar dat niets verhindert dat ook
nadat wij gestorven zijn, de zielen van sommigen nog bestaan en zullen
bestaan en vele malen zuilen geboren worden en weder sterven (want dat
het begrip ziel van-nature zoo sterk is, dat de ziel het uithoudt vele
malen geboren te worden), doch dat hij daarnaast nog niet toegaf, dat
zij niet in haar vele geboorten verzwakt en ten-slotte bij een harer
sterfgevallen geheel-en-al te-gronde-gaat, [Kanttekening: 88B] en dat
dat sterfgeval en die ontbinding van het lichaam, welke der ziel den
ondergang brengt, niemand van te voren weet; want dat het onmogelijk is
voor wien-dan-ook van ons dat voor te gevoelen? Doch als dat zoo is,
past, zonder verwijt van dwaasheid, gerust te zijn omtrent den dood aan
niemand, die niet kan bewijzen, dat de ziel geheel-en-al onsterfelijk
en onvergankelijk is. En als hij dat niet kan, moet noodzakelijk de
mensch die gaat sterven, voor zijn eigen ziel vreezen, dat zij bij de
ophanden ontbinding van het lichaam geheel-en-al zal te-gronde gaan.
Door aan te hooren wat beiden spraken, werden wij [Kanttekening: 88C]
allen onaangenaam aangedaan, zooals wij later elkander vertelden,
omdat zij ons die door de vroegere redeneering ten sterkste overtuigd
waren geworden, weder leken te ontrusten en in twijfel neêr te storten
niet alleen tegenover het vroeger behandelde, maar ook met betrekking
tot wat nog zoû gezegd worden, uit vrees dat wij nietswaardige
beoordeelaars zijn zouden, of ook dat de zaak zelf onbewijsbaar was.
ECHEKRATES: Voorwaar bij de goden, o Phaidoon, ik kan mij in uw gevoel
verplaatsen. Want ook bij mij zelven, nu ik u zoo iets heb hooren
zeggen, komt de gedachte op: op welke redeneering moeten wij dus nog
[Kanttekening: 88D] vertrouwen? Want de rede die Sokrates hield en die
zeer overtuigend was, is nu tot ongeloofwaardigheid gevallen. Want
wonderlijk grijpt mij die redeneering aan nu als altijd, dat onze
ziel een soort harmonie is, en nu ze weêr uitgesproken werd, maakte
zij mij als gedachtig, dat ik ook zelf vroeger al die opvatting had.
En ik gevoel weder groote behoefte als van-meet-af-aan naar eenig
ander bewijs, dat mij overtuigen zal, dat de ziel van den gestorvene
niet mede afsterft. Verhaal derhalve, bij Zeus, hoe achterhaalde
[Kanttekening: 88E] Sokrates de rede? En was het ook van hem, zooals
gij zegt van ulieden, eenigszins blijkbaar dat hij ontstemd was? Of
niet, maar kwam hij kalmgemoed zijn betoog te hulp? En deed hij dat
voldoende of gebrekkig? Verhaal ons alles zoo nauwkeurig als ge kunt.
PHAIDOON: Wel dan, o Echekrates, hoewel ik vele malen Sokrates
bewonderd heb, heb ik mij nooit meer over hem verbaasd dan toen bij
hem. Dat hij nu wist wat te zeggen, [Kanttekening: 89A] is misschien
niets vreemds; maar ik bewonderde meest van hem in de eerste plaats
dit, hoe vriendelijk en welwillend en waardeerend hij de redeneering
der jonge mannen opnam, verder hoe scherpzinnig hij van ons waarnam,
wat wij onder die redeneeringen geleden hadden, dan hoe goed hij ons
genas en ons als van de vlucht en de nederlaag weêromriep en aanspoorde
hem te volgen en met hem de redeneering te beschouwen.
ECHEKRATES: Hoe dan?